Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-05-08
ECLI:NL:RBGEL:2026:4486
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/5532 uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 maart 2024. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.472.266 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 307.419. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 334.141 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en € 892.195 revisierente in rekening gebracht (de revisierentebeschikking). De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang gehandhaafd. De belastingrentebeschikking is vastgesteld op € 322.532 en de revisierentebeschikking is verminderd tot € 778.817. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Bij de zitting is, met kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. Feiten Belanghebbende was tot 15 november 2019 enig aandeelhouder en bestuurder van [beheermaatschappij] B.V. (Beheermaatschappij). In het dossier is een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van “[beheermaatschappij] B.V.” opgenomen (vervaardigd op 20-9-2024) met als nummer [nummer 1]. Daarin is de volgende passage opgenomen: “Op 21-10-1997 is geregistreerd dat de onderneming is m.i.v. 01-10-1997 verplaatst naar het adres: [locatie], [postcode] [plaats].Ressorteert onder district van de Kamer van Koophandel te Gooi-, Eem- en Flevoland.” Als handelsnaam staat vermeld: [beheermaatschappij] B.V. 3. In het dossier is een uittreksel uit het handelsregister onder nummer [nummer 2] opgenomen van Beheermaatschappij (vervaardigd op 20-9-2024). Daarin is als handelsnaam “[naam bedrijf]” vermeld en als statutaire naam “[beheermaatschappij] B.V.” vermeld en een RSIN-nummer [RSIN-nummer]. Daarin is de volgende passage opgenomen: “Op 22-11-2019 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 15-11-2019.” 4. Op 20 november 2019 heeft de Kamer van Koophandel een door belanghebbende ingevuld en ondertekend formulier 17a ontvangen. Volgens dit formulier is “[naam bedrijf]” met nummer [nummer 2] op 15 november 2019 ontbonden wegens het ontbreken van baten. Per 22 november 2019 is Beheermaatschappij uitgeschreven uit het handelsregister. Als bewaarder van de boeken en bescheiden heeft belanghebbende zichzelf aangewezen. 5. In de jaarrekeningen en jaarverslagen 2009, 2011 en 2013 van Beheermaatschappij die bij de Kamer van Koophandel zijn ingediend staat het nummer [nummer 2] vermeld. 6. In de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2019 van Beheermaatschappij is per november 2019 de volgende vermogensopstelling opgenomen: Activa Passiva Overige financiële vaste activa € 6.304.157 Gestort en opgevraagd kapitaal € 2.900.768 Overige vorderingen € 266.493 Voorziening voor lijfrente, stamrecht en pensioen € 3.664.880 Liquide middelen € 4 Schulden aan leveranciers en handelskredieten € 5.006 Totaal Activa € 6.570.654 € 6.570.654 7. De balanspost "voorziening voor lijfrente, stamrecht en pensioen" van € 3.664.880 bestaat uit een stamrechtverplichting en een pensioenverplichting ten behoeve van belanghebbende. De stamrechtverplichting is op de commerciële balans van Beheermaatschappij gewaardeerd op € 566.893. De fiscale waarde van de pensioenverplichting bedraagt € 3.097.987. De co De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van prijsgeven van de pensioenaanspraak en de stamrechtverplichting. Belanghebbende heeft de ontbinding van Beheermaatschappij zelf geïnitieerd door formulier 17a bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel in te dienen. “[naam bedrijf] B.V.” komt niet voor in het handelsregister en kan daardoor niet zijn ontbonden. Dat Beheermaatschappij ook stond ingeschreven onder het nummer [nummer 1] doet niets af aan het voorgaande. De inspecteur is verder van mening dat sprake is van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. 18. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is Beheermaatschappij opgehouden te bestaan? 19. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht stelt dat Beheermaatschappij door belanghebbende is ontbonden. Tot de stukken van het geding (bijlage 21 bij het verweerschrift) behoort een formulier 17a dat bij de Kamer van Koophandel kan worden ingediend om door te geven dat een rechtspersoon is ontbonden. Uit het formulier volgt dat het formulier op 20 november 2019 is binnengekomen bij de Kamer van Koophandel en op 22 november 2019 is ingeschreven in het Handelsregister. Het formulier staat op naam van [naam bedrijf] met nummer [nummer 2]. In het formulier staat dat de rechtspersoon is ontbonden op 15 november 2019 en dat er geen baten zijn. Belanghebbende is vermeld als bewaarder van de boeken en heeft het formulier ondertekend. De stelling van belanghebbende dat niet Beheermaatschappij maar [naam bedrijf] is ontbonden wordt verworpen, omdat [naam bedrijf] de handelsnaam van Beheermaatschappij is, met het nummer [nummer 2]. [naam bedrijf] en Beheermaatschappij zijn dezelfde entiteiten. De ontbinding van “[naam bedrijf]” is dus tevens de ontbinding van Beheermaatschappij. Dat Beheermaatschappij ook onder nummer [nummer 1] bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven is niet relevant, omdat dit nummer al in 1997 is uitgeschreven, onder dit nummer geen activiteiten bekend zijn en waren en het formulier 17a betrekking heeft op nummer [nummer 2]. Tenslotte is van belang dat in de jaarrekeningen en jaarverslagen nummer [nummer 2] expliciet staat vermeld en belanghebbende er zelf kennelijk ook vanuit ging dat Beheermaatschappij was ontbonden, omdat voor de jaren na 2019 door Beheermaatschappij geen aangiften vennootschapsbelasting meer zijn ingediend. Zijn de pensioenaanspraak en de aanspraak op een stamrechtuitkering terecht als inkomen uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking genomen? 20. Op grond van artikel 38n, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) blijft onder meer artikel 19b, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, zoals die artikelen luidden op 31 december 2016 van toepassing. 21. Artikel 19b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) luidt als volgt (tekst 2016): “Ingeval op enig tijdstip: a. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling niet langer als zodanig is aan te merken; b. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt; c. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b, wordt prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is; d. de zekerheidstelling wordt beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich op grond van artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, heeft verplicht deze zekerheid te stellen; wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van De onttrekking vindt dan plaats op het moment van dit prijsgeven. Indien de vennootschap ook zonder die betrekkingen zulke rechten zou hebben prijsgegeven, maar tot een lager bedrag, vindt slechts een onttrekking plaats voor zover het prijsgegeven bedrag dit lagere bedrag overtreft. 3.4.4 Indien en voor zover een onttrekking als hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 bedoeld kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, kan zij onder omstandigheden een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder zijn. Die vereiste omstandigheden zijn: (a) dat de vermogensverschuiving naar de aandeelhouder is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen, en (b) dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling. Dit laatste vereiste strekt zich niet uit tot de exacte omvang van het bedrag van die vermogensverschuiving. 3.4.5 De inspecteur die zich op het standpunt stelt dat een winstuitdeling heeft plaatsgevonden, zal de feiten en omstandigheden moeten stellen en – in geval van betwisting – aannemelijk moeten maken die meebrengen dat en in hoeverre een bedrag definitief is onttrokken aan het vermogen van de vennootschap en dat bovendien is voldaan aan de hiervoor in 3.4.4 vermelde vereisten. (…). 29. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag een bedrag van € 193.322 als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen, omdat belanghebbende geen rente heeft betaald over zijn schuld van € 4.598.233 aan Beheermaatschappij, terwijl een rentepercentage van 5% is overeengekomen. De rente is ook niet door Beheermaatschappij in de aangifte 2019 tot de baten gerekend. 30. De bestuurder heeft in het formulier 17a vermeld dat Beheermaatschappij geen baten meer heeft, terwijl de inspecteur stelt dat Beheermaatschappij nog wel nog recht had op een rentevergoeding ten bedrage van € 193.322. Het vermoeden is dan gerechtvaardigd dat het recht op de rentevergoeding is prijsgegeven voorafgaand aan de ontbinding en daarom geen bate meer bestond ten tijde van het besluit tot ontbinding door middel van formulier 17a. Belanghebbende heeft niets gesteld dat dit vermoeden ontzenuwt. De aandeelhouder, te weten belanghebbende, is hierdoor bevoordeeld. Gelet op het feit dat de overeenkomst met daarin onder meer het rentepercentage, is gesloten tussen de vennootschap en belanghebbende, is aannemelijk dat zowel belanghebbende als Beheermaatschappij zich van de bevoordeling bewust moeten zijn geweest. Belanghebbende heeft dit overigens ook niet betwist. Omdat sprake is van voldoende winstreserves, is sprake van een winstuitdeling en daarmee van een voordeel uit aanmerkelijk belang. De stelling dat de prijsgegeven rechten dienen te worden verrekend met de vordering in rekening-courant die Beheermaatschappij op belanghebbende heeft, kan belanghebbende niet baten. Juist door de (mogelijkheid van) verrekening is de schuld namelijk voor verwezenlijking vatbaar, zodat de correctie ook juist is als wordt verrekend met de schuld. Daarbij is van belang dat niet bruto dient te worden verrekend, maar netto. De tegen deze correctie gerichte beroepsgronden falen daarom. Belastingrente 31. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Conclusie en gevolgen 32. Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2019, de revisierentebeschikking (na vermindering in bezwaar) en de belastingrentebeschikking is ongegrond. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. F.M. Smit en mr. J.J. Westerbaan, leden, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. Uitgesproken op 8 mei 2026. De uitspraak is aan partijen beken