Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-07-10
ECLI:NL:RBGEL:2026:5484
MRB. Kampeerautotarief terecht verleend met ingang van het begin van het tijdvak waarin het verzoek is gedaan. Beroep ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/3206 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 april 2025. De inspecteur heeft het verzoek om toepassing van het bijzonder tarief motorrijtuigenbelasting (MRB) voor een kampeerauto, bij beschikking toegewezen met ingang van 24 augustus 2024. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking ongegrond verklaard. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] . Feiten 1. Belanghebbende is van 24 februari 2024 tot en met 9 juli 2025 houder van een Challenger Graphite 149 met kenteken [kenteken] (het motorrijtuig). Het motorrijtuig heeft als datum eerste toelating 4 december 2013. 2. Met datum 15 oktober 2024 heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor de toepassing van het bijzonder tarief in de zin van artikel 23a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB 1994). Dit verzoek is op 17 oktober 2024 door de inspecteur ontvangen. 3. Met dagtekening 5 december 2024 is de beschikking aan belanghebbende toegezonden, waarin de inspecteur het verzoek tot toepassing van het bijzonder tarief heeft toegekend met ingang van 24 augustus 2024. Belanghebbende heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. 4. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 april 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 21 juli 2025. Beoordeling door de rechtbank 5. De rechtbank beoordeelt of het bijzonder tarief (of: kampeerautotarief) in de zin van artikel 23a van de Wet MRB 1994 terecht is verleend met ingang van 24 augustus 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Voordat de rechtbank daaraan toekomt zal zij eerst beoordelen of belanghebbende ontvankelijk is in haar beroep. Ontvankelijkheid van het beroep 6. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt voor het indienen van een beroepschrift een termijn van zes weken. Deze termijn vangt, zoals is bepaald in artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar aan. Als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar bekend is gemaakt, begint deze termijn op de dag na de dag van bekendmaking. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Indien een beroepschrift te laat is ingediend, verklaart de rechtbank het beroep in beginsel niet-ontvankelijk. 7. De rechtbank stelt vast dat de dagtekening van de bestreden uitspraak op bezwaar 11 april 2025 is, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 23 mei 2025. De rechtbank heeft het beroepschrift op 21 juli 2025 ontvangen. Dit is ruim acht weken na het eindigen van de beroepstermijn, zodat belanghebbende het beroepschrift niet tijdig heeft ingediend. 8. Belanghebbende stelt dat hij de uitspraak op bezwaar pas heeft ontvangen nadat zijn partner op 3 juli 2025 telefonisch contact heeft opgenomen met de Belastingdienst om te melden dat de uitspraak op bezwaar nog niet was ontvangen. In dat telefoongesprek is besproken dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar alsnog zou ontvangen en daartegen alsnog in beroep mocht gaan. 9. De inspecteur vindt de verklaring van belanghebbende over de termijnoverschrijding aannemelijk, omdat zijn administratie dit bevestigt. Daarnaast heeft hij de uitspraak op bezwaar niet aangetekend aan belanghebbende verzonden. 10. De rechtbank overweegt dat indien een uitspraak op bezwaar niet is bekendgemaakt op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze, die omstandigheid meebrengt dat de termijn voor het instellen van beroep tegen die uitspraak niet aanvangt. Die termijn vangt dan aan op de dag van ontvangst van de uitspraak op bezwaar of een afschrift daarvan door de belanghebbende. 11. De rechtbank overweegt dat in de stelling van belanghebbende een betwisting van de verzending van de uitspraak op bezwaar ligt besloten. Indien een geadresseerde stelt dat een schriftelijk besluit van de inspecteur hem of haar niet (of pas later) heeft bereikt, is het in beginsel aan de inspecteur om die verzending aannemelijk te maken. In het geval van verzending per post, houdt die bewijslast in dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat het beluit is aangeboden aan een postvervoerbedrijf. Daartoe moet de inspecteur ook aannemelijk maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende besluit is aangeboden. 12. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, op wie in dit geval de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De inspecteur heeft namelijk geen verzendadministratie overgelegd waaruit dat blijkt. Het voorgaande brengt mee dat de beroepstermijn niet is aangevangen op 11 april 2025, maar op het moment dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar of een afschrift daarvan heeft ontvangen. 13. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar of een afschrift daarvan niet eerder heeft ontvangen dan op 3 juli 2025. Met de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 21 juli 2025 is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende het beroepschrift tijdig heeft ingediend. 14. Gezien het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep van belanghebbende ontvankelijk. De rechtbank zal het geschil verder inhoudelijk beoordelen. Beoordeling van het inhoudelijke geschil 15. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 16. Belanghebbende is van mening dat het kampeerautotarief moet worden toegekend met ingang van 24 februari 2024. Belanghebbende stelt dat het motorrijtuig de eerste camper is die hij heeft aangeschaft en dat hij niet bekend was met de mogelijkheid om het kampeerautotarief te verzoeken. De camperzaak heeft hem daar ook niet op gewezen. 17. De inspecteur is van mening dat het kampeerautotarief terecht is verleend met ingang van 24 augustus 2024. De inspecteur voert aan dat voor de toepassing van het kampeerautotarief een gemotiveerd verzoek moet worden ingediend. Het verzoek moet worden ingediend vóór aanvang van het tijdvak. Met toepassing van artikel 63 van de AWR in samenhang gelezen met paragraaf 4 van het Kaderbesluit MRB heeft de inspecteur het bijzonder tarief toegekend met ingang van het begin van het tijdvak waarin het verzoek is binnengekomen. Volgens de inspecteur laten de wettelijke bepalingen geen ruimte om het bijzonder tarief met verdere terugwerkende kracht te verlenen dan de eerste dag van het tijdvak waarin het verzoek is ingediend. 18. Vooraf overweegt de rechtbank als volgt. De houder van een personenauto is MRB verschuldigd naar het tarief zoals opgenomen in artikel 23 van de Wet MRB 1994. Indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, kan de houder in aanmerking komen voor het bijzonder tarief voor een kampeerauto (een kwart van het normale tarief). Deze voorwaarden staan vermeld in artikel 23a van de Wet MRB 1994, en zijn verder uitgewerkt in artikel 5aa van het daarbij behorende Uitvoeringsbesluit Motorrijtuigenbelasting 1994 (Uitvoeringsbesluit MRB 1994). Artikel 5aa, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit MRB 1994 bepaalt dat de toepassing van artikel 23a van de Wet MRB 1994 op verzoek plaatsvindt. 19.