Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-02-05
ECLI:NL:RBGEL:2026:857
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/8250 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats 1], eiser (gemachtigde: P.W.M. Huisman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel , het college (gemachtigden: mr. F.A. Pommer en T. van Rijck). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van het gebruiken en het inrichten van een pand aan de [locatie 1] in [plaats 2] voor de huisvesting van arbeidsmigranten. 1.1. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college. Achtergrond 2. Eiser en de [naam stichting], waarvan eiser enig bestuurder is, zijn eigenaars en tegelijkertijd verhuurders van een groot aantal panden in onder meer [plaats 2] en [plaats 3]. Verder is eiser ook eigenaar van een loods waarin een champignonkwekerij is gevestigd op het adres [locatie 2] in [plaats 2] (de champignonkwekerij). Op 13 december 2023 heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van de inrichting en het gebruik van zijn pand dat is gelegen naast de champignonkwekerij, aan de [locatie 1] in [plaats 2] (het pand) voor de huisvesting van arbeidsmigranten. 2.1. Op 23 april 2024 heeft het college een adviesaanvraag ingediend bij landelijk Bureau Bibob (LBB) om advies uit te brengen ten aanzien van de vergunningaanvraag. 2.2. Op 12 augustus 2024 heeft het LLB een advies uitgebracht (het Bibob-advies). In dit Bibob-advies heeft het LLB geconcludeerd dat er een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde omgevingsvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Dit oordeel heeft het LLB gebaseerd op feiten en omstandigheden die volgens het LLB ernstig doen vermoeden dat eiser en [naam stichting] meermaals en recent strafbare feiten hebben gepleegd. 2.3. Met inachtneming van het Bibob-advies heeft het college op 20 augustus 2024 aan eiser het voornemen geuit om de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Op 9 en 12 september 2024 heeft eiser zijn zienswijze gegeven op dit voornemen. 2.4. Op 10 oktober 2024 heeft het college besloten om de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren (het bestreden besluit) op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob in samenhang met artikel 2.20, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college stelt, gelet op de conclusie van het Bibob-advies, dat er ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde omgevingsvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Aan deze zogenoemde ernstig gevaar conclusie liggen de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag: - Er is sprake van een ernstig vermoeden dat eiser heeft gehandeld in strijd met verschillende bepalingen uit het Bouwbesluit 2012 in de periode 16 december 2022 tot en met 20 december 2022, omdat er door toezichthouders van de gemeente Tilburg is geconstateerd dat er onder meer lekkages, vochtplekken en open stroompunten in de badkamer waren in een pand van eiser in [plaats 3]. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college van Tilburg) heeft hiervoor aan eiser een last onder dwangsom opgelegd op 19 januari 2023. Deze last is inmiddels onherroepelijk; Er is sprake van een ernstig vermoeden dat eiser heeft gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en artikel 97 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Tilburg (de APV van Tilburg) op 7 juli 2022, in de periode 12 mei 2022 tot enig moment voor 15 augustus 2022 en op 12 mei 2022, omdat er is g De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Toetsingskader Wet Bibob 6. Op grond van artikel 2.20 van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob kan het college een vergunningaanvraag weigeren als ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De rechtbank beoordeelt in de eerste plaats of het college, onder verwijzing naar de conclusies uit het Bibob-advies, heeft kunnen concluderen dat er feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat eiser dan wel [naam stichting] in relatie staan tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd. Voor zover een relatie tot strafbare feiten kan worden vastgesteld, beoordeelt de rechtbank of die strafbare feiten samenhangen met de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd. Van activiteiten die samenhangen met die waarvoor de beschikking is gevraagd, kan worden gesproken als het gaat om activiteiten die in elkaars verlengde liggen. Als een relatie tot strafbare feiten bestaat die samenhangt met de activiteiten waarvoor de vergunning is afgegeven, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of het weigeren van de omgevingsvergunning onevenredig is. Heeft het college het Bibob-advies ten grondslag kunnen leggen aan het besluit? 7. Eiser betoogt dat het college het Bibob-advies niet ten grondslag kon leggen aan het bestreden besluit. Eiser voert daartoe aan dat in het Bibob-advies ten onrechte is geconcludeerd dat hij en de [naam stichting] als overtreder kunnen worden aangemerkt van verschillende in het Bibob-advies genoemde overtredingen. Eiser stelt onder meer dat hij en de [naam stichting] niet als overtreder kunnen worden aangemerkt van de geconstateerde prostitutieactiviteiten in door hen verhuurde woningen in [plaats 3]. Weliswaar zijn de besluiten waarin eiser en de stichting onder dreiging van het verbeuren van een dwangsom zijn gelast om deze overtredingen te beëindigen onherroepelijk, maar dat heeft volgens eiser niet tot gevolg dat deze overtredingen aan eiser en de [naam stichting] kunnen worden toegerekend. Zo stelt eiser dat hij en de [naam stichting] deze overtredingen niet hebben aanvaard. Deze stelling onderbouwt eiser met verschillende stukken, zoals een verklaring van een toezichthouder en verschillende huurovereenkomsten waarin onder meer is opgenomen dat prostitutie is verboden. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij ten onrechte niet de mogelijkheid heeft gehad om het Bibob-advies vooraf in te zien waar mogelijk ook te reageren op het Bibob-advies en er hierdoor ten onrechte geen nader onderzoek is verricht naar de gestelde overtredingen die zijn genoemd in het Bibob-advies. 7.1. Artikel 3:9, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt: ‘ Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. ’ Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob luidt: ‘ Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om: strafbare feiten te plegen.’ Artikel 33, eerste lid, van de Wet Bibob luidt: ‘ Voordat een bestuursorgaan aan een beschikking voorschriften verbindt als bedoeld in artikel 3, zevende lid, en voordat een bestuursorgaan een voor de betrokkene en de in de voorgenomen beschikking in verband met deze gronden genoemde derde negatieve beslissing neemt op grond van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, dan wel op Enkel zaken die onherroepelijk vaststaan zijn meegenomen in de gevaarsconclusie van het Bureau Het Bureau heeft specifiek gekeken naar de samenhang van de zaken die een risico opleveren en de aangevraagde vergunning Hierbij heeft het Bureau ook rekening gehouden met de hoeveelheid overtredingen dan wel strijdigheden en het tijdsverloop Enkel recente en relevante zaken zijn meegewogen in het eindoordeel. (…) Gebleken is dat u, als verhuurder, structureel, in ieder geval herhaaldelijk en recent, wetgeving overtrad. U staat in relatie tot deze strafbare feiten omdat u deze feiten zelf heeft gepleegd, u leidinggevende en zeggenschaphebbende van [naam stichting] bent en [naam stichting] in een concern zakelijke samenwerkingsverband tot u staat. De strafbare feiten staan ook in relatie tot de aangevraagde vergunning. Er is dus sprake van samenhang tussen de strafbare feiten en de vergunning. Ook zijn de strafbare feiten recent gepleegd.’ 7.5. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de handhavingsbesluiten die zijn opgenomen in het Bibob-advies, onherroepelijk zijn. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling dient dan in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van deze besluiten en dus van deze overtredingen. 7.6. De rechtbank oordeelt dat het college zich voldoende heeft vergewist van de aan de weigering ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten in het Bibob-advies op een zorgvuldige wijze is verricht en de betrokken feiten de conclusies kunnen dragen zodat het college dit advies aan zijn besluit tot weigering van de omgevingsvergunning ten grondslag heeft kunnen leggen. Zoals hierboven is opgenomen dient, wanneer besluiten onherroepelijk zijn geworden, in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van die besluiten en mag het college in beginsel ook afgaan op het advies van het LBB. Eiser heeft met zijn stellingen dat de overtredingen uit die handhavingsbesluiten hem dan wel de [naam stichting] niet kunnen worden toegerekend niet bewerkstelligd dat in het Bibob-advies niet mocht worden uitgegaan van de juistheid van de handhavingsbesluiten. De stelling dat het LLB ten onrechte geen verder onderzoek heeft gedaan naar de vraag of eiser dan wel de stichting daadwerkelijk als overtreder konden worden aangemerkt en de stellingen dat de overtredingen niet kunnen worden toegerekend aan eiser dan wel de [naam stichting] brengen hierin geen verandering. Het had op de weg van eiser gelegen om dit aan te voeren in de procedures over die handhavingsbesluiten. Er is geen grond voor het oordeel dat het college in het kader van de vergewisplicht onderzoek doet naar de juistheid van onherroepelijke handhavingsbesluiten. Daarbij is van belang dat in het Bibob-advies is ingegaan op de stellingen van eiser en is geconcludeerd dat eiser de beschikkingsmacht had over de betreffende panden waar de overtredingen hebben plaatsgevonden. De huurovereenkomsten en de verklaring van de toezichthouder hebben naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg dat moet worden geconcludeerd dat eiser deze overtredingen niet heeft aanvaard en dat het college zich om die reden onvoldoende heeft vergewist van het Bibob-advies. De stelling van eiser dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om het Bibob-advies voordat het definitief was in te zien en daarop te reageren, doet aan het voorgaande niets af. Eiser heeft namelijk een afschrift van het college ontvangen waarin het college het voornemen heeft geuit om hem geen omgevingsvergunning te verlenen gelet op artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob. Het Bibob-advies maakte onderdeel uit van dit voornemen. In dit voornemen is eiser ook de mogelijkheid geboden om hierop zijn zienswijzen in te dienen. Van deze mogelijkheid heeft eiser vervolgens ook gebruikt gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet. Is sprake van samenhang tussen verschillende overtredingen en de aangevraagde omgevingsvergunning? 8. Eiser betoogt dat er geen sprake is van samenhang tussen de door het LLB genoemde Verder stelt eiser dat er geen noodzaak is tot weigering van de aangevraagde omgevingsvergunning. De feiten die het college heeft aangevoerd laten volgens eiser geenszins zien dat hij dan wel de [naam stichting] als niet integere (rechts)personen moeten worden gekwalificeerd. 9.1. Artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob luidt: ‘De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met: De mate van het gevaar; voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten’. 9.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Wet Bibob dat met dit artikel is beoogd te voorkomen dat de overheid door middel van bestuurlijke besluitvorming, zoals vergunningverlening, ongewild criminele activiteiten faciliteert. 9.3. In het bestreden besluit is onder meer het volgende opgenomen: ‘Minder vergaande maatregelen, zoals het verbinden van voorwaarden aan de omgevingsvergunning, bieden volgens ons onvoldoende mogelijkheden om het gevaar weg te nemen. In eerdere bestuurlijke handhavings- en vergunningstrajecten is gebleken dat u herhaaldelijk wet- en regelgeving overtrad en vervolgens moeizaam tot legalisering te bewegen bent. Deze trajecten laten geen verbetering van uw gedrag zien.’ 9.4. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit evenredig is als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob. De rechtbank acht hiertoe van belang dat eiser de genoemde belangen niet heeft onderbouwd. De rechtbank stelt voorop dat het college met de weigering vanwege de conclusies van het Bibob-toets criminele activiteiten wil voorkomen hetgeen een zwaarwegend algemeen belang is. Daarentegen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de werknemers in het pand woonden, deze werknemers niet op een andere locatie konden worden gehuisvest en deze werknemers werkzaam waren in de champignonkwekerij. Los van de vraag of de champignonkwekerij in bedrijf is of niet, merkt de rechtbank op dat de arbeidsmigranten ook ergens anders kunnen worden gehuisvest en vervoerd kunnen worden naar de champignonkwekerij. Met de enkele stelling van eiser ter zitting dat de meeste arbeidsmigranten geen rijbewijs hebben, wat ook van deze stelling zij, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de arbeidsmigranten niet vervoerd kunnen worden. Verder hebben zowel eiser als de [naam stichting] meerdere ernstige vermoedens tegen zich dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten dan wel overtredingen. Ook is blijkens het Bibob-advies het gevaar dat de omgevingsvergunning wordt gebruikt voor strafbare feiten, groot. Verder acht de rechtbank van belang dat aan eiser geen bestaand recht wordt afgenomen, maar een aangevraagd recht is geweigerd. Tot slot acht de rechtbank ook van belang dat het college in het bestreden besluit inzichtelijk heeft gemaakt dat minder vergaande maatregelen onvoldoende mogelijkheden bieden, omdat het gedrag van eiser geen verbetering vertoont. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de gevraagde vergunning mocht worden geweigerd. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan ka