Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-06-12
ECLI:NL:RBGEL:2026:5967
RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer / rekestnummer: C/05/453961 / HA RK 25-86 Beschikking van 12 juni 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna: [verzoeker] , advocaten: mrs. L.A.P. Arends en M. Swelsen, tegen de stichting STICHTING CALEIDOZ , statutair gevestigd en kantoorhoudende te Zevenaar, verwerende partij, hierna: Caleidoz, advocaat: mr. D.J.P. van Barneveld. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 25 juni 2025 met 13 producties, - het verweerschrift, ingekomen op 14 januari 2026, met 4 producties, - de mondelinge behandeling van 27 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door mrs. Arends en Swelsen namens [verzoeker] pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [verzoeker] is de vader van de in 2005 geboren [dochter] (hierna: [dochter] ). [dochter] kampte in haar jonge tienerjaren met faalangst, terugkerende depressieve klachten, gedachten aan zelfbeschadiging en gedachten aan zelfdoding. In 2014 zijn haar ouders uit elkaar gegaan. [dochter] had veel moeite met de scheiding. De huisartsenpraktijk heeft [dochter] in verband met haar klachten doorverwezen voor ondersteuning. 2.2. In 2018 maakte [dochter] kennis met de jongerenwerkers van Caleidoz, die werkten op de school van [dochter] . Caleidoz is een welzijnsorganisatie in de gemeenten Zevenaar en Doesburg, die een laagdrempelige vorm van contact biedt aan jongeren. [dochter] kwam vanaf dat moment regelmatig langs bij de twee jongerenwerkers met wie ze een klik had (hierna: de jongerenwerkers), en er ontstond een hechte band. [dochter] heeft in die periode aan de twee jongerenwerkers van Caleidoz kenbaar gemaakt dat zij het leven zwaar vond. Vanaf 2019 tot haar overlijden in [maand] 2022 had [dochter] naast telefonische contacten en contacten in persoon, ook veelvuldig WhatsApp-contact met de jongerenwerkers. 2.3. In maart 2019 heeft [dochter] de huisarts bezocht, samen met haar moeder, in verband met verergerde psychische klachten. Samen is besloten dat [dochter] zou doorgaan met het lopende ondersteuningstraject. Er heeft beperkt diagnostiek plaatsgevonden. 2.4. Begin 2020 heeft [dochter] samen met haar moeder opnieuw de huisartsenpraktijk bezocht. Haar psychische klachten waren verergerd en haar middelengebruik was toegenomen. De huisarts heeft [dochter] toen op haar verzoek verwezen naar Yes We Can Clinics (hierna: YWCC). YWCC behandelt jongeren van 13 tot en met 17 jaar met psychische problemen, verslavingen en gedragsproblemen. 2.5. Vanaf de zomer van 2020 heeft [dochter] een intensieve behandeling gevolgd in een kliniek van YWCC. Daarna, begin 2021, is [dochter] door de huisarts, op advies van YWCC, doorverwezen naar een praktijk voor orthopedagogiek, namelijk Prakijk Denktank B.V. (hierna: Praktijk Denktank) voor een EMDR-behandeling. Na afronding van de EMDR-behandeling, heeft Praktijk Denktank [dochter] geadviseerd om Acceptance and Commitment Therapy te volgen, maar deze behandeling is niet van de grond gekomen. 2.6. In het najaar van 2021 zijn de omvang van het middelengebruik van [dochter] en de ernst van haar psychische (somberheids)klachten toegenomen. In november 2021 heeft [dochter] de huisarts bezocht, samen met een jongerenwerker van Caleidoz. De huisarts heeft [dochter] verwezen naar de praktijkondersteuner jeugd, voor een verdere oriëntatie op de klachten. De verwijzing van de huisarts was beknopt en vermeldde niet welke verwachting de huisarts had van de praktijkondersteuner. [dochter] zou binnen twee weken worden benaderd door de praktijkondersteuner jeugd. De praktijkondersteuner jeugd is in dienst van de gemeente ( [gemeentenaam] ) en wordt gedetacheerd bij huisartsenprakijken. 2.7. In deze periode hebben de jongerenwerkers van Caleidoz contact gezocht met de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar. Die ondersteunde de gekozen route Deze kennis wordt onvoldoende betrokken bij het bepalen van het vervolg. (…) De jongerenwerkers hebben de alertheid en het vermogen om advies te vragen bij externen, terwijl ze ook contact houden met de jongere. Ook proberen de jongerenwerkers regelmatig om de jongere te bewegen om open te zijn naar ouders en anderen. Toch zijn de jongerenwerkers vóór alles gericht op het behouden van het vertrouwen van de jongere. De aard en frequentie van het contact met de jongere is zodanig, dat de inspectie van mening is dat de grens tussen afstand en nabijheid bij de jongerenwerkers geleidelijk verstoord raakt. Zo ervaren de jongerenwerkers dat de jongere herhaaldelijk niet open en eerlijk is over haar problemen. De jongere houdt bijvoorbeeld informatie achter tegenover de jongerenwerkers, tegenover de huisarts en tegenover de praktijkondersteuner jeugd. De jongerenwerkers zijn hier soms getuige van, maar zijn onvoldoende in staat om dit patroon te doorbreken. Ook verbinden ze onvoldoende consequenties aan het risicovolle gedrag van de jongere. 3.2. Welke factoren waren belemmerend voor het bieden van passende hulp aan de jongere? Conclusie Meerdere factoren hebben het bieden van passende hulp aan de jongere belemmerd. Dit betreft zowel factoren binnen organisaties, als factoren in de samenwerking tussen organisaties. Onderbouwing Uit het onderzoek komen diverse factoren naar voren die belemmerend hebben gewerkt. Deze factoren hebben elkaar beïnvloed en versterkt. Hieronder zetten we ze op een rij: Samenwerking en regie in het netwerk 1. Niet alle organisaties hebben een goed beeld van de voorgeschiedenis van de jongere. Dat maakt het moeilijk om een juiste inschatting te maken van de ernst van de problematiek. 2. Er zijn verschillende beelden en verwachtingen over samenwerking en regievoering, terwijl in de praktijk regie, monitoring en evaluatie van de effectiviteit van de hulp voor de jongere grotendeels ontbreekt. (…) Interne organisatie (…) 4. Vanuit Caleidoz is sprake van weinig sturing en ondersteuning voor de jongerenwerkers. Het initiatief voor overleg met leidinggevenden ligt volkomen bij de jongerenwerkers. De beslissing om geen enkele informatie met ouders te delen hebben de jongerenwerkers niet getoetst binnen hun organisatie. (…) 4Conclusie en vervolg (…) Uit het onderzoek blijkt onder meer, dat de zorg en ondersteuning voor de jongere deels passend was. Meerdere factoren op het gebied van interne organisatie, samenwerking en regievoering waren belemmerend voor het bieden van passende hulp. Deze factoren hebben elkaar beïnvloed en versterkt. De inspectie concludeert op basis van het onderzoek, dat de geconstateerde tekortkomingen deels structureel van aard zijn. Daarnaast ziet de inspectie, dat de betrokken organisaties al tijdens het onderzoek zijn gestart met initiatieven om de hulp te verbeteren. (…) 2.17. De advocaat van [verzoeker] heeft Caleidoz bij brief van 9 augustus 2024 verzocht om inzage in en kopie van alle stukken die betrekking hebben op de ondersteuning die Caleidoz en haar jongerenwerkers hebben geboden aan [dochter] . 2.18. De advocaat van Caleidoz heeft bij e-mail van 25 oktober 2024 aan de advocaat van [verzoeker] bericht dat dit verzoek niet wordt ingewilligd. Aan die weigering legt Caleidoz ten grondslag dat de jongerenwerkers van Caleidoz een geheimhoudingsplicht hebben en dat niet is gebleken van een zwaarwegend belang van [verzoeker] dat tot doorbreking van die geheimhoudingsplicht kan leiden. 2.19. Het document “Visie Jongerenwerk Caleidoz Welzijn Januari 2022” houdt onder meer het volgende in: Het jongerenwerk (…) Het jongerenwerk is een voorliggende voorziening, waarbij de focus ligt op preventie. De zogenaamde 0e lijns, in tegenstelling tot jeugdhulpverleners die 1e of 2e lijns zijn. (…) Netwerk Het jongerenwerk is een verbinder tussen de leefwereld en de systeemwereld van jongeren. De jongerenwerker schakelt tussen ouders, gebiedsteam, politie, school, sportverenigingen enz. Als jongerenwerker Caleidoz heeft evenmin een afgeleid verschoningsrecht omdat de jongerenwerkers niet zijn ingeschakeld door de huisartsenpraktijk (“verlengde arm”). Ook als de jongerenwerkers wel een verschoningsrecht toekomt, is dit niet absoluut omdat het verzoek gericht is op opheldering van het handelen van de jongerenwerkers. Het belang van de waarheidsvinding, bij het vermoeden van een fout, weegt in elk geval zwaarder dan geheimhouding. Zelfs in het geval dat het in zorgwetgeving vastgelegde beroepsgeheim wel van toepassing zou zijn, zou Caleidoz de verzochte informatie moeten verstrekken gelet op de doorbreking van dat geheim op grond van artikel 7:458a BW (en vergelijkbaar: artikel 7.3.12a Jeugdwet). 3.4. Caleidoz verzet zich tegen toewijzing van het inzageverzoek. Volgens Caleidoz heeft [verzoeker] geen (voldoende) rechtens te respecteren belang bij zijn verzoek (artikel 3:303 BW) omdat de jongerenwerkers niets te verwijten valt en alle relevante feiten en omstandigheden al bij [verzoeker] bekend zijn gelet op de bij het verzoekschrift overgelegde producties. Als dit belang wel wordt aangenomen, dan geldt dat de jongerenwerkers van Caleidoz een zelfstandig verschoningsrecht hebben in de zin van artikel 165 Rv. Voor sociaal werkers, waartoe de jongerenwerkers van Caleidoz gerekend moeten worden, geldt namelijk een geheimhoudingsplicht die is vastgelegd in de door Caleidoz overgelegde beroepscode (artikelen 10 en 14). Die code stoelt volgens Caleidoz op wettelijke regelingen zoals de AVG (Algemene verordening gegevensbescherming), artikel 8 EVRM, artikel 10 Grondwet en artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. De jongerenwerkers hebben verder een afgeleid verschoningsrecht ten aanzien van de informatie die betrekking heeft op zorg door de huisarts en diens praktijkondersteuners. Ook als de rechtbank zou aannemen dat de jongerenwerkers geen (afgeleid) verschoningsrecht hebben, vormt de geheimhoudingsplicht volgens Caleidoz een gewichtige reden die zich verzet tegen het verstrekken van inzage of afschrift. Caleidoz voert aan dat het tot de taak van de jongerenwerker behoort om hulp te verlenen en dat het opbouwen van een vertrouwensrelatie de basis is van het werk van een ambulant jongerenwerker. Door de vrije dialoog die dan kan ontstaan, kan de jongerenwerker begrijpen wat de hoop, apsiraties, verlangens en behoeften van de groep en de individuele jongeren zijn, zodat de jongerenwerker het gesprek met de jongere kan aangaan over hoe diens leven is ingericht en over hoe op zoek te gaan naar verandering en verbetering. Daarom is het van belang dat jongeren die zijn aangewezen op ondersteuning door jongerenwerkers er op moeten kunnen vertrouwen dat hetgeen zij delen met een jongerenwerker, niet wordt gedeeld met derden. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van [verzoeker] , aldus Caleidoz. Volgens Caleidoz is de taak en functie van een jongerenwerker te vergelijken met beroepen waaraan volgens de Hoge Raad een functioneel verschoningsrecht toekomt. Tot slot voert Caleidoz redenen aan waarom zij de verzochte gegevens niet kan of wil verstrekken, die hierna verder worden besproken. Het voorlopig getuigenverhoor 3.5. [verzoeker] baseert zijn verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor op artikel 196 lid 1 Rv. Caleidoz voert ook ten aanzien van dit verzoek verweer, dat hierna zal worden besproken. 4 De beoordeling van het inzageverzoek 4.1. De rechtbank zal eerst beoordelen of Caleidoz aan [verzoeker] een afschrift moet verstrekken van - samengevat - het dossier van [dochter] , met daarin de stukken en gegevens zoals hierna in r.o. 4.9. omschreven. 4.2. De rechtbank stelt voorop dat het overlijden van [dochter] een uiterst verdrietige gebeurtenis is, die vanzelfsprekend een grote weerslag heeft op [verzoeker] en de andere nabestaanden. Vanuit menselijk oogpunt valt alleszins te begrijpen dat de nabestaanden van [dochter] op zoek zijn naar antwoorden. Ook anderen die bij [dochter] betrokken waren, zijn door haar zelfdoding Het betreft de volgende gegevens: 1) het logboek van Caleidoz voor zover dit (in)direct betrekking heeft op de suïcide en/of geestelijke gesteldheid van [dochter] ; 2) alle correspondentie tussen de jongerenwerkers van Caleidoz en zorgverlenende organisaties, waaronder in ieder geval de huisartsenpraktijk, de praktijkondersteuner jeugd, de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] (en daarbij het verzoek om de namen van de laatste twee personen kenbaar te maken); 3) alle overige correspondentie en WhatsAppgesprekken (van de jongerenwerkers onderling) en documenten die betrekking hebben op de suïcide en/of geestelijke gesteldheid van [dochter] ; 4) eventueel beeldmateriaal, video’s en/of foto’s die betrekking hebben op de contacten met [dochter] en informatie kunnen prijsgeven over contacten die met [dochter] hebben plaatsgevonden en/of iets zeggen over haar geestelijke gesteldheid van dat moment; en 5) alle relevante interne protocollen van Caleidoz (meer specifiek protocollen die de jongerenwerkers handvatten bieden respectievelijk protocollen aan de hand waarvan hun handelswijze kan worden getoetst). 4.10. Naar het oordeel van de rechtbank is de door [verzoeker] verlangde informatie daarmee voldoende bepaald, zoals artikel 194 Rv eist. Protocollen en richtlijnen al verstrekt 4.11. De rechtbank stelt vast dat een deel van de door [verzoeker] verzochte gegevens al aan hem is verstrekt als producties 1 tot en met 4 bij het verweerschrift van Caleidoz. Het gaat om de Gedragscode voor medewerkers & vrijwilligers van Caleidoz Welzijn, het document Werken met de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling, het document Visie Jongerenwerk Caleidoz Welzijn Januari 2022 en de beroepscode. Namens [verzoeker] is ter zitting desgevraagd verklaard dat [verzoeker] hiermee inmiddels beschikt over alle door hem onder 5) verzochte bescheiden. Dit deel van het inzageverzoek zal daarom worden afgewezen wegens gebrek aan belang (artikel 3:303 BW). Verdere gegevens ter beschikking 4.12. Caleidoz verzet zich tegen afgifte van de gevraagde gegevens en stelt allereerst dat zij niet (meer) over de gegevens onder 2) en 3) beschikt. 4.13. De rechtbank verwerpt dit verweer. Ten aanzien van de gegevens onder 2) is van belang dat Caleidoz in algemene zin niet heeft betwist dat er correspondentie heeft plaatsgevonden tussen de jongerenwerkers enerzijds en zorg verlenende organisaties (waaronder de huisarts, de praktijkondersteuner jeugd, de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en een medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] ) anderzijds en dat Caleidoz beschikt over een digitaal systeem waarin – zij het beperkt – informatie werd geregistreerd, zodat ervan moet worden uitgegaan dat Caleidoz deze gegevens onder zich heeft. In ieder geval kan Caleidoz als werkgever de gevraagde correspondentie opvragen bij de betreffende twee jeugdwerkers. Dat geldt ook voor de namen van de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] . Ten aanzien van de gevraagde gegevens onder 3) heeft de advocaat van [verzoeker] ter zitting toegelicht dat dit deel van het inzageverzoek ziet op (WhatsApp-)correspondentie tussen de jongerenwerkers onderling over [dochter] . Daarmee is duidelijk dat afgifte van deze gegevens wordt gevraagd en dat dit andere correspondentie betreft dan de reeds overgelegde correspondentie tussen de jongerenwerkers met [dochter] . Caleidoz heeft niet betwist dat de jongerenwerkers onderling contact hadden over [dochter] en de rechtbank acht dit, mede gelet op de inhoud van de wél reeds overlegde correspondentie (zoals bijvoorbeeld geciteerd op p. 7-8 van het verzoekschrift) ook aannemelijk, zodat er vanuit moet worden gegaan dat de jongerenwerkers over deze correspondentie beschikken. Caleidoz kan als werkgever de gevraagde correspondentie opvragen bij de betreffende twee jongerenwerkers. 4.14. Caleidoz stelt Vervolgens moet beoordeeld worden of er gronden zijn die Caleidoz ontheffen van de verplichting tot het verstrekken van informatie, namelijk het bestaan van een (functioneel) verschoningsrecht of het bestaan van zwaarwegende belangen die zich tegen het verstrekken van informatie verzetten (artikel 194 lid 2 Rv). Tussen partijen is met name in geschil of de jongerenwerkers van Caleidoz aan hun geheimhoudingsverplichting een verschoningsrecht kunnen ontlenen dat grond oplevert voor ontheffing van voormelde informatieverplichting, zoals Caleidoz heeft betoogd en [verzoeker] heeft weersproken. 4.23. Het juridisch kader is als volgt. Het verschoningsrecht heeft een uitzonderingskarakter wegens het grote belang van de waarheidsvinding, dat meebrengt dat slechts in bijzondere gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op de getuigplicht van artikel 165 lid 1 Rv. Degene die een beroep op een verschoningsrecht wil doen, moet volgens artikel 165 lid 2, aanhef en onder b, Rv tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van zijn of haar ambt, beroep of betrekking (functioneel verschoningsrecht). De omstandigheid dat op iemand een geheimhoudingsplicht rust, betekent nog niet dat aan diegene een functioneel verschoningsrecht toekomt. Daarvoor is een afweging nodig tussen het belang van de waarheidsvinding en het maatschappelijk belang bij geheimhouding. De grondslag van dit verschoningsrecht is gelegen in het algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen is besproken om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden. Als die afweging blijkens bewoordingen, strekking of wetsgeschiedenis niet onmiskenbaar door de wetgever is gemaakt, maakt de rechter die afweging. Daarbij moet de rechter de belangen waarop de verplichting tot geheimhouding is gericht, afwegen tegen de zwaarwegende belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in een procedure bij de burgerlijke rechter. Tot slot: het functioneel verschoningsrecht heeft geen absoluut karakter. Er kunnen zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarin het belang van de waarheidsvinding prevaleert. 4.24. Gesteld noch gebleken is dat op jongerenwerkers een wettelijke geheimhoudingsplicht rust. Op jongerenwerkers rust niet de in artikel 88 Wet BIG (Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg) vastgelegde geheimhoudingsverplichting. De begeleiding van [dochter] door jongerenwerkers van Caleidoz is niet aan te merken als een geneeskundige behandeling in de zin van de Wgbo (Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst) en vormt ook geen jeugdhulp in de zin van de Jeugdwet. De wet zwijgt dus als het gaat om de geheimhoudingsplicht en het daarop dan te baseren verschoningsrecht van jongerenwerkers. De in de beroepscode opgenomen geheimhoudingsverplichting is geschreven door beroepsverenigingen en daarom naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk te stellen met een in de wet vastgelegde geheimhoudingsplicht voor jongerenwerkers. Dit betekent dat de jongerenwerkers evenmin een wettelijk verschoningsrecht toekomt. 4.25. Ervanuitgaande dat op de jongerenwerkers van Caleidoz wel een geheimhoudingsplicht rust, die is gebaseerd op de beroepscode, dient de rechtbank op grond van wat Caleidoz heeft gesteld te beoordelen of de jongerenwerkers een daarop te baseren verschoningsrecht toekomt waarbij zij de hiervoor bedoelde afweging moet maken. Daarbij ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, zoals geopperd door Caleidoz. 4.26. De rechtbank kent bij deze beoordeling betekenis toe aan de omstandigheid dat volgens Caleidoz zèlf, de werkzaamheden van de jongerenwerkers niet zijn aan te merken als hulpverlening (document “Visie Jongerenwerk Caleidoz Welzijn Januari 2022”, zie r.o. 2.19). Uit de door Caleidoz verstrekte informat Volgens [verzoeker] heeft hij een concreet belang bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor, omdat het vermoeden bestaat dat Caleidoz is tekortgeschoten in de begeleiding van [dochter] , enerzijds doordat de jongerenwerkers die met [dochter] contact hadden onvoldoende hebben gedaan met signalen en anderzijds omdat Caleidoz de jongerenwerkers onvoldoende heeft geïnstrueerd en gecoacht (sub 4.11-4.13 verzoekschrift). [verzoeker] stelt dat Caleidoz op de hoogte was, althans had moeten zijn, van het voornemen van [dochter] om zich te suïcideren en dat Caleidoz haar zorgplicht heeft geschonden door de ernst van de situatie niet te onderkennen en niet zelf aan de bel te trekken bij betrokken hulpverlenings- en/of zorginstanties, dan wel [dochter] ’s ouders in te lichten. [verzoeker] heeft aanvullende informatie nodig om zijn rechtspositie in te schatten en zijn standpunt te onderbouwen in een eventuele procedure. [verzoeker] wenst (onder meer) duidelijkheid te krijgen over 1) de bezoeken van de jongerenwerkers en [dochter] aan de huisartsenpraktijk, 2) het overleg tussen de jongerenwerkers en de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar, 3) het overleg tussen de jongerenwerkers en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] , 4) het bezoek van de jongerenwerkers en [dochter] aan de praktijkondersteuner jeugd en 5) de aard van de ondersteuning aan [dochter] in de periode voorafgaand aan haar overlijden. [verzoeker] wenst daartoe de twee jongerenwerkers van Caleidoz te horen waarmee [dochter] voorafgaand aan haar overlijden veel contact had. Ook wenst [verzoeker] de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] te horen. Met hen is voorafgaand aan de zelfdoding van [dochter] overleg gevoerd over het in te zetten beleid. [verzoeker] heeft de namen van de gedragswetenschapper en de medewerker van het Sociaal Team opgevraagd bij Caleidoz, maar deze heeft geweigerd deze gegevens te verstrekken. 5.2. Caleidoz verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Caleidoz voert aan dat [verzoeker] geen of onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoek. Volgens Caleidoz blijken alle relevante feiten en omstandigheden al uit de door [verzoeker] bij het verzoekschrift overgelegde producties, met name het inspectierapport en de WhatsApp-correspondentie en voegt het horen van getuigen niets toe. Ook doet Caleidoz een beroep op de geheimhoudingsplicht van de jongerenwerkers en stelt zij dat de jongerenwerkers een (afgeleid) verschoningsrecht toekomt. Toetsingskader 5.3. Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel om de verzoeker ervan in staat te stellen opheldering te verkrijgen over de – wellicht nog niet precies bekende – feiten en omstandigheden waarvan hij in een eventuele procedure de bewijslast zal hebben om zo zijn positie beter te kunnen beoordelen. Niet vereist is dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor. 5.4. In het verzoekschrift moet de verzoeker duidelijk vermelden waar de zaak globaal om gaat, wat hij vordert of wil vorderen, welke feiten hij wil bewijzen en wie de getuigen zijn. Vooral wat hij wil bewijzen, moet voldoende duidelijk zijn voor de betrokken rechter en de wederpartij. Ook moet duidelijk genoeg zijn wat de getuigen daarover kunnen verklaren. Heel gedetailleerd hoeft de verzoeker niet te zijn, omdat een voorlopig getuigenverhoor nu juist dient om onduidelijkheden op te helderen en om degene die om zo’n verhoor verzoekt in staat te stellen te beoordelen of het Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen moeten ten minste tien dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven. Omdat de daarvoor benodigde gegevens niet bij [verzoeker] bekend zijn, zal de rechtbank Caleidoz bevelen deze gegevens aan [verzoeker] ter beschikking te stellen. 5.12. Omdat de wederpartij bekend is, zal de rechtbank onder de beslissing de dag bepalen waarop [verzoeker] uiterlijk een afschrift van deze beschikking per aangetekende brief of exploot aan Caleidoz moeten laten toekomen. 5.13. Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank na afloop van een of meer voorlopige bewijsverrichtingen op verzoek van partijen of een van hen of ambtshalve een (nieuwe) mondelinge behandeling kan bevelen om een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechtbank. Tijdens deze mondelinge behandeling kan de rechtbank ook de verdere behandeling van geschillen over de vordering met partijen bespreken. 5.14. De rechtbank wijst [verzoeker] erop dat de kosten die voor de verstrekking van afschrift van de gegevens moeten worden gemaakt, door [verzoeker] moeten worden gedragen. 5.15. Tegen de beslissing op het verzoek tot inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens kan hoger beroep worden ingesteld. Proceskosten 5.16. Caleidoz is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op: - griffierecht € 331,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.826,00 6 De beslissing De rechtbank 6.1. beveelt een voorlopig getuigenverhoor, 6.2. benoemt mr. S.J. Peerdeman tot rechter-commissaris, 6.3. bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het paleis van justitie te Arnhem, aan de Walburgstraat 2-4, 6.4. bepaalt dat [verzoeker] binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de rekestenadministratie van de sector civiel - de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met december 2026 moet opgeven waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, 6.5. bepaalt dat [verzoeker] uiterlijk op 29 juni 2026 een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of exploot moet laten toekomen aan Caleidoz, 6.6. beveelt Caleidoz om binnen vier weken na betekening van deze beschikking de namen en woonplaatsen van de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team [gemeentenaam] te verstrekken aan [verzoeker] , 6.7. beveelt Caleidoz om binnen vier weken na betekening van deze beschikking afschrift te verstrekken aan [verzoeker] van de volgende gegevens, voor zover die in verband staan met haar psychische gesteldheid en/of zelfdoding: 1) het logboek van Caleidoz voor zover dit (in)direct betrekking heeft op de suïcide en/of geestelijke gesteldheid van [dochter] ; 2) alle correspondentie tussen de jongerenwerkers van Caleidoz en zorgverlenende organisaties, waaronder in ieder geval de huisartsenpraktijk, de praktijkondersteuner jeugd, de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] (en daarbij de namen van de laatste twee personen kenbaar te maken); 3) alle overige correspondentie en WhatsAppgesprekken (van de jongerenwerkers onderling) en documenten die betrekking hebben op de suïcide en/of geestelijke gesteldheid van [dochter] ; 4) eventueel beeldmateriaal, video’s en/of foto’s die betrekking hebben op de contacten met [dochter] en informatie kunnen prijsgeven over contacten die met [dochter] hebben plaatsgevonden en/of iets zeggen over haar geestelijke gesteldheid van dat moment, 6.8. veroorde