Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-07-08
ECLI:NL:RBGEL:2026:5500
RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/457308 / HA ZA 25-400 Vonnis van 8 juli 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] (gemeente Lingewaard ), eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. J. Oerlemans te ’s-Hertogenbosch, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE LINGEWAARD , zetelende te Bemmel (gemeente Lingewaard), gedaagde partij, hierna te noemen: de Gemeente, advocaat: mr. J.W.M. Hagelaars te Arnhem. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 17 december 2025, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 april 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] woont in het buitengebied van [woonplaats] aan het adres [adres] . Even ten zuiden van dat adres gaat [adres] met een viaduct over de snelweg A15. 2.2. De provincie Gelderland en Rijkswaterstaat hebben afspraken gemaakt over het doortrekken van de A15. Die afspraken zijn vastgelegd in de ‘Aanvullende bestuursovereenkomst Doortrekking Ressen naar A12 Oudbroeken’ van 5 november 2015. De Gemeente is geen partij bij deze overeenkomst, maar speelt wel een rol als ‘regiopartij’. 2.3. In het kader van deze vastgelegde afspraken over de A15 wordt ook [adres] heringericht, als ‘maatregel 4’. Deze maatregel moet worden verwerkt in het Tracébesluit. De maatregel wordt in de bestuursovereenkomst als volgt toegelicht: De herinrichting betreft de inpassing van langzaam verkeer [adres] . Dit is vormgegeven middels vrij liggende fietspaden, een ruiterpad en een twee richtingen rijweg. Voorwaarde is dat hiervoor tijdig (voor vaststellen Tracébesluit) door de regio een besluit omtrent realisatie van de aansluitende fietsinfrastructuur is genomen. 2.4. Medio 2016 heeft de Gemeente contact opgenomen met [eiser] om met haar te spreken over deze herinrichting van [adres] . Voor de Gemeente trad [projectleider] op als projectleider. Bij het overleg zijn de Gemeente en [eiser] uitgegaan van een tekening van 31 oktober 2016. Daarop staan fietspaden aan beide zijden van de weg ingetekend. 2.5. Om het fietspad aan de kant van [eiser] te kunnen aanleggen, had de Gemeente grond van [eiser] nodig. [eiser] had van haar kant de wens haar eigen perceel opnieuw in te richten, waardoor zij belang had bij een stuk grond dat de Gemeente niet nodig had voor het fietspad. 2.6. De Gemeente heeft een ‘Overzicht nieuwe situatie’ gemaakt. Mede op basis daarvan is op 15 februari 2017 ontwerpschets G-1114 tot stand gekomen. Daarop staan fietspaden aan beide zijden van de weg ingetekend. 2.7. Op 21 juli 2017 heeft [projectleider] [eiser] bericht dat zijn werkzaamheden voor de Gemeente zullen worden overgenomen door [naam 1] . Bij dat bericht heeft hij te bespreken documenten gevoegd, waaronder een ‘ontwerpplan fietsvoorzieningen [adres] uitwerking met profielen’. Daarop staan fietspaden aan beide zijden van de weg ingetekend. 2.8. Op 18 augustus 2017 hebben [eiser] en de Gemeente overleg gevoerd. Op 19 september 2017 heeft de Gemeente [eiser] per e-mail bericht: Ik zou nog terugkomen op de vragen uit ons overleg van 18 augustus. (...) (...) Tijdspad De afspraken over de grondruil en de omgang met de bomen kunnen nu al wel worden vastgelegd en door B&W worden bekrachtigd, maar effectuering van deze afspraken (de daadwerkelijke overdracht, feitelijke verrekening van kosten) is pas mogelijk als het Tracébesluit ViA15 onherroepelijk is. Dat biedt namelijk de zekerheid die nodig is om te kunnen starten met de voorbereiding van de fietspaden. Dit betekent ook dat kosten die voor die tijd worden gemaakt, zolang moeten worden voorgeschoten. Pas bij een onherroepelijk Tracébesluit kunnen deze door de gemeente worden terugbetaald. Uiteraard kunnen we hierover duidelijke afspraken vastleggen maar dit is wel de volgorde die we moeten aanhouden. Het moment waarop het Tracébesluit onherroepelijk wordt is nog niet bekend. Planning was eind dit jaar, maar dat wordt zeker niet gehaald. Meer In die overeenkomst staat: overwegende dat: de gemeente in het kader van de doortrekking van de A15 en in aansluiting op het Tracébesluit ViA15 afspraken heeft gemaakt met Rijkswaterstaat over de realisatie van veilige fietsvoorzieningen op [adres] te [plaats] , tussen Kattenleger en het viaduct over de A15; de gemeente en Rijkswaterstaat overeengekomen zijn dat er op het gedeelte van [adres] buiten de bebouwde kom vrij liggende fietspaden gerealiseerd moeten worden; de gemeente voor de realisatie van een vrij liggend fietspad aan de westzijde van [adres] , nabij [adres] te [plaats] , twee gedeelten van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [sectie] , nummer [perceel 1] , hierna te noemen “ [perceel 1] ” , ter grootte van circa 213 m², in eigendom wenst te verkrijgen, één en ander zoals met een “A” aangegeven op de bij deze overeenkomst behorende en als zodanig gewaarmerkte situatietekening met nummer GT-1114 d.d. 15-02-2017 (…) [eiser] de eigendom heeft van perceel [perceel 1] ; [eiser] bereid is de twee gedeelten van perceel [perceel 1] over te dragen aan de gemeente; (…) de gemeente de eigendom heeft van perceel [perceel 2] ; de gemeente bereid is het gedeelte van perceel [perceel 2] over te dragen aan [eiser] ; (…) verklaren overeengekomen te zijn als volgt: Artikel 1 Perceel [perceel 2] De gemeente verkoopt gelijk [eiser] koopt een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [sectie] , nummer [perceel 2] (...) Artikel 2 Perceel [perceel 1] [eiser] verkoopt gelijk de gemeente koopt een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [sectie] , nummer [perceel 1] (...) (...) Artikel 10 Aansluiting eigendom 1. Bij de realisatie van de vrij liggende fietspaden draagt de gemeente zorg voor een zorgvuldige aansluiting op het eigendom van [eiser] . (...) (...) Artikel 15 Verzuim, ontbinding en boetebeding Indien één der partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende twee weken nalatig blijft in de nakoming van zijn of haar uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, is die partij in verzuim en ontstaat er een ontbindingsbevoegdheid voor de wederpartij. Bij ontbinding van deze overeenkomst zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van € 5.000,00 verschuldigd zijn, onverminderd het recht van de wederpartij op volledige schadevergoeding. Indien de wederpartij alsnog nakoming van deze overeenkomst verlangt van de nalatige partij, zal de nalatige partij, na afloop van de in artikel 14 lid 1 vermelde termijn van twee weken, ten behoeve van de wederpartij een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zijn van € 500,00 voor elke dag dat hij of zij in gebreke blijft tot aan de dag van volledige nakoming, onverminderd het recht van de wederpartij op volledige schadevergoeding. (…) Artikel 16 Slotbepalingen 1. De gemeente is verantwoordelijk voor de benodigde procedures en vergunningen ten behoeve van de realisatie van de vrij liggende fietspaden. (...) 6. De situatietekening met nummer GT-1114 d.d. 15-02-2017 (bijlage 1) (...) alsook (...) maken integraal onderdeel uit van deze overeenkomst (...) 2.13. Op 26 september 2018 hebben de Gemeente en [eiser] de percelen aan elkaar geleverd. 2.14. In de periode van 2017 tot begin 2023 is er bestuursrechtelijk geprocedeerd over het Tracébesluit. 2.15. In juni 2023 heeft de Gemeente bij monde van [naam 2] [eiser] bijgepraat over de herinrichting van [adres] . De Gemeente heeft toen kenbaar gemaakt dat zij niet langer van plan is fietspaden aan te leggen aan beide zijden van de weg, maar één fietspad in twee richtingen aan één kant van de weg, namelijk de oostzijde (dat is voor [eiser] de overkant). 2.16. Nadat de Gemeente met de bewoners van de bebouwde kom een voorlopig ontwerp had gedeeld van de variant met één fietspad aan de oostzijde van de weg, heeft [eiser] de Gemeente op 1 oktober 2023 bericht dat zij daar niet mee ins Het gaat erom of zij toen heeft mogen begrijpen dat het de bedoeling van de Gemeente was om jegens haar de verplichting op zich te nemen om dat zo te doen. 3.5. Bij de beantwoording van deze vraag door uitleg van de overeenkomst speelt ook de communicatie tussen partijen voorafgaande aan het sluiten van die overeenkomst een rol, dus zowel de correspondentie (e-mailberichten en brieven) als de gesprekken. [eiser] leidt uit die communicatie terecht af dat partijen destijds steeds zijn uitgegaan van de variant waarbij de Gemeente fietspaden zou aanleggen aan beide zijden van de weg. Dit is ook zo in de zogeheten considerans van de overeenkomst (r.o. 2.12) opgenomen. Dat wil echter niet zeggen dat [eiser] er in redelijkheid van heeft mogen uitgaan dat de Gemeente met het sluiten van de overeenkomst van grondruil jegens haar ook de verplichting op zich heeft genomen om de fietspaden zo aan te leggen. De Gemeente kon die verplichting ook niet op zich nemen, omdat de herinrichting van [adres] onderdeel was van een veel meer omvattend infrastructureel project (het doortrekken van de A15). Het ligt ook niet voor de hand dat De Gemeente met burgers afspraken maakt over de inrichting van de openbare weg en zich daarbij tegenover burgers verplicht de openbare weg op een bepaalde manier in te richten. De Gemeente heeft wel, vooruitlopend op de uitvoering van het infrastructurele project, afspraken met [eiser] willen maken voor het geval dat zij fietspaden zou aanleggen volgens deze variant. Zij heeft die afspraken niet alleen gemaakt met het oog op de herinrichting van [adres] , maar ook in het belang van [eiser] , die op dat moment haar eigen perceel wilde herinrichten. Toen de Gemeente de overeenkomst van grondruil met [eiser] sloot, die het voor [eiser] mogelijk maakte haar eigen perceel opnieuw in te richten, heeft zij echter niet de indruk gewekt dat zij daardoor niet alleen jegens [eiser] gehouden was het perceel met nummer [sectie] [perceel 2] aan haar te leveren, maar ook om aan beide zijden van de weg fietspaden aan te leggen. De Gemeente heeft steeds duidelijk gemaakt wat de context van de overeenkomst was en er ook op gewezen dat ontwerpen kunnen veranderen. Iets anders kan niet worden afgeleid uit de overeenkomst van grondruil en ook niet uit de correspondentie en de gesprekken die aan het sluiten van die overeenkomst zijn voorafgegaan. 3.6. De conclusie is dat de overeenkomst tussen [eiser] en de Gemeente niet zo kan worden uitgelegd dat de Gemeente tegenover [eiser] de verplichting op zich heeft genomen fietspaden aan te leggen aan beide zijden van de weg. De rechtbank zal de primaire, de subsidiaire en de uiterst subsidiaire vorderingen daarom niet toewijzen. Dwaling (meer subsidiair) 3.7. Meer subsidiair vordert [eiser] dat de rechtbank de overeenkomst van grondruil vernietigt op grond van dwaling. Zij licht die vordering als volgt toe. De Gemeente heeft haar in correspondentie en gesprekken laten geloven dat zij fietspaden zou aanleggen aan beide zijden van [adres] . Dat blijkt echter niet zo te zijn. [eiser] heeft aldus door de inlichtingen van de Gemeente gedwaald. Als dit anders is, stelt [eiser] dat de Gemeente bij het aangaan van de overeenkomst moet hebben geweten wat zij van plan was. Volgens haar had de Gemeente haar daarover moeten inlichten. Als [eiser] zou hebben geweten dat er niet twee fietspaden zouden komen aan beide zijden van de weg maar slechts één aan de oostkant, dan zou zij die overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden hebben gesloten. 3.8. De Gemeente voert verweer. Volgens haar waren beide partijen zich er ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van bewust dat de uitvoering van de plannen afhankelijk was van besluiten die nog zouden moeten worden genomen. [eiser] wist precies welke afspraken zij maakte en welke onzekerheden daarbij hoorden. Of er een fietspad zou worden aangelegd, hing ervan af of het Tracébesluit onherroepelijk zou worden; hoe een aan te leggen fietspad eruit zou ko