Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-08-05
ECLI:NL:RBGEL:2026:6263
MRB. Gebruik gemaakt van de openbare weg tijdens schorsing. Beroep ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/9388 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 augustus 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen , de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 november 2024. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) over het tijdvak dat loopt van 20 mei 2023 tot en met 19 mei 2024 van € 4.190 en een verzuimboete van € 2.095 opgelegd. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag MRB gehandhaafd en de verzuimboete verminderd tot € 1.047,51. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld door [persoon 1] , en namens de inspecteur [persoon 2] en [persoon 3] . Feiten 1. Belanghebbende is vanaf 28 mei 2015 houder van een oranje motorrijtuig, een autobus, van het merk Bova, type FHD 12.280/1 met het kenteken [kenteken] (het motorrijtuig). 2. De geldigheid van het kentekenbewijs is in het naheffingstijdvak 20 mei 2023 tot en met 19 mei 2024 meermaals geschorst geweest, namelijk van 15 juni 2023 tot en met 17 juli 2023, van 21 juli 2023 tot en met 6 september 2023, van 8 september 2023 tot en met 12 oktober 2023, van 14 oktober 2023 tot en met 7 december 2023, van 9 december 2023 tot en met 16 maart 2024 en van 17 maart 2024 tot en met 19 mei 2024. 3. Op 1 maart 2024, om 15:20 uur, is geconstateerd dat met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de openbare weg, op de snelweg A28 ter hoogte van Lankhorst. Als bewijs van die constatering is een foto overgelegd met daarop zichtbaar het kenteken van het motorrijtuig. 4. Met dagtekening 29 mei 2024 heeft de inspecteur een vooraankondiging naheffingsaanslag MRB met boetebeschikking aan belanghebbende verzonden. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief, ontvangen door de inspecteur op 7 juni 2024. In die brief heeft belanghebbende onder meer het volgende vermeld: “(…) Uw bevinding klopt. Onze Oranjebus heeft op de A28 gereden. De bus was onderweg vanuit [woonplaats] naar het garagebedrijf voor de APK keuring in Rogat. (…) De bus is gekeurd, gerepareerd en daarna definitief goed gekeurd op 5 april Bij BSM (…)” 5. Bij brief van 21 juni 2024 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om bewijsstukken van de APK-keuring aan te leveren. Vanwege het uitblijven van een reactie, heeft de inspecteur op 11 juli 2024 de brief ‘Rappel melding APK-keuring’ aan belanghebbende verzonden. Belanghebbende heeft hierop een keuringsrapport aangeleverd dat is afgegeven op 5 april 2024. 6. Met dagtekening 18 juli 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende de brief ‘vooraankondiging – reactie’ gezonden. In die brief heeft de inspecteur onder meer het volgende vermeld: “(…) Tijdens een schorsing mag er een APK-keuring uitgevoerd worden. U mag alleen op de dag van de keuring naar de plaats van de keuring rijden. U kunt dit aantonen met een kopie van het officiële keuringsrapport van de APK-keuring met daarop het kenteken van uw motorrijtuig en de datum van de APK-keuring. Dit kan een goedkeurings- of afkeuringsrapport zijn. Komt de datum op het rapport niet overeen met de controledatum, dan is dat niet toegestaan. Als het motorrijtuig op de datum van de APK-keuring wordt afgekeurd behoort het garagebedrijf volgens de RDW een officieel afkeuringsrapport op te stellen. U bent zelf verantwoordelijk voor het daadwerkelijk verkrijgen van een APK-afkeuringsrapport met daarop het kenteken en de datum van de APK-keuring. Een zogenaamde voorkeuring waarbij eerst gekeken wordt of het motorrijtuig door een keuring komt en/of er eerst reparaties uitgevoerd moeten worden alvorens tot de definitieve keuring over te gaan valt niet onder de hierboven beschreven vrijstelling. U toont met de overgelegde bescheiden niet aan dat uw motorrijtuig op de controledatum gebruik van de weg maakte in verband met de APK. (…)” 7. Met dagtekening 5 augustus 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag MRB over het tijdvak 20 mei 2023 tot en met 19 mei 2024 van € 4.190 en een boetebeschikking van € 2.095 opgelegd. 8. Op 5 augustus 2024 heeft de inspecteur een bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen tegen de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking. 9. Op 28 oktober 2024 is belanghebbende telefonisch gehoord en is het verslag van die hoorzitting aan belanghebbende verzonden. Belanghebbende heeft per e-mail nog een aanvulling gedaan op het verslag. 10. De inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar van 11 november 2024 het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag MRB gehandhaafd en de verzuimboete verminderd tot € 1.047,51. Beoordeling door de rechtbank 11. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking terecht en naar het juiste bedrag zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 12. Niet in geschil is dat op 1 maart 2024 met het motorrijtuig van de openbare weg gebruik is gemaakt. Voordat de rechtbank daaraan toekomt zal zij eerst beoordelen of belanghebbende ontvankelijk is in haar beroep. Ontvankelijkheid van het beroep 13. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt voor het indienen van een beroepschrift een termijn van zes weken. Deze termijn vangt, zoals is bepaald in artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar aan. Als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar bekend is gemaakt, begint deze termijn op de dag na de dag van bekendmaking. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Is dat niet het geval, dan is een beroepschrift op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb toch tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. 14. De rechtbank stelt vast dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 11 november 2024 is, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 23 december 2024. Omdat belanghebbende het beroepschrift per post heeft ingediend, geldt dat het beroepschrift tijdig is ingediend als het uiterlijk op 23 december 2024 ter post is bezorgd en uiterlijk op 30 december 2024 door de rechtbank is ontvangen. Het beroepschrift is gedagtekend 21 december 2024, heeft een poststempel van 24 december 2024 en is op 27 december 2024 door de rechtbank ontvangen. 15. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende het beroepschrift tijdig heeft ingediend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende ter zitting geloofwaardig heeft verklaard dat hij het beroepschrift op 21 december 2024 bij de Primera in [woonplaats] ter post heeft bezorgd. Nu het beroepschrift op 27 december 2024 door de rechtbank is ontvangen, is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb. 16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ontvankelijk is. Beoordeling van het inhoudelijke geschil 17. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 18. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag MRB en de verzuimboete onterecht zijn opgelegd. Het motorrijtuig betreft een sociaal project van twee eigenaren. Belanghebbende stelt te goeder trouw te hebben gehandeld en zich altijd compliant te gedragen en is van mening dat de verzuimboete extreem hoog is. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat het motorrijtuig tijdens de constatering op 1 maart 2024 op weg was naar de garage voor een APK-keuring. Het motorrijtuig is toen afgekeurd, maar de garage heeft geen afkeuringsrapport opgesteld. Op 8 maart 2024 is het motorrijtuig ter reparatie teruggereden vanaf de garage met groene handelaarskentekenplaten. Op 5 april 2024 heeft de garage het motorrijtuig goedgekeurd. 19. De inspecteur is van mening dat hij de naheffingsaanslag MRB en de verzuimboete terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Uit de controlefoto blijkt dat tijdens de schorsingsperiode met het motorrijtuig van de openbare weg gebruik is gemaakt. Of het weggebruik te goeder trouw heeft plaatsgevonden is volgens de inspecteur niet van belang, omdat de enkele vaststelling van het weggebruik voldoende is om MRB na te heffen en een verzuimboete op te leggen. Daarbij is geen MRB nageheven over de perioden binnen het naheffingstijdvak waarin belanghebbende geen gebruik maakte van de schorsingsregeling en waarover belanghebbende al MRB heeft voldaan. De verzuimboete is in de bezwaarfase al verminderd tot 25% van het bedrag aan nageheven MRB vanwege feiten en omstandigheden die belanghebbende destijds heeft aangedragen. Volgens de inspecteur is geen sprake van omstandigheden die aanleiding geven tot verdere matiging van de verzuimboete. 20. De rechtbank overweegt vooraf als volgt. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB 1994) wordt voor het houden van een autobus motorrijtuigenbelasting geheven. Artikel 19, eerste lid, van de Wet MRB 1994 bepaalt dat er geen MRB hoeft te worden betaald indien gebruik gemaakt wordt van de schorsingsregeling. Een voorwaarde van die schorsingsregeling is dat tijdens de schorsing met het motorrijtuig geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg. Artikel 72, eerste lid, onderdeel m, van de Wet MRB 1994, in samenhang gelezen met artikel 22 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (Uitvoeringsbesluit), regelt een uitzondering op die voorwaarde. Tijdens de schorsing mag op de dag van een APK met het motorrijtuig van de openbare weg gebruik worden gemaakt indien aan de hand van bescheiden wordt aangetoond dat het motorrijtuig op de desbetreffende dag aan een keuring zal worden onderworpen. 21. Verder overweegt de rechtbank dat artikel 35, eerste lid, van de Wet MRB 1994, in samenhang gelezen met artikel 68, eerste lid, onderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994, bepaalt dat belasting kan worden nageheven indien de schorsing eindigt, omdat gebruik wordt gemaakt van de openbare weg. Op grond van het tweede lid van artikel 35 van de Wet MRB 1994 wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin gebruik is gemaakt van de weg. Het vijfde lid van artikel 35 van de Wet MRB 1994 bepaalt dat de na te heffen belasting wordt verminderd met de MRB die al is betaald over een deel van de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft. Indien op grond van artikel 35 van de Wet MRB 1994 wordt nageheven, kan de inspecteur op grond van artikel 37 van de Wet MRB 1994, in samenhang gelezen met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), tevens een verzuimboete opleggen. 22. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de naheffingsaanslag MRB terecht en naar de juiste hoogte heeft opgelegd. Niet in geschil is namelijk dat op 1 maart 2024, tijdens de schorsingsperiode, met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de openbare weg. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft geen bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig die dag zou worden gekeurd en dus de APK-vrijstelling van toepassing was, als bedoeld in artikel 72, eerste lid, onderdeel m, van de Wet MRB 1994, in samenhang gelezen met artikel 22 van het Uitvoeringsbesluit. Om die reden mocht de inspecteur de naheffingsaanslag MRB opleggen. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag MRB over de juiste tijdvakken opgelegd en daarbij geen MRB nageheven voor de perioden waarin geen sprake was van gebruik van de schorsingsregeling (namelijk van 20 februari 2023 tot en met 14 juni 2023, van 18 juli 2023 tot en met 20 juli 2023, op 7 september 2023, op 13 oktober 2013 en op 8 december 2023). De naheffingsaanslag MRB is dus niet te hoog vastgesteld. 23. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur ook terecht een verzuimboete opgelegd. De rechtbank dient wel te beoordelen of de verzuimboete passend en geboden is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende het motorrijtuig gebruikt ten behoeve van een goed doel. Daarnaast acht de rechtbank het geloofwaardig dat belanghebbende zich in het algemeen houdt aan de voor hem geldende verplichtingen en dat hij te goeder trouw heeft gehandeld. Daar staat echter tegenover dat niet is gebleken dat op 1 maart 2024 een APK-keuring van het motorrijtuig heeft plaatsgevonden en dat het motorrijtuig vanaf de garage (bewust) met groene handelaarskentekenplaten is teruggereden. Op 5 april 2024 is het motorrijtuig wel APK-gekeurd. Verder betreft de schorsingsregeling een begunstigende regeling, waarvan belanghebbende niet aan de voorwaarden heeft voldaan. De inspecteur heeft de verzuimboete in de bezwaarfase reeds verlaagd naar van 50% naar 25%. Gelet op voornoemde omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om de verzuimboete verder te matigen. De rechtbank acht het boetebedrag in overeenstemming met het verwijt dat belanghebbende kan worden gemaakt. De verzuimboete is daarom passend en geboden. Conclusie en gevolgen 24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier. Uitgesproken op 5 augustus 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. griffier rechter Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.