Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-07-15
ECLI:NL:RBGEL:2026:5898
Pauliana 3:45 BW en verjaring 3:52 lid 1 aanhef en onder C BW. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/453971 / HZ ZA 25-183 Vonnis van 15 juli 2026 in de zaak van 1 [naam eiser 1] , te [woonplaats] , 2. [naam eiser 2] , te [woonplaats] , 3. [naam eiser 3] , te [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [de eiser] , advocaat: mr. M.J.G.A. Filemon, tegen 1 [naam gedaagde 1] , te [woonplaats] , nader te noemen [de gedaagde sub. 1] , 2. [naam gedaagde 2] , te [woonplaats] , nader te noemen [de gedaagde sub. 2] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [de gedaagde] , advocaat: mr. S.H.J. Buitenkamp. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 22 oktober 2025 - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 januari 2026 - de conclusies van antwoord na mondelinge behandeling. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten Vorderingen van [de eiser] op [de gedaagde sub. 2] 2.1. Partijen en twee broers van [de gedaagde sub. 2] zijn de erfgenamen van [de erflater] (hierna: [de erflater] ), overleden op [overlijdensdatum] . 2.2. [de erflater] had een lichamelijke en verstandelijke beperking. [de gedaagde sub. 2] was haar bewindvoerder. 2.3. Over de nalatenschap van [de erflater] is bij deze rechtbank en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een procedure gevoerd. Partijen bij deze procedure waren [de eiser] , [de gedaagde sub. 2] en de broers van [de gedaagde sub. 2] die ook erfgenaam van [de erflater] zijn. 2.4. In de hiervoor bedoelde procedure heeft de rechtbank vonnis gewezen op 15 december 2021. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [de gedaagde sub. 2] diverse bedragen aan de nalatenschap schuldig is en heeft de nalatenschap verdeeld. De vorderingen van de nalatenschap op [de eiser] - [de gedaagde] zijn daarbij aan haar toebedeeld. [de eiser] en de broers van [de gedaagde sub. 2] hebben vanwege de overbedeling van [de gedaagde sub. 2] een vordering op haar verkregen. De rechtbank heeft ook voor recht verklaard dat [de gedaagde sub. 2] toerekenbaar tekort geschoten is in de zorg van een goed bewindvoerder. 2.5. Bij arrest van 27 augustus 2024 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en [de gedaagde sub. 2] veroordeeld om de bedragen die zijn aan de nalatenschap verschuldigd is te betalen. 2.6. [de eiser] heeft de vordering op [de gedaagde sub. 2] geprobeerd te incasseren, maar dit is niet gelukt. Overdracht van het campingbedrijf aan [de gedaagde] 2.7. [de gedaagde sub. 2] en [de gedaagde sub. 1] hebben vanaf 1 februari 2006 een campingbedrijf geëxploiteerd in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: vof). 2.8. Bij akte van 27 februari 2013 (productie 4 bij dagvaarding) hebben [de gedaagde sub. 2] en [de gedaagde sub. 1] de vof ontbonden en alle vermogensbestanddelen van de vof aan [de gedaagde sub. 1] toebedeeld. [de gedaagde sub. 1] exploiteert sindsdien de camping. 2.9. Bij notariële akte van 27 februari 2013 zijn onder andere aan [de gedaagde sub. 1] overgedragen het registergoed [het campinggebouw] hierna te noemen: het campinggebouw en [de woning] hierna te noemen: de woning. Het campinggebouw en de woning waren ten tijde van de overdracht één ondeelbare juridische zaak. In de akte is slechts de koopprijs van de woning benoemd, te weten € 205.782,00 gelijk aan de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2012. De verplichting tot betaling van de koopprijs is omgezet in een geldlening van [de gedaagde sub. 2] en haar echtgenoot aan [de gedaagde] . 2.10. Uit de akte van 27 februari 2013 volgt verder dat ook de (overige) registergoederen voor de ontbinding van de vof zijn gewaardeerd tegen de WOZ-waarde per 1 januari 2012. Daarnaast had [de gedaagde sub. 2] op de peildatum nog kapitaal in de vof. Dit heeft geleid tot een betalingsverplichting van [de gedaagde sub. 1] aan [de gedaagde sub. 2] wegens overbedeling van € 390.335,00. Hiervan heeft [de gedaagde sub. 1] € 38.245,00 voldaan. Het restant van € 352.090,00 is omgezet in een geldlening, welke lening door [de gedaagde sub. 2] is kwijtgescholden. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad vonnis: Primair: I. voor recht zal verklaren dat [de eiser] rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd, althans door middel van de dagvaarding heeft vernietigd, althans dat de rechtbank nietig verklaart, althans vernietigt, al dan niet partieel, de kwijtschelding dan wel schenking, dan wel gift door [de gedaagde sub. 2] aan [de gedaagde sub. 1] van in de akte van 27 februari 2013 in een geldlening omgezette vordering wegens overbedeling op [de gedaagde] ad € 352.090,00 uit hoofde van levering van de in deze akte genoemde registergoederen van de vof en het kapitaal in de vof aan [de gedaagde sub. 1] ; II. [de gedaagde sub. 1] zal veroordelen tot betaling in gelijke delen aan [de eiser] , dan wel tot betaling van het geheel aan [de gedaagde sub. 2] , dan wel tot betaling van het geheel aan de nalatenschap, het bedrag ad € 352.090,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van levering d.d. 27 februari 2013, dan wel de dagvaarding, althans een door de rechtbank te bepalen datum; III. voor recht zal verklaren dat [de eiser] rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd, althans door middel van de dagvaarding heeft vernietigd, althans dat de rechtbank nietig verklaart, althans vernietigt, al dan niet partieel, de kwijtschelding dan wel schenking, dan wel gift door [de gedaagde sub. 2] aan [de gedaagde sub. 1] bestaande uit het campinggebouw met garage, ondergrond en erf, staande en gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend: [kadasterkenmerk] ; IV. [de gedaagde sub. 1] zal veroordelen tot betaling in gelijke delen aan [de eiser] , dan wel tot betaling van het geheel aan [de gedaagde sub. 2] , dan wel tot betaling van het geheel aan de nalatenschap, bij wijze van vervangende schadevergoeding, de WOZ-waarde per 1 januari 2012 van het campinggebouw van € 172.000,00 althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van levering d.d. 27 februari 2013, dan wel de dagvaarding, althans een door de rechtbank te bepalen datum; Subsidiair, voor het geval de vorderingen onder III en IV geheel of gedeeltelijk worden afgewezen: I. [de gedaagde sub. 1] en [de eiser] in de gelegenheid zal stellen om, binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, ieder een deskundige aan te wijzen, welke twee deskundigen gezamenlijk en bindend zullen overgaan tot het vaststellen van de marktwaarde, zijnde de waarde in het economisch verkeer onder normale omstandigheden, van het woonhuis annex campinggebouw met garage, ondergrond en erf, staande en gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend: [kadasterkenmerk] , groot drie en twintig are en vijftien centiare, per datum levering d.d. 27 februari 2013, dan wel een door de rechtbank te bepalen datum; II. voor het geval partijen niet tot een gezamenlijke aanwijzing van een deskundige komen binnen de door de rechtbank gestelde termijn, de rechtbank te verzoeken en te gelasten om zelf een deskundige te benoemen met het verzoek voornoemd onderzoek uit te voeren; III. [de gedaagde sub. 1] zal veroordelen tot betaling in gelijke delen aan [de eiser] , dan wel tot betaling van het geheel aan [de gedaagde sub. 2] , dan wel tot betaling van het geheel aan de nalatenschap, het verschil tussen de koopsom ad € 205.785,00 en de door partijen gezamenlijk aangewezen deskundigen, dan wel door de rechtbank aangewezen deskundige bindend vastgestelde marktwaarde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van levering d.d. 27 februari 2013, althans de dag der dagvaarding, dan wel een door de rechtbank te bepalen datum; IV. [de gedaagde sub. 1] zal veroordelen tot de kosten van de deskundige, dan wel de kosten van het deskundigenbericht; Meer subsidiair: I. voor recht zal verklaren dat [de eiser] rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd, althans door middel van de dagvaarding heeft vernietigd, althans dat de rechtbank nietig verklaart, althans vernietigt, al dan niet partieel, de overeenkomst tot verkoop van en / of overdracht van het woonhuis annex campinggebouw met garage, ondergrond en erf, staande en gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend: [kadasterkenmerk] , groot drie en twintig are en vijftien centiare, gevolgd door de leveringen van de desbetreffende onroerende zaak/zaken aan [de gedaagde sub. 1] met veroordeling van [de gedaagde sub. 1] om binnen zeven dagen na het vonnis de levering, al dan niet partieel, ongedaan te maken en de ongedaanmaking in de registers te doen inschrijven, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag, II. [de eiser] zal machtigen om bij het uitblijven van ongedaanmaking van voormelde leveringen, de daarvoor vereiste teruglevering en inschrijving van de teruglevering in de openbare registers zelf te bewerkstelligen met bepaling dat het vonnis krachtens artikel 3:300 eerste lid BW dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene(n) die tot de rechtshandeling gehouden is. Primair en subsidiair: I. [de gedaagde] hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding van de proceskosten inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het vonnis, althans te bepalen dat de proceskosten inclusief nakosten binnen veertien dagen na het vonnis voldaan moeten zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het vonnis. 3.2. [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. [de eiser] betoogt dat er rondom de ontbinding van de vof en de voortzetting van het campingbedrijf door [de gedaagde sub. 1] diverse rechtshandelingen zijn geweest die als paulianeus in de zin van artikel 3:45 BW kunnen worden aangemerkt. Op grond van het bepaalde in artikel 3:45 BW lid 1 BW is een onverplichte rechtshandeling vernietigbaar indien een schuldenaar bij het verrichten van die rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn. Met een onverplichte rechtshandeling wordt bedoeld een rechtshandeling die wordt verricht zonder dat daartoe een op wet of overeenkomst berustende verplichting bestaat. De rechtshandelingen die [de eiser] stelt te hebben vernietigd, althans waarvan hij vernietiging vordert zijn: a. het kwijtschelden (dan wel schenking dan wel gift) van de in een lening omgezette vordering uit overbedeling van € 352.090,00 en b. de kwijtschelding van de koopprijs, dan wel schenking dan wel gift van het campinggebouw met een WOZ-waarde van € 172.000,00 per 1 januari 2012. [de eiser] betoogt dat hij is benadeeld door deze rechtshandelingen omdat hierdoor het vermogen van [de gedaagde sub. 2] en daarmee de verhaalsmogelijkheden van [de eiser] zijn verminderd. Verjaring 4.2. Het meest verstrekkende verweer van [de gedaagde] is dat de vorderingen van [de eiser] zijn verjaard. Rechtsvorderingen tot vernietiging van een rechtshandeling vanwege benadeling, waaronder pauliana, verjaren drie jaar nadat de benadeling is ontdekt (artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder c BW). De dagvaarding in deze procedure is uitgebracht op 23 juni 2025. Dat betekent dat als de verjaringstermijn na 23 juni 2022 is gaan lopen, de vorderingen niet zijn verjaard. In het arrest van 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:153, heeft de Hoge Raad overwogen met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, dat artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder c BW strookt met het uitgangspunt dat een verjaringstermijn met betrekking tot een bevoegdheid tot vernietiging niet eerder gaat lopen dan vanaf het moment waarop degene die tot vernietiging bevoegd is, daadwerkelijk over deze bevoegdheid beschikt. 4.3. [de eiser] betoogt dat hij niet eerder dan nadat het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de procedure over de nalatenschap van [de erflater] onherroepelijk is geworden, 27 november 2024, bevoegd was om de vernietiging in te roepen. De rechtbank gaat daar niet in mee. Op grond van artikel 3:45 BW lid 1 BW is de (benadeelde) schuldeiser bevoegd om vernietiging in te roepen. [de eiser] hebben een vordering op [de gedaagde sub. 2] verkregen in het vonnis van 15 december 2021. In dat vonnis is de verdeling vastgesteld waarbij de vorderingen van de nalatenschap op [de gedaagde sub. 2] aan [de gedaagde sub. 2] zijn toebedeeld onder de verplichting om aan de overige vijf deelgenoten het bedrag dat wegens overbedeling is ontstaan te voldoen. Die verplichting is de verbintenis op grond waarvan [de eiser] schuldeiser van [de gedaagde sub. 2] is. [de eiser] heeft een overbedelingsvordering op [de gedaagde sub. 2] . [de eiser] is niet pas schuldeiser geworden na afloop van het hoger beroep. Een executoriale titel is niet vereist voor het zijn van schuldeiser. De executoriale titel bepaalt slechts of de schuldeiser zijn recht met behulp van een executoriaal beslag kan afdwingen. Ook het feit dat de veroordeling uit het vonnis van de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad was doet niet af aan [de eiser] ’s hoedanigheid als schuldeiser. Dat de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard betekent slechts dat het vonnis gedurende het hoger beroep niet ten uitvoer kon worden gelegd. Dat staat echter niet in de weg aan een beroep op artikel 3:45 BW. Ook aan de schuldeiser van een vordering onder opschortende voorwaarde komt in beginsel een beroep op de pauliana toe (Hoge Raad 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9618). 4.4. Gelet op het voorgaande heeft [de gedaagde] geen belang bij beantwoording van de vraag of de verjaringstermijn al eerder is gaan lopen dan het vonnis van de rechtbank van 15 december 2021. De vorderingen van [de eiser] op [de gedaagde sub. 2] zijn ontstaan door de verdeling van de nalatenschap in het vonnis van de rechtbank. Daarvoor was de gemeenschap (de nalatenschap van [de erflater] ) schuldeiser. 4.5. [de eiser] heeft nog aangevoerd dat hij pas benadeeld is vanaf het moment dat bleek dat [de gedaagde sub. 2] geen verhaal bood en dat de benadeling dus ook niet eerder kan zijn ontdekt. Dat is een onjuiste uitleg van de wet. Bij benadeling in de zin van pauliana gaat het om een benadeling in verhaalsmogelijkheden. De rechtshandelingen waar het in deze zaak om draait, kwijtschelding (dan wel schenking dan wel gift) van een geldlening en kwijtschelding van de koopprijs (dan wel schenking dan wel gift) van het campinggebouw, hebben invloed op de verhaalsmogelijkheden op [de gedaagde sub. 2] . Zonder die rechtshandelingen waren er meer verhaalsmogelijkheden geweest. Ook als niet vaststaat dat de schuldenaar geen verhaal zal bieden, kan sprake zijn van benadeling in de verhaalsmogelijkheden. Het vermogen van een persoon is dynamisch. Zo is het mogelijk, zoals [de eiser] ook aanvoert, dat [de gedaagde sub. 2] morgen een grote geldprijs wint waardoor zij alsnog verhaal zal bieden. 4.6. De verjaringstermijn is dus gaan lopen op 15 december 2021. Dat betekent dat de vorderingen die strekken tot vernietiging van de rechtshandelingen verjaard zijn vanaf 15 december 2024, tenzij de verjaringstermijn is verlengd door een tijdige stuiting. Stuiting van een vordering tot vernietiging vanwege pauliana geschiedt door een schriftelijke aanmaning die binnen zes maanden wordt gevolgd door het instellen van een eis of een andere daad van rechtsvordering. Niet gesteld of gebleken is dat er na 15 december 2021 en voor 15 december 2024 een schriftelijke aanmaning is geweest die is gevolgd door het instellen van een eis of een andere daad van rechtsvervolging. 4.7. [de eiser] stelt dat de redelijkheid en billijkheid in de weg staan aan verjaring.