Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-08-19
ECLI:NL:RBGEL:2026:6743
Kort geding. Arbeidsomvang bij arbeidsongeschiktheid. 7:610b BW. CAO ABU. Referentieperiode. Matiging wettelijke verhoging. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Nijmegen Zaaknummer: 12296855 \ VV EXPL 26-50 Vonnis in kort geding van 19 augustus 2026 in de zaak van [eiser] te [woonplaats] eisende partij hierna te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. K.W.A. Wools tegen TIMING FLEX B.V. te Apeldoorn gedaagde partij hierna te noemen: Timing Flex mr. D.L. Bobeldijk 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 8 van 9 juli 2026; - de akte wijziging van eis van [eiser] van 29 juli 2026; - de producties 9 en 10 van [eiser] van 29 juli 2026; - productie 1 van de zijde van Timing Flex van 4 augustus 2026; - de aktes van de zijde van [eiser] van 4 augustus 2026; - de mondelinge behandeling van 5 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en ter gelegenheid waarvan mr. Bobeldijk zijn spreekaantekeningen heeft voorgedragen. 1.2. Na de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter een proces-verbaal opgemaakt en partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over artikel 29 van de CAO ABU. 1.3. Beide partijen hebben daartoe op 7 augustus 2026 een akte ingediend. 1.4. Tot slot is vonnis bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. [eiser] is sinds 25 februari 2025 op basis van een uitzendovereenkomst in dienst bij Timing Flex, thans op basis van een detacheringsovereenkomst Fase B voor bepaalde tijd van 5 januari 2026 tot en met 3 januari 2027. [eiser] is op dit moment uitgezonden aan inlener Kegro Deuren B.V. in Groesbeek. 2.2. In het verzuimprotocol dat onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst staat een regeling opgenomen voor de berekening van het loon tijdens arbeidsongeschiktheid in het geval dat er meer uren zijn gewerkt dan in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen. 2.3. Op de arbeidsovereenkomst is steeds de meest recente versie van de CAO voor Uitzendkrachten van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (hierna: de cao) van toepassing. Daarin staat, voor zover relevant in deze zaak, het volgende: Artikel 29 Arbeidsongeschiktheid (…) 2. Wanneer: a. er geen of geen eenduidige arbeidsomvang is overeengekomen, of b. de feitelijke arbeidsomvang in de periode van dertien kalenderweken voorafgaand aan de week van ziekmelding structureel afwijkt van de overeengekomen arbeidsomvang, geldt voor het recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling dat deze wordt vastgesteld over het gemiddelde van alle uren waarover loon is betaald in de afgelopen dertien kalenderweken. 2.4. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een vaste arbeidsomvang van 80 uur per vier weken (ofwel 20 uur per week). 2.5. [eiser] is op 11 mei 2026 ziek geworden wegens een bedrijfsongeval. 2.6. Op 9 juni 2026 heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en de bedrijfsarts en tijdens dit consult heeft de bedrijfsarts vastgesteld dat [eiser] 100% arbeidsongeschikt is. 2.7. Onder meer bij brief van 2 en 19 juni 2026 heeft [eiser] Timing Flex aangeschreven om over te gaan tot betaling van achterstallig salaris. 2.8. Bij brief van 23 juni 2026 heeft Timing Flex daarop gereageerd. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert, na wijziging van eis en bij bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, dat Timing Flex wordt veroordeeld om aan [eiser] te betalen: een bedrag van € 2.431,01 bruto ter zake achterstallig salaris over de weken 15 tot en met 25 van het jaar 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening; een bedrag van € 1,185,29 bruto ter zake wettelijke verhoging tot en met 5 augustus 2026 over het in sub a gevorderde bedrag aan achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf 6 augustus 2026 over het achterstallig salaris als bedoeld in sub a met een maximum van 50% van dat salaris; I) een bedrag van € 1.098,80 bruto ter zake achterstallig salaris over de weken 26 tot en met 29 van het jaar 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening; II) een bedrag van € 291,18 bruto ter zake wettelijke verhoging tot en met 5 augustus 2026 over het in sub c I) gevorderde bedrag aan achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf 6 augustus 2026 over het achterstallig salaris als bedoeld in sub c I) met een maximum van 50% van dat salaris; III) van een bedrag van € 578,36 bruto per week, te beginnen vanaf week 30, tot en met de dag dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze komt te eindigen, telkens te voldoen uiterlijk 10 kalenderdagen na de laatste dag van de week waarop de betaling betrekking heeft, voor het eerst uiterlijk op 5 augustus 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over iedere wekelijkse salarisbetaling die te laat door gedaagde wordt voldaan; met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure, waaronder een bedrag aan salaris gemachtigde, alsmede in de nakosten van deze procedure, waaronder het nasalaris begroot op een bedrag van € 178,00 zonder betekening of een bedrag van € 270,00 met betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten vanaf de veertiende dag na betekening van het ten deze te wijzen vonnis tot en met de dag der algehele voldoening. 3.2. [eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij bij inlener Kegro Deuren op basis van artikel 7:610b BW een arbeidsomvang heeft van 38,1 uur per week. Dit betekent dat zij vanaf 5 april 2026 recht heeft op een wekelijks loon dat daarmee correspondeert. [eiser] is op 11 mei 2026 uitgevallen wegens een bedrijfsongeval en zij is op dit moment volledig arbeidsongeschikt. Timing Flex heeft tot op heden geweigerd het achterstallige salaris over de periode 6 april tot en met 21 juni 2026 te voldoen. Omdat Timing Flex het loon niet tijdig heeft betaald, maakt [eiser] ook aanspraak op de wettelijke verhoging. 3.3. Timing Flex voert verweer. Waarop hierna, voor zover van belang, nader op wordt ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen. 4.2. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering. 4.3. Partijen verschillen van mening over de omvang van de arbeid waarvoor [eiser] aanspraak heeft op loon. Zij beroept zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW en stelt dat zij gemiddeld 38,1 uur per week geeft gewerkt. Zij neemt hierbij de periode 5 januari tot en met 5 april 2026 als referentieperiode. Volgens Timing Flex moet worden uitgegaan van een gemiddelde arbeidsomvang van 33,82 uur per week waarbij de periode 9 februari tot en met 10 mei 2026. Eerst moet worden bepaalde welke referentieperiode in dit geval geldend is. Referentieperiode 4.4. Het beroep van [eiser] op artikel 7:610b BW slaagt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet voor zover daarbij wordt uitgegaan van de door haar gehanteerde referentieperiode. Artikel 7:610b BW bepaalt weliswaar dat de bedongen arbeid wordt vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van arbeid in de drie voorafgaande maanden, maar de toepasselijke cao bevat voor de situatie van arbeidsongeschiktheid, een nadere regeling. Uit artikel 28 lid 2, onder b, van de cao volgt dat voor de vaststelling van de arbeidsomvang in geval van ziekte moet worden gekeken naar de dertien weken voorafgaand aan de eerste ziektedag. 4.5. De eerste ziektedag van [eiser] was 11 mei 2026. De in aanmerking te nemen referentieperiode loopt daarmee van 9 februari tot en met 10 mei 2026. Timing Flex heeft zich voor toepassing van deze referteperiode voorts beroepen op het verzuimprotocol dat onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter vormt dit protocol, voor zover het de berekening van de arbeidsomvang bij ziekte betreft, een uitwerking van de in de cao opgenomen regeling. Dit is ook door Timing Flex in haar akte na mondelinge behandeling zo betoogt. De cao laat geen ruimte voor het kiezen van een andere referteperiode en daarom bestaat er geen aanleiding om voor de loonbetaling tijdens ziekte uit te gaan van een andere referteperiode. Arbeidsomvang 4.6. Vervolgens moet bepaald worden wat de arbeidsomvang is. Uit de door partijen overgelegde stukken en gemaakte urenberekeningen volgt dat [eiser] in de voornoemde periode gemiddeld 33,82 uur per week heeft gewerkt. In dat kader heeft [eiser] gewezen op een aantal weken waarin zij minder uren heeft gewerkt dan in andere weken. Dat enkele gegeven leidt evenwel niet tot een ander gemiddelde. Niet is gebleken dat [eiser] in die weken minder heeft gewerkt wegens het ontbreken van werk of een omstandigheid die voor rekening en risico van Timing Flex behoort te komen. Daarmee bestaat in het kader van dit kort geding geen grond om deze weken bij de bepaling van de gemiddeld arbeidsomvang buiten beschouwing te laten. 4.7. Gelet op het voorgaande wordt in het kader van dit kort geding uitgegaan van een arbeidsomvang van gemiddeld 33,82 uur per week. De loonvordering van [eiser] zal daarom worden toegewezen voor zover deze is gebaseerd op deze arbeidsomvang. Wettelijke verhoging en rente 4.8. De gevorderde wettelijke verhoging is toewijsbaar. Timing Flex heeft weliswaar aangevoerd dat tussen partijen niet duidelijk was welk bedrag aan loon verschuldigd was, maar daarmee is niet betwist dát in ieder geval loon moest worden betaald. Het enkele bestaan van verschil van inzicht over de omvang van de loonverplichting neemt de verschuldigdheid van de wettelijke verhoging wegens niet-tijdige betaling niet weg. De wettelijke verhoging zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter ziet echter aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 20%. De wettelijke rente is eveneens toewijsbaar. 4.9. Tot slot vordert [eiser] betaling van het loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Deze vordering is niet toewijsbaar. Het loon over de toekomstige periode is ten tijde van dit vonnis nog niet opeisbaar. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen. 4.10. Timing Flex is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Timing Flex niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten . De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - griffierecht € 93,00 - salaris gemachtigde € 865,00 - nakosten € 108,50 Totaal € 1.066,50 4.11. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt Timing Flex om aan [eiser] te betalen het loon gebaseerd op een arbeidsomvang van 33,82 uur per week, berekend vanaf 9 februari 2026 tot aan de dag van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke verhoging tot een maximum van 20% en met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling; 5.2. veroordeelt Timing Flex in de proceskosten van € 1.066,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; 5.3. veroordeelt Timing Flex tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026. !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!