Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-08-26
ECLI:NL:RBGEL:2026:6870
Gebreken PVC-vloer (cupping). Eigenaar is geen contractspartij dus geen aanneming van werk. Ook geen onrechtmatige daad. Cupping is ontstaan als gevolg van handelen eigenaar. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Apeldoorn Zaaknummer: 12167304 \ CV EXPL 26-1084 Vonnis van 26 augustus 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: [gemachtigde] , tegen HOUTKUBUS B.V. , te Apeldoorn, gedaagde partij, hierna te noemen: Houtkubus, gemachtigde: mr. C. Ditzel. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 13 mei 2026, - de twee e-mailberichten van 7 juli 2026 van [eiser] met producties, - de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. In 2018 is waterschade ontstaan in de woning van [eiser] . [eiser] heeft dit gemeld aan zijn verzekeraar SNS Reaal. 2.2. CED heeft in opdracht van SNS Reaal onderzoek gedaan naar de waterschade die is ontstaan aan de vloer in de woonkamer en de keuken van de woning. CED heeft vervolgens aan Houtkubus de opdracht verstrekt om deze vloer te vervangen. 2.3. In oktober en november 2018 heeft Houtkubus een nieuwe laminaatvloer van het merk Meister in de woonkamer en de keuken van de woning gelegd. 2.4. Na afronding van de werkzaamheden is in de vloer een vervorming ontstaan waarbij de randen van de laminaattegels hoger zijn komen te liggen dan het midden van de laminaattegels (ook wel cupping genoemd). 2.5. In februari 2020 heeft Houtkubus de door haar gelegde laminaatvloer verwijderd en heeft zij een nieuwe laminaatvloer van hetzelfde type en hetzelfde merk in de woning gelegd (hierna: de vloer). 2.6. Na verloop van tijd hebben zich aan de vloer problemen voorgedaan, vergelijkbaar aan de problemen die in 2018/2019 zijn ontstaan. In september 2020 heeft [eiser] in dit verband per e-mail aan Houtkubus bericht dat de laminaattegels op één plek loskwamen. 2.7. In oktober 2020 heeft Houtkubus herstelwerkzaamheden aan de vloer verricht. 2.8. In november 2020 heeft [eiser] aan Houtkubus bericht dat de vloer op diverse plaatsen te strak tegen de muur of kozijnen lag. 2.9. Op 1 april 2021 heeft Houtkubus herstelwerkzaamheden aan de vloer verricht. 2.10. Op 29 juni 2021 heeft [eiser] aan Houtkubus bericht dat de gebreken aan de vloer niet waren verholpen. 2.11. Naar aanleiding van de laatste klacht van [eiser] over de vloer heeft CED MuBoMa de opdracht gegeven onderzoek te verrichten naar de vloer. Dit onderzoek is op 10 december 2021 uitgevoerd. 2.12. Op 4 april 2022 heeft Houtkubus herstelwerkzaamheden aan de vloer verricht. 2.13. Op 11 juni 2022 heeft MuBoMa het rapport met haar bevindingen van het onderzoek naar de vloer op 10 december 2011 opgesteld. Dit rapport is op 13 juni 2022 aan beide partijen verzonden. In het rapport is onder meer het volgende vermeld: “(…) Het betreft hier een vloer welke op kosten van De Houtkubus al een keer is vervangen in verband met het terugkomen van dezelfde klacht als welke op de eerste gelegde vloer was ontstaan namelijk cupping van de tegels, zowel kops als in de lengte en enkele scheve kopse kanten. (…) Ter plaatse heb ik een vloer aangetroffen welke inderdaad cupping (…) en enkele scheve kopse naden vertoont. Om de oorzaak van de cupping te kunnen controleren heb ik als eerste enkele plinten verwijderd om de zwelruimte te kunnen controleren. Hierbij heb ik op enkele plaatsen een strak tegen de muur liggende vloer aangetroffen, zowel in de breedte als in de lengte van de delen (…). Tevens ligt de vloer bij enkele kozijnen vast danwel nagenoeg vast (…). Om te kunnen bepalen of de vloer extreem is uitgezet waardoor de vloer vast is gaan liggen heb ik de lengte van de delen exact opgemeten met de HBM 1000 mm digitale schuifmaat. De lengte van de delen lag op 854,49 mm. Uitgaande van de lengtemaat af fabriek zou elk deel dus 1,49 mm zijn uitgezet. Over de lengte van de kamer liggen 9 en een kwart deel hetgeen inhoudt dat de totale uitzetting over de lengte van de vloer op 9 en een kwart maal 1,49 mm is 13,78 mm. Indien men aan beide kanten 8 mm zwelruimte zou hebben aangehouden bij het leggen van de vloer, hetgeen 16 mm zou bedragen, had de vloer op de door mij gecontroleerde punten dus nog vrij moeten liggen. Ditzelfde geldt voor de vloer in de breedte waar de delen slechts 0,1 mm zijn uitgezet. Om schoteling door vocht te kunnen bepalen heb ik op 5 april een tegel uit de vloer ontvangen welke goed in plastic was verpakt zodat het vochtpercentage in de Hdf niet zou afnemen danwel toenemen. Een stuk van de tegel heb ik aan een droogstooftest onderworpen om zo het exacte vochtpercentage in de Hdf te kunnen bepalen. Alvorens de test uit te voeren zijn de laminaat toplaag en de backing van het teststuk verwijderd. Na het uitvoeren van de test bleek het vochtpercentage in de Hdf op 10,19% te liggen hetgeen te hoog is (voor de droogstooftest zie bijlage). In het verleden werd volgens de Norm een vochtpercentage in de Hdf aangehouden van 5,5% tot 6% waarbij het vochtpercentage tijdens transport, opslag en leggen kon oplopen naar 7 tot 7,5%. Tegenwoordig geven de fabrikanten in de Norm aan dat het vochtpercentage tussen de 4,5 tot 10% mag zijn. Hierdoor is het moeilijk te bepalen hoe hoog het vochtpercentage bij leveren zou moeten zijn danwel welk vochtpercentage de Hdf bij levering/leggen heeft gehad. De aanpassing van het vochtpercentage in de Norm door de fabrikanten acht ik een eigen indekkingsaanpassing van de fabrikanten. Gezien de uitzetting van de delen in de lengte ben ik in dit geval van mening dat er op de vloer sprake is van vocht in de Hdf ontstaan na het leggen. Over de vloer verspreid komen delen voor met scheve koppen waarbij de ene scheve kopse kant van links naar rechts loopt en in de volgende rij een kopse kant aanwezig is waar de scheve kant van rechts naar links loopt. De scheve kopse kanten lopen uiteen van 0 mm naar 0,45 tot 0,65 mm hetgeen te grote scheve weglopende kopse kanten betreffen. Om te kunnen zien of de scheve kopse kanten niet zijn ontstaan door het plaatselijk in een boog liggen van de vloer heb ik de vloer uitgelijnd. Hierbij heb ik geen afwijking aangetroffen. De vloer ligt dan ook in één rechte lijn. Conclusie: 1. : De cupping is een gevolg van een te hoog vochtpercentage in de Hdf ontstaan na het leggen alsmede het aanhouden van een te kleine zwelruimte. 2. : Op het product zelf heb ik als zijnde een product c.q. fabricagefout alleen de scheve weglopende kopse kanten aangetroffen. (…)” 2.14. Op 9 maart 2023 heeft AB Lekdetectie B.V. (hierna: AB) op verzoek van [eiser] en in overleg met CED onderzoek uitgevoerd naar onder meer de vochtwaardes van de vloer. In het daarvan opgestelde rapport is onder meer het volgende vermeld: “(…) OORZAAK LEKKAGE Het is niet aannemelijk dat het omhoog komen van de vloer wordt veroorzaakt door vocht. Op de vloer en in de aansluiting van de vloer op de wanden worden geen afwijkingen waargenomen middels thermografisch onderzoek. Er worden geen verhoogde vochtwaardes gemeten in de wanden en de vloer. Er worden geen verhoogde of afwijkende vochtwaardes gemeten op de ondervloer en de houten vloer daaronder. De ondervloer voelt ook droog. (…) (HERSTEL)ADVIES Er is geen oorzaak gevonden voor het omhoog komen van de vloer. Wellicht kan een vloerenlegger bekijken waarom dit gebeurt. (…)” 2.15. Bij brief van 24 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] aan Houtkubus bericht dat bij het plaatsen van de vloer ernstige fouten zijn gemaakt. Houtkubus is gesommeerd om binnen veertien dagen een afspraak met de gemachtigde van [eiser] te maken voor het leggen van een nieuwe laminaatvloer. 2.16. In reactie daarop heeft Houtkubus bij e-mail van 5 november 2025 aan de gemachtigde van [eiser] bericht dat de uitzetting van de vloer is veroorzaakt door vocht dat na het leggen in de vloer is getrokken. Houtkubus heeft aangegeven uit coulance kosteloos een nieuwe laminaatvloer aan [eiser] te willen leveren maar niet tot het leggen daarvan over te zullen gaan. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Houtkubus zal veroordelen tot levering en plaatsing van een identieke vloer aan [eiser] , volgens de instructies van het bedrijf MuBoMa, binnen een termijn van veertien dagen na het vonnis en Houtkubus zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. 3.2. Houtkubus voert verweer concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. [eiser] legt primair aan zijn vordering ten grondslag dat Houtkubus op grond van het bepaalde in artikel 7:759 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot herstel van de vloer moet overgaan. [eiser] kan zich echter niet met succes op dit artikel beroepen. Daarvoor is redengevend dat tussen partijen geen overeenkomst en derhalve ook geen overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen. CED heeft immers aan Houtkubus de opdracht gegeven om de vloer in de woning van [eiser] te leggen en daarmee is de overeenkomst tussen Houtkubus en CED tot stand gekomen. [eiser] is daarbij geen contractspartij. Artikel 7:759 BW mist daarom toepassing. 4.2. [eiser] legt subsidiair aan zijn vordering ten grondslag dat sprake is van een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW. Voor een succesvol beroep op dit artikel is in dit geval (onder meer) vereist dat Houtkubus heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, oftewel dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld. 4.3. De stellingen van [eiser] worden aldus begrepen dat Houtkubus onzorgvuldig heeft gehandeld omdat de vloer is vervormd en/of omdat op diverse plaatsen de kopse kanten van de vloer loskomen. Vervorming vloer 4.4. [eiser] stelt dat de randen van de vloerplanken hoger zijn komen te liggen dan het midden van de vloerplanken omdat Houtkubus te weinig zwelruimte heeft aangehouden waardoor de vloer niet kon uitzetten. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [eiser] verwezen naar het rapport van 11 juni 2022 van MuBoMa (zie hiervoor 2.13.). Hieruit blijkt dat MuBoMa tot de conclusie is gekomen dat de vervorming van de vloer een gevolg is van (i) een te hoog vochtpercentage in de vloertegels ontstaan na het leggen van de vloer en (ii) het aanhouden van een te kleine zwelruimte. Op basis van enkel deze laatste deelconclusie (ii) baseert [eiser] de stelling dat Houtkubus de vloer ondeugdelijk heeft gelegd. [eiser] wordt hierin niet gevolgd. Daarvoor is het volgende redengevend. 4.5. Uit het rapport van MuBoMa blijkt dat de zwelruimte te klein is geworden juist omdat de vloertegels na het leggen daarvan (extreem) zijn uitgezet als gevolg van een te hoog vochtpercentage in de vloer ontstaan na het leggen van de vloer. Met andere woorden: de vloer is na het leggen daarvan te nat geworden waardoor de vloertegels zodanig zijn uitgezet dat de zwelruimte te klein is geworden en de vloer daardoor vast is komen te liggen en is gaan vervormen. [eiser] betwist dat het vochtpercentage in de vloer te hoog was/is. Hij verwijst daartoe naar een rapport van 9 maart 2023 van AB Lekdetectie (zie hiervoor 2.14.). Anders dan [eiser] meent, kan daaruit echter niet worden afgeleid dat het vochtpercentage ten tijde van het door MuBoMa uitgevoerde onderzoek niet te hoog was. AB Lekdetectie heeft de metingen immers pas uitgevoerd vijftien maanden na het door MuBoMa verrichte onderzoek en dus ook na de reeds daarvoor ontstane uitzetting van de vloer. Uit het feit dat op 9 maart 2023 geen verhoogde vochtwaardes in de vloer zijn gemeten, kan daarom niet worden afgeleid dat het vochtgehalte ten tijde van het onderzoek door MuBoMa niet te hoog was. Bovendien heeft MuBoMa de conclusie dat de vervorming van de vloer is ontstaan ook gebaseerd op de constatering dat de vloerplanken in de lengte zijn uitgezet. Niet gesteld of gebleken is dat aan die uitzetting een andere oorzaak dan vocht ten grondslag ligt. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat dan ook vast dat de vloertegels zodanig zijn uitgezet als gevolg van vocht ontstaan na plaatsing dat daardoor de zwelruimte te klein is geworden. MuBoMa heeft weliswaar geconstateerd dat wanneer een zwelruimte van minimaal acht millimeter was gehanteerd, de vloer in onderhavig geval nog vrij had gelegen maar niet gesteld of gebleken is dat Houtkubus op grond van de voor de vloer geldende voorschriften of richtlijnen een minimale zwelruimte van acht millimeter had moeten aanhouden. Bovendien staat als onvoldoende gemotiveerd weersproken vast dat Houtkubus voorafgaand aan het onderzoek door MuBoMa twee keer bij [eiser] is langs geweest om extra zwelruimte te creëren. Van een onzorgvuldig handelen door Houtkubus op dit punt is dan ook geen sprake. Loskomen kopse kanten vloer 4.6. [eiser] stelt zich voorts op het standpunt dat op diverse plaatsen de kopse kanten van de vloer loskomen en dat dit gebrek wordt veroorzaakt door een fabricagefout. Houtkubus betwist dit en voert daartoe aan dat sprake is van een minimale afwijking die wordt veroorzaakt door een chronisch vochtprobleem. Wat hier ook van zij, ook wanneer vast komt te staan dat sprake is van een gebrek aan de vloer dat wordt veroorzaakt door een fabricagefout betekent dit nog niet dat Houtkubus onzorgvuldig heeft gehandeld door de vloer aan [eiser] te leveren. Niet gesteld of gebleken is immers dat Houtkubus op de hoogte was, dan wel behoorde zijn, van de gestelde fabricagefout of dat het gestelde gebrek al zichtbaar was bij het leggen van de vloer. Van een onzorgvuldig handelen door Houtkubus is ook op dit punt dan ook geen sprake. 4.7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat Houtkubus onrechtmatig als bedoeld in artikel 6:162 BW jegens [eiser] heeft gehandeld. De vordering en daarmee samenhangende nevenvorderingen zullen daarom worden afgewezen. 4.8. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Houtkubus worden vastgesteld en begroot op: - salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten × € 217,00) - nakosten € 109,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 543,00 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vordering van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 543,00, te vermeerderen met de kosten van betekening. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026. lt !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!