Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-09
ECLI:NL:RBGEL:2026:843
RECHTBANK GELDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Arnhem Zaaknummer: C/05/459741 / JE RK 25-1188 Datum uitspraak: 9 januari 2026 Beschikking over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland (de GI), gevestigd in Arnhem, voor welke instelling het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming (het LET JB, hierna het LET) op dit moment is belast met de feitelijke uitvoering van de beschermingsmaatregel, over [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. F. van den Heuvel uit Arnhem, [naam vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. M. Nentjes uit Rotterdam. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de volmacht van de GI aan het LET van 20 november 2025; het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 november 2025; het verweerschrift van de vader met bijlagen 1 t/m 14, ontvangen op 2 januari 2026; het addendum op het verweerschrift van de vader, ontvangen op 2 januari 2026; het bericht van mr. Nentjes van 6 januari 2026 met als bijlage het proces-verbaal van de zitting van 1 juli 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader met zijn advocaat; - de moeder met haar advocaat; - twee vertegenwoordigers van het LET. 1.3. De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om hun mening gevraagd. Zij hebben op 7 januari 2026 hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank via videobellen. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat de kinderen hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader. 2.2. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.3. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn bij beschikking van 2 november 2018 onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is na verschillende verlengingen op 2 mei 2022 geëindigd. 2.4. Bij beschikking van deze rechtbank van 11 januari 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opnieuw onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 29 juli 2025, tot 11 januari 2026. 2.5. Bij beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de GI tot het verlenen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken afgewezen. 2.6. Bij beschikking van deze rechtbank van 14 maart 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de GI om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder afgewezen. Het LET (namens de GI) heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. 2.7. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 23 september 2025 de beschikking van de rechtbank Gelderland van 14 maart 2025 vernietigd en een machtiging tot uithuisplaatsing voor beide kinderen verleend in een accommodatie jeugdhulpaanbieder tot 11 januari 2026. 2.8. [minderjarige 1] verblijft sinds 23 september 2025 in een gezinshuis en [minderjarige 2] verblijft sindsdien op een woongroep. 3 De verzoeken 3.1. Het LET (namens de GI) verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt het LET de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een – naar de rechtbank begrijpt – accommodatie jeugdhulpaanbieder te verl Er is geen wettelijk voorschrift dat bepaalt dat mandatering van het LET door de GI niet mogelijk is. De rechtbank ziet daarnaast ook niet in dat in dit geval sprake is van een situatie waarin de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet. Dat heeft de vader ook niet betoogd of toegelicht. Wat betreft overige (rechts)handelingen die worden verricht in het kader van een ondertoezichtstelling, geldt op grond van artikel 3:60 BW dat een volmachtgever een volmacht kan verlenen aan een gevolmachtigde om in haar naam (rechts)handelingen te verrichten. Er is geen wettelijk voorschrift dat bepaalt dat een gecertificeerde instelling geen gevolmachtigden kan aanwijzen voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling of dat het LET niet als gevolmachtigde kan optreden. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de GI het LET kon en kan mandateren en machtigen om in haar naam de ondertoezichtstelling uit te voeren. 4.4. De vader heeft betoogd dat er pas sinds 6 maart 2025 sprake is van een volmacht waarin de GI het LET heeft gemachtigd om haar in rechte te vertegenwoordigen en dat er pas vanaf 20 november 2025 sprake is van een mandaat aan het LET voor het nemen van besluiten die voortvloeien uit de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen door de GI. De vader verbindt daaraan de conclusie dat het LET in eerdere rechtszaken niet bevoegd was om namens de GI op te treden en dat alle eerdere verzoeken van het LET namens de GI alleen al om die reden hadden moeten worden afgewezen. Volgens de vader maakt dit de eerder uitgesproken ondertoezichtstellingen (en de door het gerechtshof verleende machtiging tot uithuisplaatsing, zo begrijpt de rechtbank het betoog) nietig en dat zorgt ervoor dat de huidige verzoeken om verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing niet kunnen worden beoordeeld en dus moeten worden afgewezen. 4.5. De rechtbank volgt de vader niet in dit standpunt. Tegen de beschikkingen waarin eerdere ondertoezichtstellingen zijn uitgesproken en tegen de beschikking van het gerechtshof waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verleend, is geen hoger beroep of cassatie ingesteld door de vader. Daarmee zijn deze uitspraken in kracht van gewijsde gegaan. De rechtbank dient dan ook uit te gaan van de juistheid en geldigheid van deze uitspraken. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in de wet kent verder geen ‘nietigheid van rechtswege’ van gerechtelijke uitspraken, zodat er geen rechtsgrond is voor nietigheid van deze uitspraken. De eerder uitgesproken ondertoezichtstellingen en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn dan ook een (juridisch) feit zodat de in deze procedure voorliggende verzoeken inhoudelijk behandeld kunnen worden. 4.6. Wat betreft de bevoegdheid van het LET om namens de GI op te treden in de onderhavige procedure, geldt het volgende. De rechtbank constateert dat de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing op 19 november 2025 door het LET zijn gedaan. Het LET heeft een schriftelijke ‘volmacht en mandaat’ overgelegd van 20 november 2025 waaruit blijkt dat de GI de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen heeft opgedragen aan het LET met als startdatum 28 oktober 2024. Daarin machtigt de GI het LET bovendien expliciet (in de zin van artikel 3:60 BW) om in rechte namens haar op te treden in civiele procedures en wordt het LET gemandateerd om bestuursrechtelijke besluiten namens de GI te nemen. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de GI het LET ook in een schriftelijke volmacht van 6 maart 2025 al heeft gemachtigd om haar in rechte te vertegenwoordigen ter zake de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Los van het feit dat een volmacht vormvrij is en het LET dus ook mondeling of stilzwijgend of op een andere manier kan zijn gemachtigd door de GI (bijvoorbeeld door het sluiten van een uitvoeringsoveree Dit contact is nog pril, aangezien er de afgelopen jaren geen contact is geweest en [minderjarige 1] nog terughoudend is in het contact. De moeder vindt dat de contactmomenten goed verlopen en vindt het heel fijn dat zij [minderjarige 1] weer ziet. Dit is ook wat door de hulpverlening wordt gesignaleerd. Een ondertoezichtstelling is nodig om het beginnende contact tussen de moeder en [minderjarige 1] te borgen en te verstevigen. [minderjarige 1] moet onbelast contact kunnen hebben met beide ouders zonder het gevoel te hebben dat zij tussen hen moet kiezen. Hoewel de vader stelt dat hij contact tussen de kinderen en de moeder niet heeft belemmerd, constateert de rechtbank dat na jarenlange pogingen om het contact tot stand te brengen, contactherstel pas weer tot stand is gekomen nadat de kinderen uit huis werden geplaatst. Dat lijkt erop te wijzen dat het gebrek aan contact tussen de moeder en de kinderen toch verband houdt met het thuis wonen bij de vader. [minderjarige 2] 4.13. Bij [minderjarige 2] is er nog steeds sprake van (onbehandelde) gedragsproblematiek. De vader heeft dit ook niet betwist, maar hij vindt het lastig om hier op een constructieve manier mee om te gaan, zo blijkt uit de stukken. Tot op heden heeft er nog geen diagnostiek plaatsgevonden, waardoor de benodigde hulpverlening voor [minderjarige 2] nog niet is ingezet. Karakter zou de diagnostiek voor haar rekening nemen, maar heeft aangegeven dat dit niet mogelijk was vanuit de thuissituatie. Zo lang er geen diagnostiek plaatsgevonden heeft, kan de hulpverlening die [minderjarige 2] nodig heeft, niet worden ingezet. Dit is niet in zijn belang, omdat zijn ontwikkeling hierdoor stagneert. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat diagnostiek voor [minderjarige 2] is geregeld mocht de machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd. Dit wacht op een verplaatsing van [minderjarige 2] naar een andere groep die beter bij hem past en een start van [minderjarige 2] op een nieuwe, passende school. Daarna kan diagnostiek gaan plaatsvinden, zo heeft het LET aangegeven. Sinds de uithuisplaatsing heeft ook [minderjarige 2] weer contact met zijn moeder. Ook die contacten verlopen goed en het LET heeft aangegeven, zoals ook [minderjarige 2] heeft aangegeven in het gesprek met de kinderrechter, dat hij het heel fijn vindt om weer contact met de moeder te hebben. Overwegingen 4.14. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de vader de zorgen over zijn emotieregulatie en trauma’s niet en de zorgen over de kinderen maar deels herkent en tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat hij niet mee zal werken aan een persoonlijkheidsonderzoek, terwijl dit wel geïndiceerd is door het LET. Het LET acht een dergelijk onderzoek nodig om inzicht te krijgen in de sterke en zwakke punten van de vader en zijn vaardigheden om bij de kinderen aan te sluiten. Dan wordt ook duidelijk of, en zo ja welke, behandeling of begeleiding nodig en passend zou zijn. Dit is in het belang van de persoonlijke ontwikkeling van de kinderen en hun contact met hun vader. Het dwingende kader van de ondertoezichtstelling is om die reden noodzakelijk zodat de benodigde hulp voor de kinderen ook daadwerkelijk kan worden in- en voortgezet. Tevens is de verlenging van de ondertoezichtstelling nodig om het contact met de moeder te borgen en voort te zetten nu in het verleden is gebleken dat het contact zonder bemoeienis van de GI/het LET niet tot stand komt. Gelet op het voorgaande verlengt de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van één jaar. De rechtbank vindt deze termijn passend, omdat het realiseren van hulpverlening en het volgen van behandelingen tijd nodig heeft. Uithuisplaatsing 4.15. De rechtbank vindt ook de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. Het LET heeft toegelicht dat zij voorwaarden stelt aan de vader om fysiek contact te kunnen hebben met de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de wijze waarop de samenwerking tussen de vader en het LET tot nu toe is verlopen, de voorwaarden het LET stelt aan het hebben van fysiek contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet onredelijk zijn. Het is immers van belang voor de kinderen dat zij op een rustige manier afscheid kunnen nemen van de vader na fysiek contact en dat er niet gesproken wordt over volwassenzaken zodat de kinderen daarmee niet worden belast. Het is aan de vader om zich aan deze afspraken te houden. Omdat de vader hiertoe niet bereid is gebleken, vindt er op dit moment geen fysiek contact plaats. Dit kan op korte termijn veranderen, mits de vader zich wel aan deze afspraken houdt. Voor het hebben van fysiek contact is het vaststellen van een zorgregeling niet noodzakelijk. Dit is immers mogelijk binnen het kader van de ondertoezichtstelling als de vader zich conformeert aan de afspraken met het LET. De vader heeft dan ook zelf de sleutel in handen voor het hebben van fysiek contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Vaststelling van concrete herstel- en terugplaatsingsdoelen 4.23. De vader heeft, als de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd, ook verzocht om concrete herstel- en terugplaatsingsdoelen te formuleren. De rechtbank zal hier niet toe overgaan. Het uitgangspunt bij een uithuisplaatsing is dat weer wordt toegewerkt naar thuisplaatsing. Het is aan de GI, dan wel het LET, om te onderzoeken onder welke voorwaarden de kinderen weer naar huis kunnen en om een plan op te stellen om daarnaar toe te werken. Dat is niet aan de rechtbank. De rechtbank wijst dit verzoek dan ook af. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat dit alleen kans van slagen heeft als alle betrokkenen met elkaar samenwerken in het belang van de kinderen. Onafhankelijke deskundige / bijzondere curator 4.24. Het verzoek van de vader tot benoeming van een onafhankelijke deskundige wordt bij gebreke van een onderbouwing afgewezen. De vader heeft onvoldoende concreet toegelicht door welke deskundige(n) dit onderzoek zou moeten worden gedaan en welke eventuele onderzoeksvragen in dat geval zouden moeten worden gesteld, zodat onduidelijk is in hoeverre dit kan bijdragen aan de beslissing in deze zaak. Bovendien kan de beslissing in deze zaak niet wachten op dit onderzoek, zodat in zoverre ook het belang van de kinderen zich hiertegen verzet. 4.25. Wel heeft de rechtbank de intentie om ambtshalve een bijzonder curator te benoemen. In deze zaak staat de mening van de vader over hoe het met de kinderen gaat, wat zij willen en wat zij nodig hebben, lijnrecht tegenover de mening van het LET en de moeder. [minderjarige 1] heeft daarnaast in het gesprek met de kinderrechter laten weten dat zij het gevoel heeft dat er niet naar haar werkelijke wensen en mening wordt geluisterd. Zij heeft daarom door middel van een informele rechtsingang om benoeming van een bijzondere curator gevraagd. De rechtbank vindt het belangrijk dat een bijzondere curator voor beide kinderen wordt benoemd die voor hen als een soort vertrouwenspersoon kan optreden in de complexe dynamiek die tussen de volwassenen in hun leven speelt en die kan onderzoeken wat de werkelijke mening en wensen van de kinderen zijn in de procedures. De rechtbank heeft hiervoor echter nog geen geschikte kandidaat gevonden. Zij zal hierop daarom bij afzonderlijke beschikking beslissen. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen: - [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] en - [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , tot 11 januari 2027; 5.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder tot 11 juli 2026; 5.3. verklaart deze beschikking u