Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-02-05
ECLI:NL:RBGEL:2026:835
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 25/919 en ARN 25/4121 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaken tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. E. Hardeman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem (gemachtigde: E. Nijhuis). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: GetAway Projects B.V. uit Gorssel. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor een recreatiewoning en de omgevingsvergunning voor een opstelplaats en toegangspad bij de recreatiewoning. Eiser is het niet eens met de omgevingsvergunningen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissingen op bezwaar waarin de omgevingsvergunningen in stand zijn gelaten. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de omgevingsvergunningen in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 9 november 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een recreatiewoning. Met de beslissing op bezwaar van 8 januari 2025 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. Hierover gaat de beroepsprocedure met zaaknummer ARN 25/919. 2.1. Op 19 december 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een opstelplaats en toegangspad in strijd met het omgevingsplan. Met de beslissing op bezwaar van 31 juli 2025 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. Hierover gaat de beroepsprocedure met zaaknummer ARN 25/4121. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft een aanvullend schriftelijk stuk ingediend. 2.3. De rechtbank heeft de beroepen op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, en namens de derde-partij: [persoon A], [persoon B] en [persoon C]. Beoordeling door de rechtbank Waar gaan de zaken over? ARN 25/919 3. Op 10 juli 2023 heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een recreatiewoning op het perceel [locatie] in [plaats]. De aanvraag ziet op de activiteit “bouwen van een bouwwerk”. Eiser is eigenaar van het naastgelegen perceel. Op deze procedure is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing. 3.1. Op het perceel zijn de bestemmingsplannen “Buitengebied Lochem 2010” en “Buitengebied Lochem 2010, Partiële herziening” van toepassing. Op het perceel geldt de bestemming “Recreatie - Recreatiewoning”. Er is een solitaire recreatiewoning toegestaan met een maximale oppervlakte van 75 m2 (inclusief berging en veranda). De goothoogte mag maximaal 3,5 meter bedragen en de bouwhoogte mag maximaal 7 meter bedragen. Verder mag de inhoud (inclusief veranda) niet meer dan 300 m3 bedragen. 3.2. Het college heeft met het besluit van 9 november 2023 de omgevingsvergunning verleend, omdat het bouwplan volgens het college past binnen het bestemmingsplan, het perceel gelegen is in een welstandsvrij gebied en het bouwplan voldoet aan de Bouwverordening en het Bouwbesluit 2012. 3.3. Met de beslissing op bezwaar van 8 januari 2025 is het college bij de verleende omgevingsvergunning gebleven. Het college heeft daarbij gemotiveerd dat hij ten onrechte niet de inhoud van het souterrain in de omgevingsvergunning heeft meegenomen. De recreatiewoning is in strijd met de regels van het bestemmingsplan, omdat de inhoud van de recreatiewoning, inclusief souterrain, 366,37 m3 bedraagt. Het college heeft de aanvraag daarom alsnog aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit “gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”. Met toepassing van de kruimelgevallenregeling heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. Omdat dit volgens eiser geen wijziging van ondergeschikte aard is, had de derde-partij een nieuwe aanvraag moeten indienen. 6.1. De rechtbank oordeelt dat de opstelplaats en het toegangspad geen onderdeel uit hebben gemaakt van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de recreatiewoning. De aanvraag zag alleen op de “bouwactiviteit” voor het bouwen van een recreatiewoning. Uit de bouwtekening bij de aanvraag blijkt ook niet dat de opstelplaats en het toegangspad worden aangelegd. De derde-partij heeft hierover toegelicht dat het bestaande gebruik voor parkeren en ontsluiten geen expliciet onderdeel was van de aanvraag. Doordat in de bezwaarprocedure een discussie is ontstaan over het gebruik van de gronden binnen de bestemming “Bos” heeft de derde-partij ervoor gekozen alsnog een omgevingsvergunning hiervoor aan te vragen. Daarover gaat de procedure met zaaknummer ARN 25/4121. Nu dit geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag, komt de rechtbank ook niet toe aan de vraag of sprake is van een ondergeschikte wijziging. De beroepsgrond slaagt niet. Is het besluit voldoende gemotiveerd? 7. Eiser betoogt dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is. Uit de beslissing op bezwaar volgt namelijk niet welk onderdeel van artikel 4 van bijlage II van het Bor is toegepast door het college. 7.1. Volgens het college blijkt uit de beslissing op bezwaar dat er wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Het is volgens het college niet verplicht om het precieze onderdeel van de in bijlage II bij het Bor aangewezen gevallen te benoemen, als de aard en de omvang van het bouwplan duidelijk is en niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Voor de volledigheid merkt het college op dat het bouwplan valt onder de reikwijdte van artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor. 7.2. De rechtbank komt tot het volgende oordeel. In de beslissing op bezwaar staat onder het kopje “toepassing kruimelgevallenregeling”: “Er wordt afgeweken van hetgeen is bepaald in de geldende bestemmingsplannen. In tegenstelling tot bezwaarde opmerkt is dat wel mogelijk. De wetgever heeft ons de bevoegdheid gegeven om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in afwijking van het bestemmingsplan en omgevingsvergunning te verlenen. Dat wij van deze bevoegdheid gebruik maken, maakt op zichzelf niet dat het afwijken in strijd is met de rechtszekerheid.” 7.3. De rechtbank stelt vast dat het college wel benoemd heeft dat wordt afgeweken van het bestemmingsplan met toepassing van de kruimelgevallenregelging en dat die bevoegdheid volgt uit artikel 2.12 van de Wabo. Uit de uitspraak waar het college naar verwijst volgt dat het college niet alle strijdigheden in het besluit hoeft te noemen. Dat neemt niet weg dat het college wel de wettelijke grondslag in het besluit moet opnemen. Het staat niet ter discussie dat het college bevoegd was om artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor toe te passen. Nu het college niet het specifieke onderdeel van artikel 4 van bijlage II bij het Bor heeft genoemd, is er sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal dit gebrek in de beslissing op bezwaar passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat niet gebleken is dat eiser of andere belanghebbenden hierdoor in hun belangen zijn geschaad. Heeft het college in redelijkheid de omgevingsvergunning kunnen verlenen? 8. Eiser betoogt dat het college onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat de afwijking van het bestemmingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Uit het bestemmingsplan “Buitengebied Lochem” en de bijbehorende toelichting volgt dat de planwetgever het niet wenselijk heeft geacht om af te wijken van de maatvoering. Uit de nota van zienswijze bij het bestemmingsplan volgt bovendien dat de gemeenteraad het niet gewenst vindt om extra volume ondergronds toe te laten, omdat dit ongewenste permanente bewoning stimuleert. Volgens eiser blijkt hier De beroepsgrond slaagt niet. ARN 25/4121 omgevingsvergunning opstelplaats en toegangspad Wijze van beoordelen 9. Voordat de rechtbank ingaat op de beroepsgronden, benadrukt de rechtbank dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. Mocht het college de toetsing aan het parapluplan loskoppelen van de omgevingsvergunning voor de recreatiewoning? 10. Eiser betoogt dat de toetsing aan het parapluplan onderdeel had moeten zijn van de omgevingsvergunning voor de recreatiewoning. Uit het parapluplan volgt namelijk dat een omgevingsvergunning voor het bouwen pas wordt verleend als is verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Nu dat pas in de omgevingsvergunning voor de opstelplaats en het toegangspad is gebeurd, moet het besluit volgens eiser worden vernietigd. 10.1. De rechtbank stelt voorop dat het college heeft erkend dat hij ook bij de omgevingsvergunning voor de recreatiewoning naar het parapluplan had moeten kijken. De omgevingsvergunning voor de twee parkeerplaatsen is verleend, voordat het college een beslissing op bezwaar heeft genomen over de over de omgevingsvergunning voor de recreatiewoning. Hoewel deze gesplitste besluitvorming misschien niet wenselijk is, ziet de rechtbank geen aanleiding om het besluit om deze reden te vernietigen. De uitkomst was namelijk niet anders geweest als het college dit wel gelijktijdig had beoordeeld. Hierna gaat de rechtbank in op de vraag of het college mocht afwijken van de parkeernormen. Mocht het college in redelijkheid afwijken van de parkeernormen? 11. Eiser betoogt dat sprake is van strijd met het parapluplan en de daarbij behorende nota parkeernormen. Volgens eiser moet voor het bepalen van de parkeerbehoefte worden aangesloten bij de functiegroep ‘horeca- en verblijfsrecreatie’. Er moet worden uitgegaan van de parkeernorm van 2,1 parkeerplaats bij een bungalow op een bungalowpark. Naar aard en invloed is de parkeerbehoefte van de (privé)recreatiewoning gelijk te stellen met deze norm. Het college heeft deze norm ten onrechte niet gehanteerd. Ook mocht het college volgens eiser niet ambtshalve afwijken van de parkeernorm. Uit paragraaf 4.1 van de nota parkeernormen volgt dat het college alleen van de parkeernormen kan afwijken als de initiatiefnemer daartoe een gemotiveerd verzoek indient. Dat is volgens eiser niet gebeurd. Verder betoogt eiser dat het college de parkeernorm van 2,1 parkeerplaats niet naar beneden mocht afronden. Uit de nota volgt dat de norm naar boven moet worden afgerond. Eiser betoogt daarom dat drie parkeerplaatsen zijn vereist voor de recreatiewoning en niet, zoals nu is vergund, twee parkeerplaatsen. 11.1. In artikel 3.1, eerste lid, van het parapluplan staat dat een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een verandering van het gebruik pas wordt verleend als is verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Hierbij moet worden voldaan aan de parkeernormen zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen'. In artikel 4.2 van de nota parkeernormen staat hoe de hoogte van de parkeernorm wordt bepaald. Eerst wordt de parkeereis bepaald aan de hand van de normen zoals weergegeven in bijlage 3 van de nota. In bijlage 3 is in de functiegroep “horeca en verblijfsrecreatie” voor een bungalowpark in het buitengebied per bungalow een parkee De rechtbank stelt vast dat het college is afgeweken van de regels van het omgevingsplan omdat het gebruik van een toegangspad en een opstelplaats niet voldoet aan de gebruiksregels van de bestemming “Bos”. De aangrenzende bestemming “Recreatie - Recreatiewoning” is hierdoor in planologische zin niet bereikbaar. Om dat mogelijk te maken, is deze omgevingsvergunning verleend. De rechtbank oordeelt dat de toename van het gebruik inherent is aan het gebruik van de recreatiewoning. In het betoog van eiser ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het gebruik van de gronden met de bestemming “Bos” voor toegangspad en opstelplaats niet voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Is er sprake van aantasting van natuur- en landschapswaarden? 13. Eiser betoogt dat het college ten onrechte ervan uit gaat dat geen groen wordt verwijderd en geen bomen worden gekapt. Volgens eiser is wel degelijk groen verwijderd. Bij het beroepschrift heeft eiser een aantal foto’s gevoegd waar dit uit blijkt. In de Quickscan Wet Natuurbescherming van 6 september 2023 staat op pagina 20 dat er een boom wordt geveld. Volgens eiser heeft de derde-partij bij de aanleg van de opstelplaats en het toegangspad groen verwijderd en bomen gekapt. Daarom is het college volgens eiser onterecht uitgegaan van dat wat in de Quickscan is opgenomen. Er is sprake van een aantasting van de instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomend(e) bos/houtopstanden. Het college heeft daarom volgens eiser de omgevingsvergunning niet kunnen verlenen. 13.1. Volgens het college is er sprake van aantasting van de natuur- en landschapswaarden door de werkzaamheden. Deze werkzaamheden zijn niet onaanvaardbaar en volgens het college wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft daarom in afwijking van artikel 7.4.3. de omgevingsvergunning verleend. Dit volgt volgens het college ook uit de ruimtelijke motivering en de Quickscan. Over de foto’s bij het beroepschrift merkt het college op dat in het bos onderhoud werd gepleegd. Er zijn struiken en een dode boom verwijderd. Bovendien is volgens het college met de vergunde situatie sprake van een meer natuurlijke uitstraling dan daarvoor. Na het verwijderen van de klinkers is op de bestaande ondergrond een dunne laag fijn gebroken puin aangebracht als bodemversterking. De oppervlakte is 40 m2 gegroeid binnen de bestaande niet begroeide open plek. Het toegangspad en de parkeerplaats tasten de natuurwaarden niet op onaanvaardbare wijze aan. Tot slot stelt het college dat extensief recreatief medegebruik bij recht ook al mogelijk is binnen de bestemming ‘Bos’. 13.2. Uit artikel 7.4.1. van de planregels volgt dat het verboden is om op de voor ‘Bos’ aangewezen gronden zonder een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: het kappen, vellen of rooien van bomen en houtgewas en het verwijderen van de stobben; het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 20 m²; (…) 13.3 Uit artikel 7.4.3. volgt dat de genoemde vergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien als gevolg van deze werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan, hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, de in 7.1 genoemde waarden worden aangetast. Omdat er wel een aantasting van de natuurwaarden is, is het college door het vergunnen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit afgeweken van artikel 7.4.3. Het gaat om het ter plaatse voorkomend bos of houtopstanden met daaraan eigen natuur- en landschapswaarden. 13.4 De rechtbank is van oordeel dat college in redelijkheid kon afwijken van de planregels. Het college heeft daarbij voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de natuurwaarden. De rechtbank merkt daarbij op dat de werkzaamheden ook nodig zijn om toegang te kunnen verschaffen tot de recreatiewoning. Verder v