Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-07-29
ECLI:NL:RBGEL:2026:6198
Afwijzing vordering tot betaling van openstaande facturen. Wilsvertrouwensleer (artikel 3:33 en 3:35 BW), totstandkoming overeenkomst (artikel 6:217 BW). Door eisers gestelde projectprijs is niet komen vast te staan. De door hen gestelde en aan gedaagde verschuldigde vergoeding voor opslag (creditering op factuur) evenmin. Geen wilsgebrek. Partijen hebben t.a.v. 2021 overeenstemming bereikt over een prijs, die door gedaagde is voldaan. T.a.v. 2022 en 2023 is de opdracht niet komen vast te staan. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/455130 / HA ZA 25-322 Vonnis van 29 juli 2026 in de zaak van 1 [naam eiser 1] , wonende te [woonplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam eisend bedrijf] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partijen, hierna gezamenlijk ook wel te noemen: [de eiser] , advocaat: mr. S.K. Tuithof te Haarlem, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ VAN GELDER B.V. , gevestigd te Elburg, gedaagde partij, hierna te noemen: Van Gelder, advocaat: mr. G.J. Lantink te Amsterdam. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 19 november 2025, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 maart 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort 2.1. [de eiser] en Van Gelder hebben in juni 2021 een samenwerkingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [de eiser] in opdracht van Van Gelder werkzaamheden heeft verricht om werkterreinen van Van Gelder peukenvrij te maken. [de eiser] wil een creditering van haar factuur uit 2021 terugdraaien wegens dwaling, bedrog dan wel misbruik van omstandigheden. Daarnaast vordert [de eiser] betaling van facturen voor werkzaamheden in 2022 en 2023. 2.2. Volgens Van Gelder is er geen reden om de creditering op de factuur van [de eiser] over 2021 ongedaan te maken. Voor werkzaamheden in de jaren 2022 en 2023 heeft Van Gelder geen opdracht gegeven. Daarom meent Van Gelder dat zij [de eiser] niets meer is verschuldigd. 2.3. De rechtbank wijst de vorderingen van [de eiser] af. Deze beslissing wordt in dit vonnis uitgelegd. 3 De feiten 3.1. [de eiser] is een onderneming die zich bezighoudt met het sigarettenvrij houden van de omgeving. [de eiser] is op 17 oktober 2018 opgericht als vennootschap onder firma “ [naam vof] ”, met [eiser 1] als een van de twee vennoten. Deze vennootschap onder firma is ontbonden per 31 december 2021. Op 23 augustus 2021 heeft [eiser 1] de eenmanszaak “ [de eiser] ” opgericht. Op 27 oktober 2022 is de besloten vennootschap “ [de eiser] B.V.” opgericht, waarvan [eiser 1] via “Fair Capital Group B.V.” bestuurder is. 3.2. Van Gelder is als aannemersbedrijf actief in de infrastructuur. Van Gelder moet bij opdrachten vanuit de gemeente Amsterdam in het kader van de Social Return On Investment -verplichting (SROI-verplichting) een bepaald percentage van de aanneemsom besteden aan door de gemeente goedgekeurde sociale ondernemingen. [de eiser] is één van deze goedgekeurde sociale ondernemingen. 3.3. Op 25 en 26 mei 2021 hebben [uitvoerder] , uitvoerder bij Van Gelder (hierna: [uitvoerder] ), en [de eiser] via e-mail onder andere het volgende contact gehad: 25 mei 2021 Goedemiddag [eiser 1] , Om de samenwerking tussen Van Gelder en [de eiser] vast te leggen is er een contract opgesteld. Hierin leggen we de verbindingen vast die we met elkaar aangaan. Graag ontvangen wij deze ondertekend retour. (…) 26 mei 2021 Hee [uitvoerder] , Super ik ga er vanmiddag naar kijken! Zullen we volgende week even bellen om het idee van de peukenpalen voor de andere projecten, verder uit te werken. (…) 26 mei 2021 Heej [eiser 1] , Ja dat is helemaal goed. Misschien kunnen we zelfs op Petroleumhavenweg afspreken. Zien we elkaar ook weer eens ;) (…) 3.4. [eiser 1] heeft namens [de eiser] - als vennootschap onder firma - de door Van Gelder gemailde samenwerkingsovereenkomst op 7 juni 2021 ondertekend. De samenwerkingsovereenkomst is voor de duur van maximaal twee jaar aangegaan. In deze overeenkomst staat onder meer: (…) “Partijen” (…) nemen in overweging: a) dat Partijen zonder financiële vergoedingen aan elkaar zullen gaan samenwerken; b) dat Partijen beide gebaat moeten zijn bij de samenwerking; c) dat Partijen evenredig input leveren waarbij er een evenwicht ontstaat voor het behalen van de doelstellingen welke nader omschreven zullen worden en (hierna te noemen: “de Overeenkomst”) aangaan. (…) Artikel 1. De Opdracht; het Werk - Kantoorpand Aannemingsmaatschappij Van Gelder, gelegen aan de Schillingweg 10 te Nieuw Vennep biedt opslagruimte ter beschikking; - Depot Aannemingsmaatschappij Van Gelder, gelegen aan de Petroleumhavenweg 12 te Amsterdam biedt opslagruimte ter beschikking - Partijen zullen projecten promoten waarbij de samenwerking zichtbaar wordt gemaakt. Artikel 2. Aanvang en duur (…) Periode contractduur samenwerking maximaal twee jaar na ondertekenen van het contract. (…) Contactpersonen Van Gelder: Regiodirecteur: Naam: [regiodirecteur] [hierna: [regiodirecteur] /rechtbank] (…) Uitvoerder: Naam: [uitvoerder] (…) Artikel 3. Vergoeding en uitgangspunten. - De samenwerking zal niet plaats vinden uit het oogpunt van financiële gewin; - Indien er sprake zal zijn van financiële vergoedingen zal er voorafgaand een offerte worden opgesteld. (…) 3.5. Op 14 juni 2021 heeft [de eiser] de ondertekende overeenkomst naar Van Gelder gemaild. [uitvoerder] heeft diezelfde dag het volgende terug naar [de eiser] gemaild, met [projectleider] , projectleider bij Van Gelder (hierna: [projectleider] ), in de cc: Goedemiddag [eiser 1] , Bedankt voor het ondertekenen van het contract. Laten we direct doorpakken en afspreken om op het project van mijn collega [medewerker Van Gelder 1] een Peukenpaal te plaatsen. Zijn ketenpark, op een voormalig weiland blijft de komende twee á drie jaar staan. Een uitgelezen kans om peuken te verzamelen i.p.v. deze door de rokers in de natuur te laten deponeren. (…) 3.6. Op 15 juni 2021 heeft [projectleider] het volgende bericht naar [uitvoerder] gestuurd, met [de eiser] in de cc: Goedemiddag [uitvoerder] , Vanaf 1 augustus kan deze op het ketenpark worden geplaatst. (…) 3.7. Op 16 juni 2021 heeft [uitvoerder] het volgende bericht naar [projectleider] gestuurd, met [de eiser] in de cc: Bedankt [projectleider] , Dan doen wij [medewerker Van Gelder 1] zijn project als tweede. In Juli zal [medewerker Van Gelder 2] kennis maken met de Peukenpaal. Zodra [eiser 1] en ik hem geplaatst hebben dan zal je hierover een bericht krijgen. (…) 3.8. In 2021 heeft [de eiser] werkzaamheden uitgevoerd op vier locaties van Van Gelder. 3.9. Op 15 december 2021 heeft [de eiser] een e-mail gestuurd naar [regiodirecteur] , regiodirecteur van Van Gelder, met onder andere de volgende inhoud: Dag [regiodirecteur] , Naar aanleiding van ons gesprek vorige week maandag, heb ik onderstaande tekst geschreven. Daarin staat uitgelegd wat en wanneer [de eiser] gaat doen tijdens de projecten. Zoals besproken heb ik een staffel gemaakt. Hierin wordt onderscheidt gemaakt tussen projecten met een SROI verplichting van 2% en 5%. (…) Daarbij is er onderscheidt gemaakt tussen klein, middel en grote projecten. Dit houdt in; Kleine projecten hebben een aanneemsom vanaf EUR 100.000 tot 250.000. (…) Middel projecten (…) Grote projecten (…) In overleg met [regiodirecteur] is er besloten om alleen projecten, met een aanneemsom van 1 ton of meer, aan te pakken. Alle projecten onder de EUR 100.000 hoeven we met [de eiser] niks voor te doen. [administratief medewerker Van Gelder] zal mij een lijst sturen van de projecten in Amsterdam (circa 15 projecten) met daarbij de aanneemsom van het project en het verplichte SROI percentage. (…) 3.10. Op 20 december 2021 heeft [administratief medewerker Van Gelder] , verantwoordelijk voor de administratie van Van Gelder rond de SROI-verplichting (hierna: [administratief medewerker Van Gelder] ), een e-mail gestuurd aan [de eiser] waarbij zij tevens intern e-mailverkeer van [regiodirecteur] aan haar heeft meegestuurd. De e-mail aan [de eiser] bevat het volgende: Goedemorgen [eiser 1] , bijgesloten stuur ik de overzicht voor bedrijfsinformatie. Bijgaande stuur ik ook een document die wij nodig hebben voor onze administratie. Zou jij willen invullen wat voor jou van toepassing is? 3.11. Het meegestuurde interne e-mailverkeer, eveneens van 20 december 2021, houdt het volgende in: Goedemorgen [regiodirecteur] , Ik zou graag willen weten wat de kosten zijn van een peukenpaal zo is het voor mij overzichtelijker en de projectleiders. Kan ik onderstaande mail naar [eiser 1] kunnen sturen. Hoe is het afgelopen met de factuur van € 150.000,- van [eiser 1] ? Goedemorgen [eiser 1] , excuus voor de late reactie. Naar aanleiding van ons telefonisch gesprek op vrijdag stuur ik de informatie inzake de factuurinformatie. Even terug komen op de kosten inzake het plaatsen onderhouden en verwijderen van de palen. Zou je mij een prijs kunnen geven wat de kosten zijn van 1 peukenpaal. De projectleiders zijn verantwoordelijk voor het invullen van de SROI verplichten, voor mijn collega’s willen graag inzichtelijk hebben met hoeveel er ingevuld is en hoeveel wij nog moeten invullen. (…) Hoi [administratief medewerker Van Gelder] , De mail kan je zeker sturen ! Zou wel toevoegen paal plus legen etc, wij willen er eigenlijk niet veel aan hoeven doen. Tevens een m2 prijs voor opschoon actie zou handig zijn. Ik heb hem aangegeven dat 40/45 k de Max is tov afgelopen jaar. Voldoende ? Ik ben over +/- 1,5 uur op kantoor. (…) 3.12. Op 28 december 2021 heeft [de eiser] een e-mail en een factuur gestuurd naar Van Gelder voor werkzaamheden in 2021. De e-mail heeft de volgende inhoud: Dag [administratief medewerker Van Gelder] Hopelijk heb je fijne kerstdagen gehad. Dankjewel voor de informatie. Hierbij stuur ik jou de factuur van [de eiser] tov afgelopen jaar 2021. Ook heb ik het intrede formulier ingevuld. Ik zal maandag 3 januari jou een mail sturen met het kostenplaatje van onze diensten (prijs per paal inclusief beheren en legen) en prijs opschoon campagnes per locatie. Ik hoor graag van je of de factuur in orde is en wanneer deze in behandeling genomen zal worden. (…) 3.13. Met deze factuur brengt [de eiser] Van Gelder een bedrag van € 43.400 in rekening, welk bedrag Van Gelder heeft voldaan. De omschrijving van de factuur vermeldt het volgende: 3.14. Op 13 januari 2022 heeft [administratief medewerker Van Gelder] de volgende e-mail naar [de eiser] gestuurd: Goedemiddag [eiser 1] , zojuist contact gehad met [regiodirecteur] inzake jullie opdrachtbon. [regiodirecteur] is bezig met het uitzoeken hoe wij de kosten intern kunnen verdelen. Voor maandag krijg ik antwoord op mijn vraag. Bijgaand stuur ik een overzicht met de lopende projecten aan de hand hiervan zal ik graag een afspraak willen inplannen. Wij kunnen samen doorspreken hoe we de indeling gaan doen en hoe wij de kosten kunnen verdelen. De volgende bijlage is onderdeel van deze e-mail: 3.15. Voor de factuur voor de werkzaamheden in 2021 heeft Van Gelder op 21 februari 2022 een opdrachtbon verstrekt aan [de eiser] : [ Afbeelding verwijderd ter anonimisatie.] 3.16. Op 3 mei 2022 heeft [de eiser] aan [regiodirecteur] , met [administratief medewerker Van Gelder] in de cc, een e-mail gestuurd, inclusief bijlagen, met de volgende inhoud: Goedemiddag [regiodirecteur] , Afgelopen weken ben ik druk bezig geweest met het opstellen van de peukenplannen voor de projectbeheerders van Van Gelder, om inzichtelijk te maken hoe een samenwerking met [de eiser] eruit ziet. Er zijn drie verschillende plannen opgesteld waaruit de projectbeheerder zelf kunnen kiezen. Aan de hand van de grootte van het terrein, duur van het project en aantal medewerkers op een project kunnen de projectbeheerders zelf kiezen voor; - Peukenplan Klein Project, - Peukenplan Middelgroot project - Peukenplan Groot project. Zo blijven de projectbeheerders vrijblijvend in hun keuze en hebben zij grip op de kosten die zij per project willen en kunnen maken. De prijzen zijn overigens verlaagd van de plannen. De kosten voor alle drie de plannen zijn aangepast door op een andere manier met de sociale werkplaats te werken. Om de plannen zo goed mogelijk te integreren zou ik graag tijdens de vergadering, met de projectbeheerders, de drie plannen willen toelichten/pitchen. Ik hoor graag wat je er van vindt en wanneer hier eventueel tijd voor is. (…) 3.17. De bij deze e-mail als bijlagen gevoegde Peukenplannen hanteren de volgende prijzen: - een klein project voor € 9.000,00 exclusief btw per jaar; - een middelgroot project voor € 14.000,00 exclusief btw per jaar; - een groot project voor € 23.000,00 exclusief btw per jaar. 3.18. Op 12 november 2023 heeft (de eenmanszaak) “ [de eiser] ” aan Van Gelder een offerte (2023001.3) gestuurd voor een bedrag van € 100.125 (ex btw) voor werkzaamheden over de eerste drie kwartalen van 2022. Op 15 november 2023 heeft “ [de eiser] ” Van Gelder in vervolg daarop een factuur (2023-001) gestuurd. Deze factuur bevat de volgende omschrijving: 3.19. Eveneens op 12 november 2023 heeft “ [de eiser] B.V.” aan Van Gelder een offerte (2023012.2) gestuurd voor een bedrag van € 166.750 (ex btw) voor werkzaamheden over 2023. Op 15 november 2023 heeft [de eiser] B.V. in vervolg daarop een factuur (2023-063) gestuurd. Deze factuur bevat de volgende omschrijving: 3.20. Nova Legal B.V. heeft bij e-mail van 11 november 2024 aan Van Gelder medegedeeld dat de vordering van [eiser 1] terzake factuur 2023-001 en vof [de eiser] terzake factuur 2021-112 middels cessie zijn overgedragen aan [de eiser] B.V. 3.21. Op 3 februari 2026 heeft [de eiser] een factuur opgesteld voor een bedrag van € 66.625 (ex btw), voor werkzaamheden over het vierde kwartaal van 2022: 3.22. Van Gelder heeft de twee facturen van 15 november 2023 en de factuur van 3 februari 2026 niet betaald. 4 Het geschil 4.1. [de eiser] vordert na vermeerdering van eis, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. primair voor recht verklaart dat de tussen partijen gemaakte afspraak dat een vergoeding van € 90.000 zou worden betaald door [de eiser] aan Van Gelder voor het gebruik van de opslag is vernietigd, subsidiair deze overeenkomst alsnog te vernietigen; II. Van Gelder veroordeelt om primair aan [de eiser] en subsidiair aan [eiser 1] (althans voor de facturen die door [eiser 1] zijn verstuurd) te betalen een bedrag van € 656.934,34, te vermeerderen met wettelijke handelsrente over een bedrag van € 512.435 vanaf 14 februari 2026 tot de dag van algehele voldoening; III. Van Gelder veroordeelt in de proceskosten en de nakosten. 4.2. Van Gelder voert verweer en verzoekt aan [de eiser] de vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van [de eiser] in de proceskosten. 5 De beoordeling 5.1. Vaststaat dat partijen op 7 juni 2021 een overeenkomst van samenwerking (hierna: de SOK) hebben gesloten en dat [de eiser] op grond daarvan in opdracht van Van Gelder enige werkzaamheden heeft verricht om een aantal werkterreinen van Van Gelder peukenvrij te maken. Tussen partijen is in geschil of de creditering met € 90.000, die [de eiser] verwerkte op haar factuur van 28 december 2021 als vergoeding aan Van Gelder voor opslag, wegens een wilsgebrek vernietigd mocht (moet) worden, zodat Van Gelder dat bedrag alsnog aan [de eiser] moet betalen. Verder is in geschil of Van Gelder de facturen van [de eiser] over 2022 (ad € 100.125 respectievelijk € 66.625 ex btw) en 2023 (ad € 166.750 ex btw) moet voldoen. 5.2. [de eiser] stelt ter onderbouwing van haar vorderingen dat zij via diverse rechtsvormen (vof, eenmanszaak en B.V.), in opdracht en voor rekening van Van Gelder werkzaamheden heeft uitgevoerd. De vorderingen van de vof en de eenmanszaak zijn gecedeerd aan de B.V., aldus [de eiser] . Volgens [de eiser] zijn partijen overeengekomen dat [de eiser] per project een bedrag van € 33.350 (ex btw) per 12 maanden bij Van Gelder in rekening zou brengen. Medio juni 2021 is [de eiser] gestart met haar werkzaamheden voor Van Gelder. Op 28 december 2021 heeft [de eiser] haar eerste factuur aan Van Gelder gestuurd (factuur 2021-112). De factuur betreft vier projecten voor een totaalbedrag van € 133.400 (ex btw). De prijsafspraken tussen partijen zijn volgens [de eiser] vastgelegd in een door [de eiser] opgesteld “Peukenplan”, dat zij op 3 januari 2022 per e-mail aan Van Gelder heeft gestuurd. De factuur van 28 december 2021 sluit echter op een lager door Van Gelder te betalen bedrag, vanwege een overeengekomen creditering met € 90.000 (ex btw) als vergoeding voor (samengevat) opslag van peukenpalen bij Van Gelder. [de eiser] stelt dat de door haar verleende korting van € 90.000 op de factuur van 28 december 2021 onder invloed van dwaling, bedrog en/of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, zodat die overeenkomst vernietigbaar is en Van Gelder dat bedrag alsnog moet betalen. In artikel 1 van de SOK staat namelijk dat Van Gelder opslagruimte ter beschikking stelt. Volgens [de eiser] gaat het om een beperkte ruimte voor het opslaan van peukenpalen en zou Van Gelder die ruimte kosteloos ter beschikking stellen. Ten tijde van het verzenden van de factuur over 2021 heeft Van Gelder opeens het standpunt ingenomen dat [de eiser] wel een vergoeding voor de opslag verschuldigd was. Zonder dat [de eiser] dat wilde, heeft zij toen een bedrag van € 90.000 voor opslag op haar factuur in mindering gebracht. Voor deze creditering bestaat volgens [de eiser] geen rechtsgrond, terwijl het bedrag exorbitant hoog is voor de relatief beperkte ruimte (ongeveer 10m2). Als [de eiser] dat had geweten, dan had zij een andere oplossing voor de opslag gekozen. Van Gelder heeft druk uitgeoefend op [de eiser] als jonge onervaren ondernemer om de factuur te crediteren. [de eiser] had het geld hard nodig en dacht anders helemaal niet betaald te krijgen. Partijen hebben hun samenwerking voortgezet, zodat [de eiser] ook aanspraak maakt op betaling van haar werkzaamheden over 2022 en 2023. Daarvoor heeft zij op 15 november 2023 en 3 februari 2026 facturen opgesteld die Van Gelder ten onrechte niet betaalt, aldus [de eiser] . 5.3. Van Gelder voert daartegen aan dat de SOK inhoudt dat [de eiser] vooraf een offerte uitbrengt voor door haar te verrichten werkzaamheden als daar een financiële vergoeding tegenover staat (artikel 3). Het was namelijk voor Van Gelder van belang om af te stemmen waar per project behoefte aan was, terwijl zij ook verantwoording heeft af te leggen aan de gemeente vanwege de SROI-verplichting. In juni/juli 2021 heeft [de eiser] op vier locaties (Westpoort, Nieuwe Gouw, Petroleumhavenweg en Toetsenbordweg) een peukenpaal geplaatst, in overleg met de uitvoerder van Van Gelder, maar zonder offerte en zonder schriftelijke opdracht. Van Gelder heeft niet ingestemd met een projectprijs van € 33.350. Toen [de eiser] in december 2021 een bedrag van € 150.000 wilde factureren, heeft Van Gelder daartegen bezwaar gemaakt. [regiodirecteur] was verontwaardigd over de hoogte van dat bedrag en heeft aangegeven bereid te zijn maximaal 40 à 45 duizend euro te vergoeden voor de peukenpalen op de vier locaties. [de eiser] heeft daarmee ingestemd en een factuur voor € 43.400 (ex btw) ingediend. Op die factuur staat een minderbedrag van € 90.000, dat [de eiser] heeft gelabeld als “opslagkosten”. Volgens Van Gelder ging het niet om een rekening voor opslag. Van Gelder schreef vervolgens een opdrachtbon uit voor een bedrag van € 43.400 (ex btw). Met betaling van die factuur zijn de projecten over 2021 afgerekend, aldus Van Gelder. [de eiser] komt geen beroep toe op dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden, zeker niet na ruim 3 jaar. Partijen hebben geen afspraken gemaakt over voortzetting van lopende projecten of het starten van nieuwe projecten hoewel [de eiser] wel heeft geprobeerd om van Van Gelder nieuwe opdrachten te krijgen. Van Gelder betwist dat zij [de eiser] opdracht heeft gegeven voor werkzaamheden die op de facturen over 2022 en 2023 staan; voorafgaande offertes ontbreken en de factuurbedragen zijn buitenproportioneel hoog. Door pas in november 2023 facturen te sturen over 2022 en 2023 heeft [de eiser] haar recht verwerkt om betaling te vorderen. Van Gelder heeft alleen zaken gedaan met de vof, niet met de eenmanszaak of B.V. Zij betwist verder de rechtsgeldigheid van de cessie van de vordering van € 90.000 en de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke handelsrente. 5.4. De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat [de eiser] in opdracht van Van Gelder in 2021 op vier locaties peukenpalen heeft geplaatst. De rechtbank zal eerst beoordelen of daarbij tussen partijen een projectprijs van € 33.350 (ex btw) per 12 maanden is overeengekomen, omdat [de eiser] het leeuwendeel van haar vorderingen onder II baseert op die door Van Gelder betwiste stelling. Daarna beoordeelt de rechtbank of de creditering van € 90.000 die [de eiser] op de factuur van 28 december 2021 toepaste, onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen, zoals [de eiser] stelt en Van Gelder betwist (vordering onder I, deels II). Vervolgens beoordeelt de rechtbank of Van Gelder gehouden is de facturen van [de eiser] over 2022 en 2023 te voldoen, omdat Van Gelder onder meer betwist dat zij opdracht heeft gegeven voor de daarop vermelde werkzaamheden (vordering deels onder II). Zijn partijen een projectprijs van € 33.350 per 12 maanden overeengekomen? 5.5. De SOK zelf houdt geen bepaling in over de hoogte van de vergoeding waarop [de eiser] recht heeft en bepaalt alleen dat in geval van financiële vergoedingen, voorafgaand een offerte wordt opgesteld (artikel 3). Het antwoord op de vraag of tussen partijen terzake de projectprijs (door aanbod en aanvaarding, artikel 6:217 BW) een overeenkomst tot stand is gekomen, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid (wilsvertrouwensleer, artikelen 3:33 en 3:35 BW). Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden. Zij kunnen in elke vorm plaatsvinden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen daarbij van belang zijn. Voor de beoordeling acht de rechtbank verder het volgende van belang. 5.6. De rechtbank gaat ervanuit dat [de eiser] , zoals Van Gelder heeft aangevoerd, geen kostenopgaaf heeft gestuurd voordat [de eiser] met haar werkzaamheden begon en voordat zij in december 2021 wilde factureren. [de eiser] stelt immers zelf in de dagvaarding (onder 8): “ De afspraken en uitgevoerde en uit te voeren werkzaamheden zijn (later) vastgelegd in een door [de eiser] opgesteld ‘Peukenplan’ dat op 3 januari 2022 aan Van Gelder is gestuurd .” [productie 5 dagvaarding]. Als dat plan, waarin een projectbedrag van € 33.350 wordt genoemd, al is verstuurd, wat Van Gelder betwist, dan dateert dat in elk geval van na aanvang van de werkzaamheden en ook van na de factuurdatum. 5.7. Voor zover [eiser 1] ter zitting heeft verklaard dat dit Peukenplan tijdens een meeting in juni 2021 al aan [regiodirecteur] van Van Gelder is overhandigd, volgt de rechtbank [de eiser] daarin niet. Van Gelder heeft dit namelijk gemotiveerd betwist en aangevoerd dat zij dit Peukenplan toen ook niet kàn hebben ontvangen, omdat in dit Peukenplan het KVK-nummer van [de eiser] als eenmanszaak staat genoemd en die eenmanszaak pas eind augustus 2021 is opgericht. De rechtbank gaat verder voorbij aan de stelling van [eiser 1] ter zitting dat het Peukenplan dat in juni 2021 is overhandigd dan een ander KVK-nummer moet hebben gehad of in een andere vorm gegoten moet zijn geweest, maar wel dezelfde afspraken inhield, en dat [regiodirecteur] in juni 2021 is geïnformeerd over de projectprijs. Dit betoog is namelijk in het licht van het vorenstaande te vaag. Daar komt bij dat Van Gelder meerdere aan haar door [de eiser] toegestuurde Peukenplannen heeft overgelegd (producties 7 en 8 conclusie van antwoord), waarin sterk uiteenlopende projectbedragen worden genoemd. Zo beschikt Van Gelder over een ongedateerd Peukenplan waar het KVK-nummer van de vof op staat, waardoor dit Peukenplan in ieder geval van vóór 3 januari 2022 moet zijn. In dat Peukenplan wordt een prijs genoemd van ongeveer € 3.000 per maand voor werkzaamheden op 12 projecten, en voor het plaatsen van twee palen (inclusief legen) € 100 per maand. Welk Peukenplan op 3 januari 2022 naar Van Gelder is gestuurd, valt overigens niet meer te achterhalen: deze e-mail staat op een oude laptop en de e-mails zijn vanwege de overgang van rechtsvorm zoekgeraakt, aldus [eiser 1] ter zitting. 5.8. Het Peukenplan, waar [de eiser] zich op beroept, is bovendien niet aan te merken als een schriftelijke vastlegging van een overeenkomst, maar als een offerte. Onderaan dat plan staat namelijk: “Bij akkoord op deze offerte ontvangen wij uw bevestiging graag per email retour.” . [de eiser] heeft niet onderbouwd gesteld dat, wanneer en hoe Van Gelder zou hebben ingestemd met het door [de eiser] (in het door haar als productie 5 bij dagvaarding overgelegde Peukenplan) geoffreerde projectbedrag van € 33.350 per 12 maanden. 5.9. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat partijen een projectprijs van € 33.350 (ex btw) per 12 maanden zijn overeengekomen (artikel 6:217 BW). [de eiser] heeft dus in opdracht van Van Gelder vanaf juni 2021 werkzaamheden voor vier projecten uitgevoerd, zonder dat ten tijde van de opdracht tussen partijen vaststond welk bedrag [de eiser] daarvoor in rekening kon brengen. 5.10. Partijen zijn het wel eens dat toen [de eiser] eind 2021 Van Gelder een bedrag van ruim € 130.000 ex btw in rekening wilde brengen voor vier projecten, Van Gelder aangaf daarvoor maximaal € 40.000 tot € 45.000 te willen betalen. Dit blijkt ook uit de overgelegde interne mailwisseling van 20 december 2021. Het overleg tussen partijen heeft er vervolgens toe geleid dat [de eiser] Van Gelder bij factuur van 28 december 2021 een bedrag van € 43.400 in rekening bracht, dat door Van Gelder ook is betaald. De enkele omstandigheid dat [de eiser] deze overeenkomst over de te betalen vergoeding zelf administratief heeft verwerkt door op de factuur van 28 december 2021 zowel de door haar gestelde projectprijs als de gestelde vergoeding (als creditpost) te vermelden, waarna Van Gelder het in rekening gebrachte bedrag heeft betaald, betekent niet dat tussen partijen in de door [de eiser] gestelde zin een overeenkomst tot stand is gekomen over de vergoeding voor opslagkosten en evenmin dat partijen het eens waren over de door [de eiser] gestelde projectprijs. Het gaat immers om aanpassing door [de eiser] van haar eigen factuur. Dat Van Gelder vervolgens tegen de omschrijving die [de eiser] in haar eigen factuur verwerkte, niet heeft geprotesteerd, noopt niet tot een ander oordeel, nu vaststaat dat Van Gelder aan [de eiser] kenbaar heeft gemaakt welk bedrag zij maximaal voor de projecten in 2021 wilde betalen. 5.11. De interne e-mailcorrespondentie van 20 december 2021 waar [de eiser] naar verwijst, bevat ook geen enkel aanknopingspunt voor de stelling dat Van Gelder toen een vergoeding wilde ontvangen voor de opslagruimte, laat staan in de gestelde omvang. Voor zover door [bedrijfsleider] , bedrijfsleider bij Van Gelder, in berichtenverkeer met [de eiser] uit 2024 is verwezen naar kosten voor opslag en vervoer, heeft Van Gelder genoegzaam toegelicht dat deze bedrijfsleider toen is uitgegaan van onvolledige informatie. Bovendien houdt dit berichtenverkeer verband met het debat tussen partijen over de verschuldigdheid van de facturen van 15 november 2023 en dateert het van ruim twee jaar nadat de door [de eiser] gestelde afspraak over vergoeding voor de opslag zou zijn gemaakt. 5.12. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze gedragingen dat tussen partijen in december 2021 overeenstemming is bereikt over het door Van Gelder aan [de eiser] als zodanig voor de vier projecten in 2021 verschuldigde bedrag (artikel 6:217 BW), namelijk € 43.400, en mocht Van Gelder daarop vertrouwen. Daar komt bij, dat [de eiser] pas twee jaar later, in februari 2024, aan Van Gelder kenbaar heeft gemaakt dat zij in het kader van de vier projecten uit 2021 nog een bedrag van € 90.000 tegoed meende te hebben. Grondslag voor vernietiging “creditering € 90.000”? 5.13. Bovenstaande overwegingen leiden de rechtbank dus ook tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat [de eiser] voor het gebruik van de opslag een vergoeding van € 90.000 zou betalen aan Van Gelder. Op zich moet dit al leiden tot afwijzing van de vordering onder I en deels onder II. 5.14. Voor zover [de eiser] bedoeld heeft te stellen dat de in december 2021 tot stand gekomen overeenkomst, inhoudende dat Van Gelder [de eiser] € 43.400 verschuldigd was voor de vier projecten in 2021, wegens een wilsgebrek vernietigbaar is, volgt de rechtbank haar daarin niet. 5.15. Het beroep op dwaling (artikel 6:228 BW) kan niet slagen omdat [de eiser] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld van welke onjuiste voorstelling van zaken zij is uitgegaan toen zij eind 2021, wetende wat Van Gelder maximaal wilde betalen, haar eigen factuur aanpaste en daarbij zelf een creditpost opnam en omschreef. Evenmin slaagt het beroep op bedrog (artikel 3:44 lid 3 BW), omdat [de eiser] niet onderbouwd heeft gesteld welke mededeling van Van Gelder onjuist zou zijn, welke informatie Van Gelder voor [de eiser] heeft verzwegen of welke kunstgreep Van Gelder zou hebben toegepast. De enkele omstandigheid dat [de eiser] ( [eiser 1] ) een jonge ondernemer is, brengt niet mee dat misbruik van omstandigheden aanwezig is (artikel 3:44 lid 4 BW). Over de druk die Van Gelder volgens [de eiser] zou hebben uitgeoefend, heeft [de eiser] uiteenlopende stellingen ingenomen. Bij dagvaarding heeft [de eiser] gesteld dat zij het gevoel had dat Van Gelder helemaal niet zou betalen, terwijl [de eiser] ter zitting heeft gesteld dat Van Gelder zou hebben aangegeven dat zij niet zou betalen als het bedrag niet gecrediteerd zou worden. Desgevraagd heeft [de eiser] ter zitting niet kunnen toelichten wat Van Gelder heeft gezegd of gedaan, waaruit die druk dan volgt. Het beroep op misbruik van omstandigheden kan daarom ook niet slagen. 5.16. Dit betekent dat er geen grond is voor vernietiging van de in december 2021 overeengekomen prijs wegens een wilsgebrek. [de eiser] kan dus geen aanspraak maken op betaling van het bedrag van € 90.000. De vorderingen van [de eiser] onder I en deels onder II zullen daarom worden afgewezen. Heeft [de eiser] recht op betaling van de facturen over 2022 en 2023? 5.17. De rechtbank oordeelt dat de vordering van [de eiser] , voor zover deze strekt tot betaling van haar (3) facturen over 2022 en 2023, om meerdere redenen niet toewijsbaar is. 5.18. Opvallend is het tijdsverloop tussen de datum van deze facturen en de periode waarop de betreffende factuur betrekking heeft. Een bevredigende verklaring voor het tijdsverloop tussen de factuurdatum van 15 november 2023 en de periode waarop deze factuur zag (eerste drie kwartalen 2022) en het nog ruimere tijdsverloop tussen de factuurdatum van 13 februari 2026 en de periode waarop deze factuur betrekking heeft (vierde kwartaal 2022) heeft [de eiser] niet gegeven. Dat [eiser 1] / [de eiser] een jonge ondernemer is, wiens onderneming van rechtsvorm veranderde, acht de rechtbank in dat verband geen afdoende verklaring. Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking (artikel 6:2 BW) is het tijdsverloop echter onvoldoende. Wel draagt het tijdsverloop bij aan een kritische(r) beoordeling van dit deel van de vordering, in het licht van de gevoerde verweren. 5.19. De rechtbank komt tot het oordeel dat [de eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat Van Gelder opdracht heeft gegeven voor de werkzaamheden over 2022 en 2023 die op de facturen van [de eiser] van 15 november 2023 en 3 februari 2026 staan omschreven alsmede dat Van Gelder ook toen heeft ingestemd met het door [de eiser] gestelde projectbedrag van € 33.350. Voor dit oordeel is het volgende van belang. 5.20. Vaststaat, dat [de eiser] geen offerte heeft gestuurd aan Van Gelder voorafgaand aan de werkzaamheden over 2022 en 2023 waarvan zij nu betaling vordert. Er zijn wel offertes, maar die dateren voor beide jaren van 12 november 2023. Dat is (nagenoeg) na afloop van de periode waarop de offerte betrekking had. [de eiser] heeft geen afdoende verklaring gegeven voor dit in het oog springende tijdsverloop. Deze handelwijze is in elk geval niet in overeenstemming met artikel 3 van de SOK. 5.21. Schriftelijke opdrachten voor de werkzaamheden in 2022 en 2023 zijn er niet, aldus [de eiser] ; er zijn volgens haar wel mondelinge opdrachten gegeven (dagvaarding onder 37). Van Gelder betwist dat echter gemotiveerd. [de eiser] heeft vervolgens niet gesteld wie wanneer welke opdrachten heeft verstrekt, maar volstaan met de stelling dat dit [uitvoerder] (uitvoerder bij Van Gelder) en [administratief medewerker Van Gelder] (SROI-coördinator bij Van Gelder) zouden zijn geweest. Hoewel Van Gelder met stukken onderbouwd er op heeft gewezen dat [uitvoerder] per 31 juli 2021 niet meer bij haar werkt en [administratief medewerker Van Gelder] volgens haar schriftelijke verklaring geen opdrachten heeft gegeven, heeft [de eiser] haar stellingen op dit punt niet geconcretiseerd. Evenmin is [de eiser] ingegaan op het betoog van Van Gelder dat andere stukken ook ontbreken, zoals afleverbonnen, een communicatieplan, een briefing of infographics, zoals op de factuur omschreven. [de eiser] is evenmin ingegaan op de stelling van Van Gelder dat de sigarettenfilterregistratie niet kan kloppen, mede gelet op het aantal werkzame personen op een locatie, terwijl de registratiegegevens ontbreken. De omstandigheid dat vanuit Van Gelder op 4 maart 2022 een WhatsAppbericht is gestuurd over een door de storm beschadigde rookpaal op de locatie Nieuwe Gouw en over een box met peuken op de Petroleumhavenweg, noopt niet tot de conclusie dat voor 2022 in de door [de eiser] gestelde omvang opdracht is gegeven. Van Gelder heeft er namelijk onweersproken op gewezen dat deze projecten zijn afgerekend met de factuur van 28 december 2021. De door [de eiser] overgelegde verklaringen van medewerkers leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel, daargelaten [eiser 1] ter zitting heeft verklaard dat hij deze verklaringen heeft opgesteld en naar zijn (oud-)werknemers heeft gestuurd die deze vervolgens hebben aangevuld en/of ondertekend. Afgezien van het feit dat deze verklaringen deels over 2021 gaan en een enkele verklaring ook over 2024, houden die verklaringen namelijk niets in over opdrachten die door Van Gelder zouden zijn verstrekt en waarop [de eiser] zich ten aanzien van dit deel van haar vordering beroept. 5.22. [de eiser] heeft er nog op gewezen dat partijen de bedoeling hadden een langdurige samenwerking aan te gaan, dat zij sinds eind 2021 contact hebben gehad over voortzetting van de samenwerking, dat Van Gelder dat ook wilde en dat de projectprijs van € 33.350 daarbij de basis was. Uit de inhoud van de e-mail van [administratief medewerker Van Gelder] van 13 januari 2022 volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat Van Gelder de samenwerking heeft voortgezet, laat staan voor de door [de eiser] gestelde prijs van € 33.350 per project. In die e-mail is slechts uitgesproken dat Van Gelder met [de eiser] een afspraak wilde inplannen over de lopende projecten, hoe zij “de indeling gaan doen” en hoe zij “de kosten kunnen verdelen”. Daar komt bij dat de locaties die in de bijlage bij de e-mail van 13 januari 2022 door [administratief medewerker Van Gelder] worden omschreven, niet overeenkomen met de locaties die op de facturen over 2022 en 2023 worden genoemd, zoals Van Gelder onweersproken heeft toegelicht. Verder is van belang dat [eiser 1] in zijn e-mail van 3 mei 2022 uiteenzet dat de meegestuurde Peukenplannen inzichtelijk maken hoe een samenwerking eruit ziet, waarbij de prijzen zijn verlaagd en hij Van Gelder vraagt om de plannen te pitchen. Plannen bovendien, waarvan [eiser 1] ter zitting heeft verklaard dat de voorstellen tot niets hebben geleid. Naar het oordeel van de rechtbank betekenen deze contacten over mogelijke voortzetting niet meer dan dàt en geven deze dus geen steun aan de stelling van [de eiser] dat Van Gelder opdrachten heeft verstrekt voor werkzaamheden in 2022 en 2023 die [de eiser] dan recht zou geven op betaling van de facturen die zij Van Gelder op 15 november 2023 en 3 februari 2026 stuurde. 5.23. De offertes en facturen over 2022 en 2023 zelf roepen ook vragen op, waarover [de eiser] ondanks de gemotiveerde betwisting door Van Gelder geen afdoende onderbouwde duidelijkheid heeft verschaft. Van Gelder heeft er onder meer op gewezen dat in de offerte 2023012.2 acht projecten worden genoemd in de omschrijving terwijl de prijs op basis van een aantal van vijf is berekend en er zeven adressen worden genoemd (vijf als “project”, een als “depot” en een als “locatie”). Verder heeft factuur 2023-001 betrekking op de eerste drie kwartalen van 2022 (2022 Q1 t/m Q3) en betreft het één locatie (het hoofdkantoor), terwijl de factuur 2023-072 ziet op het vierde kwartaal van 2022 en betrekking heeft op niet één, maar op vijf niet nader omschreven projecten. Factuur 2023-063 heeft betrekking op vijf projecten over 2023, waarbij echter uit de omschrijving volgt dat de gestelde totale hoeveelheid filters in 2022 en 2023 is opgehaald. Evenmin heeft [de eiser] kunnen verduidelijken dat een bedrag van € 100.125 voor één locatie, voor een periode van 3 kwartalen, geen buitenproportioneel bedrag is. 5.24. Hiervoor is al overwogen en beslist, dat niet is komen vast te staan dat partijen over 2021 een projectprijs van € 33.350 per 12 maanden zijn overeengekomen. Ook ten aanzien van 2022 en 2023 moet op grond van het vorenstaande het oordeel luiden dat gesteld noch gebleken is van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat Van Gelder voor die twee jaren heeft ingestemd met die projectprijs. 5.25. Dit betekent dat een grondslag ontbreekt voor het deel van de vordering van [eiser 1] en [de eiser] dat ziet op betaling van de facturen over 2022 en 2023. De rechtbank zal de vordering deels onder II daarom afwijzen. De overige verweren van Van Gelder behoeven daarom geen bespreking meer. 5.26. Gelet op het vorenstaande kan [de eiser] evenmin aanspraak maken op vergoeding van de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke kosten, zodat deze vorderingen eveneens worden afgewezen (petitum onder II deels en onder III). Proceskosten 5.27. [eiser 1] en [de eiser] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Van Gelder worden begroot op: - griffierecht € 6.861,00 - salaris advocaat € 7.446,00 (2 punten × € 3.723,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 14.496,00 5.28. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. wijst de vorderingen van [eiser 1] en [de eiser] af, 6.2. veroordeelt [eiser 1] en [de eiser] hoofdelijk in de proceskosten van € 14.496,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] en [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026. 2075 HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1889 HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615