Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-07-27
ECLI:NL:RBGEL:2026:6316
Werknemer is op staande voet ontslagen omdat hij apparatuur heeft gestolen van werkgever. In deze procedure wordt werknemer onder meer veroordeeld tot betaling van verschillende soorten schadevergoeding. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer / rekestnummer: 12212626 \ HA VERZ 26-27 Beschikking van 27 juli 2026 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE DOETINCHEM , te Doetinchem, verzoekende partij, hierna te noemen: de gemeente, gemachtigde: mr. J.C.M. de Roover (voorheen mr. C. Riemens), tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CONTEGO BEWINDVOERING & MENTORSCHAP B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [de verweerder] , te [woonplaats], verwerende partij, hierna te noemen: [de verweerder], gemachtigde: mr. J. Zeegers. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift van 1 mei 2026 met producties 1 tot en met 13, het verweerschrift, de mondelinge behandeling van 15 juni 2026, waarbij door gemeente spreekaantekeningen zijn overgelegd en voorgedragen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Vervolgens is de beschikking bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [de verweerder] was sinds 17 februari 2025 als medewerker servicedesk ICT in dienst bij de gemeente op basis van een arbeidsovereenkomst die liep tot en met 16 augustus 2026. De arbeidsovereenkomst kon tussentijds worden opgezegd. Het laatstgenoten loon bedroeg € 3.908,00 per maand exclusief 17,5% individueel keuzebudget. Op de arbeidsovereenkomst was de cao Gemeenten van toepassing. 2.2. De werkzaamheden van [de verweerder] bestonden onder meer uit het ontvangen, innemen, installeren en uitleveren van apparaten zoals laptops en telefoons. 2.3. Op 5 februari 2026 heeft de gemeente Doetinchemeen controle uitgevoerd middels een voorraadtelling met betrekking tot de aanwezige gebruikersapparatuur. Daaruit bleek dat er een aantal Microsoft Surfaces en HP-laptops ontbraken. 2.4. Vervolgens is met [de verweerder] en zijn collega’s naar de ontbrekende apparatuur gezocht. Ook is er in groepsverband met [de verweerder] en zijn collega’s gesproken over de ontbrekende apparatuur. 2.5. In opdracht van de gemeente heeft Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffmann) onderzoek verricht naar de ontbrekende apparatuur. Op 4 maart 2026 heeft Hoffmann met [de verweerder] gesproken. In het gespreksverslag is – voor zover relevant – het volgende vermeld: “[…] Ik heb de Surfaces en afgeschreven oude laptops via Marktplaats en Tweakers verkocht. […] Voor hoeveel ik ze heb verkocht? Sommige Surfaces gingen voor een spotprijs. Ik verkocht ze soms voor 150 euro. En soms ook voor 500 euro. Voor de HP laptops ging het van 100 tot 300 euro. […] Hoe ik ze meenam naar huis? Gewoon in mijn tas. […] Ik pakte ze meestal eind van de dag om 17.00 uur. […] Of ik wel eens vaker meer dan één heb meegenomen? Ja dat is wel gebeurd. […] Hoeveel ik totaal aan devices heb meegenomen? Werkelijk geen idee, durf ik niet te zeggen. Het zou zeker 23 nieuwe Surfaces kunnen zijn, maar ik heb ook oude meegenomen. Het is totaal veel meer dan 23. Ik weet niet hoeveel laptops ik heb meegenomen, ik weet ook niet hoeveel er missen. Ik denk iets minder dan 20-30. Het grootste gedeelte waren Surfaces. […]” 2.6. Diezelfde dag heeft de gemeente [de verweerder] op staande voet ontslagen. Bij brief van 5 maart 2026 heeft zij dit ontslag bevestigd, onder opgave van de redenen van het ontslag. 2.7. Op 5 maart 2026 heeft de gemeente een bericht ontvangen van het bedrijf I-FIX-IT. Hierin staat – voor zover relevant – het volgende: “ Het afgelopen jaar hebben wij zakelijk voor om en nabij €18.000 aan nieuwe en ex lease laptops en MS Surface Pro tablets via 1 van uw medewerkers ICT afgenomen. Dat is tot voor een maand terug allemaal vlot verlopen. De laatste batch is niet geleverd (t.w.v. om en nabij de €1650). Inmiddels zijn wij hier er achter gekomen dat hij op de techsite Tweakers een spoor van vernieling heeft achter gelaten met tot nu toe minimaal 6 benadeelden. Ook op Marktplaats was hij actief echter hebben we daar geen mogelijkheid om het geheel in te schatten. Het gaat om [de verweerder] […] Het ging het afgelopen jaar over tientallen toestellen […]” 2.8. In het rapport van Hoffmann van 29 april 2026 staat – voor zover relevant – het volgende: “ Uit de documentatie, ontvangen van een van de gedupeerden, blijkt dat deze gedupeerde 32 verschillende types Surface Pro en 30 verschillende types HP laptops heeft aangekocht bij de heer [de verweerder]. Een andere gedupeerde heeft een HP Probook 440 G9 van de heer [de verweerder] aangekocht voor een prijs van € 225,- exclusief verzendkosten. Deze gedupeerde heeft de laptop nooit geleverd gekregen. De derde gedupeerde heeft een Microsoft Surface Pro 10 van de heer [de verweerder] gekocht, die ook geleverd is. Deze gedupeerde heeft ook een Microsoft Surface Pro 10 en een laptop Probook G10 van de heer [de verweerder] aangeboden gekregen, waarvoor de gedupeerde € 910,- heeft betaald. Deze producten zijn volgens de gedupeerde nooit geleverd. ” 2.9. Hoffmann heeft bij factuur van 30 april 2026 een bedrag van € 15.548,54 voor het onderzoek aan de gemeente in rekening gebracht. Onderaan de factuur is vermeld dat verzocht wordt de factuur binnen 30 dagen te betalen. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. De gemeente verzoekt primair te verklaren voor recht dat de gemeente de gefixeerde schadevergoeding rechtsgeldig met de eindafrekening heeft verrekend, [de verweerder] te veroordelen om binnen één week na dagtekening beschikking aan de gemeente te betalen de (resterende) gefixeerde vergoeding ter hoogte van € 10.967,01 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2026, subsidiair (voor zover de gemeente niet rechtsgeldig de gefixeerde schadevergoeding met de eindafrekening deels heeft kunnen verrekenen): i. [de verweerder] te veroordelen om binnen één week na dagtekening van de beschikking aan de gemeente te betalen de gefixeerde vergoeding ter hoogte van € 13.344,86 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2026, primair en subsidiair: te verklaren voor recht dat [de verweerder] de gemeente een dringende reden heeft gegeven voor het ontslag op staande voet en [de verweerder] derhalve schadeplichtig is jegens de gemeente op grond van artikel 7:677 leden 2 en 3 BW, [de verweerder] te veroordelen om aan de gemeente te betalen - € 15.548,54 aan onderzoekskosten, - € 3.822,00 aan advocaatkosten, - € 43.424,07 aan schadevergoeding, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2026, te verklaren voor recht dat [de verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat daarom aan hem geen transitievergoeding toekomt, [de verweerder] te veroordelen in de kosten van deze procedure. 3.2. [de verweerder] verzet zich tegen toewijzing van de onderzoekskosten en de advocaatkosten. Ook meent [de verweerder] dat een lager bedrag aan gefixeerde schadevergoeding en schadevergoeding wegens de ontbrekende apparatuur moet worden toegewezen. 4 De beoordeling De gedragingen van [de verweerder] 4.1. Voorop wordt gesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat het ontslag op staande voet dat op 4 maart 2026 aan [de verweerder] is verleend, inmiddels niet meer kan worden vernietigd. Dat [de verweerder] in strijd heeft gehandeld met de gedrags- en integriteitsregels van de gemeente Doetinchemen in het verlengde daarvan, met zijn verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst staat ook niet ter discussie. Gefixeerde schadevergoeding en verrekening 4.2. De gemeente maakt aanspraak op € 13.344,86 aan gefixeerde schadevergoeding. Op basis van artikel 7:677 lid 2 in samenhang met lid 3 onder a BW is de partij die aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag aan loon dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. De opzegtermijn bedroeg volgens artikel 2.12 van de vigerende cao twee maanden. Omdat opzegging geschiedt tegen het einde van de maand, komt dit neer op een gefixeerde schadevergoeding van iets minder dan drie maanden loon (van 4 maart 2026 tot 1 juni 2026). 4.3. De kantonrechter kan de gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:677 lid 5 onder a BW matigen indien dit met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt. De matiging mag er evenwel niet toe leiden dat een toe te wijzen gefixeerde schadevergoeding minder bedraagt dan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst op grond van de opzegtermijn van artikel 7:672 BW had behoren voort te duren. [de verweerder] betoogt dat de grens van de matigingsbevoegdheid van de kantonrechter opzij moet worden gezet, omdat toepassing daarvan in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW). Hiertoe voert [de verweerder] aan dat hij steeds heeft meegewerkt aan het onderzoek naar de verdwenen apparatuur en snel heeft bekend dat hij de verantwoordelijke was. Bovendien verkeerde [de verweerder] al langere tijd in financiële problemen en zou hem in het kader van een minnelijk schuldsaneringstraject een ‘schone lei’ worden verleend, hetgeen door deze procedure nu niet het geval zal zijn. 4.4. De kantonrechter overweegt dat zij geen aanleiding ziet om de gefixeerde schadevergoeding op nihil te bepalen of anderszins te matigen. Vooropgesteld wordt dat terughoudendheid moet worden betracht bij de beoordeling van een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. De omstandigheid dat het hier gaat om een regel van dwingend recht, namelijk de grens van de rechterlijke bevoegdheid tot matiging van de gefixeerde schadevergoeding, brengt mee dat voor honorering van zodanig beroep nog minder ruimte bestaat. De door [de verweerder] aangevoerde omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat toewijzing van de gevorderde gefixeerde schadevergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is of anderszins onbillijk is. De financiële problemen van [de verweerder] bestonden namelijk al ten tijde van de door hem verrichte gedragingen en hebben bovendien geen betrekking op de arbeidsrelatie met de gemeente. Ook heeft [de verweerder] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de ‘schone lei’ in het kader van het minnelijke schuldsaneringstraject inmiddels toch is verleend. Dat [de verweerder] mogelijk door de uitkomst in deze procedure opnieuw in de financiële problemen zal geraken, maakt het voorgaande niet anders. Evenmin leidt de opstelling van [de verweerder] tijdens het onderzoek tot een andere conclusie. 4.5. Kortom, de gemeente Doetinchemheeft recht op een gefixeerde schadevergoeding van € 13.344,86. Een deel hiervan heeft zij verrekend met de eindafrekening, zodat na verrekening nog een bedrag van € 10.967,01 bruto resteert. Daarom zal [de verweerder] worden veroordeeld tot betaling van € 10.967,01 bruto aan gefixeerde schadevergoeding en behoeft het subsidiaire verzoek van de gemeente geen bespreking. Nevenverzoeken 4.6. Het verzoek van de gemeente Doetinchemomvat een aantal verklaringen voor recht. Daarnaast maakt de gemeente aanspraak op vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de gedragingen van [de verweerder] die ten grondslag liggen aan zijn ontslag. Artikel 7:686a lid 3 BW biedt de mogelijkheid om – in dit geval gelijktijdig met het verzoek om gefixeerde schadevergoeding – daarmee verband houdende andere vorderingen in te dienen. De nevenverzoeken van gemeente Doetinchem houden volgens de kantonrechter verband met het einde van de arbeidsovereenkomst en zullen daarom inhoudelijk worden beoordeeld. Verklaringen voor recht 4.7. De gevorderde verklaring voor recht dat gemeente Doetinchem de gefixeerde schadevergoeding rechtsgeldig met de eindafrekening heeft verrekend, zal worden afgewezen. Dat geldt ook voor de vordering om voor recht te verklaren dat [de verweerder] de gemeente een dringende reden heeft gegeven voor het ontslag op staande voet en hij derhalve op de voet van artikel 7:677 lid 2 en 3 BW schadeplichtig is jegens de gemeente. Dat gemeente Doetinchem een gefixeerde schadevergoeding toekomt en deze rechtsgeldig heeft verrekend vloeit reeds voort uit de beoordeling van het verzoek en de veroordeling van [de verweerder]. Een afzonderlijk belang bij deze verklaring is door gemeente Doetinchem niet gesteld, noch anderszins gebleken. 4.8. De vordering om voor recht te verklaren dat [de verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat daarom aan hem geen transitievergoeding toekomt, zal eveneens bij gebrek aan belang worden afgewezen. De vervaltermijn voor het indienen van een verzoek door [de verweerder] tot betaling van de transitievergoeding is inmiddels verstreken en van een ander belang bij de gevorderde verklaring voor recht is niet gebleken. Onderzoekskosten 4.9. De gemeente maakt aanspraak op onderzoekskosten vanwege het door Hoffmann verrichte onderzoek ter hoogte van € 15.548,54. Deze onderzoekskosten moeten worden aangemerkt als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Voor toewijzing van de onderzoekskosten moet worden voldaan aan een dubbele redelijkheidstoets: zowel het maken van de kosten als de hoogte van de kosten moeten redelijk zijn. 4.10. Volgens gemeente Doetinchem was het door Hoffmann verrichte onderzoek noodzakelijk. De kosten van het onderzoek zijn volgens gemeente Doetinchem ook redelijk en ter onderbouwing van haar stelling heeft zij een factuur overgelegd. [de verweerder] betwist dat hij gehouden is de onderzoekskosten te voldoen. Volgens [de verweerder] had gemeente Doetinchem relatief eenvoudig zelf de dader kunnen opsporen. Daarnaast zijn de kosten die door Hoffmann in rekening zijn gebracht volgens [de verweerder] te hoog. 4.11. Overwogen wordt dat gemeente Doetinchem in redelijkheid kon overgaan tot het laten verrichten van (extern) onderzoek naar de ontbrekende apparatuur. Zij is eerst zelf op zoek gegaan naar de ontbrekende apparatuur en vervolgens heeft in groepsverband een gesprek plaatsgevonden met de werknemers van de afdeling waar [de verweerder] werkzaam was. [de verweerder] heeft zowel aan de zoektocht als het gesprek deelgenomen en heeft, hoewel hij daartoe wel de mogelijkheid had, niet opgebiecht dat hij verantwoordelijk was voor het ontbreken van de apparatuur. Pas daarna heeft gemeente Doetinchem een extern onderzoek laten verrichten, waaruit bleek dat [de verweerder] verantwoordelijk was voor de ontbrekende apparatuur en waaruit de omvang van de schade duidelijk werd. gemeente Doetinchem heeft Hoffmann aldus niet rauwelijks ingeschakeld. 4.12. Ten aanzien van de hoogte van de kosten is de kantonrechter van oordeel dat een deel daarvan niet redelijk is. Tijdens de mondelinge behandeling is reeds ter sprake gekomen dat Hoffmann een hoog standaard uurtarief hanteert. Dit uurtarief bedraagt € 240,00 tot € 250,00, zelfs voor administratieve handelingen. Niet gesteld of gebleken is dat (en welke) handelingen een bijzondere expertise vergen die dit uurtarief rechtvaardigen. De kantonrechter is van oordeel dat hetgeen de gemeente meer heeft betaald aan Hoffmann dan €150,00 per uur, niet voor rekening van [de verweerder] behoeft te komen. 4.13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter € 10.428,22 aan onderzoekskosten zal toewijzen. De wettelijke rente daarover zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing, waarbij rekening wordt gehouden met de vervaldatum van de factuur van Hoffmann omdat ervan wordt uitgegaan dat de gemeente binnen de termijn van dertig dagen heeft betaald. Advocaatkosten 4.14. De gemeente maakt daarnaast aanspraak op € 3.822,00 aan advocaatkosten. De advocaatkosten van gemeente Doetinchem zien op de advisering over het ontslag op staande voet, het opstellen van de ontslagbrief en het daaropvolgende verhaal van de schade. Volgens gemeente Doetinchem had zij deze kosten niet hoeven maken indien [de verweerder] de verweten gedragingen niet had verricht. 4.15. Voor zover de kosten zien op de advisering over het ontslag op staande voet en het opstellen van de ontslagbrief, zijn deze volgens de kantonrechter niet meer redelijkerwijs toe te rekenen aan de gedragingen van [de verweerder] (artikel 6:98 BW). Weliswaar had de gemeente deze kosten niet hoeven maken indien [de verweerder] zich had gedragen als goed werknemer, maar [de verweerder] heeft berust in het ontslag op staande voet. De advocaatkosten staan in een te ver verwijderd verband van de gedragingen van [de verweerder] om voor vergoeding in aanmerking te komen. 4.16. Voor zover de kosten zien op het daaropvolgende verhaal van de schade, moeten deze kosten worden aangemerkt als kosten ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten. 4.17. Kortom, de vordering tot betaling van de advocaatkosten zal worden afgewezen. Schade als gevolg van de verdwenen apparatuur 4.18. Ook vordert gemeente Doetinchem veroordeling van [de verweerder] tot betaling van € 43.424,07 aan schade als gevolg van de verdwenen apparatuur. gemeente Doetinchem baseert voornoemd bedrag op de verklaring van [de verweerder], het bericht van I-FIX-IT en een overzicht van ontbrekende laptops en Surfaces. Bij de berekening van haar schade is gemeente Doetinchem uitgegaan van de boekwaarde van de apparatuur. 4.19. Volgens [de verweerder] is het door gemeente Doetinchem gestelde schadebedrag te hoog en is het bedrag onvoldoende onderbouwd. [de verweerder] betoogt dat I-FIX-IT zijn grootste, zo niet zijn enige, afnemer was en de schade derhalve op € 18.000,00 zou moeten worden vastgesteld. Ook verzoekt [de verweerder] de schadevergoeding te matigen op de voet van artikel 6:109 BW, waaraan hij dezelfde omstandigheden ten grondslag legt als genoemd in r.o. 4.3. 4.20. De schade vanwege de verdwenen apparatuur is een rechtstreeks gevolg van de handelingen van [de verweerder]. Op het door de gemeente Doetinchemovergelegde overzicht van ontbrekende apparaten staan 30 laptops welke een schadebedrag van € 36.606,99 vertegenwoordigen. Daarnaast rekent gemeente Doetinchem nog een bedrag van € 6.817,08 aan schade. Uit de administratie van I-FIX-IT blijkt dat zij ‘ 32 verschillende types Surface Pro en 30 verschillende types HP laptops ’ van [de verweerder] heeft gekocht. De door gemeente Doetinchem gestelde schade wijkt volgens de kantonrechter in die zin niet af van de door [de verweerder] afgelegde verklaring over het aantal meegenomen apparaten. Gelet op het voorgaande heeft gemeente Doetinchem volgens de kantonrechter voldoende onderbouwd dat haar schade € 43.424,07 bedraagt. Het betoog van [de verweerder] dat I-FIX-IT de grootste, zo niet enige afnemer was, maakt het voorgaande niet anders. Tot slot ziet de kantonrechter niet in op welke (rechts-)grond het toe te wijzen bedrag zou moeten of kunnen worden gematigd. 4.21. [de verweerder] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 43.424,07 aan schadevergoeding vanwege de ontbrekende apparatuur, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals vermeld in de beslissing. Proceskosten 4.22. [de verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. De proceskosten van gemeente Doetinchem worden vastgesteld en begroot op € 2.513,00 (€ 1.504,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter: 5.1. veroordeelt [de verweerder] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen één week na vandaag aan gemeente Doetinchem te betalen een bedrag van € 10.967,01 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 maart 2026, tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [de verweerder] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen één week na vandaag aan gemeente Doetinchem te betalen een bedrag van € 10.428,22 aan onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2026, tot de dag van volledige betaling, 5.3. veroordeelt [de verweerder] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen één week na vandaag aan gemeente Doetinchem te betalen een bedrag van € 43.424,07 aan schadevergoeding vanwege de ontbrekende apparatuur, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 maart 2026 tot de dag van volledige betaling, 5.4. veroordeelt [de verweerder] in de proceskosten van € 2.513,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als de beschikking wordt betekend, 5.5. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. I.C.J.I.M. van Dorp, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026. (SG)