Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-21
ECLI:NL:RBGEL:2026:3970
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,126 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3970 text/xml public 2026-05-28T18:00:31 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-21 C/05/466495 / FA RK 26/1645 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3970 text/html public 2026-05-20T16:28:17 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3970 Rechtbank Gelderland , 21-05-2026 / C/05/466495 / FA RK 26/1645 Klachtzaak op grond van artikel 10:7 Wvggz. De klachten van verzoeker worden ongegrond verklaard. De klachten betreffen het toedienen van ophogen van medicatie, het verplicht insluiten en houden van toezicht en een overplaatsingsverzoek. Voldoende is toegelicht dat het verplicht toedienen van medicatie noodzakelijk en doelmatig is. De rechtbank beoordeelt de hoogte van de medicatie niet, omdat daarover in het huidige besluit niets is vermeld. Het besluit is wel erg beperkt gemotiveerd, maar de rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren. Ook voor verplicht insluiten en toezicht was voldoende grondslag. De rechtbank is, met de geneesheer-directeur, van oordeel dat een overplaatsing in dit geval niet doelmatig is. Ook geldt als uitgangspunt dat behandeling plaatsvindt binnen de eigen regio. RECHTBANK GELDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Arnhem Zaaknummer: C/05/466495 / FA RK 26/1645 Datum uitspraak: 21 mei 2026 beschikking over een beroep in de zin van artikel 10:7 Wet op de geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) op het ingediende verzoekschrift van [naam verzoeker] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteland] , hierna te noemen verzoeker, wonend in [woonplaats] , advocaat mr. A. van den Berg in Arnhem. ter verkrijging van een beslissing over een klacht die betrokkene op 26 februari 2026 heeft ingediend bij de klachtencommissie van Pro Persona (hierna: de klachtencommissie). Als verweerder wordt aangemerkt de zorgaanbieder Pro Persona in Wolfheze, hierna te noemen: Pro Persona. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met producties, bij de griffie van deze rechtbank ontvangen op 24 april 2026; de uitspraak van de klachtencommissie van 13 maart 2026. 1.2. De zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026 op het terrein van Pro Persona. 1.3. Tijdens de zitting heeft de rechtbank de volgende personen gehoord: verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat; dhr. [psychiater] , als psychiater verbonden aan Pro Persona; dhr. [geneesheer-directeur] , geneesheer-directeur van Pro Persona. 1.4. De advocaat van verzoeker heeft tijdens de zitting nadere stukken overgelegd. 2 De feiten 2.1. Bij beschikking van deze rechtbank van 19 februari 2026 is voor verzoeker een aansluitende zorgmachtiging voor toepassing van verplichte zorg verleend die geldig is tot en met 19 februari 2027. In de zorgmachtiging zijn, voor zover hier van belang, onder meer de vormen ‘het toedienen van medicatie’, ‘insluiten’ en ‘uitoefenen van toezicht op betrokkene’ en ‘opnemen in een accommodatie’ opgenomen. 2.2. Op 19 februari 2026 heeft de instelling een beslissing genomen tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie, het insluiten, het uitoefenen van toezicht en het opnemen in een accommodatie en dit aan verzoeker kenbaar gemaakt. 2.3. Verzoeker heeft 26 februari 2026 een klacht ingediend bij de klachtencommissie tegen de verplichte toediening van de medicatie, de insluiting in de EBK en het houden van toezicht. Ook heeft verzoeker geklaagd over de afwijzing van zijn verzoek tot overplaatsing. De klachtencommissie heeft deze klachten ongegrond verklaard in haar uitspraak van 13 maart 2026. 3 De beoordeling 3.1. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak van de klachtencommissie van 13 maart 2026. Hij verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad: de klacht ten aanzien van de ophoging van de medicatie gegrond te verklaren en de geneesheer-directeur opdracht geven tot het onderzoeken of een lagere dosis medicatie toereikend is op grond van artikel 10:10 lid 3 Wvggz; de klacht ten aanzien van de verplichte insluiting en het houden van toezicht alsnog (inhoudelijk) gegrond te verklaren; aan verzoeker een schadevergoeding op grond van artikel 10:11 Wvggz toe te kennen ten laste van de zorgaanbieder. Ontvankelijkheid 3.2. Op grond van artikel 10:7 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) kan verzoeker een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klacht. Dat verzoek moet worden gedaan uiterlijk binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan betrokkene is medegedeeld. 3.3. De rechtbank stelt vast dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat zijn verzoekschrift binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz genoemde termijn is ingediend. Inhoudelijke beoordeling 3.4. De Wvggz geeft in artikel 10:3 een limitatieve opsomming van beslissingen waartegen een klacht kan worden ingediend. De klacht van betrokkene heeft betrekking op beslissingen die vallen onder deze limitatieve opsomming. De klacht gaat namelijk over het toepassen van verplichte zorg, meer specifiek het toedienen van medicatie, het insluiten en het uitoefenen van toezicht. Daarnaast gaat de klacht over het afwijzen van het verzoek tot overplaatsing. Deze beslissingen vallen onder respectievelijk artikel 8:9 en artikel 8:16 lid 1 van de Wvggz, die in artikel 10:3 zijn genoemd. 3.5. Op basis van de overgelegde stukken en de toelichting tijdens de zitting ziet de rechtbank geen aanleiding om de klachten gegrond te verklaren. Zij legt hierna uit waarom. 3.6. Op grond van artikel 8:9 Wvggz mag de zorgverantwoordelijke ter uitvoering van de zorgmachtiging een beslissing nemen tot het verlenen van verplichte zorg. De zorgverantwoordelijke kan dit alleen doen als hij zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene, met betrokkene over de voorgenomen beslissing overleg heeft gevoerd en, voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur. Bij de uitvoering van een zorgmachtiging worden van de verplichte zorg de proportionaliteit en subsidiariteit, waaronder begrepen de verplichte zorg in ambulante omstandigheden, alsmede de doelmatigheid en veiligheid beoordeeld op grond van artikel 2:1 lid 3 van de Wvggz. 3.7. Verzoeker is het niet eens met de verplichte toediening van medicatie, de verhoging daarvan en de recente wijziging van de medicatie. Hij heeft daarbij benadrukt dat hij bij voorkeur geen medicatie gebruikt. Volgens verzoeker zijn de door hem ervaren bijwerkingen een rechtstreeks gevolg van de verhoging van de medicatie. De huisarts die hij heeft geconsulteerd heeft dat bevestigd, waarna de medicatie iets is verlaagd. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van ernstig nadeel. Voor zover daarvan wel sprake zou zijn, had dit volgens hem kunnen worden weggenomen door een andere, niet-verplichte interventie of behandeling. Daarnaast voert verzoeker aan dat het besluit tot het toepassen van verplichte zorg niet frequent en onvoldoende uitvoerig met hem is besproken en dat ten onrechte niet is geprobeerd om veiligheidsafspraken met hem te maken. Daarbij heeft verzoeker benadrukt dat gedurende zijn gehele verblijf binnen de afdeling [afdeling] geen verplichte zorg hoefde te worden toegepast. Ook is verzoeker van mening dat de beslissing van 19 februari 2026 tot het verlenen van verplichte zorg te algemeen is en onvoldoende op zijn persoonlijke situatie is toegespitst. Volgens verzoeker volgt uit artikel 8:9 lid 2 Wvggz dat de behandelaar gehouden is de beslissing van een schriftelijke motivering te voorzien. Verzoeker is van mening dat in dit geval niet is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. 3.8. De rechtbank is van oordeel dat de klachtencommissie de klacht terecht ongegrond heeft verklaard.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3970 text/xml public 2026-05-28T18:00:31 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-21 C/05/466495 / FA RK 26/1645 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3970 text/html public 2026-05-20T16:28:17 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3970 Rechtbank Gelderland , 21-05-2026 / C/05/466495 / FA RK 26/1645 Klachtzaak op grond van artikel 10:7 Wvggz. De klachten van verzoeker worden ongegrond verklaard. De klachten betreffen het toedienen van ophogen van medicatie, het verplicht insluiten en houden van toezicht en een overplaatsingsverzoek. Voldoende is toegelicht dat het verplicht toedienen van medicatie noodzakelijk en doelmatig is. De rechtbank beoordeelt de hoogte van de medicatie niet, omdat daarover in het huidige besluit niets is vermeld. Het besluit is wel erg beperkt gemotiveerd, maar de rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren. Ook voor verplicht insluiten en toezicht was voldoende grondslag. De rechtbank is, met de geneesheer-directeur, van oordeel dat een overplaatsing in dit geval niet doelmatig is. Ook geldt als uitgangspunt dat behandeling plaatsvindt binnen de eigen regio. RECHTBANK GELDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Arnhem Zaaknummer: C/05/466495 / FA RK 26/1645 Datum uitspraak: 21 mei 2026 beschikking over een beroep in de zin van artikel 10:7 Wet op de geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) op het ingediende verzoekschrift van [naam verzoeker] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteland] , hierna te noemen verzoeker, wonend in [woonplaats] , advocaat mr. A. van den Berg in Arnhem. ter verkrijging van een beslissing over een klacht die betrokkene op 26 februari 2026 heeft ingediend bij de klachtencommissie van Pro Persona (hierna: de klachtencommissie). Als verweerder wordt aangemerkt de zorgaanbieder Pro Persona in Wolfheze, hierna te noemen: Pro Persona. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met producties, bij de griffie van deze rechtbank ontvangen op 24 april 2026; de uitspraak van de klachtencommissie van 13 maart 2026. 1.2. De zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026 op het terrein van Pro Persona. 1.3. Tijdens de zitting heeft de rechtbank de volgende personen gehoord: verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat; dhr. [psychiater] , als psychiater verbonden aan Pro Persona; dhr. [geneesheer-directeur] , geneesheer-directeur van Pro Persona. 1.4. De advocaat van verzoeker heeft tijdens de zitting nadere stukken overgelegd. 2 De feiten 2.1. Bij beschikking van deze rechtbank van 19 februari 2026 is voor verzoeker een aansluitende zorgmachtiging voor toepassing van verplichte zorg verleend die geldig is tot en met 19 februari 2027. In de zorgmachtiging zijn, voor zover hier van belang, onder meer de vormen ‘het toedienen van medicatie’, ‘insluiten’ en ‘uitoefenen van toezicht op betrokkene’ en ‘opnemen in een accommodatie’ opgenomen. 2.2. Op 19 februari 2026 heeft de instelling een beslissing genomen tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie, het insluiten, het uitoefenen van toezicht en het opnemen in een accommodatie en dit aan verzoeker kenbaar gemaakt. 2.3. Verzoeker heeft 26 februari 2026 een klacht ingediend bij de klachtencommissie tegen de verplichte toediening van de medicatie, de insluiting in de EBK en het houden van toezicht. Ook heeft verzoeker geklaagd over de afwijzing van zijn verzoek tot overplaatsing. De klachtencommissie heeft deze klachten ongegrond verklaard in haar uitspraak van 13 maart 2026. 3 De beoordeling 3.1. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak van de klachtencommissie van 13 maart 2026. Hij verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad: de klacht ten aanzien van de ophoging van de medicatie gegrond te verklaren en de geneesheer-directeur opdracht geven tot het onderzoeken of een lagere dosis medicatie toereikend is op grond van artikel 10:10 lid 3 Wvggz; de klacht ten aanzien van de verplichte insluiting en het houden van toezicht alsnog (inhoudelijk) gegrond te verklaren; aan verzoeker een schadevergoeding op grond van artikel 10:11 Wvggz toe te kennen ten laste van de zorgaanbieder. Ontvankelijkheid 3.2. Op grond van artikel 10:7 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) kan verzoeker een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klacht. Dat verzoek moet worden gedaan uiterlijk binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan betrokkene is medegedeeld. 3.3. De rechtbank stelt vast dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat zijn verzoekschrift binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz genoemde termijn is ingediend. Inhoudelijke beoordeling 3.4. De Wvggz geeft in artikel 10:3 een limitatieve opsomming van beslissingen waartegen een klacht kan worden ingediend. De klacht van betrokkene heeft betrekking op beslissingen die vallen onder deze limitatieve opsomming. De klacht gaat namelijk over het toepassen van verplichte zorg, meer specifiek het toedienen van medicatie, het insluiten en het uitoefenen van toezicht. Daarnaast gaat de klacht over het afwijzen van het verzoek tot overplaatsing. Deze beslissingen vallen onder respectievelijk artikel 8:9 en artikel 8:16 lid 1 van de Wvggz, die in artikel 10:3 zijn genoemd. 3.5. Op basis van de overgelegde stukken en de toelichting tijdens de zitting ziet de rechtbank geen aanleiding om de klachten gegrond te verklaren. Zij legt hierna uit waarom. 3.6. Op grond van artikel 8:9 Wvggz mag de zorgverantwoordelijke ter uitvoering van de zorgmachtiging een beslissing nemen tot het verlenen van verplichte zorg. De zorgverantwoordelijke kan dit alleen doen als hij zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene, met betrokkene over de voorgenomen beslissing overleg heeft gevoerd en, voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur. Bij de uitvoering van een zorgmachtiging worden van de verplichte zorg de proportionaliteit en subsidiariteit, waaronder begrepen de verplichte zorg in ambulante omstandigheden, alsmede de doelmatigheid en veiligheid beoordeeld op grond van artikel 2:1 lid 3 van de Wvggz. 3.7. Verzoeker is het niet eens met de verplichte toediening van medicatie, de verhoging daarvan en de recente wijziging van de medicatie. Hij heeft daarbij benadrukt dat hij bij voorkeur geen medicatie gebruikt. Volgens verzoeker zijn de door hem ervaren bijwerkingen een rechtstreeks gevolg van de verhoging van de medicatie. De huisarts die hij heeft geconsulteerd heeft dat bevestigd, waarna de medicatie iets is verlaagd. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van ernstig nadeel. Voor zover daarvan wel sprake zou zijn, had dit volgens hem kunnen worden weggenomen door een andere, niet-verplichte interventie of behandeling. Daarnaast voert verzoeker aan dat het besluit tot het toepassen van verplichte zorg niet frequent en onvoldoende uitvoerig met hem is besproken en dat ten onrechte niet is geprobeerd om veiligheidsafspraken met hem te maken. Daarbij heeft verzoeker benadrukt dat gedurende zijn gehele verblijf binnen de afdeling [afdeling] geen verplichte zorg hoefde te worden toegepast. Ook is verzoeker van mening dat de beslissing van 19 februari 2026 tot het verlenen van verplichte zorg te algemeen is en onvoldoende op zijn persoonlijke situatie is toegespitst. Volgens verzoeker volgt uit artikel 8:9 lid 2 Wvggz dat de behandelaar gehouden is de beslissing van een schriftelijke motivering te voorzien. Verzoeker is van mening dat in dit geval niet is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. 3.8. De rechtbank is van oordeel dat de klachtencommissie de klacht terecht ongegrond heeft verklaard.
Volledig
Daarbij stelt de rechtbank voorop dat in deze procedure uitsluitend ter beoordeling voorligt of het besluit tot het toedienen van verplichte medicatie op juiste gronden is genomen. De rechtbank treedt niet in een inhoudelijke beoordeling van de hoogte van de voorgeschreven medicatie, omdat daarover in het besluit niets is vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit tot het inzetten van verplichte zorg (als zodanig) voldoende onderbouwd. Weliswaar is de formulering in het besluit erg kort, zonder vermelding van de precieze medicatie of de hoogte daarvan, maar de geneesheer-directeur heeft tijdens de zitting toegelicht dat de aanzegging van verplichte zorg ten aanzien van medicatie niet altijd heel specifiek wordt geformuleerd. Doorgaans wordt alleen de essentie van de noodzaak van de verplichte zorg weergegeven. De psychiater heeft aanvullend verklaard dat de noodzaak er in dit geval in was gelegen dat de instemming van verzoeker met het gebruik van medicatie wisselend is geweest. Ook is regelmatig bloedonderzoek verricht, waarna op basis van spiegelcontroles de medicatie is verhoogd. Omdat de huidige medicatie onvoldoende effect geeft, wordt verzoeker momenteel ingesteld op andere medicatie. 3.9. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is toegelicht dat het toedienen van medicatie noodzakelijk en doelmatig is ter voorkoming van ernstig nadeel en dat geen minder bezwarende alternatieven voorhanden zijn. Uit de verleende zorgmachtiging volgt al dat de rechtbank in principe van oordeel was dat medicatie noodzakelijk was. De rechtbank ziet op basis van het dossier geen grond om nu tot een ander oordeel te komen. Bij opname (die in eerste instantie vrijwillig zou plaatsvinden) was verzoeker psychotisch en bang. Al eerder tijdens de huidige opname is - onder de voorafgaande zorgmachtiging - besloten tot verplichte medicatietoediening. Er was sprake van onrust bij verzoeker, mede als gevolg van overtuigingen die door de behandelaars als wanen worden bestempeld. Medicatie is nodig om het beeld van verzoeker te stabiliseren. De belangrijkste vraag is dan of terecht is besloten deze medicatie verplicht toe te dienen. De psychiater heeft toegelicht dat verzoeker wisselend instemt met medicatie en met name ook zo min mogelijk medicatie wil. Bij de klachtencommissie is benoemd dat verzoeker als gevolg van zijn psychotische belevingen onder meer weigerde om op zijn kamer te slapen of om de voorgeschreven kalmerende medicatie in te nemen, waardoor hij in de nacht op de gang van de afdeling bivakkeerde, met overlast tot gevolg. Daarom acht de rechtbank het juist zorgvuldig dat de beslissing is geformaliseerd in een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg. Op die manier wordt de rechtspositie van verzoeker gewaarborgd, omdat hij de beslissing nader kan laten toetsen. 3.10. Wat de wijziging van de medicatie en de hoogte daarvan betreft, voegt de rechtbank daar het volgende aan toe. In het huidige besluit is hierover niets vermeld. Uit de ter zitting door de advocaat van verzoeker overgelegde e-mailcorrespondentie met de klachtencommissie blijkt echter dat verzoeker ook niet de mogelijkheid heeft gekregen om een nieuwe klacht over de medicatie in te dienen. De klachtencommissie heeft het standpunt ingenomen dat sprake was van dezelfde klacht, die eerder al is afgewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit het gevolg is van het feit dat er slechts één schriftelijke beslissing ligt, waarover al is geoordeeld, welke beslissing enkel gaat over het verplicht toedienen van medicatie (zonder nadere specificatie van het medicijn of hoeveelheden). Als verzoeker opnieuw een klacht wenst in te dienen die specifiek gaat over de soort medicatie of de hoogte daarvan, zal hij op grond van artikel 8:9 lid 1 Wvggz eerst een nieuw besluit moeten aanvragen waarin dit nader wordt gespecificeerd. Nadat een dergelijk nieuw besluit is genomen, of bij een eventuele weigering van de psychiater om dat te doen, staat voor verzoeker in principe de mogelijkheid open om daartegen een nieuwe klacht in te dienen. 3.11. De rechtbank is het overigens wel met verzoeker eens dat de beslissing van 19 februari 2026 op dit punt erg beperkt is gemotiveerd. Dit heeft klaarblijkelijk te maken met het feit dat het besluit tot verplichte medicatie al eerder is genomen en slechts is vernieuwd omdat op 19 februari 2026 een nieuwe aansluitende zorgmachtiging is afgegeven. De rechtbank beschikt echter niet over het oorspronkelijke besluit waarbij de medicatie als verplichte zorgvorm is ingezet. In de beslissing van 19 februari 2026 is enkel vermeld dat overeenstemming met de geneesheer-directeur is bereikt, dat de verplichte zorg wordt gegeven omdat uitstellen niet langer verantwoord is en onder het kopje “Waarom krijgt u deze zorg?”: “U bent van mening geen medicatie nodig te hebben. Medicatie is nodig voor behandeling van uw psychiatrische stoornis.” Hieruit volgt niet direct de noodzaak van verplichte medicatietoediening, omdat niet is toegelicht welk ernstig nadeel hiermee wordt afgewend en waarom een vrijwillig kader niet (langer) volstaat. Naar het oordeel van de rechtbank is de beslissing in zoverre onvoldoende schriftelijk gemotiveerd. Uit de nadere toelichting bij de klachtencommissie en tijdens de zitting van 13 mei 2026 is de noodzaak echter voldoende naar voren gekomen, zoals hiervoor in 3.9 is overwogen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Verzoeker is hierdoor namelijk niet benadeeld, omdat de beslissing geen andere zou zijn geworden als de toelichting waarom verzoeker deze zorg krijgt uitgebreider was geweest. 3.12. Verder stelt verzoeker zich op het standpunt dat de vormen van verplichte zorg bestaande uit insluiting en het uitoefenen van toezicht ten onrechte zijn toegepast. Volgens verzoeker verbleef hij immers vrijwillig in de EBK, zodat de inzet van verplichte zorg niet noodzakelijk was. Hij heeft toegelicht dat hij bang was om op zijn eigen kamer te slapen en daarom vrijwillig bereid was in de EBK te verblijven. Op enig moment wilde hij echter op de gang blijven, waarna verplichte zorg werd toegepast. De psychiater heeft tijdens de zitting verklaard dat de spanningen bij verzoeker op dat moment waren toegenomen en dat verzoeker zich bedreigend opstelde naar de verpleegkundigen. Ook was sprake van ernstige slaapdeprivatie en een duidelijke toename van klachten. Verzoeker was niet langer bereid vrijwillig in de EBK te verblijven. Volgens de psychiater was het daarom noodzakelijk om verplichte zorg aan te zeggen, mede omdat de deuren van de EBK gesloten zijn en samenwerking met verzoeker op dat moment niet mogelijk was. Dit besluit is op 13 januari 2026 al genomen en op 19 februari 2026 onder de aansluitende zorgmachtiging herhaald, omdat volgens de psychiater de situatie van verzoeker op dat moment nog onvoldoende hersteld was. 3.13. De rechtbank is van oordeel dat onder de geschetste omstandigheden voldoende grondslag bestond voor het toepassen van de vormen van verplichte zorg, bestaande uit insluiting en het uitoefenen van toezicht om het ernstige nadeel te bestrijden. De rechtbank acht de beslissing ook proportioneel in de gegeven omstandigheden. In het besluit van 13 januari 2026 is uitvoerig toegelicht waarom de beslissing is genomen. Omdat dit besluit zich ook bij de stukken bevindt, kan de rechtbank deze motivering in de beoordeling betrekken. Het besluit van 19 februari 2026 bouwt daar immers op voort. De psychiater heeft toegelicht dat de situatie op 19 februari 2026 niet voldoende verbeterd was in die zin dat de samenwerking nog steeds moeizaam verliep. Ook hier geldt daarom dat het juist zorgvuldig is dat het besluit tot verplichte zorg is genomen, zodat betrokkene dit kan laten toetsen, te meer omdat het verblijf in de EBK automatisch betekent dat betrokkene wordt opgesloten en dat er cameratoezicht plaatsvindt. Vanwege de onrust die betrokkene ervaart was ook op 19 februari 2026 nog voldoende voorzienbaar dat dit nodig zou zijn, en dat betrokkene dat wellicht niet altijd vrijwillig zou toestaan. 3.14.
Volledig
Daarbij stelt de rechtbank voorop dat in deze procedure uitsluitend ter beoordeling voorligt of het besluit tot het toedienen van verplichte medicatie op juiste gronden is genomen. De rechtbank treedt niet in een inhoudelijke beoordeling van de hoogte van de voorgeschreven medicatie, omdat daarover in het besluit niets is vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit tot het inzetten van verplichte zorg (als zodanig) voldoende onderbouwd. Weliswaar is de formulering in het besluit erg kort, zonder vermelding van de precieze medicatie of de hoogte daarvan, maar de geneesheer-directeur heeft tijdens de zitting toegelicht dat de aanzegging van verplichte zorg ten aanzien van medicatie niet altijd heel specifiek wordt geformuleerd. Doorgaans wordt alleen de essentie van de noodzaak van de verplichte zorg weergegeven. De psychiater heeft aanvullend verklaard dat de noodzaak er in dit geval in was gelegen dat de instemming van verzoeker met het gebruik van medicatie wisselend is geweest. Ook is regelmatig bloedonderzoek verricht, waarna op basis van spiegelcontroles de medicatie is verhoogd. Omdat de huidige medicatie onvoldoende effect geeft, wordt verzoeker momenteel ingesteld op andere medicatie. 3.9. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is toegelicht dat het toedienen van medicatie noodzakelijk en doelmatig is ter voorkoming van ernstig nadeel en dat geen minder bezwarende alternatieven voorhanden zijn. Uit de verleende zorgmachtiging volgt al dat de rechtbank in principe van oordeel was dat medicatie noodzakelijk was. De rechtbank ziet op basis van het dossier geen grond om nu tot een ander oordeel te komen. Bij opname (die in eerste instantie vrijwillig zou plaatsvinden) was verzoeker psychotisch en bang. Al eerder tijdens de huidige opname is - onder de voorafgaande zorgmachtiging - besloten tot verplichte medicatietoediening. Er was sprake van onrust bij verzoeker, mede als gevolg van overtuigingen die door de behandelaars als wanen worden bestempeld. Medicatie is nodig om het beeld van verzoeker te stabiliseren. De belangrijkste vraag is dan of terecht is besloten deze medicatie verplicht toe te dienen. De psychiater heeft toegelicht dat verzoeker wisselend instemt met medicatie en met name ook zo min mogelijk medicatie wil. Bij de klachtencommissie is benoemd dat verzoeker als gevolg van zijn psychotische belevingen onder meer weigerde om op zijn kamer te slapen of om de voorgeschreven kalmerende medicatie in te nemen, waardoor hij in de nacht op de gang van de afdeling bivakkeerde, met overlast tot gevolg. Daarom acht de rechtbank het juist zorgvuldig dat de beslissing is geformaliseerd in een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg. Op die manier wordt de rechtspositie van verzoeker gewaarborgd, omdat hij de beslissing nader kan laten toetsen. 3.10. Wat de wijziging van de medicatie en de hoogte daarvan betreft, voegt de rechtbank daar het volgende aan toe. In het huidige besluit is hierover niets vermeld. Uit de ter zitting door de advocaat van verzoeker overgelegde e-mailcorrespondentie met de klachtencommissie blijkt echter dat verzoeker ook niet de mogelijkheid heeft gekregen om een nieuwe klacht over de medicatie in te dienen. De klachtencommissie heeft het standpunt ingenomen dat sprake was van dezelfde klacht, die eerder al is afgewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit het gevolg is van het feit dat er slechts één schriftelijke beslissing ligt, waarover al is geoordeeld, welke beslissing enkel gaat over het verplicht toedienen van medicatie (zonder nadere specificatie van het medicijn of hoeveelheden). Als verzoeker opnieuw een klacht wenst in te dienen die specifiek gaat over de soort medicatie of de hoogte daarvan, zal hij op grond van artikel 8:9 lid 1 Wvggz eerst een nieuw besluit moeten aanvragen waarin dit nader wordt gespecificeerd. Nadat een dergelijk nieuw besluit is genomen, of bij een eventuele weigering van de psychiater om dat te doen, staat voor verzoeker in principe de mogelijkheid open om daartegen een nieuwe klacht in te dienen. 3.11. De rechtbank is het overigens wel met verzoeker eens dat de beslissing van 19 februari 2026 op dit punt erg beperkt is gemotiveerd. Dit heeft klaarblijkelijk te maken met het feit dat het besluit tot verplichte medicatie al eerder is genomen en slechts is vernieuwd omdat op 19 februari 2026 een nieuwe aansluitende zorgmachtiging is afgegeven. De rechtbank beschikt echter niet over het oorspronkelijke besluit waarbij de medicatie als verplichte zorgvorm is ingezet. In de beslissing van 19 februari 2026 is enkel vermeld dat overeenstemming met de geneesheer-directeur is bereikt, dat de verplichte zorg wordt gegeven omdat uitstellen niet langer verantwoord is en onder het kopje “Waarom krijgt u deze zorg?”: “U bent van mening geen medicatie nodig te hebben. Medicatie is nodig voor behandeling van uw psychiatrische stoornis.” Hieruit volgt niet direct de noodzaak van verplichte medicatietoediening, omdat niet is toegelicht welk ernstig nadeel hiermee wordt afgewend en waarom een vrijwillig kader niet (langer) volstaat. Naar het oordeel van de rechtbank is de beslissing in zoverre onvoldoende schriftelijk gemotiveerd. Uit de nadere toelichting bij de klachtencommissie en tijdens de zitting van 13 mei 2026 is de noodzaak echter voldoende naar voren gekomen, zoals hiervoor in 3.9 is overwogen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Verzoeker is hierdoor namelijk niet benadeeld, omdat de beslissing geen andere zou zijn geworden als de toelichting waarom verzoeker deze zorg krijgt uitgebreider was geweest. 3.12. Verder stelt verzoeker zich op het standpunt dat de vormen van verplichte zorg bestaande uit insluiting en het uitoefenen van toezicht ten onrechte zijn toegepast. Volgens verzoeker verbleef hij immers vrijwillig in de EBK, zodat de inzet van verplichte zorg niet noodzakelijk was. Hij heeft toegelicht dat hij bang was om op zijn eigen kamer te slapen en daarom vrijwillig bereid was in de EBK te verblijven. Op enig moment wilde hij echter op de gang blijven, waarna verplichte zorg werd toegepast. De psychiater heeft tijdens de zitting verklaard dat de spanningen bij verzoeker op dat moment waren toegenomen en dat verzoeker zich bedreigend opstelde naar de verpleegkundigen. Ook was sprake van ernstige slaapdeprivatie en een duidelijke toename van klachten. Verzoeker was niet langer bereid vrijwillig in de EBK te verblijven. Volgens de psychiater was het daarom noodzakelijk om verplichte zorg aan te zeggen, mede omdat de deuren van de EBK gesloten zijn en samenwerking met verzoeker op dat moment niet mogelijk was. Dit besluit is op 13 januari 2026 al genomen en op 19 februari 2026 onder de aansluitende zorgmachtiging herhaald, omdat volgens de psychiater de situatie van verzoeker op dat moment nog onvoldoende hersteld was. 3.13. De rechtbank is van oordeel dat onder de geschetste omstandigheden voldoende grondslag bestond voor het toepassen van de vormen van verplichte zorg, bestaande uit insluiting en het uitoefenen van toezicht om het ernstige nadeel te bestrijden. De rechtbank acht de beslissing ook proportioneel in de gegeven omstandigheden. In het besluit van 13 januari 2026 is uitvoerig toegelicht waarom de beslissing is genomen. Omdat dit besluit zich ook bij de stukken bevindt, kan de rechtbank deze motivering in de beoordeling betrekken. Het besluit van 19 februari 2026 bouwt daar immers op voort. De psychiater heeft toegelicht dat de situatie op 19 februari 2026 niet voldoende verbeterd was in die zin dat de samenwerking nog steeds moeizaam verliep. Ook hier geldt daarom dat het juist zorgvuldig is dat het besluit tot verplichte zorg is genomen, zodat betrokkene dit kan laten toetsen, te meer omdat het verblijf in de EBK automatisch betekent dat betrokkene wordt opgesloten en dat er cameratoezicht plaatsvindt. Vanwege de onrust die betrokkene ervaart was ook op 19 februari 2026 nog voldoende voorzienbaar dat dit nodig zou zijn, en dat betrokkene dat wellicht niet altijd vrijwillig zou toestaan. 3.14.