Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-07-22
ECLI:NL:RBGEL:2026:6005
IB/PVV RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 24/8369 en 24/8370 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 juli 2026 in de zaken tussen [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] , uit [woonplaats] , belanghebbenden, en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbenden tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 november 2024. De inspecteur heeft aan [belanghebbende 2] ( [belanghebbende 2] ) voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.550. De inspecteur heeft aan [belanghebbende 1] ( [belanghebbende 1] ) voor het jaar 2023 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.998 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 945. Gelijktijdig heeft de inspecteur een beschikking rendementsgrondslag van € 216.754 vastgesteld. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbenden niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met twee verweerschriften. De rechtbank heeft de behandeling van de beroepen van belanghebbenden gevoegd. De rechtbank heeft de beroepen op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbenden en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] . Feiten 1. Belanghebbenden zijn vanaf 3 oktober 2023 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. 2. Vanaf 4 oktober 2023 is [belanghebbende 2] ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) op [adres] in [woonplaats] . [belanghebbende 1] is op vanaf 6 november 2023 op hetzelfde adres ingeschreven in de BRP. Daarvoor stonden belanghebbenden niet op hetzelfde adres in de BRP ingeschreven. 3. Belanghebbenden hebben in maart 2024 aangiften IB/PVV voor het jaar 2023 ingediend. In de aangifte IB/PVV 2023 van [belanghebbende 2] is een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.550 vermeld. In de aangifte IB/PVV 2023 van [belanghebbende 1] is een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.998 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 945 vermeld. In beide aangiften hebben belanghebbenden ervoor gekozen het hele jaar fiscaal partner te zijn. In de aangiften IB/PVV 2023 is een rendementsgrondslag van € 216.754 vermeld, die volledig is toegerekend aan [belanghebbende 1] . 4. De inspecteur heeft met dagtekening 24 mei 2024 de aanslag IB/PVV 2023 aan [belanghebbende 2] opgelegd en met dagtekening 5 juni 2024 de aanslag IB/PVV 2023 aan [belanghebbende 1] opgelegd. De inspecteur heeft daarbij de aangiften gevolgd. 5. Op 24 juli 2024 heeft [belanghebbende 1] een definitieve beschikking Toeslagen, dagtekening 2 augustus 2024, ontvangen van Dienst Toeslagen. Met deze beschikking zijn de voorlopige toeslagen die aan [belanghebbende 1] zijn verleend op € 0 vastgesteld en is een bedrag van € 4.810 teruggevorderd. De reden voor de terugvordering is dat het vermogen van [belanghebbende 1] volgens de aanslag IB/PVV 2023 € 216.754 is en dat dit boven de vermogensgrens is. 6. [belanghebbende 1] heeft op 24 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de beschikking van Dienst Toeslagen. Belanghebbenden hebben ook bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV 2023. De inspecteur heeft de bezwaarschriften IB/PVV ontvangen op 29 juli 2024. 7. Op 2 september 2024 hebben belanghebbenden gewijzigde aangiften IB/PVV 2023 ingediend. In beide aangiften hebben belanghebbenden niet verzocht om voor het hele jaar fiscaal partner te zijn en is een rendementsgrondslag vermeld van € 183.144 ( [belanghebbende 2] ) en € 33.609 ( [belanghebbende 1] ). 8. Bij brieven van 1 oktober 2024 heeft de inspecteur zijn voorlopige beslissing op de bezwaren aan belanghebbenden medegedeeld. In de brieven is vermeld dat uiterlijk 18 oktober 2024 kan worden gereageerd op het voornemen. 9. Met dagtekening 14 november 2024 heeft de inspecteur de uitspraken op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze buiten de bezwaartermijn zijn ontvangen. De inspecteur heeft de bezwaren ook opgevat als verzoeken om ambtshalve vermindering. De Inspecteur heeft deze verzoeken in dezelfde brieven afgewezen, omdat de keuze om het gehele jaar fiscaal partner te zijn alleen kan worden gedaan of worden gewijzigd totdat de aanslagen onherroepelijk vaststaan. Beoordeling door de rechtbank 10. De rechtbank beoordeelt eerst of de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ontvankelijk zijn. Indien dat het geval is zal zij beoordelen of de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Indien de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, beoordeelt de rechtbank of de beroepen tegen de verzoeken om ambtshalve vermindering ontvankelijk zijn en zo ja, of deze terecht zijn afgewezen. Indien de bewaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard beoordeelt de rechtbank of de aanslagen IB/PVV 2023 te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbenden. 11. De rechtbank komt tot het oordeel dat de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Ontvankelijkheid van de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar 12. Belanghebbenden hebben een beroepschrift ingediend dat de rechtbank op 14 oktober 2024 heeft ontvangen. Op dat moment had de inspecteur nog geen uitspraken op bezwaar gedaan. De beroepen zijn in zoverre te vroeg (prematuur) ingediend en moeten daarom in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat is anders indien belanghebbenden redelijkerwijs mochten menen dat de uitspraken op bezwaar reeds tot stand waren gekomen. Daar is in het onderhavige geval geen sprake van. De inspecteur heeft bij brieven van 1 oktober 2024 zijn voorlopige beslissingen op bezwaar kenbaar gemaakt en belanghebbenden de gelegenheid gegeven uiterlijk 18 oktober 2024 te reageren. 13. De beroepen zijn echter om een andere reden toch ontvankelijk. De rechtbank heeft op 16 december 2024 namelijk aanvullende stukken van belanghebbenden ontvangen. De uitspraken op bezwaar zijn van 14 november 2024 en de aanvullende stukken zijn binnen de beroepstermijn ingediend. De rechtbank merkt de aanvullende stukken daarom aan als het tijdig ingediende beroepschriften. Omdat ook aan de overige vereisten is voldaan, zijn de beroepen ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2023 14. De aanslagen IB/PVV 2023 hebben een dagtekening 24 mei 2024 en 5 juni 2024. De bezwaartermijnen eindigden op 5 juli 2024 en 17 juli 2024. De inspecteur heeft de bezwaarschriften op 29 juli 2024, dus buiten de bezwaartermijn, ontvangen. Niet-ontvankelijkheid van de bezwaren blijft echter achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbenden in verzuim is geweest, of met andere woorden als de te late indiening verschoonbaar is. 15. Van verschoonbaarheid is sprake in het geval belanghebbenden redelijkerwijs niet in staat waren tijdig bezwaar te maken. In de afgelopen jaren hebben de hoogte bestuursrechters zich soepeler opgesteld bij de beoordeling of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Zo heeft Hoge Raad in een arrest van 19 april 2024 geoordeeld dat de term ‘redelijkerwijs’ ruimte biedt om in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening gering is, die termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. Het is echter vaste rechtspraak dat een na het verstrijken van de bezwaartermijn opgekomen reden om alsnog bezwaar te maken, niet ertoe leidt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar wordt. In haar recente arrest van 25 juni 2026 heeft de Hoge Raad die rechtspraak nog eens bevestigd. 16. Belanghebbenden hebben pas bezwaar gemaakt toen zij, als gevolg van de terugvordering door Dienst Toeslagen, beseften dat de in aangiften IB/PVV 2023 gemaakte keuzes financieel zeer ongunstig uitpakten. De reden om bezwaar te maken is dus na het verstrijken van de bezwaartermijn opgekomen en leidt derhalve niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Dat belanghebbenden niet deskundig zijn op het gebied van het belastingrecht, dat slechts sprake zou zijn van een geringe termijnoverschrijding en dat zij alsnog voortvarend bezwaar hebben ingesteld, doet daaraan niet af. De inspecteur heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn in zoverre dus ongegrond. Ontvankelijkheid beroepen beslissingen ambtshalve vermindering IB/PVV 2023 17. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbenden niet-ontvankelijk verklaard, maar wel als verzoeken om ambtshalve vermindering in behandeling genomen. De inspecteur heeft bij beslissingen van 14 november 2024 de verzoeken afgewezen. 18. Belanghebbenden hadden eerst bezwaar moeten maken tegen deze beslissingen, voordat hiertegen beroep kon worden ingesteld. De beroepschriften hadden in zoverre als bezwaarschriften naar de inspecteur moeten worden doorgestuurd. De rechtbank zal echter, om proceseconomische reden en met instemming van partijen, de beroepschriften behandelen als rechtstreekse beroep tegen de afwijzingen van de verzoeken om ambtshalve vermindering. De beroepen tegen de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering zijn daarom ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt daarom of de inspecteur de verzoeken terecht heeft afgewezen. Inhoudelijke beoordeling van de beslissingen ambtshalve vermindering IB/PVV 2023 19. Belanghebbenden zijn op grond van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 1.2 van de Wet IB 2001 in 2023 niet het gehele jaar fiscaal partner. 20. Op grond van artikel 2.17, zevende lid, van de Wet IB 2001, kunnen belanghebbenden ervoor kiezen om het gehele jaar fiscaal partner te zijn. Deze keuze moet worden gemaakt bij verzoeken in verband met voorlopige teruggaaf of bij aangifte, maar uiterlijk voordat één van de aanslagen onherroepelijk vaststaat. 21. Indien belanghebbenden hebben gekozen om het hele jaar fiscaal partner te zijn, dan kunnen zij op grond van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 de onderlinge verhouding voor gemeenschappelijke inkomensbestanddelen nog wijzigen, totdat de aanslag of navorderingsaanslag van belanghebbenden onherroepelijk vaststaan. 22. Op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 vermindert de inspecteur op verzoek een belastingaanslag IB/PVV die op een te hoog bedrag is vastgesteld. In artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (de uitvoeringsregeling) zijn gevallen vermeld waarin een vermindering niet wordt verleend (uitsluitingsgronden). In artikel 45aa, letter d, van de uitvoeringsregeling is vastgelegd dat een vermindering is uitgesloten als “de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit de omstandigheid dat, eerst nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, een beroep wordt gedaan op een fiscale faciliteit, waarop een beroep moet worden gedaan bij de aangifte”. Het verdelen van de onderlinge verhouding van de rendementsgrondslag valt onder deze uitsluitingsgrond. 23. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Dit betekent dat de aanslagen IB/PVV 2023 onherroepelijk zijn komen vast te staan. De keuze om het gehele jaar fiscaal partner te zijn en de verdeling van de gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen kunnen dan niet meer worden gewijzigd. Op grond van artikel 45aa, letter d, van de uitvoeringsregeling wordt dan geen ambtshalve vermindering verleend. De inspecteur heeft de verzoeken daarom terecht afgewezen. Ook in zoverre zijn de beroepen ongegrond. Conclusie en gevolgen 24. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV 2023 en de beschikking rendementsgrondslag IB/PVV 2023 niet worden gewijzigd. Belanghebbenden krijgen het griffierecht niet terug en krijgen ook vergoeding van de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier. Uitgesproken op 22 juli 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. griffier rechter Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ECLI:NL:HR:2024:625. Hoge Raad 19 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368. Hoge Raad 25 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:907. ECLI:NL:RBZWB:2025:3324; Vgl. artikel 45aa, letter d, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (de uitvoeringsregeling) en stcrt. 2010, 4802, par. 2.8 en 2.9. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2990.