Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-06-01
ECLI:NL:RBGEL:2026:4311
Voorlopige voorziening, beroep gegrond, urgentieverklaring, zelfstandig wonen geen afwijzingsgrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 26/1701 en ARN 26/2266 uitspraak van de voorzieningenrechter van op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (gemachtigde: M.M.J. de Vries). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verklaring van woonurgentie. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag onterecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen. De voorzieningenrechter neemt zelf een beslissing en bepaalt dat de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring wordt toegewezen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het bestreden besluit. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Procesverloop 2. Eiseres had woonruimte als onderdeel van een zorgovereenkomst. Na beëindiging van deze overeenkomst is zij bij haar moeder in een seniorenwoning gaan wonen. Zij heeft een aanvraag gedaan voor een verklaring van woonurgentie. Nadat de verhuurder van deze woning heeft aangegeven dat eiseres daar niet mag verblijven, leidt zij vanaf 12 januari 2026 een zwervend bestaan en verblijft zij afwisselend bij verschillende kennissen. 2.1. De urgentiecommissie heeft deze aanvraag met het besluit van 25 november 2025 afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 2.2. Met het bestreden besluit van 4 maart 2026 op het bezwaar van eiseres heeft het college de afwijzing gehandhaafd, met een aangepaste motivering. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. 2.4. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de gronden van eiseres of het college het bestreden besluit op goede gronden heeft genomen. Het beoordelingskader 3.1. Het college heeft in de Huisvestingsverordening gemeente Arnhem 2024 (Verordening) en het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (Reglement) bepaald wanneer iemand in aanmerking kan komen voor een verklaring van woonurgentie. 3.2. In het vierde lid van artikel 10 van Verordening is bepaald: Het college van burgemeester en wethouders kan een noodurgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt, indien deze noodsituatie: a. niet door betrokkene zelf is veroorzaakt of kon worden voorkomen; b. niet door betrokkene zelf kan worden opgelost; en c. zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze situatie langer dan 4 maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van de aanvraag om een urgentieverklaring. 3.2. In artikel 20 van het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (Reglement) is bepaald: Er is sprake van een persoonlijke noodsituatie als: - het probleem een directe relatie heeft met de woning of de woonomgeving. Een (andere) woning in de woningmarktregio moet een oplossing zijn voor de huidige noodsituatie, - de huidige woning niet geschikt is (te maken) om het probleem, waarin het huishouden verkeert, te verhelpen, en - de noodsituatie zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van behandeling van de aanvraag om een urgentieverklaring. In artikel 20, onder a, van het Reglement is bepaald wanneer er sprake is van eigen verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de woonnoodsituatie, die in de weg staat aan verlening van urgentie. Het bestreden besluit 4. Het college heeft de aanvraag afgewezen. Er is sprake van een woonnoodsituatie, maar eiseres kan volgens het college niet zelfstandig wonen. Een eigen woning is dan ook geen oplossing voor haar woonnoodsituatie. Het college verwijst naar de adviseur van bureau Leijten &Van Hoek. Volgens de adviseur heeft eiseres hulp nodig van een instelling en zijn er sterke twijfels aan haar zelfredzaamheid, vanwege slechte zelfzorg. Eiseres heeft nooit zelfstandig gewoond en er is geen objectieve informatie van dat zij dit wel zou kunnen. Eiseres is gediagnosticeerd met epilepsie en een autisme spectrum stoornis. Het college heeft dit besluit genomen op basis van artikel 10, vierde lid, van de Verordening en artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement. Is er sprake van eigen verantwoordelijkheid voor het woonnoodprobleem? 5. Eiseres acht het, gelet op de verwijzing in het bestreden besluit naar artikel 20, onder a van het Reglement, onduidelijk of haar eigen verantwoordelijkheid wordt tegen geworpen. Uit de motivering van het bestreden besluit lijkt namelijk te volgen dat hier geen sprake meer van is. 5.1. De voorzieningenrechter begrijpt uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting dat het college stelt dat eiseres niet zelfstandig kan wonen en dat daarom geen urgentie wordt verleend. Haar wordt niet tegengeworpen dat zij zelf verantwoordelijk is voor het woonnoodprobleem. Is het vereiste om zelfstandig te wonen een weigeringsgrond? 6. Eiseres stelt dat het criterium om in staat te zijn zelfstandig te kunnen wonen niet volgt uit artikel 10, vierde en vijfde lid, van Verordening of artikel 20 van het Reglement. Dit kan haar dan ook niet worden tegengeworpen. In het bestreden besluit blijkt dat er geen andere afwijzingsgronden zijn. Zij verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 oktober 2020. 6.1. Het betoog van eiseres slaagt. In de aanhef van artikel 20 van het Reglement is bepaald wanneer er sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres zich in een woonnoodsituatie bevindt. Vervolgens worden onder artikel 20, a tot en met g, van het Reglement nadere beoordelingsaspecten gegeven. Gelet op de redactie van dit artikel ligt het niet voor de hand dat bedoeld is om in de aanhef, waarin de beoordelingscriteria gegeven zijn voor een persoonlijke noodsituatie, ook een impliciete weigeringsgrond op te nemen als er sprake is van een woonnoodsituatie. De voorzieningenrechter ziet in de tekst van het Reglement en de toelichting geen aanknopingspunt voor dit standpunt van het college. Verder is van belang dat het college verwijst naar het eerste beoordelingscriterium: “Er is sprake van een persoonlijke noodsituatie als het probleem een directe relatie heeft met de woning of woonomgeving. Een (andere) woning in de woningmarktregio moet een oplossing zijn voor de huidige noodsituatie.” Voor eiseres bestaat ‘het probleem’ en de woonnoodsituatie er uit dat zij momenteel geen vast verblijf heeft. Een woning is een oplossing daarvoor. De voorzieningenrechter ziet in dit kader geen aanknopingspunt voor het standpunt van het college dat de (eventuele) begeleidingsbehoefte van eiseres onderdeel is van ‘het probleem’ en de woonnoodsituatie. 6.2. Dit betekent dat het beroep van eiseres gegrond is. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van eiseres geen bespreking. 6.3.