Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-07-10
ECLI:NL:RBGEL:2026:6178
Geen sprake van een dringende reden voor het nemen van ontslag op staande voet, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding worden afgewezen. Vordering fooi wordt wel toegewezen. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer / rekestnummer: 12161117 \ HA VERZ 26-61 Beschikking van 10 juli 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. M.F.M. Groot Kormelink, tegen [bedrijf] V.O.F. EN HAAR VENNOTEN [verweerder 1] EN [verweerder 2] , te [plaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [bedrijf] , [verweerder 1] , en [verweerder 2] , gemachtigde: Van Ebbenhout Juristen en Mediators, t.a..v mr. K.L. Noordijk. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties 1 t/m 9; - het verweerschrift met producties 1 t/m 14; - de akte overlegging productie 15 van [bedrijf] ; - de mondelinge behandeling van 29 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1999, is sinds 9 juli 2025 in dienst bij [bedrijf] op basis van een dienstverband van 30 uur per week voor bepaalde tijd. De functie van [verzoeker] is horecamedewerker met een loon van € 1.919,66 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. 2.2. Op de arbeidsovereenkomst is de Horeca-cao 2025-2026 van toepassing. 2.3. Op woensdag 28 januari 2026 neemt [verzoeker] ontslag op staande voet. 2.4. Bij e-mailbericht van 29 januari 2026 schrijft [verzoeker] aan [bedrijf] onder meer: “Via deze e-mail bevestig ik dat ik mijn werkzaamheden als horecamedewerker bij [bedrijf] per 28 januari 2026 heb beëindigd. Mijn arbeidsovereenkomst is op 9 december 2025 geëindigd en er is geen nieuwe overeenkomst door mij ondertekend. Daarom treed ik per bovengenoemde datum uit dienst. Vanwege de werkomstandigheden heb ik besloten niet verder te gaan bij [bedrijf] . Dit heeft onder andere te maken met late loonbetalingen, de werksfeer, de omgang met personeel en het niet kunnen nemen van wettelijke pauzes .” 2.5. Bij brief van 13 februari 2026 sommeert [verzoeker] [bedrijf] onder andere om de eindafrekening te verstrekken en tot betaling over te gaan. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter – na vermindering van haar verzoek ter zitting – om [bedrijf] te veroordelen: tot betaling van een transitievergoeding van € 375,00 bruto; tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 2.093,36 bruto; tot betaling van een deugdelijke en volledige eindafrekening; tot betaling van een bedrag van € 2.612,25 netto aan fooien; tot betaling van de wettelijke verhoging ten bedrage van € 2.078,87 bruto en de wettelijke rente over alle gevorderde looncomponenten; in de proceskosten en de nakosten. 3.2. [verzoeker] legt het volgende aan haar verzoeken ten grondslag. [bedrijf] heeft haar een dringende reden gegeven om haar arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. Zo heeft [bedrijf] stelselmatig te laat loon betaald, loonstroken te laat verstrekt, fooien niet uitbetaald, was er een onprettig/onveilige werksfeer en kon zij geen (wettelijke) pauzes nemen. Daarnaast heeft [bedrijf] over het gehele dienstverband een te laag loon betaald. Dit structurele gedrag van [bedrijf] valt als ernstig verwijtbaar te kwalificeren, waardoor van [verzoeker] in redelijkheid niet kon worden gevergd langer werkzaamheden uit te voeren voor [bedrijf] . Zij verzoekt daarom, naast het verstrekken en betalen van de eindafrekening, om toekenning van een transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding, de wettelijke verhoging en uitbetaling van fooien. 3.3. [bedrijf] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [bedrijf] voert ‑ samengevat ‑ aan dat geen sprake is van een dringende reden. [verzoeker] heeft er zelf voor gekozen om het werk neer te leggen en het dienstverband te beëindigen, zonder op dat moment mede te delen dat zij ontslag op staande voet nam en een dringende reden mede te delen. De door haar gevorderde transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding missen daarmee iedere grondslag. Daarnaast zijn de loonstroken en de eindafrekening aan [verzoeker] verstrekt en is de eindafrekening aan haar betaald. Bij deze vorderingen heeft zij dus geen belang meer. Verder was het algemeen bekend en geaccepteerd dat het loon uiterlijk op de 10e dag van de daaropvolgend maand werd uitbetaald en heeft [verzoeker] gekozen voor onbeperkt eten en drinken in plaats van het ontvangen van fooien (het beetje fooi dat binnenkwam is desondanks altijd over alle werknemers verdeeld). Voor het geval wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, dan betwist [bedrijf] de hoogte van de gevorderde transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding. Haar uurloon bedraagt € 14,71 bruto per uur in plaats van € 14,91 bruto per uur. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Door een ontslag op staande voet wordt de arbeidsovereenkomst plotseling en met onmiddellijke ingang beëindigd. Dit heeft voor de wederpartij, in dit geval [bedrijf] , ingrijpende gevolgen. Daarom moet een ontslag op staande voet aan strenge formele en inhoudelijke eisen voldoen (artikel 7:677 lid 1 BW). Een ontslag op staande voet is alleen geldig als aan drie eisen is voldaan. De eerste eis is dat er een dringende reden voor het ontslag op staande voet moet bestaan. De tweede eis is dat er onverwijld moet worden opgezegd. De derde eis is dat de dringende reden onverwijld moet worden meegedeeld aan de wederpartij. 4.2. Het gaat in deze zaak om de vraag of [verzoeker] een dringende reden had om op staande voet ontslag te nemen. Zo ja, dan kan zij in beginsel aanspraak maken op diverse vergoedingen. Geen dringende reden 4.3. Dringende redenen zijn redenen waardoor van de werknemer niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:679 lid 1 BW). In de wet staan voorbeelden van een dringende reden voor een ontslag op staande voet voor de werknemer (artikel 7:679 lid 2 BW). Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Omdat [verzoeker] zich beroept op de dringende reden, rust op haar de bewijslast. 4.4. Uit het e-mailbericht van 29 januari 2026 blijkt dat [verzoeker] vier redenen aan haar ontslag op staande voet ten grondslag legt. De eerste reden is dat het loon structureel te laat is betaald. Tussen partijen staat vast dat in de arbeidsovereenkomst en de Horeca-cao 2025-2026 niks is afgesproken/overeengekomen over wanneer (uiterlijk) het loon door [bedrijf] moet worden betaald. Dat betekent dat moet worden teruggevallen op de wet. Uit artikel 7:623 BW volgt dat de werkgever verplicht is het loon te voldoen telkens na afloop van het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, met dien verstande dat het tijdvak voor voldoening niet korter is dan één week en niet langer is dan één maand. Op basis hiervan moet [bedrijf] in beginsel uiterlijk een maand na afloop van het tijdvak waarover het loon op grond van de arbeidsovereenkomst wordt berekend aan [verzoeker] betalen. 4.5. [bedrijf] voert aan dat bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst met de werknemers wordt besproken, en dus ook met [verzoeker] , dat het loon over de voorafgaande maand uiterlijk op de 10e dag van de daaropvolgend maand wordt betaald. [bedrijf] beschikt niet eerder over de loonstroken en ook de betalingen van Social Deal, waar zij als opstartende horecaondernemer veel gebruik van maakt, ontvangt zij rond die periode. [verzoeker] betwist dat tijdens haar sollicitatie is besproken dat het salaris op de 10e van de daaropvolgende maand wordt betaald. Tijdens haar sollicitatiegesprek heeft zij gevraagd wanneer het loon aan werknemers wordt betaald. Door [bedrijf] is aangegeven dat dit aan het einde van de maand of in de eerste week van de volgende maand zou worden betaald, aldus [verzoeker] . Verdere feiten en omstandigheden waaruit blijkt wat partijen over het tijdstip waarop het loon wordt betaald zijn overeengekomen, zijn onvoldoende gesteld nog gebleken. Op basis van de standpunten van partijen is de kantonrechter daarom van oordeel dat het loon in ieder geval in de eerste week van de volgend maand moet zijn betaald. Wanneer dan naar de datums van de loonbetalingen wordt gekeken, betekent dit dat alleen het loon over de maand augustus 2025 en november 2025 slechts 3 dagen te laat is betaald. Gesteld nog gebleken is dat [verzoeker] [bedrijf] hiervoor heeft aangemaand. Naar het oordeel van de kantonrechter is op dit punt geen sprake van een dringende reden. Daarvan is slechts sprake als ondanks herhaalde verzoeken en sommaties structureel het loon niet tijdig wordt betaald. In casu is daar geen sprake van. 4.6. De tweede en derde reden waarop [verzoeker] haar ontslag op staande voet heeft gebaseerd is de werksfeer en de omgang met het personeel. [verzoeker] stelt onder andere dat zij altijd onder druk werkte van [verweerder 1] en [verweerder 2] ; zij werden boos om kleine misstapjes, werknemers werkten nooit hard genoeg en zij schreeuwden tegen je waar collega’s en/of klanten bij waren. Daar kwam bij dat [verweerder 2] op 28 januari 2026 ontstak in woede, het servies in de afwasbak smeet en luid naar [verzoeker] schreeuwde, toen zij bij hem klaagde over de onwerkbare situatie dat zij die dag alleen al het werk moest doen (de bediening, de koude keuken en de afwas), aldus [verzoeker] . [bedrijf] voert aan dat werken in de horeca druk en stressvol is en dat dan wel eens dringend en op een luide manier naar werknemers, en ook naar [verzoeker] , een opmerking wordt gemaakt over de kwaliteit van het eten en de werkzaamheden. Door haar wordt betwist dat sprake is van agressief en ontoelaatbaar gedrag en dat met voorwerpen wordt gegooid. 4.7. De kantonrechter is van oordeel dat het gedrag van [verweerder 1] en [verweerder 2] niet als ‘netjes’ kan worden bestempeld, maar dit kan ook niet als onacceptabel en ontoelaatbaar, zoals pestgedrag, worden aangemerkt. Gelet op de (gemotiveerde) betwisting van [bedrijf] is niet vast komen te staan dat sprake is van een dermate ernstige (onveilige) werksfeer of omgang met het personeel door [verweerder 1] en [verweerder 2] , dat daarmee sprake is van verwijtbaar handelen, laat staan dat sprake was van een dringende reden. Het lag op de weg van [verzoeker] om deze redenen nader te onderbouwen en dat heeft zij niet gedaan. Deze verwijten zijn daarom niet vast komen te staan. 4.8. De laatste reden is het niet kunnen nemen van (wettelijke) pauzes. [bedrijf] betwist dat [verzoeker] geen pauzes mocht nemen en voert aan dat werknemers zelf mogen bepalen wanneer en hoeveel pauze zij nemen. [verzoeker] had, gelet op deze betwisting van [bedrijf] , haar standpunt nader moeten onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. Dit verwijt is daarom ook niet vast komen te staan. 4.9. Voor zover [verzoeker] ook aan haar ontslag op staande voet ten grondslag legt dat geen nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst is aangeboden, dan levert dat evenmin een dringende reden op. Uit artikel 7:668 lid 4 onder b BW volgt dat wanneer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd door beide partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, deze voor dezelfde periode (met een maximum van een jaar) en onder dezelfde voorwaarden stilzwijgend wordt verlengd. De arbeidsovereenkomst van [verzoeker] liep tot 9 december 2025 en is vanaf die datum voor de duur van vijf maanden stilzwijgend verlengd. Bovendien heeft [bedrijf] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken aangevoerd dat [verzoeker] haar nieuwe arbeidsovereenkomst zelf via de computer bij [bedrijf] kon uitprinten, maar zij dat zelf steeds uitstelde. 4.10. Op basis van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van feiten en omstandigheden die afzonderlijk dan wel samen een dringende reden zijn voor [verzoeker] om ontslag op staande te voet nemen. Nu geen sprake is van een dringende reden, heeft [verzoeker] niet rechtsgeldig ontslag op staande voet kunnen nemen. De kantonrechter wijst daarom de door [verzoeker] gevorderde transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding af. Hoogte loon 4.11. Uit artikel 5 onder 1 van de arbeidsovereenkomst blijkt dat partijen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst een uurloon van € 14,40 bruto exclusief vakantietoeslag zijn overeengekomen. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat [bedrijf] over de periode juli tot en met december 2025 € 0,01 per uur te weinig heeft betaald. Het uurloon bedroeg € 14,41 in plaats van € 14,40. Uit de loonstroken blijkt dat [bedrijf] over voornoemde periode een uurloon van € 14,40 aan [verzoeker] heeft betaald. [bedrijf] heeft tegen dit standpunt van [verzoeker] geen afzonderlijk verweer gevoerd. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van het standpunt van [verzoeker] en gaat over de periode juli tot en met december 2025 uit van een uurloon van € 14,41. In deze periode heeft [bedrijf] in totaal op basis van de loonstroken 748,96 uren gewerkt. Dat betekent dat [bedrijf] in totaal nog een bedrag van € 8,09 bruto inclusief vakantiegeld (748,96 x € 0,01 x 1,08) aan [verzoeker] moet betalen. 4.12. Verder is tussen partijen de hoogte van het laatstverdiende loon in geschil. Volgens [verzoeker] is de hoogte van het laatstverdiende loon € 14,91 per uur en volgens [bedrijf] bedraagt dit € 14,71. [verzoeker] doet een beroep op een hoger uurloon, waardoor op haar, indien nodig, de bewijslast rust. 4.13. [verzoeker] stelt dat op basis van haar functie een salaris van € 14,91 aan haar moet worden betaald. Zij was een allround medewerker; zij deed de afwas, de bediening, de koude en warme keuken en de inkoop. [bedrijf] voert aan dat zij [verzoeker] nooit heeft verplicht taken boven haar functie te doen. Uit enthousiasme heeft zij diverse extra werkzaamheden gedaan boven haar functie. Gelet op deze standpunten van partijen lag het op de weg van [verzoeker] om haar standpunt nader te onderbouwen. Wegens het ontbreken van die onderbouwing is niet vast komen te staan dat aan [verzoeker] een hoger salaris moet worden betaald. De kantonrechter gaat daarom uit van een laatstverdiend loon van € 14,71 per uur. Eindafrekening 4.14. Tussen partijen staat vast dat [verzoeker] een eindafrekening heeft ontvangen en zij het daarop vermelde totaalbedrag heeft ontvangen van [bedrijf] . Op de eindafrekening staan onder andere de door [verzoeker] gevorderde openstaande vakantie-uren, overuren en feestdagentoeslagen. Daarbij is door [bedrijf] rekening gehouden met het in r.o. 4.13. vastgestelde laatstverdiende uurloon van € 14,71. Dat betekent dat voornoemde componenten zijn betaald. 4.15. [verzoeker] stelt verder dat zij op 8 juli 2025 een proefdag heeft gedraaid, waarop zij 5,5 uren heeft gewerkt en zij daarvoor nog geen loon heeft ontvangen. [bedrijf] erkent dat [verzoeker] een proefdag heeft gedraaid, maar zij betwist dat zij daarvoor loon aan haar verschuldigd is. Zij heeft mondeling met [verzoeker] afgesproken dat [verzoeker] op vrijblijvende en vrijwillige basis kennis zou komen maken met het restaurant en dat [verzoeker] voor haar inzet gecompenseerd zou worden met een maaltijd na afloop. 4.16. Voor loonbetaling van een wettelijke proefdag is geen wettelijke basis. Het komt dus aan op de vraag wat partijen daarover onderling hebben afgesproken. Ook hier ligt de bewijslast bij [verzoeker] . Gelet op de standpunten van partijen, had [verzoeker] haar standpunt nader moet onderbouwen. Wegens het ontbreken daarvan, is niet vast komen te staan dat partijen hebben afgesproken dat [bedrijf] haar loon zou betalen voor de door haar gewerkte uren op de proefdag. Deze component wordt daarom afgewezen. Fooi betalen 4.17. Loon wordt gezien als een prestatie van de werkgever aan de werknemer. Uit vaste rechtspraak volgt dat fooien die de werknemer van derden ontvangt, daarom geen loon zijn. Een fooienbeding waarbij de werkgever werknemers verplicht om fooien af te dragen en die vervolgens in de eigen zak van de werkgever laat vloeien, is nietig. 4.18. [verzoeker] vordert een bedrag van € 2.612,25 netto aan fooien. Zij stelt dat fooien contant en per pin bij [bedrijf] binnen komen. Zij heeft alleen in oktober 2025 een bedrag van € 16,- aan fooi ontvangen en in december 2025 of januari 2026 nog een bedrag van € 10,-. Deze fooi was enkel afkomstig van de contante betalingen aan fooi. De pin-fooien steekt [bedrijf] in haar eigen zak, aldus [verzoeker] . [bedrijf] voert aan dat werknemers bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst kunnen kiezen of zij de fooien willen ontvangen of onbeperkt willen eten en drinken. Daarnaast voert [bedrijf] aan dat de fooien die betaald worden erg laag zijn en dat zij de contante-fooien opspaart, totdat zij aan de werknemers ongeveer een bedrag van € 10,- kan uitbetalen, ongeacht of de werknemers een keuze hebben gemaakt voor onbeperkt eten en drinken. 4.19. De kantonrechter wijst het gevorderde bedrag aan fooi toe tot een bedrag van € 114,- netto. Het beding waarbij [bedrijf] werknemers de keuze geeft om fooien te ontvangen of onbeperkt te eten en te drinken is nietig, gelet op het weergegeven juridisch kader in r.o. 4.17. en daargelaten of [bedrijf] daar daadwerkelijk gebruik van maakt. Verder is komen vast te staan dat werknemers bij [bedrijf] fooien per pin en contant ontvangen en dat deze (nog) niet volledig aan [verzoeker] zijn uitbetaald. Dat betekent dat [bedrijf] nog een bedrag aan fooi aan [verzoeker] moet betalen. Het door [verzoeker] gevorderde bedrag is door [bedrijf] gemotiveerd betwist en door [verzoeker] niet nader onderbouwd. [bedrijf] heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken aangevoerd dat per maand ongeveer € 10,- fooi contant per werknemer binnen komt en € 10,- fooi per pin per werknemer, in totaal dus een bedrag van € 20,- per maand per werknemer aan fooi. De kantonrechter sluit aan bij dit bedrag. Dat betekent dat [verzoeker] over de periode juli 2025 tot en met januari 2026 in ieder geval aanspraak kan maken op een bedrag van € 140,- (7 maanden x € 20,-) aan fooi. [verzoeker] stelt dat zij in totaal een bedrag van € 26,- aan fooi heeft ontvangen. Dit bedrag wordt daarom in mindering gebracht, waardoor een bedrag van € 114,- netto resteert. De wettelijke verhoging en wettelijke rente 4.20. [verzoeker] vordert [bedrijf] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over het verschuldigde loon, vakantiegeld en niet-genoten vakantie-uren. De wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW is een sanctie op niet tijdige betaling van het loon en is bedoeld als prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen, zodat de werknemer tijdig over het loon kan beschikken. De rechter kan, rekening houdend met de omstandigheden van het geval, de verhoging beperken tot ieder bedrag dat billijk is en deze zelfs op nihil stellen. 4.21. Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd en van loonbetaling geen meer sprake meer zal zijn, ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. Bovendien maakt [verzoeker] ook aanspraak op betaling van de wettelijke rente (dat hierna onder r.o. 4.22. wordt toegewezen), wat al geldt als compensatie voor de vertraging in de betaling voor elke dag dat onder andere het loon te laat betaald is. Dit betekent dat de wettelijke verhoging wordt afgewezen. 4.22. Op grond van de wet moet [bedrijf] de wettelijke rente betalen over de bedragen die te laat zijn betaald (artikel 6:119 BW). Vast staat dat [bedrijf] de gevorderde bedragen grotendeels heeft betaald, maar deze (voor een deel) wel te laat heeft betaald. Dat [bedrijf] administratief onervaren is, doet aan de te late betalingen niet af. Dat komt voor haar risico en rekening. De gevorderde wettelijke rente over het nog te betalen loon inclusief vakantiegeld over de periode juli tot en met december 2025, het loon van augustus en november 2025, het vakantiegeld, de niet-genoten vakantie-uren, de feestdagentoeslagen en toegewezen fooi wordt daarom toegewezen vanaf de dag van opeisbaarheid tot de datum van volledige betaling. Proceskosten 4.23. Beide partijen krijgen gedeeltelijk ongelijk. De proceskosten worden daarom tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [bedrijf] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 8,09 bruto inclusief vakantiegeld aan loon over de periode juli tot en met december 2025, 5.2. veroordeelt [bedrijf] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 114,00 netto aan fooi, 5.3. veroordeelt [bedrijf] om aan [verzoeker] te betalen de wettelijke rente over het nog te betalen loon inclusief vakantiegeld over de periode juli tot en met december 2025, het loon van augustus en november 2025, het vakantiegeld, de niet-genoten vakantie-uren, feestdagentoeslagen en fooi, vanaf de dag van opeisbaarheid tot de datum van volledige betaling, 5.4. bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026. !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! 47414 / 53854