Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-04-23
ECLI:NL:RBGEL:2026:5079
RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/463827 / KG ZA 26-87 Vonnis in kort geding van 23 april 2026 in de zaak van STICHTING MORECARE CLINICS , statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amersfoort, eisende partij, hierna te noemen: Morecare Clinics, advocaat: mrs. K. Mous, tegen VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V. , statutair gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem, gedaagde partij, hierna te noemen: VGZ, advocaat: mr. T.R.M. van Helmond. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 25, - de conclusie van antwoord met producties A tot en met C, - de aanvullende productie 26 van Morecare Clinics, - de mondelinge behandeling van 2 april 2026,- de pleitnota van Morecare Clinics,- de pleitnota van VGZ. 1.2. Ten slotte is op heden vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort 2.1. MoreCare Clinics drijft een zelfstandig behandelcentrum (hierna: ZBC) in Amersfoort en is gespecialiseerd in chirurgische behandeling van patiënten met ernstig overgewicht (bariatrische chirurgie). Van haar patiënten was in 2025 24,4% verzekerd bij VGZ en in dat jaar heeft zij aan bijna 1.100 verzekerden van VGZ bariatrische zorg verleend. In het ZBC van MoreCare Clinics worden ook ASA 3-classificatie patiënten (hierna: ASA 3 patiënten) geopereerd. MoreCare Clinics heeft met het Meander Ziekenhuis afspraken gemaakt in geval van calamiteiten bij de operaties van deze patiënten. Het Meander Ziekenhuis stelt in dat geval een operatiekamer ter beschikking waar een chirurg van MoreCare Clinics de patiënt dan zal behandelen. Indien een patiënt niet door BMI maar om een andere reden in de ASA 3 classificatie valt, zoals door hartfalen, wordt de operatie niet door MoreCare Clinics gedaan maar wordt de patiënt doorverwezen naar het Flevo Ziekenhuis. 2.2. MoreCare Clinics heeft in de jaren 2023, 2024 en 2025 tevergeefs pogingen gedaan om met VGZ zorgovereenkomsten te sluiten. VGZ heeft de aanvragen steeds afgewezen op grond van haar inkoopbeleid en omdat zij stelt voldoende zorg te hebben ingekocht bij andere zorgaanbieders. Het inkoopbeleid in kwestie houdt in dat VGZ in geval van invasieve ingrepen onder algehele anesthesie alleen met een ZBC contracteert als deze ingrepen uitsluitend plaatsvinden bij patiënten met een ASA 1 of 2 classificatie. Indien dergelijke ingrepen (ook) plaatsvinden bij ASA 3 patiënten wordt slechts gecontracteerd met zorgaanbieders in een ziekenhuissetting met een intensive care op locatie. 2.3. VGZ vergoedt op niet gecontracteerde basis aan haar verzekerden die voor bariatrische zorg van MoreCare Clinics kiezen wel een deel van de behandelingskosten. Bij het bepalen van deze vergoeding ex artikel 13 Zorgverzekeringswet (Zvw) gaat VGZ uit van een gemiddelde van de tarieven die zij met gecontracteerde zorgaanbieders is overeengekomen. Dat gemiddelde minus een korting levert het bedrag van de vergoeding aan de verzekerde op. In de polissen van VGZ is opgenomen dat zij voor het jaar 2026 een vergoedingspercentage van 60-80% van het gemiddeld gecontracteerde tarief toepast. MoreCare Clinics hanteert een coulanceregeling die inhoudt dat zij het deel van de zorgkosten die de verzekerde (ook na een beroep op de hardheidsclausule opgenomen in de polisvoorwaarden van VGZ) niet vergoedt volledig voor haar rekening neemt. 2.4. MoreCare Clinics vordert in dit kort geding primair dat VGZ wordt veroordeeld om een zorgovereenkomst aan te bieden voor 2026 tegen reële en marktconforme voorwaarden, dat wil zeggen op basis van gemiddeld door VGZ gecontracteerde tarieven en met inachtneming van de bestaande capaciteit en omvang van de zorgverlening door Morecare Clinics aan VGZ verzekerden. Subsidiair vordert zij een gebod om (door) te onderhandelen over een dergelijke zorgovereenkomst voor 2026. Tot slot vordert MoreCare Clinics een veroordeling van VGZ tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. De vorderingen van MoreCare Clinics zullen worden afgewezen. Hieronder zal Ook kunnen de redelijkheid en billijkheid op zichzelf geen overeenkomst in het leven roepen maar slechts een bestaande contractuele verhouding inkleuren en van een contractuele verhouding is geen sprake. Van een precontractuele verhouding evenmin omdat partijen nimmer in onderhandeling zijn getreden. Ingrijpen op grond van de redelijkheid en billijkheid kan verder slechts in zeer uitzonderlijke gevallen en van dergelijke omstandigheden is ook geen sprake. Tot slot is de vordering van MoreCare Clinics te onbepaald en in schril contrast met de contractsvrijheid en de regierol van zorgverzekeraars, aldus VGZ. 3.5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De Zvw beoogt onder meer door marktwerking de kwaliteit van de zorg te bevorderen en de kosten van de zorg te beheersen. Aan zorgverzekeraars is in dit verband een regierol toegekend bij het sluiten van overeenkomsten met zorgaanbieders en met consumenten. De wet legt in artikel 11 Zvw aan zorgverzekeraars een zorgplicht op die inhoudt dat de zorgverzekeraar ervoor moet zorgen dat er voldoende zorg beschikbaar is voor de consumenten die bij hem verzekerd zijn. Daartoe koopt de zorgverzekeraar zorg in door het sluiten van zorgovereenkomsten met zorgaanbieders. Bij het inkopen van zorg geldt het uitgangspunt van contractsvrijheid. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders zijn niet verplicht om met elkaar een zorgovereenkomst te sluiten. Zorgverzekeraars hebben dus te maken met zorgaanbieders die wel en die geen zorgovereenkomst met hen hebben gesloten. Zorgverzekeraars bepalen in hun polisvoorwaarden welke vergoeding hun verzekerden ontvangen voor zorg door niet-gecontracteerde zorgaanbieders. Deze vergoeding mag niet zo laag zijn dat dit feitelijk een hinderpaal voor de verzekerden oplevert om zorg van niet-gecontracteerde zorgaanbieders af te nemen (artikel 13 lid 1 Zvw). 3.6. Het stelsel van de wet brengt dus mee dat VGZ als zorgverzekeraar mag bepalen onder welke voorwaarden zij zorgovereenkomsten met zorgaanbieders wil sluiten. Deze voorwaarden vormen het inkoopbeleid van VGZ. Onderdeel van het inkoopbeleid van VGZ is het niet contracteren met ZBC’s die buiten een “ziekenhuissetting” ASA 3 patiënten opereren. Dit beleid strekt volgens VGZ tot het waarborgen van de veiligheid van haar verzekerden omdat bij de ASA 3 patiënten sprake is van een verhoogd operatie-risicoprofiel met kans op levensbedreigende complicaties. Als dan op locatie geen intensive care aanwezig is, moet een patiënt worden overgeplaatst van een ZBC naar een ziekenhuis wat leidt tot tijdverlies, aldus VGZ. Niet in geschil is dat inkoopbeleid en het uitvoeren daarvan objectief, transparant en non-discriminatoir moet zijn. Waar het daarbij om gaat is dat de regels voor iedere zorgaanbieder duidelijk moeten zijn en op iedere zorgaanbieder -of het nu gaat om een bestaande of om een nieuwe speler op de markt- gelijk moeten worden toegepast. Uit de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat daaraan in het gegeven geval is voldaan. Weliswaar voert MoreCare Clinics aan dat het inkoopbeleid daarnaast “uitlegbaar” moet zijn maar dit is door VGZ gemotiveerd weersproken en deze stelling vindt ook geen steun in de wet of jurisprudentie. Ook zou VGZ volgens MoreCare Clinics haar inkoopbeleid inconsistent toepassen. Volgens haar contracteert VGZ namelijk wel met ziekenhuizen die op hun buitenpoli’s ASA 3 patiënten behandelen, wat vergelijkbaar is met een ZBC, en waar dus ook geen intensive care op locatie beschikbaar is. Zij heeft dit echter niet met stukken onderbouwd en volstaan met een kale stelling op dit punt. VGZ heeft dit betoog vervolgens gemotiveerd weersproken en zij stelt er streng op toe te zien dat dit beleid wordt nageleefd. Verder voert zij aan dat voor zover een gecontracteerde partij in strijd handelt met dit beleid die partij daarop moet worden aangesproken, maar dat zij niet weet op welke gecontracteerde partij(en) MoreCare Clinics doelt. MoreCare Clinics heeft ook niet uit de doeken gedaan over welke g Bij schending van de zorgplicht ligt het weliswaar voor de hand om aan te nemen dat VGZ verplicht is om financiële maatregelen te treffen om verzekerden toch zorg te laten ontvangen, maar dat betekent niet per definitie dat zij verplicht is om een overeenkomst te sluiten met een specifieke zorgaanbieder, laat staan dat zij wordt verplicht om die overeenkomst te sluiten met MoreCare Clinics. Hierin kan dan ook geen grondslag worden gevonden voor (toewijzing van) de primaire vordering van MoreCare Clinics. 3.9. Ook is niet aannemelijk geworden dat de vergoeding die VGZ nu op grond van artikel 13 Zvw betaalt, leidt tot een onrechtmatige toestand ten opzichte van MoreCare Clinics (die ongedaan gemaakt zou moeten worden door het aanbieden van een zorgovereenkomst). Volgens MoreCare Clinics ervaren verzekerden door de (volledige) coulanceregeling die zij hanteert weliswaar geen hinderpaal, maar volgt uit schakeljurisprudentie van de Hoge Raad over het hinderpaalcriterium dat dit niet betekent dat onder de gegeven omstandigheden geen sprake kan zijn van onrechtmatig handelen door de zorgverzekeraar richting de zorgaanbieder. Daarbij wijst zij er op dat VGZ een beroep op de hardheidsclausule standaard afwijst juist omdat MoreCare Clinics een coulanceregeling hanteert. MoreCare Clinics voert daarover verder aan dat zij die coulanceregeling louter in het leven heeft geroepen vanwege de weigering van VGZ om te contracteren en dat deze regeling een jaarlijkse kostenpost oplevert van bijna drie miljoen euro. Dit – aldus nog steeds MoreCare Clinics – is voor haar niet vol te houden maar zij kan deze regeling ook niet afschaffen omdat VGZ verzekerden dan zullen wegblijven vanwege de hoge kortingen die VGZ toepast. Vaststaat dat VGZ over 2026 in haar polissen een vergoedingspercentage van 60-80% van het gemiddeld gecontracteerde tarief hanteert en dat dit in beginsel is toegestaan. Volgens MoreCare Clinics is hier evenwel sprake van duurdere vormen van zorg en kan het hinderpaalcriterium dan aan het gebruik van een generiek kortingspercentage in de weg staan. VGZ stelt daar tegenover dat het gehanteerde generieke vergoedingspercentage op zichzelf geoorloofd is. Verder voert zij aan dat zij een hardheidsclausule hanteert die ertoe strekt maatwerk te leveren. Van een feitelijke hinderpaal is dan geen sprake. Bij de hinderpaaltoets moet bovendien de coulanceregeling van MoreCare Clinics worden meegewogen. VGZ betwist dat MoreCare Clinics de huidige coulanceregeling moet hanteren om VGZ-verzekerden aan te trekken. MoreCare Clinics ook kan kiezen voor een gedeeltelijke in plaats van een volledige coulance, zoals ook andere niet gecontracteerde zorgaanbieders doen. Niet is gebleken dat VGZ verzekerden ook bij een gedeeltelijke coulance niet voor MoreCare Clinis zullen kiezen. Ook voert VGZ aan dat MoreCare Clinics bedrijfseconomisch niet onevenredig afhankelijk is van VGZ. Dat sprake is van een schending van artikel 13 Zvw die onrechtmatig is ten opzichte van MoreCare Clinics is, gelet op dit gemotiveerde verweer van VGZ, onvoldoende aannemelijk geworden. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad over het hinderpaalcriterium volgt immers dat een coulanceregeling, zoals die door MoreCare Clinics nu wordt gehanteerd, kan worden betrokken bij de vraag of verzekerden een hinderpaal ervaren. Niet in geschil is dat die hinderpaal gelet op die volledige coulanceregeling van MoreCare Clinics door verzekerden nu niet wordt ervaren. Dat ondanks het ontbreken van een hinderpaal voor verzekerden toch een onrechtmatige toestand op grond van het hinderpaalcriterium kan ontstaan jegens MoreCare Clinics vindt – in tegenstelling tot wat MoreCare Clinics aanvoert – geen bevestiging in de aangehaalde schakeljurisprudentie. In elk geval is er ook niets waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verzekerden van VGZ wegblijven als MoreCareclinics geen coulanceregeling zou hebben. Dan komt immers ook de hardheidsclausule in beeld, waar dan (wel) een beroep kan worden gedaan. Die