Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-08-18
ECLI:NL:RBGEL:2026:6463
Kort Geding: Inzagevordering ex art 194 Rv grotendeels toegewezen.. Nederlandse rechter is bevoegd ondanks overeengekomen arbitrage in buitenland (art 1074d Rv). Een beslissing kan in de arbitrageprocedure niet tijdig worden verkregen. Inzagevordering kan ook in kort geding. Bodemzaken nog niet ingeschreven op de rol. Bovendien spoedeisend belang bij inzage. Voldoende belang, voldoende bepaalbaarheid stukken en waarborgen voorkomen fishing expedition. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/468011 / KG ZA 26-230 Vonnis in kort geding van 18 augustus 2026 in de zaak van de rechtspersoon naar buitenlands recht TGH EV FINCO LIMITED , gevestigd te Jersey (Kanaaleilanden), eisende partij, hierna te noemen: TGH, advocaten: mrs. J.W. de Groot, T.J.A. Zuijderland en P.E. de Haas. tegen 1 ALLEGO HOLDING B.V., 2. ALLEGO N.V. , beiden gevestigd te Arnhem, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: Allego c.s. en afzonderlijk: Allego Holding en Allego N.V. advocaten: mrs. P.P.M. van Kippersluis, C.D.E. Scholte en P.F.B. Mulder. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 juni 2026 met producties 1 tot en met 47 - de akte vermeerdering van eis en aanvullende producties 48 tot en met 50 van 9 juli 2026 - de akte houdende bezwaar tegen de eiswijziging van Allego c.s. van 10 juli 2026 - de gecorrigeerde akte vermeerdering van eis van 10 juli 2026 - de reactie van TGH op het bezwaar van Allego c.s. van 10 juli 2026 - het e-mailbericht namens de voorzieningenrechter met de mededeling dat de eiswijziging wordt toegestaan van 13 juli 2026 - de incidentele conclusie houdende onbevoegdverklaring, tevens conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 25 van 13 juli 2026 - de akte overlegging aanvullende producties 51 tot en met 59, tevens vermindering van eis van 15 juli 2026 - het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarin de zaak op verzoek van partijen is aangehouden tot 30 juli 2026 - de pleitnota van TGH - de pleitnota van Allego c.s. - het bericht van partijen van 31 juli 2026, waarin wordt verzocht vonnis te wijzen. 1.2. Daarna is vonnis bepaald op heden. 2. Het geschil in het kort Partijen hebben een samenwerkingsovereenkomst (EVIA) gesloten voor het gezamenlijk ontwikkelen van laadstations voor elektrische voertuigen op locaties in Europa. Bij de uitvoering van deze overeenkomst zijn tussen hen geschillen ontstaan over de wederzijdse verplichtingen. TGH meent dat Allego c.s. moedwillig is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de EVIA, waarmee zij de samenwerking structureel heeft ondermijnd en heeft aangestuurd op een heronderhandeling van de contractvoorwaarden, waarop zij geen recht heeft. TGH stelt dat zij op grond van de EVIA naast vergoeding van directe schade, recht heeft op vergoeding van gevolgschade wegens opzettelijke en wezenlijke tekortkomingen door Allego c.s. Het geschil in de bodemzaak tegen Allego Holding is inmiddels door TGH aangebracht bij het SCC Arbitration Institute te Zweden en tegen Allego N.V. bij deze rechtbank. Om haar stellingen en vorderingen jegens Allego c.s. te kunnen onderbouwen heeft TGH bewijsbeslag doen leggen onder Allego c.s. In deze kortgedingprocedure vordert zij onder meer afschrift van en/of inzage in de beslagen documenten. Allego c.s. voert gemotiveerd verweer. Zij beroept zich op onbevoegdheid van de voorzieningenrechter omdat partijen arbitrage buiten Nederland zijn overeengekomen, werpt een aantal formele verweren op en meent dat sprake is van een fishing expedition door TGH. De voorzieningenrechter acht zich bevoegd om van de vorderingen van TGH kennis te nemen en wijst de vorderingen grotendeels toe. 3 De feiten 3.1. Allego c.s. drijft een onderneming die zich bezighoudt met het ontwikkelen, exploiteren en beheren van laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen op openbare en semi-openbare locaties. Allego N.V. is enig aandeelhouder van Allego Holding. In de jaarrekening van 2024 heeft Allego N.V. zich met een door haar afgelegde 403-verklaring (artikel 2:403 BW) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor alle verplichtingen van Allego Holding. 3.2. In 2025 is Allego Holding een samenwerking aangegaan met Tillman Global Holding X LLC (hierna: Tillman) voor het gezamenlijk ontwikkelen van laadstations voor elektrische voertuigen op locaties in Europa. De in het kader van deze samenwerking gemaakte afspraken zijn op 30 april 2025 vastgelegd in een raamovereenkomst met de titel ‘EV Charging Infrastructure Framework Agreement’ (hierna: EVIA). Kort samengevat bestaat de samenwerking uit het aandragen door Tillman bij Allego Holding van mogelijke locaties (‘sites’) voor de ontwikkeling van laadstations, waarna Allego Holding beoordeelt of deze interessant zijn en Tillman in dat geval de mogelijkheden verder uitwerkt en een ‘Site Development Plan’ (hierna ook: SDP) voorlegt aan Allego Holding. Na ondertekening van het SDP door Allego Holding ontwikkelt Tillman de site, waarna deze door Allego Holding wordt geëxploiteerd. De dan geldende afspraken worden vastgelegd in een ‘Site Lease Agreement’ (hierna ook: SLA). 3.3. TGH maakt deel uit van een groep met investeringsmaatschappijen en is een aan Tillman gelieerde onderneming. Bij overeenkomst van 2 januari 2026 is TGH in de rechten en verplichtingen van Tillman onder de EVIA getreden. Allego Holding is op dezelfde datum van deze intragroepscessie op de hoogte gebracht door middel van een Notice of Assignment. 3.4. In de EVIA is, voor zover relevant, het volgende opgenomen: RECITALS: (...) G. Based on the principles and subject to the process and conditions further set out herein, ALLEGO is willing to enter into at least 500 (fivehundred) Site Lease Agreements with Tillman or its local Affiliates under this Agreement, as long as Sites offered fulfil the criteria of being Viable Sites. (...) 1 Site Acquisition, Development and Construction. (...) (d) Tillmann shall give ALLEGO a written notice to proceed when and if (i) the Development Services under an SDP are completed by Tillman (...). (A) In the event of item (d) (i) above, (...) Tillmann and ALLEGO will, subject to Section 5(a), within 30 days after Tillman’s notice to proceed execute a Site Lease Agreement for each Site (...). (e) ALLEGO shall endeavor to its best efforts to enter into at least 500 individual Site Lease Agreements by or before 31 December 2027 (the “Commitment Date” ), provided that Tillman has presented at least 500 Viable Sites to ALLEGO prior to the Commitment Date. For clarity, ALLEGO may consequently refuse Sites if they do not meet the requirements for ALLEGO’s internal approval as per the criteria of the viability of sites (i.e. they are not Viable Sites) but ALLEGO shall always consider the viability of each Site in good faith and in close cooperation with Tillman for the purpose of increasing Tillman’s understanding of ALLEGO’s internal approval criteria, thus enhancing the process of identifying further Viable Site candidates. 2 Handover and pricing (...) Pursuant to each SLA, Tillman shall be compensated according to the below terms and payments for each Site (...): (a) (...) ALLEGO shall provide one (or as the case may be several) bank guarantee(s) to cover the aggregate of all payments that ALLEGO shall be bound to under each signed SLA. The bank guarantee(s) shall be provided before the entering into of each SLA and ALLEGO shall initiate the process of having the bank guarantee(s) in place at an early stage and on a reasonable efforts basis procure that there is no undue delay with the issuance of the bank guarantee(s) (i.e. which could result in a delay of the entering into of the relevant SLA(s)). The bank guarantee(s) shall cover the first 10 years of payment obligations of such SLA, decreasing upon expirations or lapses of time per SLA. However, ALLEGO shall not be obligated to provide any bank guarantee coverage exceeding a total aggregate cap of EUR 30 million. (...) (...) 5. Termination of Site Build Opportunities and Site Development Plans (a) Any Site Build Opportunity and the related Site Development Plan may be terminated by ALLEGO, (...) in its sole discretion, at any time prior to the execution of the SLA. In the event that ALLEGO exercises its right of termination for convenience under this Section 5(a) in relation to any accepted Site Development Plan, ALLEGO shall reimburse Tillman (...). (…) 9. Exclusivity Upon the issuing of a Site Build Opportunity by either Party, ALLEGO shall have the exclusive right to use Tillman’s services at the location/within the Search Area identified in the Site Build Opportunity in question. (...) Upon the written acceptance of a Site Build Opportunity, Tillman shall have the exclusive right to offer and provide the services set out in this Agreement to ALLEGO at the corresponding location and within the Search Area identified in such Site Build Opportunity. (...) 16. Miscellaneous (a) Governing Law; Submission to Jurisdiction; Selection of Forum. THIS AGREEMENT SHALL BE GOVERNED BY AND CONSTRUED IN ACCORDANCE WITH THE LAWS OF SWEDEN (...). Any dispute, controversy of claim arising out of or in connection with this contract, or the breach, termination, or invalidity thereof, shall be finally settled by arbitration in accordance with the Arbitration Rules of the SCC Arbitration Institute. The seat of arbitration shall be Stockholm. (...) (e) Limitations of Liability. Except for instances of fraud, gross negligence or intentional and material breaches of contract and further unless set forth in this Agreement or to the extent such limitation is not permitted according to mandatory Applicable Law, no Party hereto shall have any liability hereunder for: (i) any punitive or exemplary damages, or (ii) any special, consequential, incidental or indirect damages, including lost profits, lost data, lost revenues and loss of business opportunity, whether or not the other Party was aware or should have been aware of the possibility of these damages. Further, the liability of any Party hereto to any other Party hereunder shall be reduced by the net amount of any insurance proceeds that such other Party actually receives (after deducting any applicable reasonable attorneys’ fees, out-of-pocket expenses, deductibles and other costs of recovery). 3.5. De onderhandelingen over de EVIA zijn namens Allego Holding onder meer gevoerd door de heer [onderhandelaar Allego] (hierna: [onderhandelaar Allego] ). De EVIA is namens Allego Holding ondertekend door haar bestuurder en executive director, de heer [bestuurder Allego] (hierna: [bestuurder Allego] ). 3.6. De EVIA bevat een bijlage met de titel ‘Exhibit E to the EV Charging Infrastructure Framework Agreement’ en de subtitel ‘Affiliates & Territory’. In een tabel zijn alle entiteiten van de Allego-groep opgesomd, met kolommen voor het adres, registratienummer en ‘signature’. In die laatste kolom zijn bij de Allego-entiteiten in Denemarken en Noorwegen de namen van [bestuurder Allego] en [onderhandelaar Allego] opgenomen. Bij de Allego-entiteit in Zweden staat alleen de naam van [bestuurder Allego] . 3.7. In november 2025 heeft [onderhandelaar Allego] zijn collega [medewerker Allego 1] , treasury manager bij Allego Holding (hierna: [medewerker Allego 1] ), bij TGH geïntroduceerd in verband met de verstrekking van de overeengekomen bankgarantie(s) door Allego Holding. 3.8. Bij e-mailbericht van 9 december 2025 heeft [medewerker Allego 1] aan [medewerker TGH 1] van TGH als volgt bericht: (...) My understanding is that there not yet any SDPs signed off by us. As soon as we have a final list of signed initial SDP’s, I will take that list and start arranging as needed. (...) 3.9. Daarna is tussen partijen gecorrespondeerd over de wijze van berekening van het bedrag met betrekking tot de bankgarantie(s) en of er naast de Notice tot Proceed (hierna: NTP) voor een site bij Göteborg ook al andere NTP’s waren ondertekend. 3.10. In januari 2026 ontstond tussen partijen een geschil omtrent (de hoogte van) een door Allego Holding aan TGH te verstrekken bankgarantie voor een site bij Göteborg. 3.11. Bij e-mailbericht van 28 januari 2026 heeft [bestuurder Allego] de heer [medewerker TGH 2] , managing director bij TGH (hierna: [medewerker TGH 2] ), daarover als volgt bericht: Suspect it is worth you and i having a call. This is firmly not our understanding of the commercial agreement. And the economics of us providing a SBLC over 10 years of lease payments + 10 years of margin + 10 years of capex is beyond mental. 3.12. Bij e-mailbericht van 5 februari 2026 heeft de heer [medewerker Allego 2] , director of network development bij Allego Holding (hierna: [medewerker Allego 2] ), aan TGH een beoordeling van 271 door TGH aangedragen sites gestuurd. Daarvan zijn 70 sites aangeduid als ‘prio 1’, 72 sites als ‘prio 2’ en 113 dan wel 115 sites als ‘not interesting’. 3.13. Bij e-mailbericht van 11 februari 2025 heeft [medewerker Allego 2] aan TGH meegedeeld dat in verband met de discussie rondom de Cibus portfolio vooralsnog geen SDP meer zal worden ondertekend. Bij e-mailbericht van diezelfde dag heeft [bestuurder Allego] [medewerker TGH 2] als volgt bericht: I believe it is important that we solve the existing SDP’s en NTP’s and agree on a way of working (including a solution on the guarantees) before making any problem that we might have any larger by signing more SPDs without having this clarity. I am hopeful that we can come to a common understanding and agreement on the 24th and we can get back into gear. 3.14. Bij e-mailbericht van 18 februari 2026 heeft [bestuurder Allego] [medewerker TGH 2] als volgt bericht: By the way, we have reviewed the signed SDP’s that you have referenced. However, we note that Tillman has sent these to an Allego employee whom Tillman is aware is not authorized to sign on behalf of Allego Holding B.V. and as such the validity of the this process is very much in question. We can pick this up when we meet in person. 3.15. Bij e-mailbericht van 2 maart 2026 heeft TGH Allego Holding een overzicht gestuurd van de kosten met betrekking tot de ‘Terminated Sites”. Daarin vermeldt TGH dat sprake is van 13 door Allego Holding afgekeurde sites en daarmee van een recht op compensatie van TGH tot een bedrag van SEK 7.148.686. 3.16. Daarna is tussen partijen gecorrespondeerd en zijn over en weer voorstellen gedaan. 3.17. Bij brief van 20 maart 2026 heeft (de advocaat van) TGH Allego Holding in gebreke gesteld met betrekking tot tekortkomingen onder de EVIA en haar onder meer verzocht om binnen drie werkdagen te bevestigen dat (1) Allego Holding de bankgarantie voor alle uitgevoerde SLA’s, waaronder de site in Göteborg, zal verstrekken, (2) de 29 uitgevoerde SDP’s, waaronder de 13 ‘terminated sites’ als beschreven in het e-mailbericht van 2 maart 2026, geldig en bindend zijn en/of dat Allego Holding de door TGH voor die SDP’s gemaakte kosten zal betalen en (3) Allego Holding de overeenkomst onvoorwaardelijk zal nakomen. 3.18. Bij brief van 25 maart 2026 heeft (de advocaat van) Allego Holding in reactie daarop erop gewezen dat de EVIA en daaruit voortkomende geschillen zijn onderworpen aan Zweeds recht en zullen worden beslecht conform the Arbitration Rules of the SCC Arbitration Institute te Stockholm, Zweden. Verder zijn daarbij alle verwijten van TGH bestreden en is opgemerkt dat Allego Holding bereid blijft om in gesprek te gaan over een oplossing. 3.19. In april 2026 is tussen partijen gecorrespondeerd over een (her)beoordeling door Allego Holding van de door TGH aangedragen sites. Medio april 2026 heeft Allego Holding in verschillende e-mailberichten aan TGH bericht dat zij de 500 aangedragen sites heeft beoordeeld en daarvan 30 sites als positief heeft aangemerkt. 3.20. Krachtens daartoe verkregen verlof bij beschikking van 21 mei 2026 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft TGH op 26 mei 2025 (i) conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van Allego N.V. onder de bank Société Generale S.A., (ii) conservatoir beslag gelegd op aandelen die Allego N.V. houdt in het kapitaal van Allego Holding en op de aandelen die Allego Holding houdt in verschillende gelieerde vennootschappen, en (iii) conservatoir bewijsbeslag en conservatoir beslag tot afgifte gelegd onder Allego c.s. 3.21. Op 26 mei 2026 heeft TGH de (bodem)zaak tegen Allego Holding aangebracht bij het SCC Arbitration Institute in Stockholm , Zweden. 3.22. Daarna hebben de advocaten van partijen met elkaar gecorrespondeerd over opheffing van de gelegde beslagen. Op 3 juni 2026 heeft TGH het conservatoir beslag op de aandelen opgeheven en het derdenbeslag onder de bank beperkt tot beslag op één bankrekening van Allego N.V.. 3.23. Op 8 juni 2025 heeft Allego c.s TGH gedagvaard in kort geding bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank, waarbij zij opheffing vordert van het ten laste van Allego N.V. gelegde derdenbeslag onder de bank. 3.24. Bij dagvaarding van 9 juni 2026 heeft TGH Allego N.V. gedagvaard in de bodemzaak bij deze rechtbank tegen de rolzitting van 2 juni 2027. Daarin vordert zij veroordeling van Allego N.V. tot betaling van ruim € 1 miljoen aan directe schade en € 90 miljoen aan gevolgschade wegens wanprestatie van Allego Holding, waarvoor Allego N.V. op grond van de door haar afgelegde 403-verklaring hoofdelijk aansprakelijk is. 3.25. Op 11 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de onder 3.23 vermelde kortgedingprocedure met zaaknummer C/05/467982 / KG ZA 26-228. In die zaak is op 16 juni 2026 een kopstaartvonnis gewezen. De motivering van dat vonnis is op 30 juni 2026 op schrift gesteld. In dat vonnis is TGH veroordeeld tot opheffing van het op 26 mei 2026 gelegde conservatoir verhaalsbeslag onder de Sociéte Générale S.A., zodra Allego c.s. vervangende zekerheid stelt in de vorm van het plaatsen van een bedrag van € 10 miljoen in een escrow account onder gebruikelijke voorwaarden. In dat vonnis heeft de voorzieningenrechter, voor zover relevant, het volgende overwogen: 4.4. (...) De verwijten die TGH ten grondslag legt aan haar vordering komen in de kern neer op drie verschillende voorvallen. Het betreft het beroep van Allego c.s. op de vertegenwoordigingsonbevoegdheid van [onderhandelaar Allego] en de daarmee samenhangende afwijzing van door hem ondertekende SDP’s (...), het weigeren van Allego c.s. om de door TGH gevraagde bankgarantie voor de site in Göteborg te storten (...) en het beoordelen van (slechts) 30 van de 500 door TGH aangedragen sites als positief (...). 4.5. Ten aanzien van het eerste verwijt overweegt de voorzieningenrechter dat niet in geschil is dat (in ieder geval) 29 SDP’s zijn ondertekend door [onderhandelaar Allego] , die manager was van een regionale Allego-entiteit, en niet door [bestuurder Allego] , de bestuurder. De vraag is echter of Allego c.s. zich met succes op vertegenwoordigingsonbevoegdheid van [onderhandelaar Allego] kan beroepen en of het alsnog afwijzen van 13 van deze SDP’s zonder (financiële) gevolgen voor Allego c.s. kan blijven. Het oordeel over die vraag is voorbehouden aan de Zweedse arbiters, zo is tussen partijen niet in geschil. (...) 4.7. Gelet op (...) door TGH aangevoerde omstandigheden kan de voorzieningenrechter niet uitsluiten dat het oordeel in de Zweedse arbitrageprocedure zal zijn dat [onderhandelaar Allego] de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gewekt en dat Allego c.s. is gebonden aan de 29 SDP’s die hij heeft ondertekend. (...) In dat geval kan worden gesproken van een tekortkoming door Allego c.s. en een vordering uit dien hoofde van TGH. 4.8. Het voorgaande geldt ook voor het geschil over de door Allego c.s. geweigerde bankgarantie voor de site in Göteborg. Als in de Zweedse arbitrageprocedure wordt geoordeeld dat Allego c.s. gebonden is aan de door [onderhandelaar Allego] ondertekende SDP’s, gaat het argument van Allego c.s., dat zij ten aanzien van Göteborg geen verplichtingen heeft omdat deze SDP door [onderhandelaar Allego] is ondertekend, niet op. (...) 4.9. (...) Bij deze stand van zaken kan dan ook niet worden gezegd dat het bestaan van een vordering onaannemelijk is en daarmee dat de vordering van TGH summierlijk ondeugdelijk is. (…) 3.26. Bij brief van 8 juli 2026 heeft (de advocaat van) TGH Allego c.s., kort samengevat, bericht dat TGH niet accepteert dat de EVIA partijen nog bindt. TGH stelt zich op het standpunt dat Allego c.s. de overeenkomst heeft verworpen door te weigeren te voldoen aan haar verplichtingen, zodat de EVIA is geëindigd. 3.27. In reactie daarop heeft (de advocaat van) Allego c.s. bij brief van 10 juli 2026, kort samengevat, meegedeeld dat Allego c.s. nooit de intentie heeft gehad de EVIA te beëindigen en deze ook niet door haar handelen heeft verworpen. Volgens Allego c.s. geldt de EVIA nog onverkort en zij blijft bereid om de door TGH aangedragen sites te beoordelen zoals is overeengekomen. 4 De vordering en het verweer 4.1. TGH vordert dat de voorzieningenrechter, na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. Allego c.s. beveelt afschrift van en/of inzage in te verstrekken aan TGH van: primair: alle stukken zoals afgebakend in de door TGH als productie 51 in het geding gebrachte tabel, met inachtneming van de in § 4.7 van de dagvaarding omschreven waarborgen ter bescherming van vertrouwelijke en/of concurrentiegevoelige informatie; subsidiair: een door de voorzieningenrechter te bepalen selectie van deze stukken, al dan niet aan de hand van de tabel uit productie 51; een en ander met dien verstande dat, voor zover gegevens die binnen voornoemde categorieën vallen niet door het bewijsbeslag zijn getroffen, maar zich onder Allego c.s. bevinden of redelijkerwijs door Allego c.s. kunnen worden achterhaald omdat zij zich ten tijde van de beslaglegging niet op de beslaglocaties bevonden dan wel niet zijn gevangen door de destijds gehanteerde categorieën, zoektermen of gegevensdragers, Allego c.s. wordt bevolen op de voet van artikel 194 lid 1 jo. artikel 195 lid 1 Rv, althans artikel 194 lid 1 jo. artikel 196 lid 1 Rv, daarvan inzage, afschrift, uittreksel en/of opgave te verstrekken; 2. Allego c.s. veroordeelt te gedogen en al datgene te doen wat nodig is, zoals het verstrekken van inloggegevens, om mogelijk te maken dat TGH inzage verkrijgt in de in het vonnis omschreven stukken alsmede, voor zover deze niet door het bewijsbeslag zijn getroffen, de gerechtelijk bewaarder of een door de voorzieningenrechter aan te wijzen onafhankelijke derde in staat te stellen tot het identificeren, verzamelen, selecteren en beschikbaar maken van die gegevens aan TGH, een en ander met inachtneming van de in § 4.7 van de dagvaarding omschreven waarborgen ter bescherming van vertrouwelijke en/of concurrentiegevoelige informatie; 3. de gerechtelijk bewaarder (DigiJuris) machtigt al dan niet met behulp van de door hem ingeschakelde IT-specialist(en) de in het vonnis omschreven stukken op doelmatige wijze te selecteren en aan TGH ter beschikking te stellen; 4. bepaalt dat het in deze zaak te wijzen vonnis door Allego c.s. tot aan een opheffing van het beslag zal moeten worden nageleefd; 5. bepaalt dat het gelegde bewijsbeslag niet zal worden opgeheven bij eventuele (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen (en een dergelijke beslissing dus niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren), gelet op de mogelijkheid van hoger beroep van TGH, zodat het beslag in stand blijft tot onherroepelijke uitspraak is verkregen; 6. Allego c.s. veroordeelt tot betaling van een dwangsom zoals beschreven in hoofdstuk 6 van de dagvaarding van TGH, alsmede ter verzekering van de naleving van de in de akte eiswijziging geëiste bevelen en veroordelingen, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen hoogte. 4.2. TGH legt aan de vordering, kort samengevat, ten grondslag dat Allego c.s. is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de EVIA en dat zij de als gevolg van haar wanprestatie door TGH geleden en te lijden schade dient te vergoeden. TGH heeft de gevorderde inzage nodig om te bewijzen dat sprake is van een opzettelijke en wezenlijke tekortkoming van Allego c.s. De in het kader van het verleende beslagverlof verzamelde gegevens zijn in gerechtelijke bewaring gegeven. De gegevens waarin TGH inzage vordert zijn voldoende bepaald en de reikwijdte van de inzagevordering is beperkt. Verder is de inzageprocedure met voldoende waarborgen tegen inzage van vertrouwelijke gegevens omgeven, aldus TGH. Volgens haar is aan de vereisten van de artikelen 194 tot en met 196 Rv voldaan en staat het arbitragebeding uit de EVIA niet aan de inzagevordering in de weg. TGH heeft een spoedeisend belang bij haar inzagevordering met het oog op de reeds aanhangige arbitrageprocedure, waarin zij op korte termijn een ‘statement of claim’ moet indienen, waarin zij haar vorderingen en stellingen volledig en onderbouwd met stukken dient te presenteren, 4.3. Allego c.s. voert verweer. Zij concludeert tot onbevoegdheid van de voorzieningenrechter om van de vorderingen kennis te nemen op grond van artikel 1074d Rv. Verder voert zij aan dat voor een inzagevordering in kort geding dat geen plaats is omdat de arbitrageprocedure reeds loopt en geen sprake is van een spoedeisend belang. Zij betoogt dat sprake is van een fishing expedition nu uit de feiten geen enkel concreet aanknopingspunt blijkt voor het standpunt van TGH dat zij zich kan beroepen op een opzettelijke en wezenlijke tekortkoming van Allego Holding. Volgens Allego c.s. voldoet de inzagevordering van TGH niet aan de formele vereisten en, nu onvoldoende wordt gespecificeerd welke documenten TGH precies zoekt, ook niet aan de materiële vereisten van artikel 194 lid 1 Rv. Zij stelt voorts dat de inzagevordering moet worden afgewezen vanwege gewichtige redenen. TGH heeft bovendien geen enkel belang bij de vordering tegen Allego N.V. Allego c.s. concludeert daarom tot afwijzing van de vorderingen van TGH, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van TGH in de kosten van deze procedure. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. In deze kortgedingprocedure vordert TGH inzage in documenten die uit hoofde van het door haar onder Allego c.s. gelegde bewijsbeslag in bewaring zijn gegeven bij de gerechtelijk bewaarder en in documenten die binnen de categorieën van de tabel van productie 51 vallen en die niet door het bewijsbeslag zijn getroffen. TGH wil met de door haar aangeduide documenten in de arbitrageprocedure tussen haar en Allego Holding te Zweden en in de bodemprocedure jegens Allego N.V. bij deze rechtbank aantonen dat Allego Holding opzettelijk en wezenlijk is tekortgeschoten in de zin van Section 16 onder e van de EVIA in de nakoming van haar verplichtingen. Meer specifiek wil TGH weerleggen dat [onderhandelaar Allego] namens Allego Holding onbevoegd zou hebben gehandeld, dan wel dat Allego Holding van de handelingen van [onderhandelaar Allego] geen wetenschap zou hebben gehad. Ook wil zij nader onderbouwen dat er specifieke besluitvorming binnen de Allego-groep ten grondslag heeft gelegen aan de weigering om een conforme bankgarantie te verschaffen voor de site in Göteborg en aan de beëindiging van de SDP’s. Verder wil zij nader onderbouwen dat Allego Holding geen verdere invulling wilde geven aan haar ‘best effords’ verplichting van Section 1 onder e van de EVIA. Ten slotte wenst zij inzage om de omvang en aard van de door haar geleden schade nader te kunnen onderbouwen. 5.2. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat TGH daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. De voorzieningenrechter zal echter, voordat aan bovengenoemde punten wordt toegekomen, eerst beoordelen of zij bevoegd is van de vorderingen van TGH kennis te nemen. De voorzieningenrechter is bevoegd 5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de voorzieningenrechter, gelet op de vestigingsplaats van Allego c.s. en het feit dat het bewijsbeslag in Nederland is gelegd, in beginsel rechtsmacht heeft en dat de inzagevordering dienen te worden beoordeeld naar Nederlands recht. 5.4. De door Allego c.s. opgeworpen exceptie van onbevoegdheid ziet op het feit dat in de EVIA een arbitragebeding is overeengekomen. TGH heeft daarnaar ook gehandeld, door een arbitrageprocedure aanhangig te maken bij het SCC Arbitration Institute in Stockholm, Zweden, aldus Allego c.s. Volgens haar is de Nederlandse voorzieningenrechter enkel bevoegd over het inzageverzoek te oordelen als de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden verkregen. Daarvan is geen sprake, zo stelt Allego c.s., nu ook onder de Zweedse Arbitragewet en de SCC Rules uitgebreide mogelijkheden beschikbaar zijn voor zogenoemde ‘document production’. TGH betwist dat gemotiveerd. Volgens haar staat de arbitrageovereenkomst niet in de weg aan een vordering tot inzage bij de voorzieningenrechter. Bovendien is Allego N.V. geen partij bij het arbitragebeding, zodat deze vennootschap in geen geval gebonden kan zijn aan het beding, aldus TGH. 5.5. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. TGH stelde aanvankelijk (ook) dat artikel 37 van de SCC Rules een zelfstandige grondslag zou bieden voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter. Dit standpunt lijkt niet alleen te worden tegengesproken door het Zweedse advocatenkantoor waarvan TGH een opinie heeft overgelegd, maar zij heeft dit standpunt na betwisting daarvan door Allego c.s. ook (ter zitting) niet meer nader onderbouwd. De voorzieningenrechter gaat aan dat standpunt dan ook voorbij. 5.6. De vraag of de voorzieningenrechter bevoegd is zal dus moeten worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 1074 e.v. Rv. In artikel 1074a Rv is bepaald dat indien partijen in de door hen gesloten overeenkomst arbitrage in het buitenland zijn overeengekomen, dit niet belet dat een partij zich tot de Nederlandse rechter wendt voor een maatregel tot bewaring van recht of een voorziening in kort geding. Indien in zo’n geval een partij zich voor alle weren op het bestaan van een overeenkomst tot arbitrage beroept, verklaart de rechter zich uitsluitend bevoegd, indien de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden verkregen (artikel 1022c Rv respectievelijk artikel 1074d Rv). 5.7. Niet in geschil is dat TGH en Allego Holding in Section 16 onder a van de EVIA een arbitragebeding zijn overeengekomen, inhoudende dat alle geschillen die voortkomen uit of verband houden met de EVIA in hoogste instantie zullen worden beslecht door arbitrage in Stockholm, Zweden, volgens de SCC Arbitration Rules van het SCC Arbitration Institute. De rechtsgeldigheid van het arbitragebeding en de toepasselijkheid van de SCC Rules staan tussen partijen niet ter discussie, afgezien van hetgeen hierna zal worden overwogen over de vraag of Allego N.V. is gebonden aan het arbitragebeding. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de mogelijkheid van Emergency Arbitration, waarin de SCC Rules voorzien, in de onderhavige zaak geen soelaas biedt, omdat via die procedure naar Zweeds arbitragerecht geen inzage in stukken kan worden verkregen. 5.8. TGH heeft de stelling van Allego c.s., dat de procedure van ‘document production’ ruime mogelijkheden biedt om in de arbitrageprocedure tijdig inzage te krijgen, uitvoerig betwist. Zij heeft, onder meer onder verwijzing naar een door haar overgelegde legal opinion van haar advocaat in Zweden, toegelicht dat de Nederlandse procedure van inzage via een gerechtelijk bewaarder na gelegd bewijsbeslag op cruciale punten verschilt van de procedure van ‘document production’. Zo bestaat in de arbitrageprocedure geen mogelijkheid om te controleren of een partij de verzochte stukken nog bezit heeft en in dat geval ook overdraagt. Allego c.s. heeft daar tegenin gebracht dat het gegeven dat de procedure niet exact hetzelfde is geen beletsel vormt in de zin van artikel 1074d Rv. Dat is op zichzelf juist. Allego c.s. heeft echter onvoldoende weersproken dat zij in de arbitrageprocedure zelf de hand zou kunnen hebben in de selectie en verstrekking van de stukken en dat de overgedragen stukken niet kunnen worden gecontroleerd, waarbij ook het risico bestaat dat een deel van de oorspronkelijke documenten niet wordt overgedragen of inmiddels is vernietigd. De voorzieningenrechter overweegt dat dit risico niet bestaat ten aanzien van de stukken die zich onder de gerechtelijk bewaarder bevinden. TGH heeft zich in dat verband ook op het standpunt gesteld dat de ‘gevraagde beslissing’, zoals bedoeld in artikel 1074d Rv, specifiek ziet op stukken die reeds in beslag zijn genomen en de machtiging van de bewaarder om deze te selecteren en aan TGH ter beschikking te stellen. Allego c.s. heeft onvoldoende weersproken dat Zweeds arbitragerecht niet voorziet in de mogelijkheid om een buitenlandse bewaarder opdracht te geven gegevens ter beschikking te stellen. In zoverre heeft TGH in het kader van dit kort geding voldoende aannemelijk gemaakt dat de gevraagde beslissing, te weten: de machtiging van de gerechtelijke bewaarder om de stukken te selecteren en aan TGH ter beschikking te stellen, niet in de Zweedse arbitrageprocedure kan worden verkregen. 5.9. Daarbij komt dat TGH uitvoerig heeft toegelicht dat zij de gevraagde beslissing in arbitrage ook niet tijdig kan verkrijgen. Ter zitting is gebleken dat TGH een verzoek tot arbitrage heeft ingediend bij het Arbitration Institute te Zweden, dat Allego Holding een antwoord heeft ingediend en dat beide partijen het voorschot hebben betaald. In de processtukken hebben partijen verschillende standpunten ingenomen over de vraag of er arbiters aan de zaak zijn toegewezen, maar ter zitting is gebleken dat er nog geen specifieke arbiters zijn die de zaak in behandeling hebben. Er zal op korte termijn wel een zogenaamde ‘case management conference’ plaatsvinden, die vergelijkbaar is met een regiezitting, waarbij partijen verzoeken kunnen indienen. Daarbij heeft TGH onweersproken toegelicht dat zij haar inhoudelijke processtuk, de ‘statement of claim’, met een onderbouwing van haar vordering op Allego Holding, nog niet heeft ingediend maar dat wel op korte termijn moet doen om de arbitrageprocedure te laten aanvangen. Zij wil daarvoor de gevraagde stukken gebruiken. Volgens TGH is het niet mogelijk om de door haar gewenste stukken te verkrijgen voorafgaand aan het indienen van haar ‘statement of claim’ en kan een eventueel inzageverzoek pas later in het arbitrageproces aan de orde komen. Een beslissing op een dergelijk verzoek kan nog tot acht maanden op zich laten wachten, aldus TGH. Allego c.s. heeft weersproken dat dit nog acht maanden zal duren, maar heeft niet concreet aangevoerd dat TGH in de arbitrageprocedure wel op een zodanig korte termijn een beslissing kan krijgen dat zij met de gevraagde stukken haar ‘statement of claim’ kan onderbouwen. TGH heeft daarmee naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in het bestek van dit kort geding voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de gevraagde beslissing in arbitrage niet tijdig kan verkrijgen. Dat betekent dat de voorzieningenrechter in zoverre bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. De inzagevordering kan in kort geding worden ingediend 5.10. Dan is nog de vraag aan de orde of de inzagevordering bij wijze van voorlopige voorziening in kort geding kan worden ingediend. Allego c.s. stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is, nu reeds sprake is van een lopende (arbitrage)procedure. De voorzieningenrechter overweegt dat sprake is van twee inhoudelijke procedures tussen partijen, namelijk bij het Arbitration Institute in Zweden tegen Allego Holding en de bodemzaak bij deze rechtbank waarin TGH Allego N.V.. heeft gedagvaard. De onderhavige inzagevordering van TGH is te kwalificeren als een voorlopige bewijsverrichting. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 196 jo 197 Rv kan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn in de hoofdzaak een dergelijke bewijsverrichting bevelen voordat een zaak aanhangig is, of, als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de zaak op de rol is ingeschreven. In spoedeisende gevallen kan deze vordering worden ingediend bij de voorzieningenrechter. Ten aanzien van de bodemprocedure jegens Allego N.V. geldt dat sprake is van een aanhangige zaak die nog niet op de rol is ingeschreven. Uit de overgelegde dagvaarding blijkt immers dat is gedagvaard tegen de rolzitting van 2 juni 2027. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat voorlopige bewijsverrichtingen, waaronder een verzoek tot inzage, kunnen worden gedaan tot aan het moment van het bekend worden van de rechter met de zaak en dat daarom is aangesloten bij het moment van indiening van de dagvaarding tegen de aangezegde roldatum . In zoverre is voldaan aan artikel 196 Rv. 5.11. Ten aanzien van de arbitrageprocedure te Zweden heeft TGH zich op het standpunt gesteld dat nog geen sprake is van een aanhangige procedure. Allego c.s. heeft dat weersproken en heeft gewezen op artikel 8 van de SCC-Rules, waarin is bepaald dat arbitrage begint na ontvangst van het verzoek daartoe door het secretariaat. Niet in geschil is dat dit verzoek is gedaan en dat er, behoudens het voldoen van het voorschot, verder in deze procedure nog geen handelingen hebben plaatsgevonden. Er zijn nog geen arbiters aan de zaak toegewezen. Zoals hiervoor is overwogen dient TGH haar definitieve vordering (statement of claim) nog in te dienen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet die situatie worden gelijkgesteld met de situatie waarin een zaak wel aanhangig is gemaakt, maar nog niet is ingeschreven op de rol. Er is na het indienen van het verzoek tot arbitrage nog geen inhoudelijke behandeling van de zaak geweest. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze omstandigheid van belang is voor de vraag of het verzoek tijdig is gedaan. Het standpunt van Allego c.s., dat wellicht op de datum van dit vonnis de ‘case management conference’ al heeft plaatsgevonden, maakt dat niet anders. Ter zitting is gebleken dat een definitieve datum daarvoor nog niet is gepland. 5.12. Ook echter als de arbitrageprocedure moet worden gekwalificeerd als een bodemprocedure die al loopt, geldt dat er in uitzonderlijke gevallen een mogelijkheid is tot het indienen van een inzagevordering bij de voorzieningenrechter. Er moet sprake zijn van een zodanige spoedeisendheid dat de beslissing van de behandelend rechter niet kan worden afgewacht. Dat daarvan sprake is volgt reeds voldoende uit hetgeen in 5.9 is overwogen. Dat TGH haar inzagevordering bij de voorzieningenrechter heeft ingediend, kan daarmee ook geen strijd met de goede procesorde opleveren, zoals Allego c.s. aanvoert. Positie Allego N.V. 5.13. Het antwoord op de vraag of Allego N.V. zich al dan niet kan beroepen op het arbitragebeding in de EVIA is in het kader van deze inzagevordering slechts van belang in verband met het onbevoegdheidsverweer van Allego c.s. Zoals hiervoor is overwogen, wordt het onbevoegdheidsverweer van Allego c.s. verworpen, zodat de voorzieningenrechter daarover geen oordeel behoeft te geven. 5.14. Allego c.s. heeft verder aangevoerd dat TGH in het geheel geen belang heeft bij de onderhavige inzagevordering jegens Allego N.V. Volgens haar is Allego N.V. een niet-operationele houdstervennootschap waarmee TGH geen contact en geen contractuele relatie had. Allego N.V. beschikt dan ook over geen van de gevraagde documenten, die bovendien exact het zelfde zijn als de documenten die bij Allego Holding worden opgevraagd, en moet als een derde worden beschouwd, aldus Allego c.s. TGH stelt dat zij een zelfstandige vordering heeft jegens Allego N.V. op basis van de 403-verklaring en dat zij jegens Allego N.V. reeds een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt. In die procedure draagt TGH de bewijslast voor dezelfde stellingen in de arbitrageprocedure tegen Allego Holding. Zij betwist dat Allego N.V. een derde is. 5.15. Het bewijsbeslag door TGH is zowel onder Allego Holding als onder Allego N.V. gelegd. Ter zitting heeft TGH aangevoerd dat de deurwaarder niet heeft verklaard dat het beslag bij Allego N.V. niets heeft geraakt en dat zij niet weet wat er is beslagen. Dat er slechts één server is en dat Allego N.V. geen aparte documenten in bezit kan hebben (gehad), zoals Allego c.s. aanvoert, kan, wat daar ook van zij, niet ertoe leiden dat reeds nu wordt vastgesteld dat TGH bij haar vordering jegens Allego N.V. geen enkel belang heeft. Bovendien zal, als inderdaad blijkt dat deze vennootschap geen afzonderlijke documenten bezit, dit bij de selectie door de gerechtelijk bewaarder pas duidelijk worden. Gelet op de 403-verklaring, kan Allego N.V. niet als derde worden aangemerkt. Het verweer van Allego c.s. dat TGH geen enkel belang heeft bij haar inzagevordering jegens Allego N.V. kan dan ook niet slagen. De vordering van TGH is voldoende duidelijk 5.16. Allego c.s. heeft zich nog op het standpunt gesteld dat de vordering van TGH, gelet op het dictum in de dagvaarding dat verwijst naar het lichaam van de dagvaarding, de meerdere eiswijzigingen en de later overgelegde productie 51, niet aan de formele vereisten voldoet en te veel vragen oproept. Volgens Allego c.s. is niet (meer) duidelijk waarop de vordering van TGH nu precies ziet en komt deze reeds om die reden niet voor toewijzing in aanmerking. De voorzieningenrechter verwerpt dat verweer. TGH heeft ter zitting voldoende duidelijk gemaakt dat zij productie 51 in het geding heeft gebracht om haar vordering nog verder af te bakenen. Zij heeft daartoe in een kolom per categorie stukken het belang toegelicht en de bewijslast die op haar rust in de Zweedse arbitrageprocedure. Dat wil volgens TGH niet zeggen dat productie 51 de dagvaarding of de laatst ingediende akte eiswijziging overschrijft. In dat licht zal productie 51 hierna worden beoordeeld. De vordering is daarmee voldoende duidelijk en wordt niet reeds bij voorbaat afgewezen. Het enkele feit dat TGH inzage in een zeer grote hoeveelheid stukken vordert, levert, zonder nadere onderbouwing, ook geen misbruik van bevoegdheid op, zoals Allego c.s. aanvoert. Het belang van TGH bij de stukken waarin zij inzage vraagt zal hierna aan de orde komen. Inhoudelijke beoordeling; nieuw bewijsrecht 5.17. Voorop staat dat het nieuwe bewijsrecht in deze zaak van toepassing is, waarover partijen het ook eens zijn. In artikel 194 Rv eerste en tweede lid is bepaald dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht heeft op inzage indien zij daarbij voldoende belang heeft, en dat de partij die over de gegevens beschikt (in beginsel) verplicht is deze te verstrekken. De rechter kan dit ook bevelen op verzoek van de partij die daar recht op heeft, zo volgt uit artikel 195 Rv. De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat ter zitting is besproken dat TGH Allego c.s. in een eerder stadium weliswaar heeft verzocht een ‘legal hold’ toe te passen, maar geen verzoek tot inzage buiten rechte heeft gedaan. Dat een dergelijk verzoek is vereist voordat een verzoek in rechte kan worden toegewezen is echter niet gesteld of gebleken, nog daargelaten dat de mogelijkheid voor deze situatie is ingehaald door het bewijsbeslag. 5.18. Het nieuwe bewijsrecht voorziet, evenals voorheen artikel 843a Rv (oud), niet in een onbeperkt recht op inzage. Voor toewijzing van een verzoek om inzage moet zijn voldaan aan de genoemde cumulatieve vereisten van artikel 194 Rv. Daarmee wordt, in samenhang bezien, onder meer beoogd "fishing expeditions" te voorkomen. De artikelen 194 e.v. Rv bieden niet de mogelijkheid voor het opvragen van gegevens waarvan de eiseres slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan haar stellingen. Verder kan de vordering, ook indien aan de vereisten is voldaan, op grond van artikel 194 lid 2 Rv worden afgewezen indien de wederpartij zich kan beroepen op een verschoningsrecht of indien gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Onder gewichtige redenen valt in ieder geval het verstrekken van vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Daarnaast hangt het af van de concrete omstandigheden van het geval in hoeverre een gewichtige reden van degene die over de informatie beschikt, zwaarder dient te wegen dan het belang dat degene die om de informatie verzoekt over alle informatie beschikt die van belang is voor de oplossing van het geschil. Rechtsbetrekking 5.19. TGH heeft het bestaan van een rechtsbetrekking voldoende aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van Allego Holding is dit evident nu zij partij is bij de EVIA en het geschil tussen partijen voortvloeit uit (de nakoming van) deze overeenkomst. De vraag of Allego N.V. rechtstreeks gebonden is aan de EVIA moet in de arbitrageprocedure worden beantwoord. Dat Allego N.V. op grond van de 403-verklaring aansprakelijk is voor alle verplichtingen van Allego Holding, is niet in geschil. Daar komt bij dat het begrip ‘partij bij een rechtsbetrekking’ volgens de wetsgeschiedenis ruim moet worden opgevat en kan de inzet van een procedure juist bestaan in de vraag of tussen partijen al dan niet een rechtsbetrekking bestaat. Gelet daarop acht de voorzieningenrechter aan dit vereiste voldaan. Voldoende belang 5.20. TGH heeft ten aanzien van het belang bij inzage verwezen naar de vordering die zij stelt te hebben op Allego Holding vanwege de tekortkomingen onder de EVIA. Kort samengevat maakt zij Allego Holding vier concrete verwijten: (i) het schenden van de best efforts-verplichting van Section 1 onder e van de EVIA, (ii) het weigeren van de bankgarantie conform Section 2 onder a van de EVIA, (iii) het eenzijdig beëindigen van SDP’s zonder de verschuldigde vergoeding te betalen en (iv) het tardief en ongefundeerd betwisten van de bevoegdheid van [onderhandelaar Allego] . TGH heeft in haar dagvaarding deze verwijten uitvoerig toegelicht en onder verwijzing naar haar producties onderbouwd. Volgens TGH kwalificeert de handelswijze van Allego Holding, alle verwijten in samenhang bezien, als een opzettelijke en wezenlijke tekortkoming in de zin van Section 16 onder e van de EVIA. Als gevolg daarvan heeft TGH recht op vergoeding van alle directe en indirecte schade, zo stelt zij. Allego c.s. heeft het bestaan van een vordering van TGH, eveneens uitvoerig, betwist. Volgens haar is geen sprake van een tekortkoming en al zeker niet van een opzettelijke en wezenlijke tekortkoming die vergoeding van indirecte schade rechtvaardigt. 5.21. De voorzieningenrechter stelt voorop dat onder het nieuwe bewijsrecht het begrip ‘belang’ ruimer wordt toegepast. Als een partij aannemelijk heeft gemaakt dat zij belang heeft bij het verkrijgen van inzage van bepaalde gegevens, moet inzage worden verstrekt, tenzij bij degene die over de verlangde gegevens beschikt, gewichtige redenen bestaan die zich tegen de gegevensverstrekking verzetten of die partij een beroep op een verschoningsrecht kan doen. 5.22. Partijen hebben, evenals in de vorige kort gedingprocedure, veel standpunten gewijd aan het inhoudelijke geschil dat tussen hen bestaat en dat in de arbitrageprocedure (en de bodemprocedure bij deze rechtbank) zal moeten worden beslecht. Gelet op het feit dat hetgeen partijen hebben aangevoerd niet wezenlijk anders is dan in de kort gedingprocedure met betrekking tot de opheffing van het conservatoir beslag onder de bank, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan te sluiten bij het voorlopige oordeel in die procedure (zie hiervoor in 3.25). Dat betekent dat in dit kort geding ervan wordt uitgegaan dat het bestaan van een vordering van TGH op Allego Holding niet onaannemelijk is. Niet uitgesloten is immers, zo is in de vorige kort gedingprocedure geoordeeld, dat [onderhandelaar Allego] de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gewekt, dat Allego Holding is gebonden aan de SDP’s die [onderhandelaar Allego] heeft ondertekend en dat zij gehouden was de gevraagde bankgarantie af te geven. 5.23. TGH heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd gesteld dat zij belang heeft bij inzage in de beslagen stukken om haar vordering in de bodemprocedure(s) nader te onderbouwen. Op TGH rust in die procedure(s) de stelplicht en bewijslast daarvan en dat heeft Allego c.s. ook niet betwist. Ten aanzien van de bevoegdheid van [onderhandelaar Allego] zal TGH moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de omstandigheden die haar vertrouwen in de bevoegdheid van [onderhandelaar Allego] hebben gerechtvaardigd, aan Allego Holding kunnen worden toegerekend. Daarvoor is inzicht vereist in de kennis, gedragingen en interne besluitvorming van het senior management van Allego Holding, waaronder begrepen de vraag in hoeverre zij op de hoogte was van het optreden van [onderhandelaar Allego] , dit heeft gedoogd of gefaciliteerd, en waarom eventuele beperkingen op diens bevoegdheid niet aan TGH kenbaar zijn gemaakt. Die informatie bevindt zich naar haar aard uitsluitend in interne communicatie en besluitvormingsdocumentatie van Allego Holding. Ook de stukken met betrekking tot het interne onderzoek en disciplinaire maatregelen jegens [onderhandelaar Allego] kunnen daarbij relevant zijn. 5.24. Het gaat TGH echter, zo heeft zij uitvoerig toegelicht, vooral ook om de door haar gestelde interne besluitvorming bij Allego Holding om de samenwerking met TGH te beëindigen. Volgens TGH kunnen de beslissingen van Allego Holding om de bankgarantie te weigeren, zich te beroepen op de onbevoegdheid van [onderhandelaar Allego] , de SDP’s te beëindigen en het veronachtzamen van haar ‘best effords’ verplichting, niet anders worden gezien dan als een bewuste interne koerswijziging met als doel om de uitvoering van de EVIA te blokkeren. TGH kwalificeert dit als een wezenlijke en opzettelijke tekortkoming en stelt dat inzage in de beslagen documenten noodzakelijk is omdat zij op een informatieachterstand staat ten aanzien van de interne besluitvorming binnen de Allego-groep. Volgens Allego c.s. betreft de stelling van TGH dat sprake is van een opzettelijke en wezenlijke tekortkoming een ongefundeerde complottheorie en maakt dat de inzagevordering een fishing expedition om een grote hoeveelheid interne correspondentie op te vragen. 5.25. De voorzieningenrechter overweegt dat in de vorige kort gedingprocedure reeds is overwogen dat de vraag of sprake is van “fraud, gross negligence or intentional and material breaches of contract” voorligt in de Zweedse arbitrageprocedure. Over de juridische juistheid van het standpunt van TGH zal de voorzieningenrechter zich dan ook niet uitlaten. Feit is wel dat TGH zich ook in die procedure al op het standpunt stelde dat het handelen van Allego Holding zich niet anders laat verklaren dan door een intern besluit om de samenwerking met TGH feitelijk te beëindigen. Dat standpunt, alsmede het feit dat TGH, mocht dit standpunt in de Zweedse procedure slagen, mogelijk vergoeding van indirecte schade kan vorderen, maakt dat zij naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter haar belang bij de inzagevordering voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Aangezien Allego N.V. op grond van de 403-verklaring hoofdelijk aansprakelijk is voor de verplichtingen van Allego Holding, heeft het voorgaande eveneens ten aanzien van Allego N.V. te gelden. Voldoende bepaalbaarheid 5.26. Het bepaalbaarheidsvereiste strekt niet zover dat de verzochte gegevens precies moeten worden aangeduid, waarbij elk stuk afzonderlijk moet worden omschreven. Omdat een partij die om informatie vraagt niet over die informatie beschikt, kan deze nadere concretisering niet van haar worden verlangd. Wel mag van haar worden gevergd dat zij aanvoert waarom een redelijke grond bestaat dat die ander over die informatie beschikt en dat zij voldoende concreet vermeldt waarom die informatie relevant is voor haar rechtspositie in een potentieel of ontstaan geschil over een rechtsbetrekking waarbij zij partij is. Het informatieverzoek moet dus voldoende nauwkeurig worden afgebakend onder aanduiding van het geschil of het feitencomplex met het oog waarop de informatie wordt opgevraagd. 5.27. TGH heeft haar vordering, zoals reeds is overwogen, nader afgebakend en toegelicht in productie 51. Die productie bestaat uit een tabel. Daarin worden in de eerste kolom tien categorieën weergegeven, aangeduid met A, B,C, D1, D2, E1, E2, F1, F2 en G, waarvan in de vijfde kolom het belang bij deze stukken en in de zesde kolom de bewijslast in de Zweedse arbitrageprocedure wordt vermeld. In de tweede kolom is een afbakening naar tijdvak en personen vermeld, in de derde kolom zijn zoektermen weergegeven en in de vierde kolom het soort documenten waarin inzage wordt gevorderd. De categorieën in kolom 1 komen overeen met de categorieën a tot en met d in § 4.5 van de dagvaarding en de categorieën d tot en met g in hoofdstuk 2 van de akte vermeerdering van eis. Zoals hiervoor is overwogen zal de voorzieningenrechter deze tabel bezien tegen de achtergrond van hetgeen in de dagvaarding in § 4.5 en § 4.6 en in de akte vermeerdering van eis in de hoofdstukken 2, 3 en 4 is vermeld. Ten behoeve van de leesbaarheid wordt de inhoud van productie 51 hierna weergegeven, met uitzondering van de vijfde en zesde kolom van die tabel, waarin per categorie het belang en de bewijslast in de Zweedse arbitrageprocedure is omschreven. [ Afbeeldingen verwijderd ter anonimisatie. ] Categorieën (kolom 1) 5.28. In deze kolom is per categorie weergegeven naar welke paragraaf in de dagvaarding en de akte vermeerdering van eis wordt verwezen. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft TGH voldoende aannemelijk gemaakt dat zij belang heeft bij inzage in de documenten die onder de betreffende categorieën vallen. In zoverre is haar vordering dan ook voldoende bepaald. Tijdvak (kolom 2) 5.29. TGH heeft in productie 51 het tijdvak nader ingeperkt en vordert ten aanzien van de categorieën A, B, D1 tot en met F2 inzage in documenten uit de periode van 30 april 2025 tot 26 mei 2026 en ten aanzien van categorie C documenten uit de periode 9 december 2025 tot 26 mei 2026. Slechts ten aanzien van categorie G heeft zij het tijdvak dat is vermeld in de dagvaarding gehandhaafd, namelijk de periode van 1 juli 2024 tot 26 mei 2026. 5.30. Allego c.s. heeft in haar conclusie van antwoord bezwaar gemaakt tegen de periode die is gelegen voorafgaand aan het sluiten van de EVIA, dus vóór 30 april 2025. Nu TGH het tijdvak inmiddels heeft aangepast tot de periode die is gelegen na 30 april 2025, behoudens ten aanzien van categorie G, is aan dat bezwaar van Allego c.s. tegemoetgekomen. TGH heeft echter niet nader toegelicht waarom voor categorie G een uitzondering moet worden gemaakt en waarom zij voor die categorie inzage wenst in documenten van vóór 30 april 2025. Zonder een toelichting valt niet in te zien waarom voor die categorie een andere periode zou moeten gelden. Categorie G ziet immers op documenten in verband met de ‘best effords’ verplichting van Section 1 onder e van de EVIA en die verplichting geldt dus pas vanaf 30 april 2025. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat ook ten aanzien van categorie G het tijdvak aanvangt op 30 april 2025. 5.31. Verder heeft Allego c.s. aangevoerd dat het tijdvak moet worden beperkt tot de periode gelegen vóór 15 januari 2026, dan wel 9 februari 2026, dan wel 11 februari 2026, dan wel 20 maart 2026, door haar aangeduid als ‘cut-off date’, omdat [bestuurder Allego] op dat moment ontdekte dat er onbevoegd SDP’s waren ondertekend en dat Allego c.s. zich vanaf dat moment intern heeft moeten beraden over haar handelen en standpuntbepaling ten opzichte van TGH. De documenten waarin inzage wordt gevorderd vanaf die ‘cut-off date’ kunnen geprivilegieerde correspondentie bevatten tussen Allego c.s. en haar verschoningsgerechtigde adviseurs, waaronder haar advocaten, en of vertrouwelijke informatie waarin haar interne gedachtevorming en/of standpuntbepaling zichtbaar zal zijn. Om die reden dient inzage in ieder geval vanaf de ‘cut-off date’ wegens gewichtige redenen te worden geweigerd, aldus Allego c.s, TGH maakt gemotiveerd bezwaar tegen het hanteren van een ‘cut-off date’. 5.32. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende reden om de einddatum van het tijdvak te beperken, zoals door Allego c.s. is verzocht. Niet gesteld of gebleken is dat vanaf de door Allego c.s. voorgestelde data alleen nog sprake is van gepriviligieerde correspondentie en/of stukken. Verder kan niet zonder meer worden gevolgd dat alle gegevens met betrekking tot de interne besluit- en gedachtenvorming bij Allego c.s. vanwege de vertrouwelijkheid daarvan van inzage moeten worden uitgesloten. In het kader van dit kort geding kan niet vastgesteld worden welke interne stukken en correspondentie als vertrouwelijk moeten worden aangemerkt en welke niet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bieden de hierna te bespreken waarborgen ten aanzien van het selectieproces van de documenten waarin inzage moet worden verleend voldoende zekerheid dat TGH geen inzage zal krijgen in stukken, die vertrouwelijk zijn en dienen te blijven. 5.33. Gelet op het voorgaande zal het tijdvak voor inzage van de documenten voor alle categorieën worden bepaald op de periode van 30 april 2025 tot 26 mei 2026, met dien verstande dat voor categorie C de periode van 9 december 2025 tot 26 mei 2026 zal gelden. Personen (kolom 2) 5.34. TGH heeft in productie 51 de personen tussen wie correspondentie heeft plaatsgevonden of bij wie stukken aanwezig zijn beperkt tot [bestuurder Allego] , [betrokkene] , [onderhandelaar Allego] , [betrokkene 2] , [medewerker Allego 1] , [medewerker Allego 2] , [president Tillman] en [betrokkene 3] en per categorie vermeld om wie van deze personen het gaat. Daarmee is aan het bezwaar van Allego c.s. ten aanzien van andere dan voormelde personen, die in de dagvaarding en de akte vermeerdering van eis waren vermeld, al tegemoet gekomen. Ter zitting heeft TGH desgevraagd bevestigd dat de naam “ [president Tillman] ” uit kolom 2 kan worden verwijderd, aangezien met “ [president Tillman] ” wordt aangeduid [president Tillman] , de president van Tillman, en TGH uiteraard al beschikt over de correspondentie die met hem is gevoerd en de stukken die bij hem aanwezig zijn. Allego heeft verder geen concreet verweer gevoerd tegen voormelde personen. De voorzieningenrechter constateert dat voormelde personen (in wisselende samenstelling) betrokken zijn geweest bij de uitvoering van de EVIA. Dat volgt uit de overgelegde e-mailcorrespondentie. TGH heeft daarmee voldoende onderbouwd dat zij belang heeft bij inzage van de correspondentie tussen die personen en de stukken die aanwezig zijn bij die personen in combinatie met de door haar gestelde zoektermen en aard van de documenten (zie de kolommen 3 en 4 van productie 51). Overigens geldt ook ten aanzien van voormelde personen dat de waarborgen, die hierna besproken worden, voldoende zekerheid bieden dat TGH geen kennis kan nemen van correspondentie tussen en stukken met betrekking tot die personen, die vertrouwelijk zijn en dienen te blijven. 5.35. Dat betekent dat alleen de naam [president Tillman] moet worden geschrapt bij alle categorieën uit kolom 2. Zoektermen (kolom 3) 5.36. TGH heeft in kolom 3 de zoektermen aangescherpt ten opzichte van de door haar vermelde zoektermen in de dagvaarding en de akte vermeerdering van eis. Ter zitting heeft TGH meegedeeld dat naast de zoekterm ‘ [president Tillman] ’ ook moet worden opgenomen ‘en/of [president Tillman] ’, aangezien [president Tillman] een en dezelfde persoon is. Allego c.s. heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat onder ‘ [president Tillman] ’ bij de zoektermen in kolom 3 moet worden begrepen ‘ [president Tillman] en/of [president Tillman] ’. 5.37. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het algemene verweer van Allego c.s. dat de zoektermen onduidelijk en generiek zijn en onvoldoende op het geschil zijn toegeschreven. De door TGH vermelde zoektermen ‘Tilman’,’TGH’ en ‘ [president Tillman] en/of [president Tillman] ’ en de per categorie vermelde cumulatieve zoektermen in kolom 3 zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende toegeschreven op het geschil, zeker in combinatie gezien met de in kolom 4 vermelde documenten, waarbij bijvoorbeeld ten aanzien van categorie B (bankgarantie), is opgenomen dat het moet gaan om correspondentie met de bank Société Generale S.A over de bankgarantie. Daarbij geldt dat de hierna te bespreken waarborgen voldoende garantie bieden tegen het voorkomen van een fishing expedition door TGH. Documenten (kolom 4) 5.38. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de documenten waarin inzage wordt gevorderd eveneens voldoende zijn gespecificeerd in kolom 4, vooral nu het moet gaan om het vermelde type documenten (per categorie), in samenhang met de afbakening in tijdvak en personen (kolom 2) en de cumulatieve zoektermen (kolom 3). Ook hierbij geldt dat de hierna te bespreken waarborgen voldoende garantie bieden tegen het voorkomen van een fishing expedition door TGH. Waarborgen 5.39. De voorzieningenrechter merkt op dat TGH ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat het haar niet te doen is om inzage te krijgen in geprivilegieerde of andere vertrouwelijke gegevens van Allego c.s., zoals stukken van geheimhouders of stukken die de processtrategie van Allego c.s. betreffen, en ook niet om inzage te krijgen in bedrijfsgevoelige gegevens en financiële informatie van Allego c.s., waarvan het belang van geheimhouding groter is dan het belang van inzage. TGH betoogt dat de door haar vermelde waarborgen in § 4.7 van de dagvaarding daartegen waken. Ter zitting heeft TGH verder verklaard dat het niet de bedoeling is dat haar advocaten irrelevante vertrouwelijke informatie zwartlakken, alvorens deze informatie wordt verstrekt aan TGH, zoals beschreven in 4.7.2 van de dagvaarding. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat TGH dat onderdeel van de door haar gestelde waarborgen niet langer handhaaft. Verder heeft TGH ter zitting verklaard zij als extra waarborg geen bezwaar heeft tegen het aanstellen van een onafhankelijk deskundige om de bezwaren van Allego c.s. tegen de door de gerechtelijk bewaarder verrichte selectie van de documenten te beoordelen en evenmin bezwaar heeft om het oordeel van die deskundige te laten toetsen door de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter zal hierna bepalen welke waarborgen hebben te gelden, alvorens TGH inzage zal krijgen in de documenten. 5.40. Ter zitting is gebleken dat, anders dan in de dagvaarding is vermeld, de deurwaarder/gerechtelijk bewaarder nog geen selectie heeft gemaakt van de beslagen documenten, althans dat die selectie nog niet is afgerond. Voor zover deze selectie inmiddels is afgerond, gaat het dan om een selectie die op basis van het beslagrekest en het beslagverlof is gemaakt. In dit vonnis wordt een nadere afbakening bepaald van de documenten waarin inzage wordt toegestaan, zodat er eerst nog een selectie zal moeten worden gemaakt van de beslagen documenten aan de hand van het bepaalde in dit vonnis. Daarna zal die (uiteindelijke) selectie eerst ter hand moeten worden gesteld aan (de advocaten van) Allego c.s. om haar de gelegenheid te bieden bezwaar te maken tegen inzage in bepaalde afzonderlijke documenten. Allego c.s. heeft in dat verband om een termijn van acht weken verzocht in verband met de grote omvang van de beslagen stukken. TGH heeft tegen die termijn geen bezwaar gemaakt, zodat de voorzieningenrechter die termijn op acht weken zal bepalen. Vervolgens zullen de bezwaren van Allego c.s. moeten worden beoordeeld door een onafhankelijk, door partijen in onderling overleg aan te wijzen deskundige. Indien die deskundige de bezwaren van Allego c.s. niet overneemt, zal zij daarna nog in de gelegenheid moeten worden gesteld om de beoordeling van haar bezwaren voor te leggen aan de voorzieningenrechter. Pas nadat deze procedure is gevolgd, zal TGH inzage krijgen in de door haar gewenste documenten. 5.41. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de voorzieningenrechter de (subsidaire) vordering onder 1 van TGH toewijzen met betrekking tot de documenten, zoals afgebakend in productie 51 (weergegeven in 5.27) en met inachtneming van het volgende beperkingen/aanvullingen: het tijdvak van kolom 2 wordt voor alle categorieën, behoudens categorie C bepaald op de periode van 30 april 2025 tot 26 mei 2026 en voor categorie C op de periode van 9 december 2025 tot 26 mei 2026 (zie 5.33), in kolom 2 zal de persoon ‘ [president Tillman] ’ worden geschrapt (zie 5.35), in kolom 3 zal de zoekterm ‘ [president Tillman] ’ worden vervangen door de zoekterm ‘ [president Tillman] en/of [president Tillman] ’ (zie 5.36), waarbij tevens de waarborgen zoals hiervoor vermeld in 5.40 in acht dienen te worden genomen. Stukken die niet door het bewijsbeslag zijn getroffen 5.42. TGH heeft tevens gevorderd dat Allego c.s. wordt bevolen afschrift van en/of inzage in documenten te verstrekken die niet door het bewijsbeslag zijn getroffen, maar die zich onder haar bevinden of redelijkerwijs door haar kunnen worden achterhaald. Allego c.s. heeft daartegen geen verweer gevoerd. De vordering onder 1 zal dan ook worden toegewezen in die zin dat daarvoor dezelfde afbakening en dezelfde waarborgen dienen te gelden, zoals hiervoor is overwogen in 5.41. Vorderingen 2 tot en met 5 5.43. Allego c.s. heeft tegen de vorderingen 2 tot en met 5 geen verweer gevoerd. De vorderingen 2 en 3 zullen als na te melden worden toegewezen. Bij het gevorderde onder 4 en 5 heeft TGH geen belang, gelet op het bepaalde in artikel 704 lid 2 Rv en nu door Allego c.s. geen vordering tot opheffing van het beslag is ingediend. De vorderingen 4 en 5 zullen dan ook worden afgewezen. Dwangsom 5.44. TGH vordert aan de veroordeling van Allego c.s. tot het verstrekken van afschrift en/of inzage in de door haar gewenste documenten een dwangsom te verbinden van € 25.000 per dag dat Allego c.s. niet voldoet aan de veroordeling, met een maximum van € 1 miljoen. Allego c.s. voert aan dat indien zij zal worden bevolen om inzage te verstrekken, zij zich daaraan zal houden, zonder afstand te doen van enig recht of het instellen van een rechtsmiddel. Zij verzoekt de dwangsom te matigen tot € 1.000,00 per dag met een maximum van € 1 miljoen. 5.45. De voorzieningenrechter zal de dwangsom beperken als na te melden. 5.46. Allego c.s. is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van TGH worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 151,94 - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 Totaal € 2.063,94 6 De beslissing De voorzieningenrechter 6.1. beveelt Allego c.s. afschrift van en/of inzage in te verstrekken aan TGH van: ( i) alle documenten die door het bewijsbeslag zijn getroffen, zoals afgebakend in productie 51 (weergegeven in 5.27) en met inachtneming van het volgende beperkingen/aanvullingen: het tijdvak van kolom 2 wordt voor alle categorieën, behoudens categorie C bepaald op de periode van 30 april 2025 tot 26 mei 2026 en voor categorie C op de periode van 9 december 2025 tot 26 mei 2026 zal gelden (zie 5.33), in kolom 2 zal de persoon ‘ [president Tillman] ’ worden geschrapt (zie 5.35), in kolom 3 zal de zoekterm ‘ [president Tillman] ’ worden vervangen door de zoekterm ‘ [president Tillman] en/of [president Tillman] ’ (zie 5.36), en (ii) alle documenten die voldoen aan de onder (i) vermelde afbakening, die niet door het bewijsbeslag zijn getroffen, maar zich onder Allego c.s. bevinden of redelijkerwijs door Allego c.s. kunnen worden achterhaald omdat zij zich ten tijde van de beslaglegging niet op de beslaglocaties bevonden dan wel niet zijn gevangen door de destijds gehanteerde categorieën, zoektermen of gegevensdragers, met ten aanzien van alle documenten zoals genoemd onder (i) en (ii) inachtneming van de waarborgen zoals hiervoor vermeld in 5.40, 6.2. veroordeelt Allego c.s. te gedogen en al datgene te doen wat nodig is, zoals het verstrekken van inloggegevens, om mogelijk te maken dat TGH inzage verkrijgt in de in dit vonnis omschreven stukken, alsmede, voor zover deze niet door het bewijsbeslag zijn getroffen, de gerechtelijk bewaarder in staat te stellen tot het identificeren, verzamelen, selecteren en beschikbaar maken van die gegevens aan TGH, een en ander met inachtneming van de waarborgen zoals hiervoor vermeld in 5.40, 6.3. machtigt de gerechtelijk bewaarder (DigiJuris) om al dan niet met behulp van de door hem ingeschakelde IT-specialist(en) de in dit vonnis omschreven stukken op doelmatige wijze te selecteren en na inachtneming van de waarborgen zoals hiervoor vermeld in 5.40, aan TGH ter beschikking te stellen, 6.4. veroordeelt Allego c.s. om aan TGH een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordelingen onder 6.1 en 6.2 voldoet, tot een maximum van € 1.000.000,00 is bereikt, met dien verstande dat de dwangsom met betrekking tot de veroordeling onder 6.1 pas is verschuldigd nadat de waarborgen zoals vermeld in 5.40 door TGH in acht zijn genomen, 6.5. veroordeelt Allego c.s. in de proceskosten van € 2.063,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Allego c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 6.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026. Parl. Gesch. Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht 2024/ II.33.5 Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 58, onder c. Vgl. o.m. Rb. Den Haag 26 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22355 en Rb. Amsterdam 4 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3482. Vgl. Gerechtshof Den Haag 27 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:169. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 47. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 48. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 47.