Rechtspraak 1999-03-05
ECLI:NL:RBGRO:1999:AA3499
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN SECTOR BESTUURSRECHT ENKELVOUDIGE KAMER Reg.nrs.: AWB 97/1070 BESLU V12 AWB 98/529 BESLU V12 U I T S P R A A K inzake de geschillen tussen A te B, eiser, gemachtigde: mr F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl en de minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder, gemachtigde, drs M.M. van Dongen, werkzaam bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, divisie Vorderingen. 1. FEITEN EN PROCESVERLOOP Naar aanleiding van een op 24 november 1996 te Delfzijl plaatsgevonden auto-ongeluk is op grond van artikel 130 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) op 25 november 1996 aan verweerder mededeling gedaan van het vermoeden dat eiser niet langer beschikte over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie(ën) B/E. Bij besluit van 12 december 1996, nr. 967893, heeft verweerder onder de overweging dat eiser op 24 november 1996 heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, WVW, bepaald dat eiser zich diende te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de categorie(ën) B/E. Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven gedateerd 22 januari 1997 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Bij besluit van 15 mei 1997, nr. 967893, heeft verweerder dit bezwaarschrift ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 juni 1997 beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 27 januari 1997 is verzoeker onderzocht door de zenuwarts C.J.F. Kemperman. In zijn rapport van 3 februari 1997 concludeert deze dat er volgens de DSM-IV criteria terzake van eiser geen sprake is van afhankelijkheid van alcohol, noch van misbruik daarvan. De bevindingen bij algemeen oriënterend intern onderzoek -een erythema palmare- en neurologisch onderzoek -het vrijwel afwezig zijn van een perifeer reflexpatroon- kan echter volgens deze arts op chronisch excessief alcoholgebruik wijzen. Voorts is uit laboratoriumonderzoek een verhoogde SGPT gebleken, hetgeen op excessief alcoholgebruik kan wijzen. Bij schrijven gedateerd 29 mei 1997 heeft verweerder eiser medegedeeld dat eiser niet geschikt wordt geacht tot het besturen van motorrijtuigen van de categorie(ën) B/E, op grond waarvan verweerder voornemens is eisers rijbewijs ongeldig te verklaren. Verweerder heeft eiser erop gewezen dat hij binnen twee weken na verzending van deze brief kan verzoeken om een tweede onderzoek. Van deze mogelijkheid heeft eiser gebruik gemaakt. Eiser is op 5 september 1997 onderzocht door de psychiater L.G. Reidsma. In zijn rapportage van 17 oktober 1997 concludeert deze dat eiser niet afhankelijk is van alcohol, voorts zijn er onvoldoende criteria om te besluiten tot de diagnose misbruik. Voorts zijn aanwijzingen gevonden voor chronisch alcoholgebruik. Bij het laboratoriumonderzoek zijn geen afwijkingen gevonden. In aanvulling op zijn rapportage heeft de deskundige Reidsma desgevraagd op 20 november 1997 verklaard dat bij eiser de DSM-IV diagnose alcoholmisbruik kan worden gesteld op grond van de volgende criteria: - het herhaaldelijk gebruik van het middel in situaties waarin het fysiek - gevaarlijk is (bijvoorbeeld autorijden of het bedienen van een machine als - men onder invloed is van het middel); - herhaaldelijk, in samenhang met het middel, in aanraking komen met - justitie (bijvoorbeeld aanhouding wegens verstoring van de openbare orde - in samenhang met het middel). Verweerder heeft voornoemde psychiater er -ter verkrijging van de aanvulling- op gewezen dat eiser op 28 februari 1997 is aangehouden wegens rijden onder invloed, waarbij een alcoholgehalte van 259 mg/l is geconstateerd. Bij besluit van 5 december 1997, nr. 967893, heeft verweerder naar aanleiding van twee onderzoeken naar de geschiktheid van eiser om motorvoertuigen te besturen van de categorie(ën) B/E: I. Als uitslag vastgesteld dat eiser niet geschikt wordt geacht om II. motorrijtuigen van de categorie(ë Op grond van artikel 130, eerste lid, WVW doen, indien bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de Minister van Verkeer en Waterstaat onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden terzake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels gesteld. Deze regels zijn door verweerder vastgesteld in de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (Stcrt 1996, nrs 81 en 101). Op grond van artikel 131, eerste lid, WVW besluit de minister, indien de in artikel 130, eerste lid, bedoelde schriftelijke mededeling naar zijn oordeel daartoe aanleiding geeft, dat de betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. In artikel 6, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid is onder meer bepaald, dat de minister besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, WVW, indien de betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, WVW. Het onderzoek naar de geschiktheid vindt ingevolge artikel 142 van het Reglement rijbewijzen (Stb. 1996, nr. 277) plaats aan de hand van de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid. Deze regels zijn door verweerder laatstelijk vastgesteld in de Regeling eisen geschiktheid (Stcrt 1996, nr. 117). Op grond van artikel 134, eerste lid, WVW stelt de minister zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige(n) de uitslag van het onderzoek vast. Van deze uitslag doet de minister mededeling aan betrokkene. Uit artikel 134, tweede en derde lid, WVW vloeit voort dat verweerder op basis van de voor hem vastgestelde uitslag van het onderzoek kan besluiten tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. In artikel 134, vijfde lid, WVW is bepaald dat bij ministeriële regeling onder meer nadere regels worden vastgesteld over het ongeldigverklaren van het rijbewijs. Deze regels zijn door verweerder vastgesteld in de voorgenoemde Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid. In deze regeling is in artikel 12 aanhef en onder b bepaald dat verweerder besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, WVW, indien de uitslag van het onderzoek, niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorvoertuigen. Deze eisen zijn door verweerder vastgelegd in de voorgenoemde Regeling eisen geschiktheid. In de bij die regeling behorende richtlijn 8:8 "chronisch misbruik van alcohol of drugs' van deze regeling is bepaald: 8.8. Chronisch misbruik van alcohol of drugs Voor personen met een voorgeschiedenis van "probleemgedrag" als gevolg van inname van alcohol of drugs is voor alle rijbewijzen een specialistisch rapport vereist. Zij zijn zonder meer ongeschikt zolang niet aannemelijk of aantoonbaar is (bij voorkeur blijkend uit een behandelingsverslag dat met schriftelijke toestemming van de betrokkene is verkregen) dat zij met misbruik van het middel zijn gestopt. Is dat laatste het geval dan dient een recidiefvrije periode van minstens één jaar te zijn gepasseerd voordat herkeuring, op basis van een specialistisch rapport, zinvol is. Het al dan niet bestaan van defecttoestanden is dan een belangrijk punt van overweging. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die gebruik van alcohol en drugs opleveren voor de verkeer