Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-27
ECLI:NL:RBGEL:2026:950
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/206364-23 Datum uitspraak : 27 januari 2026 Tegenspraak (artikel 279 Sv) vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1994 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsvrouw: mr. D. Kisteman, advocaat in Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 20 februari 2023 te Nijmegen, althans in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (in totaal) ongeveer 132,553 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat het inbeslaggenomen materiaal daadwerkelijk hennep als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet is. Daarnaast zou het vereiste opzet ontbreken, nu verdachte heeft toegelicht biomassa en geen henneptoppen te hebben besteld. Beoordeling door de rechtbank Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] beschrijven dat zij op 2 februari 2023 (de rechtbank begrijpt uit de overige processen-verbaal in het dossier dat 20 februari 2023 is bedoeld) het verzoek kregen om naar een transportbedrijf in Nijmegen te gaan. Bij dit bedrijf zouden henneptoppen gezien en geroken zijn in meerdere dozen. Toen de verbalisanten ter plaatse kwamen, zagen zij verschillende dozen gevuld met henneptoppen. [verbalisant 1] is tevens taakaccent houder hennep en komt in deze hoedanigheid regelmatig ambtshalve in contact met henneptoppen. Aan de vorm, geur, kleur en textuur herkende hij de henneptoppen. Even later kwam verbalisant [verbalisant 3] ook ter plaatse. Hij constateerde ook het bovenstaande. Verbalisant [verbalisant 4] , onder meer speurhondengeleider Verdovende Middelen binnen de douane, heeft de uitgestalde transparant plastic zakken in de loods gezien en hij rook de door kennis en ervaring opgedane geur van marihuana. In alle uitgestalde zakken zag hij, eveneens door kennis en ervaring opgedaan, toppen marihuana. Vervolgens zijn de henneptoppen gewogen door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Het nettogewicht van de henneptoppen kwam uit op 132,553 kilogram. Verdachte heeft verklaard dat hij de hennep bij een bedrijf in Verona (Italië) heeft besteld. Op 21 oktober 2021 is vastgelegd in de politiesystemen dat verdachte ervan uitging dat hij planten mocht bestellen, omdat zij een lage THC-waarde hadden. Hem is toen medegedeeld dat de Opiumwet niet over waardes praat, maar hennepplanten genoemd zijn in lijst II en hij deze dus niet in bezit mag hebben. Hem is medegedeeld dat een en ander wordt vastgelegd als politiewaarschuwing. Later aan het bureau bleek dat in 2020 ook al uitleg is gegeven aan verdachte in verband met wetgeving. De rechtbank is van oordeel dat uit bovengenoemde bewijsmiddelen volgt dat het aangetroffen materiaal hennep is in de zin van artikel 3 van de Opiumwet. Het verweer van verdachte, dat hij bedoelde hennep te importeren die niet onder de werking van de Opiumwet valt, slaagt niet. De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte ervan op de hoogte was dat hij geen hennep in bezit mocht hebben, ook niet als de planten een lage THC-waarde zouden hebben. Door, ondanks de waarschuwing uit 2021 en de uitleg in 2020, hennep te bestellen uit Italië heeft verdachte op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans aa Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is daarmee niet aannemelijk geworden. Het feit is derhalve strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte een beroep toekomt op verontschuldigbare dwaling. Hij verkeerde immers te goeder trouw in de veronderstelling dat hij een product bestelde en liet invoeren dat niet binnen het regime van de Opiumwet zou vallen. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een schulduitsluitingsgrond. Verdachte is derhalve strafbaar, aldus de officier van justitie. De rechtbank overweegt het volgende. Van verdachte mag worden verwacht dat hij zich ervan vergewist of hij hennep, in welke vorm dan ook, mag invoeren. Voor zover hij af zou zijn gegaan op mededelingen, een analyse en/of documentatie van de directeur van het Italiaanse bedrijf, waar hij de hennep van kocht, geldt dat hem op grond hiervan geen beroep toekomt op een verontschuldigbare dwaling. Immers is verdachte in 2021 gewaarschuwd door de politie dat hij geen enkele vorm van hennep in zijn bezit mag hebben. Daarnaast is in 2020 ook al uitleg aan verdachte gegeven in verband met wetgeving door de politie. Door, ondanks deze eerdere waarschuwing en uitleg, toch hennep in te voeren, is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet te goeder trouw in de veronderstelling kon verkeren dat hij een product bestelde en liet invoeren dat niet binnen het regime van de Opiumwet zou vallen. Het verweer van de verdediging dat sprake is van een verontschuldigbare dwaling wordt door de rechtbank verworpen. Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De voorwaardelijke verzoeken tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] De raadsvrouw heeft bij pleidooi de voorwaardelijke verzoeken gedaan [getuige 1] (directeur van de leverancier) en [getuige 2] (de laborant van de leverancier) als getuigen te horen. Het horen van beide getuigen is volgens de verdediging noodzakelijk om tot een behoorlijke beantwoording van de bewijsvraag te komen. Zij kunnen niet alleen verklaren over het THC-gehalte, maar hun verklaringen zijn ook noodzakelijk voor het opzetvraagstuk, aldus de raadsvrouw. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het horen van beide getuigen niet noodzakelijk is in het kader van de beantwoording van de vragen van artikel 348 Sv en 350 Sv. Daarom dient het verzoek worden afgewezen, aldus de officier van justitie. Gelet op het moment waarop de verzoeken door de raadsman zijn gedaan, zal de rechtbank deze verzoeken beoordelen aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Gelet op wat de rechtbank eerder onder “De strafbaarheid van de verdachte” heeft overwogen ten aanzien van de relevantie van het THC-gehalte, alsmede wat zij heeft overwogen ten aanzien het opzetvraagstuk, is de noodzaak van het horen van de twee getuigen niet gebleken. De rechtbank acht zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht en acht het horen van [getuige 1] en [getuige 2] niet relevant voor enige in de onderhavige zaak te nemen beslissing. Nu de noodzaak van het gevraagde de rechtbank niet is gebleken, wijst zij het verzoek af. 8 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met vergelijkbare zaken en het tijdsverloop van bijna 3 jaar. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termij