Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-08-14
ECLI:NL:RBGEL:2026:6428
BPM. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat er redenen zijn voor een waardevermindering vanwege 'geen oordeel kilometerstand' of een hoger percentage waardevermindering door schade dan 72. Een beroep op schending van artikel 110 VWEU is niet bij voorbaat kansloos op grond van de gehanteerde bewijsmaatstaf. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/5138 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ) en de inspecteur van de belastingdienst, Centrale administratieve processen , de inspecteur, en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) , te Den Haag, de Staat. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 februari 2024. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 4.551. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 29 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 3.579. De belastingrentebeschikking heeft de inspecteur dienovereenkomstig verminderd. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft op 11 juni 2026 een tiendagenstuk ingediend en op 24 juni 2026 een pleitnota in het geding gebracht. De rechtbank heeft partijen voor een zitting op 26 juni 2026 uitgenodigd. De zitting is niet doorgegaan vanwege code rood door extreme hitte. De rechtbank heeft partijen nadien laten weten dat zij het niet nodig vond om de zaak op een zitting te behandelen, maar dat partijen voor 14 juli 2026 konden laten weten of zij hun standpunten wilden toelichten op een zitting. Geen van de partijen heeft laten weten dat zij van deze gelegenheid gebruik wilde maken, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten op 20 juli 2026. Feiten 1. Belanghebbende is vergunninghouder als bedoeld in artikel 8 van de wet BPM. Zij heeft op onderstaande data melding BPM gedaan voor de hierna genoemde auto’s: [Afbeelding gepseudonimiseerd] 2. Belanghebbende heeft aan de hand van taxatierapporten van [naam] en Partners de handelsinkoopwaarde van de auto’s bepaald op de volgende bedragen: 3. Belanghebbende heeft voor de drie auto’s in haar aangifte over het derde kwartaal 2022 de volgende bedragen aan BPM aangegeven en voldaan: 4. De inspecteur heeft in zijn brieven van 5 april 2023 aangekondigd voornemens te zijn een naheffingsaanslag BPM aan belanghebbende op te leggen. De naheffingsaanslag vindt zijn grondslag in de geconstateerde verschillen in CO2-uitstoot en de op basis hiervan berekende bruto BPM van de drie auto’s: 5. Bij brieven van 28 april 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende medegedeeld een naheffingsaanslag BPM op te zullen leggen. Blijkens die brieven is de naheffingsaanslag opgebouwd als volgt: 6. De inspecteur heeft conform zijn mededelingen een naheffingsaanslag BPM met dagtekening 25 mei 2023 aan belanghebbende opgelegd, te vermeerderen met € 29 belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 30 mei 2023. 7. Op 25 januari 2024 heeft het (telefonisch) hoorgesprek in bezwaar plaatsgevonden. 8. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de bruto BPM, de handelsinkoopwaarde van de auto’s en de verschuldigde BPM opnieuw vastgesteld naar de hieronder vermelde bedragen: 9. De inspecteur heeft aan belanghebbende een vergoeding voor proceskosten toegekend van € 620. Bij het vaststellen van de handelsinkoopwaarde heeft de inspecteur gerekend met een waardevermindering vanwege schade van 72% en heeft hij de vermindering van € 3.025 per auto vanwege ‘geen oordeel kilometerstand’ geschrapt. Het voorgaande resulteert voor auto 1 in een vermindering van de naheffingsaanslag met een bedrag van € 291 (€ 2.335 minus € 2.044), voor auto 2 met een bedrag van € 681 (€ 2.904 minus € 2.223), en voor auto 3 met een bedrag van nihil. In het totaal bedraagt de vermindering € 972 (€ 291 en € 681). De belastingrentebeschikking heeft de inspecteur verminderd met € 3. Beoordeling door de rechtbank 10. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Daarnaast beoordeelt zij of de in bezwaar aan belanghebbende toegekende kostenvergoeding afdoende is. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen: is een waardevermindering vanwege ‘geen oordeel kilometerstand’ op haar plaats? hoe groot is de waardevermindering wegens schade? is een beroep op artikel 110 VWEU ‘illusoir gemaakt’? De bruto BPM, zoals die in bezwaar door de inspecteur opnieuw is vastgesteld, en de historische nieuwprijs van de auto’s zijn niet in geschil. Een hertaxatie van de auto’s door de dienst Domeinen Roerende Zaken is niet uitgevoerd. Ook is niet in geschil dat de taxatiemethode is toegestaan. Is een waardevermindering wegens ‘geen oordeel kilometerstand’ op haar plaats? 11. Belanghebbende is van mening dat ‘geen oordeel kilometerstand’ een waardedrukkend effect heeft. Gelet op artikel 110 VWEU mag het niet zo zijn dat hieraan voorbij wordt gegaan. 12. De inspecteur is van mening dat dat de bewijslast inzake de gestelde waardevermindering bij belanghebbende ligt. Daarin slaagt zij niet. Belanghebbende heeft geen individuele onderbouwing van de vermindering gegeven, maar slechts een beroep op een matrix gedaan. De inspecteur wijst erop dat er buiten de gebruikte koerslijst om geen reden is om een extra waardevermindering in acht te nemen. In de koerslijst zitten immers al auto’s met ‘geen oordeel kilometerstand’ verwerkt. 13. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, er tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat een waardevermindering wegens geen oordeel kilometerstand op haar plaats is, laat staan dat die vermindering € 3.025 moet zijn. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat een beroep op een matrix, buiten de gehanteerde koerslijst om, een onvoldoende onderbouwing van de voorgestane aftrek is. Hoe groot is de waardevermindering wegens schade? 14. Belanghebbende is van mening dat voor auto 1 een percentage waardevermindering vanwege schade in aanmerking dient te worden genomen van 94,50%, voor auto 2 van 94,14%, en voor auto 3 van 95,36%. 15. De inspecteur is van mening dat belanghebbende – op wie de bewijslast rust - niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beweerdelijk aanwezige schade aan de auto’s voor meer dan de norm van 72% waardeverminderend is. 16. In de bijlage, paragraaf 3.5, bij de Uitvoeringsregeling BPM is het volgende bepaald (tekst 2022): “De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van de referentiemotorrijtuig wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72%. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm wordt dit gemotiveerd aangegeven gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal.” 17. De bewijslast inzake waardevermindering door schade ligt op grond van constante jurisprudentie van de Hoge Raad bij belanghebbende. Dit geldt ook voor de afwijking van de 72%-norm. Ook daarvan ligt de bewijslast bij belanghebbende. Die bewijslastverdeling is niet in strijd met het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU. 18. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, geen feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die maken dat er van een hoger percentage dan van 72 uit moet worden gegaan. Een individuele onderbouwing per auto heeft belanghebbende niet gegeven, zij beroept zich slechts op een matrix. De auto’s zijn verder ook niet jong en exclusief. Is een beroep op artikel 110 VWEU ‘illusoir gemaakt’? 19. Belanghebbende beroept zich er in haar pleitnota op dat een beroep op artikel 110 VWEU ‘illusoir wordt gemaakt’ vanwege de gehanteerde strenge bewijsmaatstaf. 20. De rechtbank is van oordeel dat een beroep op artikel 110 VWEU niet ‘illusoir wordt gemaakt’. In zijn arrest van 2 februari 2024 laat de Hoge Raad ruimte open om buiten het ‘op zich adequate wettelijke systeem’ om een beroep te doen op schending van het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU. De door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten voor een geslaagd beroep vormen naar het oordeel van de rechtbank geen voor belanghebbende bij voorbaat onneembare horde. Belastingrente 21. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt. Kostenvergoeding voor de bezwaarfase 22. De inspecteur is met belanghebbende van mening dat de in bezwaar toegekende kostenvergoeding te laag is, omdat is uitgegaan van een te lage waarde per punt. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 sluit de rechtbank zich hierbij aan. Zij zal de kostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw vaststellen uitgaande van een waarde per punt van € 666 (bedrag 2026). Dit betekent een vergoeding van € 1.332 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting), onder aftrek van het bedrag dat de inspecteur reeds heeft voldaan. Vergoeding immateriële schade 23. Belanghebbende heeft in haar tiendagenstuk een verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade (IMSV) vanwege overschrijding van de redelijke termijn. 24. Het bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 30 mei 2023 en de uitspraak op bezwaar is gedaan op 2 februari 2024. De redelijke termijn is overschreden met vijftien maanden, waardoor belanghebbende naar vaste rechtspraak aanspraak heeft op een vergoeding van (afgerond naar boven) € 1.500. Omdat de redelijke termijn is aangevangen op 30 mei 2023 is de beperking van de IMSV op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen en bpm niet van toepassing. Conclusie en gevolgen 25. Het beroep is gegrond, uitsluitend op de grond dat de toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar te laag was. 26. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen en bpm voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 116,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934, een wegingsfactor van 0,5 en een vermenigvuldigingsfactor van 0,25 ). De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat sprake is van een bijzonder geval. De wegingsfactor bedraagt 0,5 omdat het beroep uitsluitend om formele redenen gegrond is. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. 27. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar, echter uitsluitend voor zover het de toegekende proceskostenvergoeding betreft; stelt de vergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de in zoverre vernietigde uitspraak op bezwaar; veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 200; veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.300; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende voor wat betreft de beroepsfase; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. Verzijlbergen, griffier. Uitgesproken op 14 augustus 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. griffier rechter Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie onder meer Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640 , r.o. 3.2.2. Vergelijk Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084, r.o. 3.2. Vergelijk onder andere Hoge Raad, 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63. ECLI:NL:HR:2024:147 Zie rechtsoverweging 3.6.2. ECLI:NL:HR:2024:1060. Stb. 507. Zie artikel 19a, tweede lid, van de Wet BPM. Vergelijk het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.