Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-02-12
ECLI:NL:RBGEL:2026:3850
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,028 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3850 text/xml public 2026-05-19T12:55:46 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-02-12 460492 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3850 text/html public 2026-05-19T12:54:57 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3850 Rechtbank Gelderland , 12-02-2026 / 460492 Kort geding. Ontruiming chalet. Gedaagde moet chalet in eigendom van eiser waar partijen gedurende hun (inmiddels verbroken) relatie woonden, ontruimen. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/460492 / KZ ZA 25-204 Vonnis in kort geding van 12 februari 2026 in de zaak van [naam eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , advocaat: mr. I.P. van Rossen, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , advocaat: mr. M. Broersma. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de mondelinge behandeling van 28 januari 2026 - de akte overlegging producties met productie 24 aan de zijde van [de eiser] - de akte overlegging productie met productie 7 aan de zijde van [de gedaagde] - de pleitnota van [de eiser] 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Gedurende hun relatie woonden partijen als laatste gezamenlijk in een chalet geplaatst op Camping [de camping] te [plaatsnaam] (hierna: de camping), locatie [locatie] (hierna: het chalet). Het chalet is eigendom van [de eiser] en [de eiser] heeft de koopsom betaald. 2.2. Op 14 oktober 2024 heeft [de eiser] de relatie beëindigd. [de eiser] heeft diezelfde dag per e-mail een bericht gestuurd aan [de gedaagde] . In de e-mail staat onder andere het volgende: “ Ik wil je eerst vertellen dat ik je niet het huis uit wil schoppen. Ik wil echt het beste voor jouw, ik wil dat alleen niet meer samen doen. Je mag het huis blijven gebruiken voor zolang je wilt, al is dat je hele leven, Ik kan het niet officieel aan je schenken, dat zou 20.000 euro aan schenkbelasting kosten, en wellicht ook problemen met je uitkering Ik zal de kosten van het huis betalen (camping kosten + gas/elektra/water) Je de auto mag hebben Je mag alle spullen die in het huis liggen hebben, behalve persoonlijke dingen, zoals mijn boeken, kleren en gitaar. Je mag het geld dat op ABN ambro rekening staat gebruiken. Ik zal deze rekening niet meer gebruiken. Ik zal 600 euro per maand op de ABN amro rekening zetten. Zodat je 20 euro extra per dag hebt voor gezond eten. Ik kan dat niet naar jouw eigen rekening storten, want daar moet ook schenkbelasting over worden betaald. ” 2.3. [de eiser] heeft het chalet na het beëindigen van de relatie verlaten. [de gedaagde] is tot op heden enig gebruiker van het chalet. 2.4. In de jaarbrief van november 2024 schrijft de camping het volgende: “ Door het voldoen van het jaarbedrag geeft u aan akkoord te gaan met en op de hoogte te zijn van de meest recente regels en voorwaarden die op [de camping] voor u en voor ons van toepassing zijn, verzonden in de bijlagen bij dit schrijven. Voor de duidelijkheid: Permanente bewoning is op ons terrein absoluut verboden en een directe reden om de plaatsovereenkomst te beëindigen .” 2.5. In het parkregelement van datum 15 november 2024 staat, voor zover in deze zaak van belang, het volgende: “ De plaats Permanente bewoning en bedrijfsmatig gebruik van uw recreatieaccommodatie is op ons park niet toegestaan. Bij constatering hiervan zullen we gepaste maatregelen moeten treffen, zoals het opzeggen van de plaatsovereenkomst. U dient een woning elders te hebben en het grootste deel van het jaar daar te verblijven, dus geen postbusadres o.i.d. (…) Het gebruik van uw recreatieaccomodatie is door u en uw gezin doorlopend toegestaan van 01-04 tot 01-11. Hier is de vergoeding van de jaarplaats ook op gebaseerd. Van 01-11 tot 01-4 is dit alleen toegestaan in de weekenden en vakanties. ” 2.6. De vader van [de eiser] heeft op 8 juni 2025 per e-mail aan [de gedaagde] , namens [de eiser] , het volgende geschreven: “ Huisje en vertrekdatum [de eiser] [Vzr: [de eiser] ] zal het huisje waarin je momenteel verblijft per 26 oktober 2025 te koop zetten. Hij geeft je hiermee ruime gelegenheid om tijdig een eigen verblijfplaats te vinden. Dit betekent concreet datje uiterlijk 25 oktober 2025 het huisje verlaten moet hebben. Graag ontvang ik uiterlijk vóór 20 juni 2025 jouw bevestiging datje op die datum het huisje zult hebben verlaten. ” 2.7. Op 11 november 2025 stuurt de camping een e-mail aan [de eiser] met een officiële waarschuwing. [de eiser] wordt gesommeerd om de permanente bewoning van zijn plaats c.q. kampeermiddel zo spoedig mogelijk, uiterlijk 31 december 2025, te beëindigen. 2.8. Per e-mail van 19 januari 2026 schrijft de camping aan [de eiser] het volgende: “ Er is geen nieuwe plaats overeenkomst gekomen voor het jaar 2026. De vorige plaats overeenkomst is dan ook geëindigd op 31 december 2025. [naam gedaagde] bevindt zich nu dus illegaal in [locatie] bij ons op de camping. (…) [campingmedewerker] ” 2.9. [de gedaagde] staat niet ingeschreven op het adres van het chalet. 2.10. Partijen hebben herhaaldelijk contact gehad over de beëindiging van het gebruik van het chalet. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert primair samengevat - ontruiming van het chalet, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis. 3.2. [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. spoedeisend belang 4.2. [de eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de camping geen jaarplaatsovereenkomst voor 2026 heeft verstrekt omdat de campingeigenaar van oordeel is dat [de gedaagde] het chalet in strijd met het parkreglement permanent bewoont. Dit blijkt uit de waarschuwing van 11 november 2025 en de e-mail van 19 januari 2026 waarin is bevestigd dat er voor 2026 geen jaarplaatsovereenkomst is afgesloten. Aan de e-mail doet niet af dat deze mogelijk is geschreven door de receptioniste van de camping. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat haar uitlatingen onjuist zijn. [de eiser] heeft daarom voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Op de juistheid van de stellingen wordt hierna nader ingegaan. juridisch kader 4.3. Het chalet is eigendom van [de eiser] . Tussen partijen was sprake van een bruikleenovereenkomst (artikel 7A:1777 Burgerlijk Wetboek (BW)) voor onbepaalde tijd, dit staat ook niet tussen partijen ter discussie. Volgens [de gedaagde] heeft [de eiser] opgezegd zonder dringende en onverwacht opkomende reden zoals bedoeld artikel 7A:1788 BW. Indien sprake is van een bruikleenovereenkomst zonder bepaalde tijd, gaat artikel 7A:1788 BW echter niet op. Dit artikel ziet alleen op het voortijdig opzeggen van een bruikleenovereenkomst die is aangegaan voor een bepaalde tijd of voor een bepaald gebruik. Indien sprake is van een bruikleenovereenkomst waarbij niet is afgesproken wanneer het geleende teruggegeven moet worden, wordt de verbintenis tot teruggave opeisbaar wanneer de uitlener de overeenkomst opzegt. De uitlener hoeft in beginsel geen reden te geven voor de opzegging maar de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat alleen kan worden opgezegd als de bruiklener daarvoor een dringende reden heeft (vgl. HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1706, Kakkenberg/Kakkenberg). [de eiser] heeft de overeenkomst rechtsgeldig opgezegd 4.4.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3850 text/xml public 2026-05-19T12:55:46 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-02-12 460492 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3850 text/html public 2026-05-19T12:54:57 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3850 Rechtbank Gelderland , 12-02-2026 / 460492 Kort geding. Ontruiming chalet. Gedaagde moet chalet in eigendom van eiser waar partijen gedurende hun (inmiddels verbroken) relatie woonden, ontruimen. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/460492 / KZ ZA 25-204 Vonnis in kort geding van 12 februari 2026 in de zaak van [naam eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , advocaat: mr. I.P. van Rossen, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , advocaat: mr. M. Broersma. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de mondelinge behandeling van 28 januari 2026 - de akte overlegging producties met productie 24 aan de zijde van [de eiser] - de akte overlegging productie met productie 7 aan de zijde van [de gedaagde] - de pleitnota van [de eiser] 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Gedurende hun relatie woonden partijen als laatste gezamenlijk in een chalet geplaatst op Camping [de camping] te [plaatsnaam] (hierna: de camping), locatie [locatie] (hierna: het chalet). Het chalet is eigendom van [de eiser] en [de eiser] heeft de koopsom betaald. 2.2. Op 14 oktober 2024 heeft [de eiser] de relatie beëindigd. [de eiser] heeft diezelfde dag per e-mail een bericht gestuurd aan [de gedaagde] . In de e-mail staat onder andere het volgende: “ Ik wil je eerst vertellen dat ik je niet het huis uit wil schoppen. Ik wil echt het beste voor jouw, ik wil dat alleen niet meer samen doen. Je mag het huis blijven gebruiken voor zolang je wilt, al is dat je hele leven, Ik kan het niet officieel aan je schenken, dat zou 20.000 euro aan schenkbelasting kosten, en wellicht ook problemen met je uitkering Ik zal de kosten van het huis betalen (camping kosten + gas/elektra/water) Je de auto mag hebben Je mag alle spullen die in het huis liggen hebben, behalve persoonlijke dingen, zoals mijn boeken, kleren en gitaar. Je mag het geld dat op ABN ambro rekening staat gebruiken. Ik zal deze rekening niet meer gebruiken. Ik zal 600 euro per maand op de ABN amro rekening zetten. Zodat je 20 euro extra per dag hebt voor gezond eten. Ik kan dat niet naar jouw eigen rekening storten, want daar moet ook schenkbelasting over worden betaald. ” 2.3. [de eiser] heeft het chalet na het beëindigen van de relatie verlaten. [de gedaagde] is tot op heden enig gebruiker van het chalet. 2.4. In de jaarbrief van november 2024 schrijft de camping het volgende: “ Door het voldoen van het jaarbedrag geeft u aan akkoord te gaan met en op de hoogte te zijn van de meest recente regels en voorwaarden die op [de camping] voor u en voor ons van toepassing zijn, verzonden in de bijlagen bij dit schrijven. Voor de duidelijkheid: Permanente bewoning is op ons terrein absoluut verboden en een directe reden om de plaatsovereenkomst te beëindigen .” 2.5. In het parkregelement van datum 15 november 2024 staat, voor zover in deze zaak van belang, het volgende: “ De plaats Permanente bewoning en bedrijfsmatig gebruik van uw recreatieaccommodatie is op ons park niet toegestaan. Bij constatering hiervan zullen we gepaste maatregelen moeten treffen, zoals het opzeggen van de plaatsovereenkomst. U dient een woning elders te hebben en het grootste deel van het jaar daar te verblijven, dus geen postbusadres o.i.d. (…) Het gebruik van uw recreatieaccomodatie is door u en uw gezin doorlopend toegestaan van 01-04 tot 01-11. Hier is de vergoeding van de jaarplaats ook op gebaseerd. Van 01-11 tot 01-4 is dit alleen toegestaan in de weekenden en vakanties. ” 2.6. De vader van [de eiser] heeft op 8 juni 2025 per e-mail aan [de gedaagde] , namens [de eiser] , het volgende geschreven: “ Huisje en vertrekdatum [de eiser] [Vzr: [de eiser] ] zal het huisje waarin je momenteel verblijft per 26 oktober 2025 te koop zetten. Hij geeft je hiermee ruime gelegenheid om tijdig een eigen verblijfplaats te vinden. Dit betekent concreet datje uiterlijk 25 oktober 2025 het huisje verlaten moet hebben. Graag ontvang ik uiterlijk vóór 20 juni 2025 jouw bevestiging datje op die datum het huisje zult hebben verlaten. ” 2.7. Op 11 november 2025 stuurt de camping een e-mail aan [de eiser] met een officiële waarschuwing. [de eiser] wordt gesommeerd om de permanente bewoning van zijn plaats c.q. kampeermiddel zo spoedig mogelijk, uiterlijk 31 december 2025, te beëindigen. 2.8. Per e-mail van 19 januari 2026 schrijft de camping aan [de eiser] het volgende: “ Er is geen nieuwe plaats overeenkomst gekomen voor het jaar 2026. De vorige plaats overeenkomst is dan ook geëindigd op 31 december 2025. [naam gedaagde] bevindt zich nu dus illegaal in [locatie] bij ons op de camping. (…) [campingmedewerker] ” 2.9. [de gedaagde] staat niet ingeschreven op het adres van het chalet. 2.10. Partijen hebben herhaaldelijk contact gehad over de beëindiging van het gebruik van het chalet. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert primair samengevat - ontruiming van het chalet, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis. 3.2. [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. spoedeisend belang 4.2. [de eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de camping geen jaarplaatsovereenkomst voor 2026 heeft verstrekt omdat de campingeigenaar van oordeel is dat [de gedaagde] het chalet in strijd met het parkreglement permanent bewoont. Dit blijkt uit de waarschuwing van 11 november 2025 en de e-mail van 19 januari 2026 waarin is bevestigd dat er voor 2026 geen jaarplaatsovereenkomst is afgesloten. Aan de e-mail doet niet af dat deze mogelijk is geschreven door de receptioniste van de camping. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat haar uitlatingen onjuist zijn. [de eiser] heeft daarom voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Op de juistheid van de stellingen wordt hierna nader ingegaan. juridisch kader 4.3. Het chalet is eigendom van [de eiser] . Tussen partijen was sprake van een bruikleenovereenkomst (artikel 7A:1777 Burgerlijk Wetboek (BW)) voor onbepaalde tijd, dit staat ook niet tussen partijen ter discussie. Volgens [de gedaagde] heeft [de eiser] opgezegd zonder dringende en onverwacht opkomende reden zoals bedoeld artikel 7A:1788 BW. Indien sprake is van een bruikleenovereenkomst zonder bepaalde tijd, gaat artikel 7A:1788 BW echter niet op. Dit artikel ziet alleen op het voortijdig opzeggen van een bruikleenovereenkomst die is aangegaan voor een bepaalde tijd of voor een bepaald gebruik. Indien sprake is van een bruikleenovereenkomst waarbij niet is afgesproken wanneer het geleende teruggegeven moet worden, wordt de verbintenis tot teruggave opeisbaar wanneer de uitlener de overeenkomst opzegt. De uitlener hoeft in beginsel geen reden te geven voor de opzegging maar de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat alleen kan worden opgezegd als de bruiklener daarvoor een dringende reden heeft (vgl. HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1706, Kakkenberg/Kakkenberg). [de eiser] heeft de overeenkomst rechtsgeldig opgezegd 4.4.
Volledig
De aard en de inhoud van de overeenkomst tussen partijen brengt niet mee dat de overeenkomst alleen als [de eiser] een dringende reden heeft opgezegd kan worden. De relatie tussen partijen is verbroken. Ten tijde van de opzegging gebruikte [de gedaagde] het chalet om niet, [de gedaagde] heeft niet bijgedragen aan de aanschaf van het chalet, [de eiser] betaalde de kosten voor de jaarplaats en de kosten voor gas, water en licht. [de eiser] had bij de beëindiging van de relatie verder geen wettelijke verplichting om [de gedaagde] financieel te onderhouden. [de eiser] heeft weliswaar in zijn brief van 14 oktober 2024 gezegd dat [de gedaagde] zo lang in het chalet mag blijven als zij wil, maar [de gedaagde] mocht er gezien alle omstandigheden van het geval niet vanuit gaan dat [de eiser] daadwerkelijk de bedoeling had om haar de rest van haar leven te onderhouden. De brief is geschreven op het moment dat [de eiser] de relatie verbrak en partijen nog sterk emotioneel aan elkaar verbonden waren. [de eiser] doet in de brief meerdere toezeggingen die en langdurige financiële impact op hem zouden hebben, waar hij wettelijk niet toe verplicht was, terwijl de relatie tussen partijen is beëindigd. De eisen van de redelijkheid brengen daarom in dit verband niet mee dat [de eiser] een dringende reden voor opzegging moet hebben. 4.5. Vervolgens dient beoordeeld te worden of [de eiser] een redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen. [de gedaagde] heeft aangevoerd dat zij mede door haar medische omstandigheden afhankelijk is van het verblijf in het chalet en nergens anders zo’n plek kan vinden. [de gedaagde] wenst daarom een opzegtermijn van drie jaar met de optie tot koop van het chalet om haar leven op orde te krijgen. Het is aannemelijk dat het gezien de medische en financiële situatie voor [de gedaagde] moeilijk is, en misschien wel onmogelijk, om in de regio permanente woonruimte te vinden. Van [de eiser] kan echter in de verhouding tussen partijen niet verwacht worden dat hij dit probleem van [de gedaagde] draagt. Daarbij is mede in overweging genomen dat het chalet niet bedoeld is om permanent te bewonen. Volgens het parkreglement (2.5) is permanente bewoning verboden en dient de huurder elders een hoofdverblijfplaats te hebben en niet alleen een postadres. [de gedaagde] betwist dat zij het chalet permanent bewoont, maar erkent dat zij niet elders een hoofdverblijfplaats heeft. Het grootste belang van [de gedaagde] is er ook in gelegen dat zij geen permanente woonruimte heeft of kan vinden. Maar nu het chalet niet is bedoeld om te voorzien in een hoofdverblijfplaats, komt het ook niet voor risico van [de eiser] dat [de gedaagde] het chalet wel als zodanig gebruikt en haar hoofdverblijfplaats daardoor verliest als de bruikleenovereenkomst wordt opgezegd. De voorzieningenrechter begrijpt dat partijen ook tijdens hun relatie het chalet als hoofdverblijfplaats gebruikten, maar dat maakt niet dat [de eiser] daarom gehouden is om die situatie te laten voortbestaan. 4.6. Samengevat heeft [de eiser] een bruikleenovereenkomst opgezegd waarbij [de gedaagde] om niet gebruik mocht maken van een chalet waar zij alleen recreatief mag verblijven. De voorzieningenrechter acht de opzegtermijn van 4,5 maand die [de eiser] in acht heeft genomen in dat kader niet onredelijk. 4.7. Voorgaande in acht genomen wordt de primaire vordering toegewezen. Wel zal een de ontruimingstermijn verlengd worden naar vier weken om [de gedaagde] nog enige tijd te geven om het chalet te verlaten. Daarbij worden niet de beperkingen opgelegd zoals subsidiair en meer subsidiair gevorderd omdat vooralsnog wordt aangenomen dat de campingeigenaar geen verdere rechtsmaatregelen zal treffen als in dit vonnis een ontruimingstermijn is bepaald. 4.8. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt. 4.9. [de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 153,02 - griffierecht € 341,00 - salaris advocaat € 1.107,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.779,02 4.10. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt [de gedaagde] om het recreatiechalet, gelegen op Camping [de camping] , standplaats [locatie] te [plaatsnaam] , binnen vier weken na betekening van dit vonnis geheel te ontruimen en ontruimd te houden, met al degenen en al hetgeen zich vanwege haar in of bij het chalet bevindt, en het chalet vervolgens in lege, behoorlijke staat ter vrije beschikking van [de eiser] te stellen, 5.2. veroordeelt [de gedaagde] tot afgifte van alle sleutels van het chalet en de bijbehorende berging, alsmede tot het nalaten van iedere handeling gericht op het wijzigen of vervangen van de sloten, 5.3. verbiedt [de gedaagde] het chalet, of de grond waarop deze staat, na de ontruiming nog te betreden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [de eiser] , 5.4. veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt, 5.5. veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.779,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.6. veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
Volledig
De aard en de inhoud van de overeenkomst tussen partijen brengt niet mee dat de overeenkomst alleen als [de eiser] een dringende reden heeft opgezegd kan worden. De relatie tussen partijen is verbroken. Ten tijde van de opzegging gebruikte [de gedaagde] het chalet om niet, [de gedaagde] heeft niet bijgedragen aan de aanschaf van het chalet, [de eiser] betaalde de kosten voor de jaarplaats en de kosten voor gas, water en licht. [de eiser] had bij de beëindiging van de relatie verder geen wettelijke verplichting om [de gedaagde] financieel te onderhouden. [de eiser] heeft weliswaar in zijn brief van 14 oktober 2024 gezegd dat [de gedaagde] zo lang in het chalet mag blijven als zij wil, maar [de gedaagde] mocht er gezien alle omstandigheden van het geval niet vanuit gaan dat [de eiser] daadwerkelijk de bedoeling had om haar de rest van haar leven te onderhouden. De brief is geschreven op het moment dat [de eiser] de relatie verbrak en partijen nog sterk emotioneel aan elkaar verbonden waren. [de eiser] doet in de brief meerdere toezeggingen die en langdurige financiële impact op hem zouden hebben, waar hij wettelijk niet toe verplicht was, terwijl de relatie tussen partijen is beëindigd. De eisen van de redelijkheid brengen daarom in dit verband niet mee dat [de eiser] een dringende reden voor opzegging moet hebben. 4.5. Vervolgens dient beoordeeld te worden of [de eiser] een redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen. [de gedaagde] heeft aangevoerd dat zij mede door haar medische omstandigheden afhankelijk is van het verblijf in het chalet en nergens anders zo’n plek kan vinden. [de gedaagde] wenst daarom een opzegtermijn van drie jaar met de optie tot koop van het chalet om haar leven op orde te krijgen. Het is aannemelijk dat het gezien de medische en financiële situatie voor [de gedaagde] moeilijk is, en misschien wel onmogelijk, om in de regio permanente woonruimte te vinden. Van [de eiser] kan echter in de verhouding tussen partijen niet verwacht worden dat hij dit probleem van [de gedaagde] draagt. Daarbij is mede in overweging genomen dat het chalet niet bedoeld is om permanent te bewonen. Volgens het parkreglement (2.5) is permanente bewoning verboden en dient de huurder elders een hoofdverblijfplaats te hebben en niet alleen een postadres. [de gedaagde] betwist dat zij het chalet permanent bewoont, maar erkent dat zij niet elders een hoofdverblijfplaats heeft. Het grootste belang van [de gedaagde] is er ook in gelegen dat zij geen permanente woonruimte heeft of kan vinden. Maar nu het chalet niet is bedoeld om te voorzien in een hoofdverblijfplaats, komt het ook niet voor risico van [de eiser] dat [de gedaagde] het chalet wel als zodanig gebruikt en haar hoofdverblijfplaats daardoor verliest als de bruikleenovereenkomst wordt opgezegd. De voorzieningenrechter begrijpt dat partijen ook tijdens hun relatie het chalet als hoofdverblijfplaats gebruikten, maar dat maakt niet dat [de eiser] daarom gehouden is om die situatie te laten voortbestaan. 4.6. Samengevat heeft [de eiser] een bruikleenovereenkomst opgezegd waarbij [de gedaagde] om niet gebruik mocht maken van een chalet waar zij alleen recreatief mag verblijven. De voorzieningenrechter acht de opzegtermijn van 4,5 maand die [de eiser] in acht heeft genomen in dat kader niet onredelijk. 4.7. Voorgaande in acht genomen wordt de primaire vordering toegewezen. Wel zal een de ontruimingstermijn verlengd worden naar vier weken om [de gedaagde] nog enige tijd te geven om het chalet te verlaten. Daarbij worden niet de beperkingen opgelegd zoals subsidiair en meer subsidiair gevorderd omdat vooralsnog wordt aangenomen dat de campingeigenaar geen verdere rechtsmaatregelen zal treffen als in dit vonnis een ontruimingstermijn is bepaald. 4.8. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt. 4.9. [de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 153,02 - griffierecht € 341,00 - salaris advocaat € 1.107,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.779,02 4.10. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt [de gedaagde] om het recreatiechalet, gelegen op Camping [de camping] , standplaats [locatie] te [plaatsnaam] , binnen vier weken na betekening van dit vonnis geheel te ontruimen en ontruimd te houden, met al degenen en al hetgeen zich vanwege haar in of bij het chalet bevindt, en het chalet vervolgens in lege, behoorlijke staat ter vrije beschikking van [de eiser] te stellen, 5.2. veroordeelt [de gedaagde] tot afgifte van alle sleutels van het chalet en de bijbehorende berging, alsmede tot het nalaten van iedere handeling gericht op het wijzigen of vervangen van de sloten, 5.3. verbiedt [de gedaagde] het chalet, of de grond waarop deze staat, na de ontruiming nog te betreden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [de eiser] , 5.4. veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt, 5.5. veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.779,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.6. veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.