Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-08-12
ECLI:NL:RBGEL:2026:6389
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 23/4829 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaatsnaam] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 16 juni 2023. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 7.645. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 702 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een vergrijpboete van € 1.911 opgelegd (de boetebeschikking). De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard voor zover dat op de boetebeschikking ziet. De inspecteur heeft de boetebeschikking vernietigd, de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking heeft hij gehandhaafd. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en zijn partner en, namens de inspecteur, [persoon 1] en [persoon 2] . Feiten 1. In 2016 en 2017 heeft belanghebbende zeven verzoeken om teruggaaf BPM wegens export van een in Nederland geregistreerd motorrijtuig ingediend bij de Belastingdienst. Bij al deze verzoeken heeft belanghebbende een ‘Zulassungsbescheinigung Teil I (Fahrzeugschein)’ en een ‘Zulassungsbescheinigung Teil II (Fahrzeugbrief)’ meegestuurd. Volgens deze stukken zullen alle auto’s in Duitsland op naam van [bedrijf] geregistreerd worden. Auto 1 Op 8 december 2017 heeft de inspecteur een teruggaafverzoek ontvangen voor een Skoda Octavia met kenteken [kenteken] en eerste toelatingsdatum 29 juli 2013. De auto is voor het eerst in Nederland tenaamgesteld op 29 juli 2013. Per 16 november 2017 is de inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd. De Duitse registratie gaat in op 22 november 2017 en de auto zal met Duits kenteken [Duits kenteken 1] geregistreerd worden. Auto 2 Op 13 april 2017 heeft de inspecteur een teruggaafverzoek ontvangen voor een Renault Megane Scenic met kenteken [kenteken 2] en eerste toelatingsdatum 12 april 2013. De auto is voor het eerst in Nederland tenaamgesteld op 12 april 2013. Per 31 maart 2017 is de inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd. De Duitse registratie gaat in op 6 april 2017 en de auto zal met Duits kenteken [Duits kenteken 2] geregistreerd worden. Auto 3 Op 13 maart 2017 heeft de inspecteur een teruggaafverzoek ontvangen voor een Renault Megane met kenteken [kenteken 3] en eerste toelatingsdatum 7 maart 2013. De auto is voor het eerst in Nederland tenaamgesteld op 7 maart 2013. Per 21 februari 2017 is de inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd. De Duitse registratie gaat in op 27 februari 2017 en de auto zal met Duits kenteken [Duits kenteken 3] geregistreerd worden. Auto 4 Op 20 februari 2017 heeft de inspecteur een teruggaafverzoek ontvangen voor een Peugeot 5008 met kenteken [kenteken 4] en eerste toelatingsdatum 3 september 2010. De auto is voor het eerst in Nederland tenaamgesteld op 3 september 2010. Per 13 februari 2017 is de inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd. De Duitse registratie gaat in op 15 februari 2017 en de auto zal met Duits kenteken [Duits kenteken 4] geregistreerd worden. Auto 5 Op 22 december 2016 heeft de inspecteur een teruggaafverzoek ontvangen voor een Peugeot Bipper met kenteken [kenteken 5] en eerste toelatingsdatum 19 juli 2012. De auto is voor het eerst in Nederland tenaamgesteld op 19 juli 2012. Per 28 november 2016 is de inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd. De Duitse registratie gaat in o Met dagtekening 5 juni 2023 heeft de inspecteur een voorgenomen uitspraak op bezwaar naar belanghebbende gestuurd. De inspecteur vermeldt dat hij voornemens is de naheffingsaanslag te handhaven en de vergrijpboete te verminderen naar nihil. 8. De inspecteur heeft op 16 juni 2023 telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. Belanghebbende heeft daarbij gereageerd op de voorgenomen uitspraak en te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord. 9. Met dagtekening 16 juni 2023 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft de boetebeschikking verminderd naar nihil en de naheffingsaanslag BPM en de belastingrentebeschikking gehandhaafd. Beoordeling door de rechtbank 10. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 11. Belanghebbende is van mening dat hij recht heeft op teruggaaf van BPM, omdat het tot 1 maart 2021 voldoende was de EU-lidstaat of het EER-land van nieuwe registratie te vermelden. Aan dat vereiste heeft belanghebbende voldaan. De auto’s zijn gefactureerd volgens Europese normen. Belanghebbende zegt naar eer en geweten te hebben gehandeld en conform de instructies op het formulier de verzoeken om teruggaaf te hebben ingediend. Belanghebbende stelt verder dat de inspecteur de naheffingsaanslag niet had mogen opleggen, omdat de vijfjaarstermijn voor het opleggen van een naheffingsaanslag is verstreken. 12. De inspecteur heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden, omdat voor auto 1 ( [kenteken] ) en auto 5 ( [kenteken 5] ) onterecht is nageheven. Gelet op het tijdsverloop tussen de registratie in Duitsland en de exportaangifte kan er voor deze auto’s sprake zijn van een duurzame registratie en een terechte teruggaaf van BPM. Voor de overige auto’s is de teruggegeven BPM terecht nagevorderd, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor teruggaaf bij uitvoer uit artikel 14a Wet BPM en artikel 4a Uitvoeringsbesluit BPM. Uit de wettekst en parlementaire geschiedenis moet worden afgeleid dat de teruggaafregeling uitsluitend geldt bij export naar een EU/EER-land. Het is niet de bedoeling geweest om ook teruggaaf te verlenen voor auto’s die via EU-landen naar een derde land worden uitgevoerd. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende niet voldaan aan het vereiste dat de auto is uitgevoerd naar een EU/EER-land om daar duurzaam op de openbare weg te worden gebruikt. Belanghebbende had niet de bedoeling de auto’s in Duitsland te gebruiken, laat staan duurzaam te gebruiken. De auto’s zijn direct vanuit Nederland naar de eindbestemmingen buiten de EU geëxporteerd en belanghebbende wist deze eindbestemmingen al op het moment dat de registratie in Nederland beëindigd werd. Daarnaast stelt de inspecteur dat de naheffingsaanslag, gelet op de dagtekening van de teruggaafbeschikkingen, tijdig is opgelegd. Is de naheffingsaanslag tijdig opgelegd? 13. Belanghebbende is van mening dat de termijn voor het opleggen van de naheffingsaanslag verlopen is, omdat er meer dan vijf jaar is verstreken tussen de aangiften en de naheffingsaanslag. 14. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend. De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. Voor alle auto’s is in 2017 teruggaaf verleend. Dit betekent dat de naheffingsaanslag uiterlijk op 31 december 2022 aan belanghebbende moet zijn opgelegd Het gaat hierbij om tijdelijke registraties – in de richtlijn «tijdelijke inschrijving» genoemd – ten blijke waarvan documenten worden afgegeven dan wel gebruikt die niet in alle opzichten voldoen aan de voorschriften van die richtlijn. Bij een export naar een ander land binnen de EU/EER, waar een motorrijtuig duurzaam ingeschreven wordt, zal in dat land geen tijdelijke maar een permanent kenteken worden aangevraagd en kan teruggave worden verkregen. In de gevallen waarin toch een tijdelijk kenteken wordt aangevraagd omdat het motorrijtuig bijvoorbeeld via Duitsland naar een ander EU-land wordt geëxporteerd, moet degene op wiens naam het motorrijtuig in Nederland was geregistreerd wachten met het terugvragen van de BPM tot het motorrijtuig in het definitieve EU-land van bestemming permanent is ingeschreven. Een teruggave van BPM blijft in die gevallen mogelijk. (…)” 18. In het advies van de afdeling advisering van de Raad van State en het nader rapport is over wijziging van de teruggaafregeling onder meer het volgende vermeld: “(…) De Afdeling merkt op dat er niet wordt ingegaan op de situatie waarin – ook met de opzet om te exporteren naar een land buiten de EU/EER – eerst sprake is van een duurzame inschrijving in een ander land van de EU/EER (hetgeen leidt tot een teruggaaf van BPM), kort daarna alsnog gevolgd door een export naar een land buiten de EU/EER. Door eerst duurzaam in te schrijven (en kort daarna toch te exporteren) kan derhalve nog steeds een teruggaaf van BPM worden verkregen. Naar het de Afdeling voorkomt zijn daarmee vraagtekens te plaatsen bij de effectiviteit van het voorstel omdat niet bedoeld gebruik aldus mogelijk blijft. (…) Het onbedoelde gebruik van de teruggaafregeling BPM doet zich met name voor bij export op basis van een tijdelijke kentekenregistratie in een ander land dan Nederland binnen de EU/EER. Een dergelijk gebruik van de regeling wordt veroorzaakt doordat een tijdelijke kentekenregistratie vaak op eenvoudige wijze, tegen lage kosten en met weinig administratieve lasten in dat andere land binnen de EU/EER is te verkrijgen. Zo is het mogelijk op grond van een dergelijk, tijdelijk kenteken een teruggaaf van BPM te krijgen, terwijl het motorrijtuig – al dan niet rechtstreeks – geëxporteerd wordt naar een land buiten de EU/EER. Met deze maatregel wordt een drempel opgeworpen tegen dit onbedoelde gebruik van de teruggaafregeling BPM. Uiteraard blijft het – zoals de Afdeling terecht opmerkt – mogelijk om na een duurzame, permanente kentekenregistratie in een ander land van de EU/EER het motorrijtuig te exporteren naar een derde land buiten de EU/EER. (…)” 19. In de nota naar aanleiding van het verslag is over de wijziging van de teruggaafregeling het volgende opgenomen: “(…) De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de teruggaafregeling van de BPM exact wordt aangescherpt. In de huidige situatie geeft elke inschrijving van een motorrijtuig (export) in een andere lidstaat respectievelijk land binnen de EU/EER recht op een teruggaaf van BPM. De voorgestelde aanscherping van de teruggaafregeling BPM beperkt deze teruggaaf van BPM tot die situaties waarin sprake is van een duurzame inschrijving in een andere lidstaat of ander land binnen de EU/EER. Dit sluit beter aan bij de Europese regelgeving van inschrijving van het kentekenbewijs, te weten Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen (PbEG 1999, L 138). Het gevolg van de aanscherping is dat een kentekenbewijs op basis van een tijdelijke inschrijving in andere EU-lidstaat of ander EER-land niet wordt geaccepteerd als grond voor de teruggave van BPM bij export van motorrijtuigen. (…) De leden van de fractie van de SP vragen of het kabinet verwacht dat naar aanleiding van de voorgestelde maatregel het ten onrechte verkrijgen van een teruggaaf zal worden teruggedrongen. De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie en het lid [naam] vragen naar onbedoeld gebruik van de BPM-teruggaaf Het is bovendien de vraag of een minimumperiode Europeesrechtelijk houdbaar is. (…)” 21. Artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM (wettekst 2017), luidt als volgt: “Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht, het motorrijtuig overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG 1999, L 138) wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en als bewijs van die inschrijving door de bevoegde autoriteit een kentekenbewijs wordt afgegeven, met uitzondering van een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van die richtlijn. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het motorrijtuig was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister.” 22. Artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 stelt nadere voorwaarden aan de teruggaaf van belasting. Het motorrijtuig mag op het moment van het vervallen van de tenaamstelling geen schadevoertuig zijn, bestemd zijn voor de sloop, of de status ‘wachten op keuring’ hebben. 23. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn uitspraak van 17 maart 2026 beslist dat de inschrijving in het andere EU/EER-land (Duitsland) geen duurzaam, in de zin van lang durend, karakter hoeft te hebben. Hiermee zou een verdergaande eis worden gesteld dan volgt uit de tekst van artikel 14a van de Wet BPM en artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit. Verder heeft het gerechtshof beslist dat niet vereist is dat het te exporteren voertuig naar het andere EU/EER-land is gebracht. De hiervoor genoemde bepalingen schrijven niet méér voor dan dat het voertuig buiten Nederland wordt gebracht, aldus het gerechtshof. De rechtbank sluit zich hierbij aan. 24. De inspecteur heeft ter zitting nog aangevoerd dat de uitspraak van het gerechtshof niet van toepassing is, omdat de casus in deze zaak anders is dan de zaak waarover het gerechtshof heeft geoordeeld. De inspecteur wijst erop dat er voor de vijf overgebleven auto’s in deze zaak minder tijd zit tussen de registratie in Duitsland en de exportaangifte, waardoor het bijna niet anders kan dan dat de koper buiten de EU al bekend was. Daarnaast is er in de zaak van het gerechtshof nageheven op basis van een boekenonderzoek, voor deze auto’s is nageheven op basis van gegevens van de Douane, waardoor we ook weten wanneer de auto’s de EU verlaten hebben. De rechtbank gaat niet mee in dit standpunt van de inspecteur. Het korte tijdsverloop is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang. Zoals belanghebbende op zitting heeft beschreven is het mogelijk dat de auto’s al langere tijd zijn verkocht aan een Duitse koper, maar nog niet konden worden geëxporteerd, omdat de kentekenregistratie in Duitsland nog niet rond was. In de tussentijd kan de Duitse koper de auto al hebben doorverkocht. Dit maakt niet dat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor teruggaaf van BPM. 25. De inspecteur heeft al aangegeven dat voor auto 1 ( [kenteken] ) en auto 5 ( [kenteken 5] ) onterecht is nageheven. Dat de naheffingsaanslag voor deze auto’s verminderd moet worden is niet meer in geschil. De rechtbank is met betrekking tot auto 2 en auto’s 4, 6 en 7 ook van oordeel dat belanghebbende voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor teruggaaf van BPM. Gesteld noch gebleken is dat de Duitse inschrijving een tijdelijke inschrijving is. Dat het tijdsverloop kort is, maakt niet dat de inschrijving niet duurzaam is geweest. Niet in geschil is dat van een schadevoertuig geen sprake is, de aut