Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-07-09
ECLI:NL:RBGEL:2026:5388
Afwijzing van de aanvraag van eiseres om AKW+. Uitkering is niet relevant voor de beoordeling van het arbeidsinkomen. Artikel 7a van de AKW kan niet worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen. Geen sprake van discriminatie. Beroep ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/5370 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. drs. B.A.J. van Bokhoven), en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB (gemachtigde: W. van den Berg ), Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een extra bedrag aan kinderbijslag (AKW+) op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) over 2023. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB terecht de aanvraag van eiseres om AKW+ over 2023 heeft afgewezen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Wel kent de rechtbank aan eiseres een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor AKW+. De SVB heeft deze aanvraag met het besluit van 24 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op dat beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van het verzoek van eiseres om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt. 2.3. De Staat heeft afgezien van het voeren van verweer. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de SVB. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres ontvangt dubbele kinderbijslag op grond van artikel 7a, eerste lid, van de AKW, omdat een aantal van haar kinderen intensieve zorg nodig heeft. Eiseres zorgt voor haar kinderen en heeft geen eigen inkomen. De partner van eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Daarnaast is er door de partner van eiseres in 2023 € 3000 met arbeid verdiend. 3.1. In januari 2024 heeft eiseres over het jaar 2023 AKW+ aangevraagd als bedoeld in artikel 7a, tweede lid, van de AKW. Met het besluit van 24 januari 2024 heeft de SVB de aanvraag om toekenning van AKW+ over 2023 afgewezen. Het arbeidsinkomen van één van de fiscale partners moet over het jaar 2023 hoger dan € 5.547 zijn. De andere partner mag over het jaar 2023 een arbeidsinkomen hebben van maximaal € 5.547 of geen arbeidsinkomen. Zowel eiseres als haar partner hadden geen arbeidsinkomen. Met het bestreden besluit is de SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Toetsingskader 4. Op grond van artikel 7a, eerste lid, van de AKW heeft een verzekerde voor een tot zijn huishouden behorend kind dat drie jaar is of ouder, maar nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, recht op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag, indien het kind is aangewezen op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen mate van intensieve zorg. 4.1. Het recht op een extra bedrag aan kinderbijslag voor partners is geregeld in artikel 7a, tweede lid, aanhef en onder b, van de AKW. In dat artikellid is bepaald dat een verzekerde die over een kalenderjaar recht heeft gehad op dubbele kinderbijslag en een fiscale partner had, recht heeft op een extra bedrag aan kinderbijslag over dat kalenderjaar, mits de verzekerde, of diens partner, in dat kalenderjaar belastbare winst uit een of meer ondernemingen (...), belastbaar loon als bedoeld in artikel 3.80 van de Wet IB 2001 of belastbaar resultaat uit een of meer werkzaamheden (…) heeft genoten, dat niet meer is dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. 4.2. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 28 juni 2023 geoordeeld dat gelet op de bewoordingen van artikel 7a, tweede lid, aanhef en onder b, van de AKW alleen inkomen uit tegenwoordige arbeid van belang is. Met de term belastbaar loon als bedoeld in artikel 3.80 van de Wet IB 2001 in artikel 7a, tweede lid, aanhef en onder b, van de AKW wordt alleen gedoeld op loon als arbeidsinkomen. Er wordt niet gedoeld op aangewezen periodieke uitkeringen als genoemd in artikel 3.100 en volgende van de Wet IB 2001. In de uitspraak oordeelde de CRvB dat bijstand voor de toepassing van artikel 7a, tweede lid, aanhef en onder b, van de AKW niet wordt aangemerkt als belastbaar loon. Wetsgeschiedenis 5. Eiseres heeft aangevoerd dat de CRvB zich in de uitspraak van 28 juni 2023 heeft beroepen op de wetsgeschiedenis van artikel 7a van de AKW, maar dat het onderzoek naar de bedoeling van de wetgever niet zorgvuldig is geweest. Daardoor zijn volgens eiseres niet de juiste conclusies getrokken. Het TOG -kopje is niet alleen toegevoegd om de inkomensafhankelijke combinatiekorting te compenseren. Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis ook niet dat de AKW+ alleen is bedoeld voor mensen met voldoende inkomen uit tegenwoordige arbeid. Eiseres heeft onder andere verwezen naar de stukken die zij in het kader van haar verzoek op grond van de Wet open overheid van de SVB heeft ontvangen. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de CRvB in de uitspraak van 28 juni 2023 heeft overwogen was de achtergrond voor invoering van het TOG-kopje dat de regelgever een extra financiële ondersteuning heeft willen invoeren voor alleenverdienershuishoudens die de zorg hebben voor chronisch zieke of gehandicapte kinderen. De reden voor de ondersteuning was dat alleenverdienershuishoudens, als gevolg van fiscale maatregelen om de arbeidsparticipatie en de economische zelfstandigheid van vrouwen te vergroten, in besteedbaar inkomen achterbleven bij tweeverdienershuishoudens met de zorg voor een jong kind en alleenstaande ouders. Met name bestond binnen alleenverdienershuishoudens geen recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, die gold voor de minstverdienende partner in een tweeverdienershuishouden, die echter wel een arbeidsinkomen had boven een zekere inkomensgrens en voor de alleenstaande ouder met een arbeidsinkomen boven die inkomensgrens. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat de CRvB oog heeft gehad voor meerdere fiscale maatregelen. In zijn brief van 17 juni 2024 heeft de minister bovendien erkend dat de uitleg die de CRvB aan artikel 7a van de AKW heeft gegeven, aansluit bij de doelstelling van de AKW+. Dat de CRvB in eerdere uitspraken wel uitkeringen heeft meegenomen bij de beoordeling van het recht op AKW+ maakt niet dat de CRvB nu niet kan oordelen dat een uitkering niet relevant is voor de beoordeling van het arbeidsinkomen. De CRvB kan de wetsgeschiedenis interpreteren zoals hij dat heeft gedaan, ook als uit latere kamerstukken blijkt dat ‘doorgaans’ met alleenverdieners ook wordt verwezen naar huishoudens die een inkomen uit een uitkering ontvangen. 5.2. Dat de SVB de AKW+ jarenlang onder toezicht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op een andere wijze heeft uitgevoerd, laat onverlet dat de CRvB de bedoeling van de wetgever alsnog anders kan interpreteren dan de uitvoeringspraktijk tot dan toe had gedaan. Wettekst 6. Volgens eiseres volgt uit de uitspraak en uit artikel 7a, tweede lid, van de AKW, niet dat één van de partners arbeidsinkomen moet hebben dat boven het bedrag van €5.547 uitkomt. 6.1. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De CRvB heeft geoordeeld dat alleen recht bestaat op AKW+ als één van de partners een arbeidsinkomen heeft, en de andere partner geen arbeidsinkomen heeft of een arbeidsinkomen onder het grensbedrag heeft. De SVB concludeert hieruit dat het arbeidsinkomen van één partner boven het grensbedrag moet liggen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat juist, omdat alleen in die situatie de zorg voor het kind namelijk tot het missen van de inkomensafhankelijke combinatiekorting leidt. Voor die situatie heeft de wetgever compensatie beoogd. Evenredigheidsbeginsel en andere algemene rechtsbeginselen 7. Artikel 7a, tweede lid, van de AKW is een dwingendrechtelijke bepaling van formele wetgeving. Naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling staan artikel 11 van de Wet algemene bepalingen en het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet in zijn algemeenheid in de weg aan toetsing van een dergelijke bepaling aan algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. In zo’n geval kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven (zogenoemde ‘contra-legemtoepassing’). 7.1. Uit de uitspraak van de CRvB van 18 april 2025 , volgt dat het de wetgever niet heeft kunnen ontgaan dat het gevolg van een dwingendrechtelijke inkomenseis als uit artikel 7a, tweede lid, van de AKW is dat huishoudens die hieraan niet voldoen niet in aanmerking komen voor de betreffende tegemoetkoming. De bepaling kan daarom niet om die reden worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat de SVB tot de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023 een andere uitleg gaf aan de inkomenseis doet niet af aan de verdiscontering door de wetgever dat personen zonder inkomen uit tegenwoordige arbeid geen recht hebben op de AKW+. Discriminatie 8. In algemene zin geldt dat een verschil in behandeling tussen gelijksoortige gevallen discriminerend is als dat verschil niet objectief gerechtvaardigd is. Uit de uitspraak van de CRvB van 18 april 2025 volgt dat bij een huishouden van twee partners met een zorgintensief kind waarbij voor beide partners bevordering van de arbeidsmarktparticipatie niet aan de orde is, omdat één van de partners de intensieve zorg voor het kind draagt en de andere partner vanwege volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid niet meer wordt ingezet op re-integratie op de arbeidsmarkt, er geen redelijke en objectieve rechtvaardiging is om met het oog op AKW+ de eis van een arbeidsinkomen aan zo’n huishouden te stellen. Het hanteren van de inkomenseis leidt in die specifieke situatie naar het oordeel van de CRvB tot discriminatie op grond van discriminatie op grond van handicap in samenhang met leefvorm. Een dergelijke (vergelijkbare) situatie doet zich hier echter niet voor. Immers, zoals de SVB op de zitting heeft vermeld, en niet wordt betwist, is de partner van eiser niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Daarom kan de situatie van eiseres niet worden gelijkgesteld met de situatie die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot de genoemde uitspraak van de CRvB van 18 april 2025. Gelet hierop bestaat ook geen grond voor het oordeel dat het hanteren van de inkomenseis in het geval van eiseres leidt tot discriminatie op grond van handicap in samenhang met leefvorm. 8.1. Eiseres heeft daarnaast betoogd dat ook sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid, omdat partners met bijstand vanaf 2009 gecompenseerd werden voor de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting en eiseres en haar partner niet. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt ook deze beroepsgrond niet, omdat het in deze zaak gaat om de vraag of recht bestaat op AKW+. Verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn 9. Eiseres verzoekt om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het EVRM. 9.1. Als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar maximaal een half jaar en de behandeling van het beroep maximaal anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Tot de omstandigheden die een langere behandelingsduur kunnen rechtvaardigen worden onder meer gerekend de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen. Zulke omstandigheden zich hier niet voor. 9.2. Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Als sprake is van overschrijding van de redelijke termijn moet ook worden beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. 9.3. In deze zaak is het bezwaarschrift ontvangen op 4 maart 2024. Het bestreden besluit is genomen op 26 juni 2024. Het beroepschrift is ontvangen op 6 augustus 2024. Uitgaande van de datum van deze uitspraak heeft de fase van bezwaar en beroep in totaal twee jaar en ruim vier maanden geduurd. Dat is een overschrijding van de redelijke termijn van vier maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 500. De behandeling van het bezwaar is binnen de termijn van zes maanden gebleven. Dat betekent dat de oorzaak van de te lange duur van de procedure in de beroepsprocedure ligt en de overschrijding van de redelijke termijn in het geheel wordt toegerekend aan de Staat. De Staat moet dus de schadevergoeding van € 500 betalen. 9.4. Ook de proceskosten van het verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn moet de Staat betalen. Deze bedragen € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een wegingsfactor 0,5 en een waarde van € 934 per punt). Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten in verband met het ingediende beroep. Wel krijgt zij een schadevergoeding van de Staat van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en een vergoeding van haar proceskosten in verband met het daartoe gedane verzoek ter hoogte van € 467. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van schade aan eiseres tot een bedrag van € 500; -veroordeelt de Staat tot betaling van € 467 aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G. Cornelisse, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.