Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-07
ECLI:NL:RBGEL:2026:43
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/9397 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser] in zijn hoedanigheid als executeur-testamentair in de nalatenschap van [persoon A] , voorheen wonende te [plaats], eiser, en het CAK (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om herziening van de eigen bijdrage over 2022 op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) die wijlen [persoon A] (hierna: [persoon A]) aan het CAK verschuldigd was. Eiser is het daar niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CAK het verzoek van eiser terecht heeft afgewezen . Eiser krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 20 juli 2024 het CAK verzocht om terug te komen van het besluit van 3 maart 2023. Bij dit besluit is de eigen bijdrage op grond van de Wlz met ingang van 1 januari 2022 vastgesteld op € 2.506 per maand. Het CAK heeft dit verzoek met het besluit van 6 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 december 2024 op het bezwaar van eiser is het CAK bij de afwijzing van dit verzoek gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van het CAK deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. De rechtbank stelt vast dat het navolgende tussen partijen niet in geschil is. 3.1. Na een hersenbloeding in het najaar van 2017 en een daarop volgende revalidatie is [persoon A] vanaf januari 2018 tot haar overlijden op 17 april 2024 opgenomen geweest in een verpleeginstelling. Het CAK heeft in deze periode bij [persoon A] een eigen bijdrage voor de zorg in deze instelling in rekening gebracht. Per 20 september 2020 is het zorgprofiel op basis waarvan de zorg is geleverd, gewijzigd van 4 VV naar 6 VV. 3.2. Vanwege een testamentaire bepaling in het testament van de vooroverleden echtgenoot van [persoon A] is eiser (die fiscaal adviseur van deze echtgenoot is geweest), in samenspraak met [persoon A] en haar stiefdochters, in 2022 overgegaan tot (verdere) voldoening van de vorderingen op [persoon A] van haar stiefdochters, in hun hoedanigheid van overige erfgenamen van de vooroverleden echtgenoot van [persoon A]. Een van de stiefdochters had daarom verzocht bij brief van 7 juli 2022 van notariskantoor [naam kantoor]. In deze brief aan [persoon A] staat onder meer dat, nu zij ‘reeds enige tijd in een WLZ instelling [is] opgenomen, bovendien, op grond van een redelijke uitleg van het testament van uw echtgenoot, de vorderingen opeisbaar [zijn] geworden’.Door eiser waren al eerder (in maart 2019) namens [persoon A] voorschotten op de vorderingen uit de nalatenschap aan de stiefdochters uitgekeerd, voor in totaal een bedrag van € 773.815.De uit de vorderingen van de stiefdochters voortvloeiende schulden van [persoon A] zijn in overleg met de Belastingdienst voor het eerst opgenomen in de belastingaangifte van [persoon A] over 2021. Daardoor beliep haar inkomen in box 3 over dat jaar en over 2022 nihil. Dat is door de Belastingdienst aan het CAK gecommuniceerd. Tot de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot van [persoon A] behoorden onder meer de aandelen in de beleggingsmaatschappij [naam beleggingsmaatschappij]. Na de liquidatie van deze vennootschap per 31 december 2022 is eiser, volgens zijn brief van 21 december 2022 aan de stiefdochters van [persoon A], overgegaan tot uitbetaling van wat hij in deze brief aanduidt als een dividenduitkering ad (in totaal) € 933.458 aan de stiefdochters. Uit de door eiser in bezwaar overgelegde foto’s van de bankrekening van [persoon A] blijkt dat de bedragen samenhangend met de dividenduitkering op 6 januari 2023 daadwerkelijk zijn afges Het geschil beperkt zich tot de vraag of het CAK het verzoek om het besluit van 3 maart 2023 waarbij de hoge eigen bijdrage over 2022 is vastgesteld op € 2.506 per maand vanaf januari 2022 te herzien terecht heeft afgewezen. 5.1. Eiser stelt zich (primair) op het standpunt dat op [persoon A] de verplichting rustte om de vorderingen aan haar stiefdochters wegens de bij het testament van haar echtgenoot gedane overbedeling te voldoen en wel vanaf de wijziging van de grondslag van het zorgprofiel per 25 september 2020, omdat de vorderingen vanaf dat moment onmiddellijk opeisbaar werden. Daardoor konden de stiefdochters vanaf dat moment betaling verlangen van hun vorderingen. Doordat de vorderingen rentedragend waren, is de schuld die wijlen [persoon A] op dat moment aan haar stiefdochters had, opgelopen tot boven het bedrag dat wijlen [persoon A] aan vermogen had. Anders gezegd, per 25 september 2020 had wijlen [persoon A] alleen nog een klein inkomen bestaande uit een AOW-uitkering en een aantal pensioentjes. Door het CAK is dan ook ten onrechte de hoge eigen bijdrage (die meer bedraagt dan dat inkomen) in rekening gebracht vanaf januari 2022. Het vanwege de liquidatie van [naam beleggingsmaatschappij]. in 2022 aan de stiefdochters overgedragen dividend is fiscaal gezien aan te merken als inkomen uit box 2, waarover ook belasting is geheven, maar behoorde niet tot het vermogen van [persoon A]. De facturen voor de eigen bijdrage zijn voldaan door haar stiefdochters. 5.2. Het CAK stelt zich op het standpunt dat de eigen bijdrage die vanaf januari 2022 in rekening is gebracht juist is. Voor de vaststelling daarvan is het CAK uitgegaan van de inkomensgegevens die van de Belastingdienst zijn ontvangen. Het CAK mag het inkomen dat vanuit box 2 is genoten niet buiten beschouwing laten, ook al rustte op [persoon A] een testamentaire plicht om de vorderingen die haar stiefdochters op haar hadden te voldoen. Bovendien is het (in aanmerking te nemen) inkomen over 2022 hoger geweest dan het inkomen over 2020, zodat ook om die reden niet tot peiljaarverlegging overgegaan kan worden. Beoordeling door de rechtbank 6. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om de beoordeling van de afwijzing van een herzieningsverzoek. Eiser heeft het CAK immers verzocht om terug te komen van het besluit van 3 maart 2023 waarbij de hoge eigen bijdrage over 2022 is vastgesteld, terwijl tegen dat besluit geen bezwaar (en beroep) is ingesteld. 6.1. Als een belanghebbende een bestuursorgaan verzoekt om terug te komen van een besluit waartegen geen rechtsmiddelen meer openstaan, dan kan het bestuursorgaan ertoe overgaan inhoudelijk te beslissen op dat verzoek. In het geval van eiser heeft het CAK inhoudelijk beslist op het herzieningsverzoek. Dat betekent dat de beslissing niet moet worden gezien als een weigering om terug te komen van het eerdere besluit. Het betekent ook dat de bestuursrechter de beslissing op het verzoek inhoudelijk (en niet terughoudend) moet toetsen. Heeft het CAK de hoogte van de eigen bijdrage, die per januari 2022 verschuldigd was, op juiste wijze vastgesteld? 7. Deze vraag beantwoordt de rechtbank met ‘ja’. Dit antwoord licht de rechtbank hierna toe. 7.1. In de artikelen 3.3.1.1. en volgende van het Blz is dwingend voorgeschreven op welke wijze en aan de hand van welke gegevens het CAK de hoogte van de eigen bijdrage vaststelt. Kort gezegd dient het CAK uit te gaan van de inkomensgegevens zoals die door de Belastingdienst worden verstrekt. Als deze inkomensgegevens niet kloppen, dan zal de betrokkene bij de Belastingdienst om een aanpassing moeten verzoeken. De toepasselijke regels schrijven (kort gezegd) voor dat niet alleen rekening wordt gehouden met het inkomen van een betrokkene, maar ook met (een gedeelte van) diens vermogen. Voor wat daarbij onder vermogen moet worden verstaan is leidend het belastbaar inkomen uit hoofde van de Wet inkomstenbelasting 2001. De inkomensgegevens bestaan uit het verzamel inkomen en het vermogen (be Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage bij de uitspraak – regelgeving per 1 juli 2024 Besluit langdurige zorg Artikel 3.3.1.1 1. De verzekerde van achttien jaar of ouder draagt bij in de kosten van de zorg. 2 De eigen bijdrage is mede afhankelijk van het inkomen en het vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot. Artikel 3.3.1.2 1. Het vermogen van een persoon is zijn vermogensgrondslag, bedoeld in het tweede of derde lid, waarvan de volgende vermogensbestanddelen worden afgetrokken: a. op aanvraag van de verzekerde, het bedrag ter grootte van door de verzekerde in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die bij ministeriële regeling van Onze Minister of Onze Minister van Financiën krachtens artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn aangewezen; b. voor de toepassing van artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel c, en artikel 3.3.2.4, eerste lid, een bedrag van € 10.850 voor de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en van € 10.850 voor zijn echtgenoot die: 1°. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, of 2°. de pensioengerechtigde leeftijd niet heeft bereikt en geen bijdrage als bedoeld in artikel 3.3.2.1, eerste lid, of artikel 3.3.2.2, eerste of tweede lid, dan wel artikel 3.11, eerste lid, of artikel 3.12, eerste of tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verschuldigd is, met dien verstande dat het vermogen ten minste nihil bedraagt. 2 De vermogensgrondslag van een persoon is zijn rendementsgrondslag aan het begin van het peiljaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het voor dat jaar van toepassing zijnde bedrag in artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001. 3 In afwijking van het tweede lid is de vermogensgrondslag van een persoon in geval artikel 3.3.2.3, tweede lid, artikel 3.3.2.4, tweede lid, of artikel 3.3.2.5 van toepassing is, de te verwachten rendementsgrondslag over het lopende jaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag in artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001. 4 Het deel van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dat de vermogensgrondslag van de persoon overtreft, wordt voor zijn echtgenoot als vermindering toegepast. 5 Bij ministeriële regeling kan een periode worden vastgesteld gedurende welke het bedrag van een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan worden afgetrokken, welke periode kan verschillen per uitkering. Artikel 3.3.1.3 1. De verzekerde is de eigen bijdrage verschuldigd aan het CAK. 2 De verzekerde betaalt de eigen bijdrage binnen dertig dagen nadat het CAK het besluit bekend heeft gemaakt waarbij vastgesteld is of en in welke omvang de verzekerde een eigen bijdrage verschuldigd is, tenzij dat besluit een later tijdstip vermeldt. 3 Het CAK is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op de verzekerde met vorderingen van of op de verzekerde krachtens de wet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Wet m