Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-21
ECLI:NL:RBGEL:2026:585
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05.353052.24 Datum uitspraak : 21 januari 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] [woonplaats] . Raadsvrouw: mr. R.W. van Zanden, advocaat in Arnhem . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: feit 1 hij op of omstreeks 3 november 2024 in de provincie Zuid-Holland en/of Gelderland, in de gemeente Papendrecht en/of de gemeente Sliedrecht en/of de gemeente Hardinxveld-Giessendam en/of de gemeente Gorinchem en/of de gemeente West Betuwe en/of de gemeente Tiel en/of de gemeente Neder-Betuwe en/of de gemeente Overbetuwe en/of de gemeente Arnhem, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A15 en/of de N839 en/of de Karstraat en/of de Dikelsestraat en/of de Kattenlegerstraat en/of de Bemmelseweg en/of de Industrieweg Oost en/of de Colloseum en/of de Basilica en/of de Regenboog en/of de Ceintuurbaan en/of de Nieuw Aamsestraat en/of de A325 en/of de Nijmeegseweg, roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94) en/of terwijl een of meerdere politievoertuigen hem, verdachte, met gebruikmaking van optische en geluidssignalen (achter)volgden, een of meerdere malen tijdens het rijden lachgas heeft gebruikt door een ballon te vullen met lachgas en/of die ballon in zijn mond te stoppen/aan zijn mond te houden en/of in strijd met artikel 83 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) niet is gestopt voor een stopteken dat was gegeven door middel van een aan een politievoertuig aangebracht verlicht transparant, met daarin in rode letters de woorden ‘stop’ of ‘stop politie’ en/of (tijdens die achtervolging) voortdurend/telkens heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid, in elk geval telkens/voortdurend met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers heeft hij gereden met snelheden oplopend tot (ongeveer) 180 kilometer per uur en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 43, derde lid RVV90 anders dan in een noodgeval, heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 76 RVV90 een doorgetrokken streep heeft overschreden en/of een of meerdere malen over de redresseerstrook heeft gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 11 RVV90 weggebruikers rechts, in plaats van links, heeft ingehaald en/of een of meerdere malen tegen de verkeersrichting in en/of op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 3, eerste lid RVV90 niet aan zijn, verdachtes, verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 10 RVV90 niet over de rijbaan, maar door/over de (midden)berm, heeft gereden en/of een of meerdere malen zeer dicht achter een voor hem rijdend voertuig heeft gereden en/of (daarbij) (aldus) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of een of meerdere malen slingerende (stuur)bewegingen heeft gemaakt en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 68, eerste lid onder c RVV90 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestem 78, tweede lid RVV90 niet de verplichte rijrichting heeft gevolgd, waardoor overige weggebruikers remden en/of uitweken om een aanrijding met verdachte te voorkomen en/of over een of meerdere paaltjes is gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij tijdens het inhalen gebotst tegen een of meerdere voertuigen, althans met die voertuigen in aanrijding gekomen en/of rijdende over de Nijmeegseweg, terwijl er sprake was van druk verkeer en/of op beide rijstroken meerdere (langzaam rijdende) voertuigen reden, zeer dicht/kort langs een of meerdere voertuigen is gereden (teneinde deze in te halen/te passeren) en/of met een abrupte/scherpe stuurbeweging van rijstrook heeft gewisseld en/of (daarbij) in strijd met artikel 11 RVV90 een voertuig rechts, in plaats van links, heeft ingehaald en/of (vervolgens) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 64 kilometer per uur, (achterop) een voertuig (personenauto, Opel Corsa) gebotst, althans met dat voertuig in aanrijding gekomen en/of (vervolgens), met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 56 kilometer per uur, (achterop) een voertuig (personenauto, Ford Ka) gebotst, althans met dat voertuig in aanrijding gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [aangever 3] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; feit 2 hij op of omstreeks 3 november 2024 in de provincie Zuid-Holland en/of Gelderland, in de gemeente Papendrecht en/of de gemeente Sliedrecht en/of de gemeente Hardinxveld-Giessendam en/of de gemeente Gorinchem en/of de gemeente West Betuwe en/of de gemeente Tiel en/of de gemeente Neder-Betuwe en/of de gemeente Overbetuwe en/of de gemeente Arnhem, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A15 en/of de N839 en/of de Karstraat en/of de Dikelsestraat en/of de Kattenlegerstraat en/of de Bemmelseweg en/of de Industrieweg Oost en/of deColloseum en/of de Basilica en/of de Regenboog en/of de Ceintuurbaan en/of de Nieuw Aamsestraat en/of de A325 en/of de Nijmeegseweg, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94) en/of terwijl een of meerdere politievoertuigen hem, verdachte, met gebruikmaking van optische en geluidssignalen (achter)volgden, een of meerdere malen tijdens het rijden lachgas heeft gebruikt door een ballon te vullen met lachgas en/of die ballon in zijn mond te stoppen/aan zijn mond te houden en/of in strijd met artikel 83 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) niet is gestopt voor een stopteken dat was gegeven door middel van een aan een politievoertuig aangebracht verlicht transparant, met daarin in rode letters de woorden ‘stop’ of ‘stop politie’ en/of (tijdens die achtervolging) voortdurend/telkens heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maxi Daarbij heeft de officier van justitie ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde gesteld dat verdachte schuld aan de verkeersongevallen heeft, zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW94), in die zin dat sprake is van roekeloos rijgedrag. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat enkel de gedragingen die hebben plaatsgevonden in Arnhem, net vóór en op de Nijmeegseweg, hebben geleid tot het ongeval aldaar. Van de gedragingen die daarvóór plaatsvonden, is niet komen vast te staan dat deze hebben geleid tot het in de tenlastelegging genoemde ongeval. Verdachte dient, vanwege het ontbreken van causaal verband, te worden vrijgesproken van deze gedragingen. De raadsvrouw heeft daarnaast betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel ‘roekeloosheid’, nu de gedragingen die hebben geleid tot het verkeersongeval niet onder deze zwaarste categorie vallen. Ook heeft de raadsvrouw betoogd dat het letsel van [aangever 3] niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 Wetboek van Strafrecht (hierna: ‘Sr’). De raadsvrouw heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel ‘terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94)’ zoals ten laste gelegd onder feit 1 en feit 2, en onder feit 3, nu niet kan worden bewezen dat verdachte tijdens het rijden in een dergelijke toestand verkeerde. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte tijdens het rijden een ballon heeft gevuld, waardoor verdachte van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft ten slotte ten aanzien van feit 2 betoogd dat niet iedere gedraging, zoals opgesomd in de tenlastelegging, kan worden aangemerkt als het in ernstige mate schenden van verkeersregels waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Verdachte dient om die reden van die gedragingen te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 4 en 5 heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel “letsel” in de tenlastelegging, nu uit het dossier niet blijkt dat [aangever 1] of [aangever 2] letsel heeft opgelopen. Ten aanzien van feit 6 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Bewijsmiddelen Op 3 november 2024 werd om 10:50 uur bij de politie gemeld dat er op de A15 in de buurt van Sliedrecht een bestelauto met het [kenteken] zou rijden. De bestuurder reed slingerend terwijl hij met ballonnen aan zijn mond zat. Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zagen tussen de afslagen Gorinchem en Gorinchem Oost de zwarte Mercedes-Benz Sprinter met [kenteken] rijden. Gedurende een afstand van 2000 meter reageerde het voertuig niet op de blauwe zwaailichten. De politieagenten activeerden de sirene en het stopbord aan de voorkant van hun voertuig. De bestelauto verhoogde zijn snelheid en ging meermalen op zeer korte afstand van zijn voorliggers rijden. Het voertuig werd op enig moment ook gevolgd door de politiehelikopter. De beelden van de politiehelikopter zijn uitgekeken. De beelden starten op het moment dat men de afslag Geldermalsen naderde. Om 11:08:31 uur kwam het zwarte busje waarin verdachte reed in beeld. Te zien was dat twee opvallende politievoertuigen dit voertuig volgden terwijl zij beiden zwaailichten voerden. De bemanning van de helikopter merkte om 11:09:15 uur op dat het voertuig van verdachte 160 km/u reed, terwijl de toegestane snelheid 100 km/u was. De bestelbus waarin verdachte reed, haalde vervolgens twee andere verkeersdeelnemers in door over de vluchtstrook te rijden. Na het inhalen reed verdachte tussen twee auto’s door vanaf de vluchtstrook naar rijstrook 1. De bemanning van de helikopter merkte op dat verdachte op de linkerrijstrook reed m Verdachte werd op dat moment nog steeds gevolgd door een opvallende politieauto, die het puntstuk overschreed om te proberen verdachte in te halen. Verdachte overschreed direct het puntstuk en reed voor de opvallende politiewagen de snelweg op. Om 11:36:50 uur werd gezien dat er op rijstrook 1 een zwarte personenauto reed. Verdachte naderde deze personenauto met hoge snelheid en raakte deze personenauto aan de linker achterzijde. Verdachte bleef doorrijden. Verdachte naderde de kruising met het Gelredome. Op rijstrook 1 reed er verkeer voor verdachte. Verdachte stuurde met hoge snelheid deels de berm in en haalde een personenauto in. Verdachte volgde het voorsorteervak voor linksaf en naderde de kruising met een snelheid gelegen tussen de 110 en 120 km/u waar een snelheid van 70 km/u geldt. Verdachte reed door het rode stoplicht rechtdoor, in de richting van het centrum van Arnhem. Te zien was dat het druk op de weg was. Om 11.37:50 uur is te zien dat verdachte als het ware zijn voorligger aan de kant 'drukt'. Daarbij lijkt het alsof deze auto door verdachte wordt geraakt. Verdachte volgde de Nijmeegseweg, waar een toegestane snelheid van 50 km/u geldt. Te zien was dat het overige verkeer langzaam reed. Om 11:37:54 uur ramde verdachte een zwarte personenauto vol aan de achterzijde. Door deze aanrijding maakte de zwarte personenauto een zwieper naar rechts en werd de berm in bewogen. Direct nadat de zwarte personenauto aan de kant was gebeukt, ramde verdachte een groene personenauto. Deze groene personenauto draaide door de impact 180 graden en werd tegen zijn voorganger gedrukt. De opvallende politieauto drukte vervolgens tegen de voorzijde van het voertuig van verdachte, waarbij deze tegen een lantaarnpaal tot stilstand kwam. Verdachte werd vervolgens aangehouden. Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op 3 november 2024 op de Ceintuurbaan in Elst reed. [aangever 1] zag een politieauto naderen. Op het moment dat hij aan de kant wilde gaan, zag hij dat er een Mercedes-Benz Sprinter ineens hard van achteren naderde. Het voertuig kwam heel dicht op de achterkant van zijn auto rijden en raakte vol de linker achterzijde van de auto van [aangever 1] . Door de aanrijding is het linker achterlicht en de linker achterzijde van de bumper van de auto van [aangever 1] beschadigd. Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat hij op de A325 reed. [aangever 2] zag dat een zwarte bestelbus achter hem kwam rijden. [aangever 2] hoorde ook allerlei sirenes achter de bestelbus. [aangever 2] ging na het horen van de claxon van de zwarte bestelbus direct naar de rechterrijbaan en de zwarte bestelbus passeerde hem op de linkerrijstrook. [aangever 2] zag en hoorde dat de zwarte bestelbus tijdens het passeren tegen de bestuurderszijde van zijn voertuig aanreed. De zwarte bestelbus reed vervolgens door. Later zag [aangever 2] dat hij schade aan de bestuurderszijde van zijn voertuig had. De verlichting aan de linker achterzijde van zijn auto was kapot, de achterbumper was beschadigd en er zat een kras bij de bestuurderszijde. [getuige] heeft verklaard dat hij op 3 november 2024 op de Nijmeegseweg reed. Hij zag dat een zwart busje langs hem reed op de linkerbaan van de Nijmeegseweg. Hij zag dat het busje, terwijl die [getuige] inhaalde, naar rechts schoof om op zijn rijbaan te komen. [getuige] voelde toen dat het busje de achterkant van zijn personenauto raakte toen deze de beweging naar rechts maakte. Aangever [aangever 3] heeft verklaard dat zij zich op 3 november 2024 op de Nijmeegseweg te Arnhem bevond. [aangever 3] reed op het moment van de aanrijding in een Opel Corsa. Zij stond met haar auto stil op de rijbaan. Zij zag in haar achteruitkijkspiegel dat een zwart voertuig op haar af reed. Direct daarna voelde [aangever 3] een harde klap aan de achterkant van haar voertuig. [aangever 3] heeft veel schade aan haar voertuig. Sinds het ongeval heeft [aangever 3] last van haar nek en haar hoofd, van misselijkheid, duizeligheid en vergeetachtigheid. Lachgas wordt gebruikt om in een min of meer benevelde toestand te raken - een toestand waarvan logischerwijs een sterk negatief effect op de rijvaardigheid uitgaat. Verdachte heeft de effecten van lachgas op hem omschreven als een soort van high. Verdachte heeft daarnaast verklaard te weten dat hij niet onder invloed van lachgas mocht rijden en dat het lachgas dat hij tijdens het rijden heeft gebruikt van invloed is geweest op zijn rijstijl. De rechtbank overweegt dat verdachte dus op de hoogte was van de effecten van lachgas en hieruit kon afleiden dat deze effecten, de high die verdachte omschrijft, een negatieve invloed hadden op de rijvaardigheid. Anders dan door de verdediging is aangevoerd, stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen ook vast dat verdachte de gehele achtervolging onder invloed van lachgas is geweest, ook op het moment dat verdachte op de auto van [aangever 3] inreed. Dit volgt niet alleen uit de eigen verklaringen van verdachte (zoals hiervoor weergegeven), maar ook uit het feit dat er een aanzienlijke hoeveelheid ballonnen in het personencompartiment ter hoogte van de bestuurdersstoel lag en er kort voor de aanrijding met [aangever 3] (namelijk 11 minuten daarvoor) door een politieagent nog is waargenomen dat verdachte ‘vol aan een ballon zat’. Dat het effect van lachgas kortdurend is, zoals door de verdediging aangevoerd, staat – gelet op de bewijsmiddelen – niet aan deze vaststelling in de weg. feit 3 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de genoemde bewijsmiddelen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onder invloed van lachgas heeft gereden en dat hij onder zodanige invloed daarvan verkeerde, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. De rechtbank acht feit 3 dan ook wettig en overtuigend bewezen. feit 1 en 2 De rechtbank stelt vast dat verdachte gedurende een rit van ruim 40 minuten veel en verschillende verkeersovertredingen heeft gemaakt, onder andere: het meermalen andere weggebruikers rechts inhalen, andere weggebruikers inhalen over de vluchtstrook of redresseerstrook, door rood rijden, op de verkeerde weghelft of in de berm rijden en het niet stoppen voor politievoertuigen die door optische en geluidssignalen verdachte aan de kant probeerden te krijgen. Verdachte heeft daarnaast gedurende vrijwel de gehele rit fors te hard gereden, waarbij de hoogst gemeten snelheid uitkwam op een snelheid van tussen de 170 en 180 km/u. Gelet op het hiervoor overwogene, verkeerde verdachte daarbij ook in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid WVW94 en gebruikte hij gedurende deze rit steeds lachgas. Bovendien heeft verdachte gedurende en aan het einde van zijn rit [aangever 1] , [aangever 2] , [getuige] , [aangever 4] , [aangever 5] en [aangever 3] aangereden. De rechtbank stelt allereerst vast dat er een causaal verband bestaat tussen de uit de bewijsmiddelen gebleken gedragingen van verdachte en de uiteindelijke aanrijdingen, in het bijzonder van [aangever 3] . Bij Sliedrecht werd verdachte reeds opgemerkt door verbalisanten en werd verdachte gemaand om te stoppen. Verdachte gaf hieraan geen gehoor. Dit was de start van een achtervolging die zeker 40 minuten duurde. De rechtbank stelt vast dat verdachte gedurende deze rit de politie voortdurend probeerde te ontvluchten en daarbij diverse snelheids- en verkeersovertredingen heeft begaan, terwijl hij onder invloed was van lachgas. Al deze gedragingen en verkeersovertredingen, die verdachte beging om te kunnen ontkomen aan de politie, hebben er uiteindelijk toe geleid dat verdachte de slachtoffers heeft aangereden en in het bijzonder bij [aangever 3] letsel heeft veroorzaakt. De rechtbank dient ten aanzien van feit 1 vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW94. Bij de beoordeling van de schuldvraag komt het, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, aan op het geheel van de gedragingen van de verdach Dat [aangever 3] daarbij – in juridische zin – niet zwaargewond is geraakt, betekent nog niet dat door het in ernstige en opzettelijke mate schenden van de verkeersregels door verdachte niet zwaar lichamelijk letsel of de dood van medeweggebruikers te duchten was. De rechtbank acht gelet op het voorgaande dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en het leven van anderen te duchten was. De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat het verkeersgedrag van verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW94 en daarmee in dit geval ook kwalificeert als roekeloos rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW94 (gelezen in samenhang met het tweede lid van artikel 175 WVW94). Letsel [aangever 3] Artikel 6 WVW94 kent drie letselcategorieën, te weten: de dood, zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Pas als sprake is van één van deze letselcategorieën is aan dit bestanddeel van artikel 6 WVW94 voldaan. De rechtbank moet dus beoordelen of er bij [aangever 3] sprake is van letsel in voornoemde zin. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [aangever 3] wegen onder andere de volgende factoren mee: de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen concluderen dat in juridische zin sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Daarom wordt verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken. Wel acht de rechtbank bewezen dat sprake is van zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Vaststaat immers dat [aangever 3] door het aan verdachte te wijten ongeval langdurige klachten heeft opgelopen, zoals prikkelgevoeligheid, hoofdpijn en misselijkheid, waardoor zij ook langdurig werd en is beperkt in het kunnen doen van haar werk. Vijf maanden na het ongeval werkte zij nog slechts 12 uur per week, terwijl zij vóór het ongeval 32 uur per week werkte. Ook ten tijde van de zitting is [aangever 3] nog niet volledig arbeidsgeschikt. De rechtbank stelt daarom op basis van de bewijsmiddelen vast dat bij [aangever 3] een tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, als bedoeld in artikel 6 WVW94. Conclusie Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij [aangever 3] lichamelijk letsel heeft opgelopen waardoor zij (in ieder geval) tijdelijk ziek of verhinderd is geweest om haar normale bezigheden uit te oefenen, waarbij sprake is van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid, zoals ten laste is gelegd onder feit 1. Ook komt de rechtbank op grond van het bovenstaande tot een bewezenverklaring van feit 2, nu het rijgedrag van verdachte eveneens als een overtreding van artikel 5a WVW94 is aan te merken. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zelf de ballonnen heeft gevuld met lachgas, nu dit niet uit het dossier is gebleken. De rechtbank acht daarnaast niet bewezen dat door het omver rijden van de paaltjes gevaar voor lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was. De rechtbank zal verdachte daarom van deze delen van de tenlastelegging vrijspreken. feit 4 en 5 Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte op de Ceintuurbaan tegen de auto van [aangever 1] is aangereden. Uit de bewijsmiddelen is daarnaast gebleken dat verdachte op de A325 tegen de auto van [aangever 2] is aangereden. Door deze aanrijdingen hadden [aangever 1] en [aangever 2] schade aan hun auto’s. Omdat uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte van de achterzijde op de auto’s reed, moet hij hebben gezien en gevoeld en dus hebben geweten dat hij een aanrijdi 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2 (primair) en feit 3 tot en met 6 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: feit 1 hij op of omstreeks 3 november 2024 in de provincie Zuid-Holland en /of Gelderland, in de gemeente Papendrecht en/of de gemeente Sliedrecht en/of de gemeente Hardinxveld-Giessendam en/ of de gemeente Gorinchem en /of de gemeente West Betuwe en/of de gemeente Tiel en /of de gemeente Neder-Betuwe en /of de gemeente Overbetuwe en /of de gemeente Arnhem, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A15 en /of de N839 en /of de Karstraat en /of de Dikelsestraat en /of de Kattenlegerstraat en /of de Bemmelseweg en /of de Industrieweg Oost en /of deColloseum en /of de Basilica en /of de Regenboog en /of de Ceintuurbaan en /of de Nieuw Aamsestraat en /of de A325 en /of de Nijmeegseweg, roekeloos , althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94) en /of terwijl een of meerdere politievoertuigen hem, verdachte, met gebruikmaking van optische en geluidssignalen (achter)volgden, een of meerdere malen tijdens het rijden lachgas heeft gebruikt door een ballon te vullen met lachgas en/of die ballon in zijn mond te stoppen/aan zijn mond te houden en /of in strijd met artikel 83 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) niet is gestopt voor een stopteken dat was gegeven door middel van een aan een politievoertuig aangebracht verlicht transparant, met daarin in rode letters de woorden ‘stop’ of ‘stop politie’ en /of (tijdens die achtervolging) voortdurend/ telkens heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid, in elk geval telkens /voortdurend met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers heeft hij gereden met snelheden oplopend tot (ongeveer) 180 kilometer per uur en /of een of meerdere malen in strijd met artikel 43, derde lid RVV90 anders dan in een noodgeval, heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en /of een of meerdere malen in strijd met artikel 76 RVV90 een doorgetrokken streep heeft overschreden en /of een of meerdere malen over de redresseerstrook heeft gereden en /of een of meerdere malen in strijd met artikel 11 RVV90 weggebruikers rechts, in plaats van links, heeft ingehaald en /of een of meerdere malen tegen de verkeersrichting in en /of op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer heeft gereden en /of een of meerdere malen in strijd met artikel 3, eerste lid RVV90 niet aan zijn, verdachtes, verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en /of een of meerdere malen in strijd met artikel 10 RVV90 niet over de rijbaan, maar door/over de (midden)berm, heeft gereden en /of een of meerdere malen zeer dicht achter een voor hem rijdend voertuig heeft gereden en /of (daarbij) (aldus) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en /of een of meerdere malen slingerende (stuur)bewegingen heeft gemaakt en /of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 68, eerste lid onder c RVV90 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij doorgereden, en /of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 78, tweede lid RVV90 niet de verplichte rijrichting heeft gevolgd, waardoor overige weggebruikers remden en /of uitweken om een aanrijding met verdachte ers dan in een noodgeval, heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en /of een of meerdere malen in strijd met artikel 76 RVV90 een doorgetrokken streepheeft overschreden en /of een of meerdere malen over de redresseerstrook heeft gereden en /of een of meerdere malen in strijd met artikel 11 RVV90 weggebruikers rechts, in plaats van links, heeft ingehaald en /of een of meerdere malen tegen de verkeersrichting in en/of op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer heeft gereden en /of een of meerdere malen in strijd met artikel 3, eerste lid RVV90 niet aan zijn, verdachtes, verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en /of een of meerdere malen in strijd met artikel 10 RVV90 niet over de rijbaan, maar door/over de (midden)berm, heeft gereden en /of een of meerdere malen zeer dicht achter een voor hem rijdend voertuig heeft gereden en /of (daarbij) (aldus) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/ of een of meerdere malen slingerende (stuur)bewegingen heeft gemaakt en /of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 68, eerste lid onder c RVV90 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij doorgereden en /of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 78, tweede lid RVV90 niet de verplichte rijrichting heeft gevolgd, waardoor overige weggebruikers remden en /of uitweken om een aanrijding met verdachte te voorkomen en /of over een of meerdere paaltjes is gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien enwaarover deze vrij was, immers is hij tijdens het inhalen gebotst tegen een of meerdere voertuigen, althans met die voertuigen in aanrijding gekomen en /of is hij achterop een of meerdere, langzaam voor hem rijdende, voertuigen gebotst, althans met die voertuigen in aanrijding gekomen, en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander ( en ) te duchten was; feit 3 hij op of omstreeks 3 november 2024 in de provincie Zuid-Holland en /of Gelderland, in de gemeente Papendrecht en/of de gemeente Sliedrecht en/of de gemeente Hardinxveld-Giessendam en /of de gemeente Gorinchem en /of de gemeente West Betuwe en/of de gemeente Tiel en /of de gemeente Neder-Betuwe en /of de gemeente Overbetuwe en /of de gemeente Arnhem, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten lachgas, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten , dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht; feit 4 hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Elst, althans in Nederland, op de Ceintuurbaan, op of omstreeks 3 november 2024, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangever 1] ) letsel en/of schade was toegebracht; feit 5 hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had Verdachte heeft gedurende een dollemansrit van ruim 40 minuten - vanaf Sliedrecht tot aan Arnhem - een veelvoud aan verkeersovertredingen gepleegd om aan de politie te ontkomen. Verdachte heeft daarbij onder andere forse snelheidsovertredingen begaan en heeft de stoptekens en signalen van politieagenten genegeerd. Verdachte heeft daarnaast onder andere door rood, over vlucht- en redresseerstroken, bermen en weghelften voor tegemoetkomend verkeer gereden en heeft medeweggebruikers gevaarlijk ingehaald. Verdachte deed dit terwijl hij onder invloed was van lachgas. Verdachte heeft hiermee niet alleen zijn eigen veiligheid, maar zeker ook de veiligheid van andere verkeersdeelnemers ernstig in gevaar gebracht. Verdachte heeft gedurende zijn dollemansrit meerdere medeweggebruikers aangereden. Na het aanrijden van twee voertuigen is verdachte doorgereden van de plaats van het ongeval, zonder zich te bekommeren om de schade en de slachtoffers. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk, helemaal omdat verdachte ter zitting heeft verklaard op een eerder moment ook al een plaats van een ongeval te hebben verlaten. Ook dit betrof een verkeersongeval waarbij verdachte lachgas had gebruikt. Uiteindelijk heeft verdachte bij [aangever 3] letsel veroorzaakt dat tot op heden voor klachten zorgt en waardoor [aangever 3] bijvoorbeeld nog steeds niet volledig haar werk kan uitvoeren. Dat de gevolgen van zijn roekeloze rijgedrag niet erger zijn geweest is een wonder te noemen. De rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte nog niet steeds volledig lijkt te zijn doordrongen van de ernst van zijn handelen, nu hij ook ter zitting meerdere keren heeft verklaard “veilig” te hebben gereden. Verdachte heeft zich ten slotte schuldig gemaakt aan het vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van 4.211,3 gram lachgas. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van lachgas een gevaar oplevert voor de volksgezondheid. De rechtbank heeft vervolgens acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder een strafbeschikking heeft ontvangen voor overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank heeft verder acht geslagen op de rapportage van de Reclassering Nederland van 26 september 2025. De reclassering benoemt dat verdachte eenmaal eerder werd veroordeeld, waardoor zij niet kunnen spreken van een delictpatroon. Verdachte woont samen met zijn echtgenote en hun jonge zoontje in de woning van zijn ouders. Hij is daarnaast in loondienst bij zijn vader en broer, die eigenaren zijn van een supermarkt. Uit de beschikbare informatie komen enige aanwijzingen naar voren voor beperkte oplossingsvaardigheden en problematisch middelengebruik in het verleden. Verdachte geeft aan sinds de onderhavige feiten abstinent te zijn gebleven en alternatieven te hebben geïntegreerd in zijn dagelijks leven. Gelet op het voorgaande acht de reclassering interventies geïndiceerd. Binnen een reclasseringstoezicht kan verdachte werken aan het vergroten van zijn handelingsvaardigheden en het nemen van verantwoordelijkheid voor zijn gedrag. Voor dit laatste ziet de reclassering mogelijkheden in het zogenaamde slachtofferbewust werken. Binnen een toezicht kunnen de specifieke mogelijkheden hiertoe worden onderzocht. Hoewel verdachte aangeeft abstinent te zijn, ziet de reclassering meerwaarde in het volgen van een behandeling specifiek gericht op zijn middelenproblematiek. Bij veroordeling adviseert de reclassering oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met een meldplicht bij de reclassering als bijzondere voorwaarde. De rechtbank neemt dit advies over. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de samenloop tussen de feiten, namelijk dat sprake is van meerdaadse samenloop van feit 1 tot en met 6, en de eendaadse samenloop van het vervoeren en bezitten van lachgas, bewezenverklaard onder feit 6. Gelet op de aard en de ernst van de feiten en de straffen die hiervoor in soortgelijk Het gaat hierbij om de schadeposten ‘verlof bijwonen zitting’, ‘reiskosten bijwonen zitting’ en ‘parkeerkosten bijwonen zitting’. Deze schadeposten komen de rechtbank redelijk voor. De rechtbank zal de proceskosten daarom toewijzen voor een bedrag van € 92,96. De benadeelde [aangever 2] Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadepost ‘schade auto / herstelkosten’ is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering (€ 1.153,06) kan worden toegewezen. De benadeelde [aangever 1] Uit de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] is gebleken dat hij voor zichzelf, zijn kinderen en de andere ouder van zijn kinderen schade vordert. Ingevolge art. 51f, eerste lid, Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat [aangever 1] zich niet als benadeelde partij kan voegen in het strafproces ten aanzien van een vordering tot schadevergoeding van zijn gezinsleden. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft dit deel van de vordering (€ 25.000,-) dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van de schade die [aangever 1] voor zichzelf vordert, overweegt de rechtbank het volgende. Voor toekenning van immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek moet – kort gezegd – sprake zijn van aantasting in de persoon in de vorm van lichamelijk letsel, een geschaad zijn in de eer of goede naam of van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Voor de laatste categorie geldt dat sprake moet zijn van geestelijk letsel (met onderbouwing) dan wel, bij afwezigheid daarvan, dat sprake moet zijn van een situatie waarin de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde heeft niet gesteld op welke grondslag hij voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking komt. Bovendien kan op basis van de onderbouwing van de vordering ook niet door de rechtbank vastgesteld worden dat van één van deze grondslagen in dit geval sprake is. Daarom zal de rechtbank (ook dit deel van) de vordering (€10.000,-) afwijzen. Ten aanzien van de gevorderde proceskosten overweegt de rechtbank dat de gevorderde kosten deels bestaan uit schade die de benadeelde namens de andere ouder en zijn kinderen vordert. Gelet op het hiervoor overwogene ingevolge artikel 51f Sv, overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij [aangever 1] zich niet kan voegen om deze schade te vorderen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit deel van de proceskosten (€ 80,-) niet-ontvankelijk verklaren. Het deel van de gevorderde proceskosten dat ziet op de schade van [aangever 1] zal de rechtbank afwijzen, nu deze schadepost onvoldoende onderbouwd is. De benadeelde [aangever 4] De benadeelde partij [aangever 4] vordert vergoeding van de proceskosten die zijn gemaakt voor het bijwonen van de zitting. Het gaat hierbij om de schadepost ‘verlof bijwonen zitting’. Deze schadepost komt redelijk voor. De rechtbank zal de proceskosten daarom toewijzen voor een bedrag van € 49,03. Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel Verdachte is vanaf 3 november 2024 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. 9 De toe