Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-13
ECLI:NL:RBGEL:2026:3814
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,262 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3814 text/xml public 2026-05-20T17:00:20 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-13 AWB 24/7217 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3814 text/html public 2026-05-15T14:22:12 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3814 Rechtbank Gelderland , 13-05-2026 / AWB 24/7217 MRB; gebruik gemaakt van de openbare weg met een motorrijtuig met buitenlands kenteken. De bewijslast dat de auto niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan ligt bij belanghebbende. Ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 24/7217 en 26/2348 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 mei 2026 in de zaken tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Apeldoorn, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 16 juli 2024. Met dagtekening 4 juni 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende rekeningen motorrijtuigenbelasting (MRB) over de tijdvakken 16 februari 2024 tot 16 mei 2024 en 16 mei 2024 tot 16 augustus 2024 gestuurd van ieder € 403. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de niet betaalde rekeningen niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft ambtshalve aanleiding gevonden om de rekening die op de periode 16 mei 2024 tot 16 augustus 2024 ziet te laten vervallen. De rekening van 16 februari 2024 tot 16 mei 2024 is belanghebbende nog verschuldigd. Met dagtekening 4 juni 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende over het tijdvak 16 februari 2023 tot en met 15 februari 2024 een naheffingsaanslag MRB opgelegd, ten bedrage van € 1.508, alsmede bij beschikking van gelijke datum een boete van € 754. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en boetebeschikking gehandhaafd. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] en [persoon B] namens de inspecteur. Belanghebbende en de gemachtigde zijn, zonder kennisgeving vooraf aan de rechtbank, niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft op 10 maart 2026, na afloop van de zitting, een e-mail van belanghebbende ontvangen, waarin onder meer het volgende is opgenomen: “(…) Bij mijn weten is het bedrag destijds door ons voldaan. Het lijkt me echter dan niet zo zinvol om hiervoor een zitting te houden? (…)”. Gelet op het tijdstip waarop de e-mail is ingediend en de inhoud ervan, gaat de rechtbank ervan uit dat belanghebbende en zijn gemachtigde geen prijs stelden op een zitting. Feiten 1. Belanghebbende staat volgens de Basisregistratie Personen (BRP) vanaf 6 december 2018 ingeschreven op een Nederlands woonadres in [plaats]. 2. Op 16 februari 2024 is door de Politie geconstateerd dat door belanghebbende met het motorrijtuig, van het merk Audi, type A8, voorzien van het Poolse kenteken [kentekennummer], gebruik is gemaakt van de weg. 3. Met dagtekening 17 april 2024 heeft de inspecteur een brief vooraankondiging naheffingsaanslag/boetebeschikking aan belanghebbende gestuurd. De inspecteur geeft aan dat belanghebbende volgens de BRP in Nederland stond ingeschreven, dat hij daarom geacht wordt in Nederland te wonen en dat hij als houder van het motorrijtuig wordt aangemerkt, omdat het motorrijtuig feitelijk aan hem ter beschikking stond. De inspecteur kondigt aan een naheffingsaanslag MRB en verzuimboete aan belanghebbende op te leggen. 4. Met dagtekening 4 juni 2024 heeft de inspecteur overeenkomstig zijn aankondiging een naheffingsaanslag met boete aan belanghebbende opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur bij brieven van 4 juni 2024 aan belanghebbende een rekening over de periode van 16 februari 2024 tot 16 mei 2024 en een rekening over de periode van 16 mei 2024 tot 16 augustus 2024 verzonden. 5. Bij brief van 6 juni 2024, ontvangen door de inspecteur op 11 juni 2024, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking alsmede de twee rekeningen. Belanghebbende geeft aan dat de naheffing en boete onterecht zijn, omdat hij na de staandehouding de auto in Polen heeft laten staan. Belanghebbende geeft aan dat hij in Polen woont en ongeveer 30 weken per jaar in Nederland werkt. 6. Met dagtekening 16 juli 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de boete ongegrond verklaard. Tevens heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 16 juli 2024 het bezwaar tegen de niet betaalde rekeningen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de inspecteur ambtshalve de rekening over de periode 16 mei tot 16 augustus 2024 laten vervallen. De rekening over de periode 16 februari 2024 tot 16 mei 2026 blijft belanghebbende verschuldigd. Beoordeling door de rechtbank 7. In geschil is of de inspecteur terecht het bezwaar tegen de rekening niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast is in geschil of de naheffingsaanslag en de boete terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Verder is in geschil of de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd is. Vooraf 8. De rechtbank heeft op 15 juli 2024 de beroepen van belanghebbende ontvangen. De uitspraken op bezwaar hebben als dagtekening 16 juli 2024. Dit betekent dat de beroepen prematuur zijn. De inspecteur heeft gesteld dat de uitspraken op bezwaar gedagtekend zijn met een toekomstige datum en eerder zijn verzonden aan belanghebbende. De rechtbank verklaart de beroepen ontvankelijk. Rekeningen MRB 9. Artikel 26, eerste lid, van Algemene wet inzake rijksbelastingen, regelt het gesloten stelsel waartegen in belastingzaken bezwaar en beroep ingesteld kan worden. De MRB wordt op aangifte voldaan. Een voldoening, afdracht of inhouding van belasting op aangifte wordt gelijkgesteld aan een voor bezwaar vatbare beschikking. Van een voldoening op aangifte over het tijdvak 16 februari 2024 tot 16 mei 2024 is niet gebleken. Hiermee komt de rechtbank tot het oordeel dat het bezwaar tegen de rekening over dit tijdvak terecht door de inspecteur niet-ontvankelijk is verklaard. Naheffingsaanslag 10. Belanghebbende voert aan dat hij in het genoemde tijdvak van 16 februari 2024 tot en met 15 februari 2024 20 weken met vakantie in Polen is geweest. Belanghebbende heeft ter onderbouwing hiervan een vakantiekaart, jaarkaart en urenlijst overgelegd. Belanghebbende geeft aan dat hij na de staandehouding het motorrijtuig niet meer naar Nederland heeft meegenomen en geen sprake meer is van een feitelijk gebruik. 11. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat uit de stukken van belanghebbende niet blijkt dat hij of het motorrijtuig daadwerkelijk in Polen was en dat hij gedurende de periodes waarin hij vakantie had, niet de beschikkingsmacht had over het motorrijtuig. De inspecteur stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd over het genoemde tijdvak. 12. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet MRB, wordt MRB geheven ter zake van het houden van een personenauto. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet MRB, wordt een motorrijtuig gehouden door degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft wordt, behoudens tegenbewijs, geacht zijn hoofdverblijf in Nederland te hebben indien hij in Nederland als ingezetene is ingeschreven in de BRP. 13. In artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB, is bepaald dat bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de belasting kan worden nageheven. Hierbij wordt een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3814 text/xml public 2026-05-20T17:00:20 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-13 AWB 24/7217 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3814 text/html public 2026-05-15T14:22:12 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3814 Rechtbank Gelderland , 13-05-2026 / AWB 24/7217 MRB; gebruik gemaakt van de openbare weg met een motorrijtuig met buitenlands kenteken. De bewijslast dat de auto niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan ligt bij belanghebbende. Ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 24/7217 en 26/2348 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 mei 2026 in de zaken tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Apeldoorn, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 16 juli 2024. Met dagtekening 4 juni 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende rekeningen motorrijtuigenbelasting (MRB) over de tijdvakken 16 februari 2024 tot 16 mei 2024 en 16 mei 2024 tot 16 augustus 2024 gestuurd van ieder € 403. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de niet betaalde rekeningen niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft ambtshalve aanleiding gevonden om de rekening die op de periode 16 mei 2024 tot 16 augustus 2024 ziet te laten vervallen. De rekening van 16 februari 2024 tot 16 mei 2024 is belanghebbende nog verschuldigd. Met dagtekening 4 juni 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende over het tijdvak 16 februari 2023 tot en met 15 februari 2024 een naheffingsaanslag MRB opgelegd, ten bedrage van € 1.508, alsmede bij beschikking van gelijke datum een boete van € 754. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en boetebeschikking gehandhaafd. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] en [persoon B] namens de inspecteur. Belanghebbende en de gemachtigde zijn, zonder kennisgeving vooraf aan de rechtbank, niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft op 10 maart 2026, na afloop van de zitting, een e-mail van belanghebbende ontvangen, waarin onder meer het volgende is opgenomen: “(…) Bij mijn weten is het bedrag destijds door ons voldaan. Het lijkt me echter dan niet zo zinvol om hiervoor een zitting te houden? (…)”. Gelet op het tijdstip waarop de e-mail is ingediend en de inhoud ervan, gaat de rechtbank ervan uit dat belanghebbende en zijn gemachtigde geen prijs stelden op een zitting. Feiten 1. Belanghebbende staat volgens de Basisregistratie Personen (BRP) vanaf 6 december 2018 ingeschreven op een Nederlands woonadres in [plaats]. 2. Op 16 februari 2024 is door de Politie geconstateerd dat door belanghebbende met het motorrijtuig, van het merk Audi, type A8, voorzien van het Poolse kenteken [kentekennummer], gebruik is gemaakt van de weg. 3. Met dagtekening 17 april 2024 heeft de inspecteur een brief vooraankondiging naheffingsaanslag/boetebeschikking aan belanghebbende gestuurd. De inspecteur geeft aan dat belanghebbende volgens de BRP in Nederland stond ingeschreven, dat hij daarom geacht wordt in Nederland te wonen en dat hij als houder van het motorrijtuig wordt aangemerkt, omdat het motorrijtuig feitelijk aan hem ter beschikking stond. De inspecteur kondigt aan een naheffingsaanslag MRB en verzuimboete aan belanghebbende op te leggen. 4. Met dagtekening 4 juni 2024 heeft de inspecteur overeenkomstig zijn aankondiging een naheffingsaanslag met boete aan belanghebbende opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur bij brieven van 4 juni 2024 aan belanghebbende een rekening over de periode van 16 februari 2024 tot 16 mei 2024 en een rekening over de periode van 16 mei 2024 tot 16 augustus 2024 verzonden. 5. Bij brief van 6 juni 2024, ontvangen door de inspecteur op 11 juni 2024, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking alsmede de twee rekeningen. Belanghebbende geeft aan dat de naheffing en boete onterecht zijn, omdat hij na de staandehouding de auto in Polen heeft laten staan. Belanghebbende geeft aan dat hij in Polen woont en ongeveer 30 weken per jaar in Nederland werkt. 6. Met dagtekening 16 juli 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de boete ongegrond verklaard. Tevens heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 16 juli 2024 het bezwaar tegen de niet betaalde rekeningen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de inspecteur ambtshalve de rekening over de periode 16 mei tot 16 augustus 2024 laten vervallen. De rekening over de periode 16 februari 2024 tot 16 mei 2026 blijft belanghebbende verschuldigd. Beoordeling door de rechtbank 7. In geschil is of de inspecteur terecht het bezwaar tegen de rekening niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast is in geschil of de naheffingsaanslag en de boete terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Verder is in geschil of de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd is. Vooraf 8. De rechtbank heeft op 15 juli 2024 de beroepen van belanghebbende ontvangen. De uitspraken op bezwaar hebben als dagtekening 16 juli 2024. Dit betekent dat de beroepen prematuur zijn. De inspecteur heeft gesteld dat de uitspraken op bezwaar gedagtekend zijn met een toekomstige datum en eerder zijn verzonden aan belanghebbende. De rechtbank verklaart de beroepen ontvankelijk. Rekeningen MRB 9. Artikel 26, eerste lid, van Algemene wet inzake rijksbelastingen, regelt het gesloten stelsel waartegen in belastingzaken bezwaar en beroep ingesteld kan worden. De MRB wordt op aangifte voldaan. Een voldoening, afdracht of inhouding van belasting op aangifte wordt gelijkgesteld aan een voor bezwaar vatbare beschikking. Van een voldoening op aangifte over het tijdvak 16 februari 2024 tot 16 mei 2024 is niet gebleken. Hiermee komt de rechtbank tot het oordeel dat het bezwaar tegen de rekening over dit tijdvak terecht door de inspecteur niet-ontvankelijk is verklaard. Naheffingsaanslag 10. Belanghebbende voert aan dat hij in het genoemde tijdvak van 16 februari 2024 tot en met 15 februari 2024 20 weken met vakantie in Polen is geweest. Belanghebbende heeft ter onderbouwing hiervan een vakantiekaart, jaarkaart en urenlijst overgelegd. Belanghebbende geeft aan dat hij na de staandehouding het motorrijtuig niet meer naar Nederland heeft meegenomen en geen sprake meer is van een feitelijk gebruik. 11. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat uit de stukken van belanghebbende niet blijkt dat hij of het motorrijtuig daadwerkelijk in Polen was en dat hij gedurende de periodes waarin hij vakantie had, niet de beschikkingsmacht had over het motorrijtuig. De inspecteur stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd over het genoemde tijdvak. 12. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet MRB, wordt MRB geheven ter zake van het houden van een personenauto. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet MRB, wordt een motorrijtuig gehouden door degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft wordt, behoudens tegenbewijs, geacht zijn hoofdverblijf in Nederland te hebben indien hij in Nederland als ingezetene is ingeschreven in de BRP. 13. In artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB, is bepaald dat bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de belasting kan worden nageheven. Hierbij wordt een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven.
Volledig
In artikel 34, derde lid, van de Wet MRB, is bepaald dat indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van twaalf maanden niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan van degene ten aanzien van wie het gebruik van de weg is geconstateerd, over dat gedeelte de belasting niet wordt nageheven. 14. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende vanaf 6 december 2018 als ingezetene stond ingeschreven in de BRP en dat hij gebruik heeft gemaakt van de weg met een motorrijtuig met buitenlands kenteken zonder dat daarvoor motorrijtuigenbelasting is betaald. Hiermee komt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur bevoegd was om motorrijtuigenbelasting na te heffen. De rechtbank is tevens van oordeel dat de nageheven periode juist is. De bewijslast dat het motorrijtuig niet feitelijk aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan, ligt bij belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd. De overgelegde stukken zien op de vakanties van belanghebbende, maar daaruit volgt niet dat het motorrijtuig gedurende (een gedeelte van) de naheffingsperiode niet aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan. De verzuimboete 15. Nu vaststaat dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting niet is betaald, is de inspecteur bevoegd om op grond van artikel 37 van de Wet MRB in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een verzuimboete op te leggen van ten hoogste 50% van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald, met een minimum van € 50 en maximaal het wettelijke maximum van € 5.514. 16. De rechtbank is van oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd. De boete kan achterwege blijven indien sprake is van afwezigheid van schuld. Er is niet gesteld of aannemelijk geworden dat hiervan sprake is. 17. De rechtbank is van oordeel dat de boete passend en geboden is. Belanghebbende heeft geen financiële of andere omstandigheden aangedragen die tot een matiging van de boete zouden kunnen leiden. Motiveringsbeginsel 18. Belanghebbende voert aan dat de inspecteur in de uitspraak op bezwaar niet inhoudelijk op de gegeven argumenten ingaat. 19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur in de uitspraak op bezwaar uitgebreid uiteengezet waarom hij de naheffingsaanslag en boete handhaaft. De inspecteur geeft een samenvatting van het bezwaar weer en legt vervolgens met de voor belanghebbende geldende bepalingen uit waarom de naheffingsaanslag en boete zijn opgelegd. De inspecteur geeft aan dat hij bij de beoordeling de genoemde argumenten en ingebrachte stukken heeft meegenomen. Dat de inspecteur in zijn weerlegging niet specifiek de argumenten van belanghebbende heeft genoemd, maakt niet dat het motiveringsbeginsel is geschonden. Conclusie en gevolgen 20. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag, de rekening en de boete in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 13 mei 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. griffier rechter Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 14 Wet MRB. Artikel 26, tweede lid, van de Awr. HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:991, r.o. 4.2.2
Volledig
In artikel 34, derde lid, van de Wet MRB, is bepaald dat indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van twaalf maanden niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan van degene ten aanzien van wie het gebruik van de weg is geconstateerd, over dat gedeelte de belasting niet wordt nageheven. 14. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende vanaf 6 december 2018 als ingezetene stond ingeschreven in de BRP en dat hij gebruik heeft gemaakt van de weg met een motorrijtuig met buitenlands kenteken zonder dat daarvoor motorrijtuigenbelasting is betaald. Hiermee komt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur bevoegd was om motorrijtuigenbelasting na te heffen. De rechtbank is tevens van oordeel dat de nageheven periode juist is. De bewijslast dat het motorrijtuig niet feitelijk aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan, ligt bij belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd. De overgelegde stukken zien op de vakanties van belanghebbende, maar daaruit volgt niet dat het motorrijtuig gedurende (een gedeelte van) de naheffingsperiode niet aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan. De verzuimboete 15. Nu vaststaat dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting niet is betaald, is de inspecteur bevoegd om op grond van artikel 37 van de Wet MRB in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een verzuimboete op te leggen van ten hoogste 50% van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald, met een minimum van € 50 en maximaal het wettelijke maximum van € 5.514. 16. De rechtbank is van oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd. De boete kan achterwege blijven indien sprake is van afwezigheid van schuld. Er is niet gesteld of aannemelijk geworden dat hiervan sprake is. 17. De rechtbank is van oordeel dat de boete passend en geboden is. Belanghebbende heeft geen financiële of andere omstandigheden aangedragen die tot een matiging van de boete zouden kunnen leiden. Motiveringsbeginsel 18. Belanghebbende voert aan dat de inspecteur in de uitspraak op bezwaar niet inhoudelijk op de gegeven argumenten ingaat. 19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur in de uitspraak op bezwaar uitgebreid uiteengezet waarom hij de naheffingsaanslag en boete handhaaft. De inspecteur geeft een samenvatting van het bezwaar weer en legt vervolgens met de voor belanghebbende geldende bepalingen uit waarom de naheffingsaanslag en boete zijn opgelegd. De inspecteur geeft aan dat hij bij de beoordeling de genoemde argumenten en ingebrachte stukken heeft meegenomen. Dat de inspecteur in zijn weerlegging niet specifiek de argumenten van belanghebbende heeft genoemd, maakt niet dat het motiveringsbeginsel is geschonden. Conclusie en gevolgen 20. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag, de rekening en de boete in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 13 mei 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. griffier rechter Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 14 Wet MRB. Artikel 26, tweede lid, van de Awr. HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:991, r.o. 4.2.2