Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-13
ECLI:NL:RBGEL:2026:3783
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,138 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3783 text/xml public 2026-05-20T17:00:17 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-13 ARN 24/3476 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3783 text/html public 2026-05-14T09:24:14 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3783 Rechtbank Gelderland , 13-05-2026 / ARN 24/3476 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister volledig inzage heeft gegeven in de gegevens die over eiser zijn verwerkt. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank wijst wel het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe en stelt de hoogte hiervan vast op € 500. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/3476 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit naar aanleiding van eisers inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit op eisers inzageverzoek. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister volledig inzage heeft gegeven in de gegevens die over eiser zijn verwerkt. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank wijst wel het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe en stelt de hoogte hiervan vast op € 500. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft bij het college een inzageverzoek ingediend op grond van de AVG. Het college heeft met het besluit van 15 februari 2024 beslist op het inzageverzoek. Eiser heeft op 29 februari 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Vervolgens heeft het college dit besluit herzien met het besluit van 2 mei 2024, omdat een nieuwe zoekslag aanvullende informatie heeft opgeleverd. Eiser heeft zijn bezwaar niet ingetrokken. 2.1. Omdat het college nog geen besluit had genomen op eisers bezwaar, heeft eiser het college op 13 mei 2024 in gebreke gesteld. Vervolgens heeft hij op 27 mei 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door het college op zijn bezwaar. 2.2. Het college heeft met het bestreden besluit van 4 juni 2024 het bezwaar gegrond verklaard, omdat het college een herzien besluit heeft genomen. Daarbij heeft het college informatie gevonden naar aanleiding van eisers inzageverzoek, te weten: twee rapportages, twee uitnodigingsbrieven en een gespreksverslag. Ook heeft het college aan eiser een dwangsom toegekend wegens het te laat beslissen op zijn bezwaar. 2.3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van 4 juni 2024. Het door hem ingediende beroep tegen het niet tijdig beslissen richt zich daarom ook tegen het bestreden besluit. 2.4. Tijdens deze beroepsprocedure heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij de uitspraak van 15 augustus 2024 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting. 2.6. De rechtbank heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) aangemerkt als derde-partij bij het beroep in verband met een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 is, hoeft de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond en totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser heeft in 2013 en 2014 enige tijd een uitkering ontvangen op grond van de toenmalige Wet werk en bijstand. In 2014 is een aanvraag van eiser op grond van het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen afgewezen. In augustus 2022 heeft eiser een brief gekregen waarin stond dat zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst stonden. In de brief is vermeld dat er een registratie plaatsvond in dit systeem wanneer een overheidsorganisatie een informatieverzoek deed en van iemand belastinggegevens opvroeg. Eiser is geregistreerd in de FSV omdat er een informatieverzoek van de gemeente is gedaan in 2015 over de jaren 2013 en 2014. Verder is vermeld dat de Belastingdienst onderzoekt of de opname onterechte gevolgen voor eiser heeft gehad en de gegevens met andere overheidsorganisaties zijn gedeeld. Het gebruik van de FSV voldeed op verschillende punten niet aan de privacywetgeving. Daarom is de FSV per 27 februari 2020 uitgezet en wordt deze niet meer gebruikt. 3.1. Eiser heeft vervolgens een inzageverzoek gedaan bij de Belastingdienst van de hem betreffende gegevens in de FSV. In het besluit van 20 april 2023 heeft de Belastingdienst eiser een overzicht gestuurd. In een brief van 21 juli 2023 heeft de Belastingdienst eiser geïnformeerd dat zijn FSV-registratie geen gevolgen had. Uit onderzoek is gebleken dat hem betreffende gegevens uit de FSV niet zijn gedeeld met andere organisaties en dat er geen bijzondere persoonsgegevens van hem in de FSV staan. 3.2. Op 28 december 2023 heeft eiser bij het college een inzageverzoek gedaan. Eiser heeft ook gevraagd om te bevestigen dat de hem betreffende gegevens (bankafschriften uit 2013 en 2014) uit de FSV-registratie door de Belastingdienst zijn gedeeld met het college. Ook verzoekt eiser het college toe te lichten wat de aanleiding was van het informatieverzoek en door wie het informatieverzoek is gedaan. Hierna heeft het college de besluiten genomen, zoals in het procesverloop zijn genoemd. Beroep niet tijdig beslissen 4. Omdat het college op 4 juni 2024 op eisers bezwaar heeft beslist, heeft eiser niet langer een belang bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom wegens gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk. Toetsingskader 5. Op grond van artikel 15 van de AVG heeft eiser het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van zijn persoonsgegevens. Wanneer dat het geval is heeft hij het recht om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de informatie die in dat artikel onder a tot en met h is beschreven. 5.1. Het is vaste rechtspraak dat de verwerkingsverantwoordelijke volgens artikel 15, derde lid, eerste volzin, van de AVG een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt moet verstrekken. Deze kopie moet alle noodzakelijke kenmerken vertonen om de betrokkene in staat te stellen de rechten die hij aan deze verordening ontleent daadwerkelijk uit te oefenen. Deze kopie moet deze gegevens dus volledig en getrouw reproduceren. 5.2. Om eiser daartoe in staat te stellen, moet het overzicht niet alleen een omschrijving van het persoonsgegeven vermelden, maar ook het persoonsgegeven zelf, en moeten de verwerkingsdoeleinden worden vermeld. Als dat voor betrokkene nodig is om te kunnen beoordelen of de persoonsgegevens rechtmatig zijn verwerkt, dient meer informatie te worden verstrekt over de inhoud, de strekking of de context van een document. 5.3. Artikel 15 van de AVG heeft echter niet als doel de toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren. Voor de toegang tot documenten over bestuurlijke aangelegenheden kan de betrokkene een verzoek indienen op grond van de Wet open overheid. De verplichting om een kopie van de persoonsgegevens te verstrekken op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG betekent niet dat een bestuursorgaan verplicht is om een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3783 text/xml public 2026-05-20T17:00:17 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-13 ARN 24/3476 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3783 text/html public 2026-05-14T09:24:14 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3783 Rechtbank Gelderland , 13-05-2026 / ARN 24/3476 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister volledig inzage heeft gegeven in de gegevens die over eiser zijn verwerkt. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank wijst wel het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe en stelt de hoogte hiervan vast op € 500. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/3476 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit naar aanleiding van eisers inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit op eisers inzageverzoek. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister volledig inzage heeft gegeven in de gegevens die over eiser zijn verwerkt. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank wijst wel het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe en stelt de hoogte hiervan vast op € 500. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft bij het college een inzageverzoek ingediend op grond van de AVG. Het college heeft met het besluit van 15 februari 2024 beslist op het inzageverzoek. Eiser heeft op 29 februari 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Vervolgens heeft het college dit besluit herzien met het besluit van 2 mei 2024, omdat een nieuwe zoekslag aanvullende informatie heeft opgeleverd. Eiser heeft zijn bezwaar niet ingetrokken. 2.1. Omdat het college nog geen besluit had genomen op eisers bezwaar, heeft eiser het college op 13 mei 2024 in gebreke gesteld. Vervolgens heeft hij op 27 mei 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door het college op zijn bezwaar. 2.2. Het college heeft met het bestreden besluit van 4 juni 2024 het bezwaar gegrond verklaard, omdat het college een herzien besluit heeft genomen. Daarbij heeft het college informatie gevonden naar aanleiding van eisers inzageverzoek, te weten: twee rapportages, twee uitnodigingsbrieven en een gespreksverslag. Ook heeft het college aan eiser een dwangsom toegekend wegens het te laat beslissen op zijn bezwaar. 2.3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van 4 juni 2024. Het door hem ingediende beroep tegen het niet tijdig beslissen richt zich daarom ook tegen het bestreden besluit. 2.4. Tijdens deze beroepsprocedure heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij de uitspraak van 15 augustus 2024 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting. 2.6. De rechtbank heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) aangemerkt als derde-partij bij het beroep in verband met een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 is, hoeft de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond en totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser heeft in 2013 en 2014 enige tijd een uitkering ontvangen op grond van de toenmalige Wet werk en bijstand. In 2014 is een aanvraag van eiser op grond van het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen afgewezen. In augustus 2022 heeft eiser een brief gekregen waarin stond dat zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst stonden. In de brief is vermeld dat er een registratie plaatsvond in dit systeem wanneer een overheidsorganisatie een informatieverzoek deed en van iemand belastinggegevens opvroeg. Eiser is geregistreerd in de FSV omdat er een informatieverzoek van de gemeente is gedaan in 2015 over de jaren 2013 en 2014. Verder is vermeld dat de Belastingdienst onderzoekt of de opname onterechte gevolgen voor eiser heeft gehad en de gegevens met andere overheidsorganisaties zijn gedeeld. Het gebruik van de FSV voldeed op verschillende punten niet aan de privacywetgeving. Daarom is de FSV per 27 februari 2020 uitgezet en wordt deze niet meer gebruikt. 3.1. Eiser heeft vervolgens een inzageverzoek gedaan bij de Belastingdienst van de hem betreffende gegevens in de FSV. In het besluit van 20 april 2023 heeft de Belastingdienst eiser een overzicht gestuurd. In een brief van 21 juli 2023 heeft de Belastingdienst eiser geïnformeerd dat zijn FSV-registratie geen gevolgen had. Uit onderzoek is gebleken dat hem betreffende gegevens uit de FSV niet zijn gedeeld met andere organisaties en dat er geen bijzondere persoonsgegevens van hem in de FSV staan. 3.2. Op 28 december 2023 heeft eiser bij het college een inzageverzoek gedaan. Eiser heeft ook gevraagd om te bevestigen dat de hem betreffende gegevens (bankafschriften uit 2013 en 2014) uit de FSV-registratie door de Belastingdienst zijn gedeeld met het college. Ook verzoekt eiser het college toe te lichten wat de aanleiding was van het informatieverzoek en door wie het informatieverzoek is gedaan. Hierna heeft het college de besluiten genomen, zoals in het procesverloop zijn genoemd. Beroep niet tijdig beslissen 4. Omdat het college op 4 juni 2024 op eisers bezwaar heeft beslist, heeft eiser niet langer een belang bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom wegens gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk. Toetsingskader 5. Op grond van artikel 15 van de AVG heeft eiser het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van zijn persoonsgegevens. Wanneer dat het geval is heeft hij het recht om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de informatie die in dat artikel onder a tot en met h is beschreven. 5.1. Het is vaste rechtspraak dat de verwerkingsverantwoordelijke volgens artikel 15, derde lid, eerste volzin, van de AVG een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt moet verstrekken. Deze kopie moet alle noodzakelijke kenmerken vertonen om de betrokkene in staat te stellen de rechten die hij aan deze verordening ontleent daadwerkelijk uit te oefenen. Deze kopie moet deze gegevens dus volledig en getrouw reproduceren. 5.2. Om eiser daartoe in staat te stellen, moet het overzicht niet alleen een omschrijving van het persoonsgegeven vermelden, maar ook het persoonsgegeven zelf, en moeten de verwerkingsdoeleinden worden vermeld. Als dat voor betrokkene nodig is om te kunnen beoordelen of de persoonsgegevens rechtmatig zijn verwerkt, dient meer informatie te worden verstrekt over de inhoud, de strekking of de context van een document. 5.3. Artikel 15 van de AVG heeft echter niet als doel de toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren. Voor de toegang tot documenten over bestuurlijke aangelegenheden kan de betrokkene een verzoek indienen op grond van de Wet open overheid. De verplichting om een kopie van de persoonsgegevens te verstrekken op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG betekent niet dat een bestuursorgaan verplicht is om een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen.
Volledig
Een bestuursorgaan mag dat doen, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, als met de gekozen wijze van verstrekking aan het doel van artikel 15, derde lid, van de AVG wordt voldaan. Was het college bevoegd te beslissen op eisers inzageverzoek? 6. Eiser stelt in twijfel of het college bevoegd was om te beslissen op zijn inzageverzoek. Eiser licht toe dat hij zijn inzageverzoek bij de sociale dienst van de gemeente Arnhem had moeten indienen, omdat de sociale dienst een informatieverzoek heeft gedaan bij de Belastingdienst. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat het college bevoegd was om op eisers inzageverzoek te beslissen. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat het college niet bevoegd was om te beslissen op het inzageverzoek, omdat het gaat om informatie die de sociale dienst van de gemeente Arnhem in het kader van de uitvoering van de Participatiewet heeft opgevraagd bij de Belastingdienst. Het college is belast met de uitvoering van de Participatiewet. Is het besluit niet rechtsgeldig? 7. Eiser stelt dat sprake is van ongeldige besluitvorming. Het college had vanaf 28 december 2023 dertig dagen de tijd om op eisers inzageverzoek te beslissen. Pas na afloop van deze termijn heeft het college eiser laten weten onvoldoende tijd te hebben om op zijn inzageverzoek te beslissen, terwijl het college dit binnen de wettelijke termijn van dertig dagen had moeten laten weten. Uiteindelijk heeft het college op 15 februari 2024 een besluit genomen op eisers inzageverzoek. Daarnaast heeft het college te laat beslist op eisers bezwaarschrift. Eiser moest een ingebrekestelling indienen om het college te laten beslissen op zijn bezwaarschrift. 7.1. De beroepsgrond slaagt niet. De in de AVG opgenomen beslistermijn van een maand na ontvangst van een inzageverzoek is geen fatale termijn. Aan het nemen van een besluit na het verstrijken van die termijn heeft de regelgever niet de consequentie verbonden dat het besluit niet rechtsgeldig zou zijn. Bij overschrijding van de beslistermijn bestaat wel de mogelijkheid om het bestuursorgaan erop te wijzen dat er nog geen besluit is genomen met een zogenoemde ingebrekestelling. Als het bestuursorgaan dan vervolgens nog geen besluit neemt, kan een belanghebbende tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Dit heeft eiser ook gedaan toen het college niet tijdig een besluit nam op zijn bezwaarschrift. Het college heeft aan eiser ook een dwangsom betaald wegens het te laat beslissen op zijn bezwaarschrift. Heeft het college voldaan aan eisers inzageverzoek? 8. Eiser stelt dat het college niet heeft voldaan aan zijn inzageverzoek. Met het bestreden besluit wordt niet de gevraagde en gewenste transparantie gegeven. Zo wordt niet bevestigd dat het college eisers FSV-registratie met derden heeft gedeeld zodat hij bij de Belastingdienst een verzoek tot schadevergoeding kan indienen. Ook is niet duidelijk geworden of een rechtmatigheidsonderzoek is uitgevoerd in het kader van de Wet werk en bijstand of de Bijstand voor zelfstandigen. Daarnaast blijft onduidelijk wat voor het college de aanleiding was om een informatieverzoek te doen bij de Belastingdienst. Eiser had zelf al zijn bankafschriften overgelegd in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek waardoor dit onderzoek niet de aanleiding kan zijn geweest om informatie op te vragen bij de Belastingdienst. Verder stelt eiser dat de zoekslag niet zorgvuldig is geweest, omdat onjuiste bankrekeningnummers zijn genoemd in het besluit van 15 februari 2024. Daarnaast wordt in het besluit van 2 mei 2024 ten onrechte gesteld dat de data op het overzicht van de Belastingdienst niet meer relevant zijn. 8.1. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat degene die stelt dat er meer persoonsgegevens moeten zijn, nadat de verwerkingsverantwoordelijke onderzoek naar die persoonsgegevens heeft gedaan en niet ongeloofwaardig heeft medegedeeld dat er niet meer persoonsgegevens zijn, aannemelijk moet maken dat er wel meer persoonsgegevens moeten zijn. 8.2. De rechtbank is van oordeel dat het college heeft voldaan aan het inzageverzoek van eiser. Het college heeft namelijk volledig inzicht gegeven in de gegevens die over eiser zijn verwerkt. Het gaat hierbij niet om de vraag of de verwerkte gegevens juist zijn, maar om de vraag of het college een voldoende zoekslag heeft uitgevoerd en inzicht heeft gegeven in de gevonden gegevens. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat in eerste instantie de twee genoemde data in het overzicht van persoonsgegevens bij de Belastingdienst als uitgangspunt zijn genomen bij de zoekslag. Er is gezocht naar gegevens in de systemen die nu worden gebruikt, maar ook in systemen die destijds werden gebruikt in het kader van het sociale domein. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft het college een nadere zoekslag uitgevoerd waarbij is betrokken dat het gaat om de beoordeling van een uitkering waarvoor informatie over saldi in de jaren 2013 en 2014 relevant was. Bij deze zoekslag is niet meer vastgehouden aan de door eiser genoemde data in zijn verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank is de zoekslag van het college hiermee afdoende geweest. Eiser heeft ook geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht om te twijfelen aan de volledigheid van de door het college uitgevoerde zoekslag. Dat een foutief bankrekeningnummer is vermeld in het besluit van 15 februari 2024, betekent niet dat geen zorgvuldige zoekslag heeft plaatsgevonden. De rechtbank vindt dit eerder een indicatie dat het college transparant en volledig is geweest bij het beslissen op het inzageverzoek van eiser. Overschrijding van de redelijke termijn 9. Eiser stelt dat hij al vanaf mei 2024 wacht op duidelijkheid omtrent de uitkomst van dit beroep. Het is niet reëel om een burger bijna twee jaar op de inhoudelijke behandeling van een beroepsprocedure te laten wachten. 9.1. De rechtbank merkt deze beroepsgrond aan als een verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Volgens vaste rechtspraak mag de behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, maximaal twee jaar duren. Voor elk half jaar dat deze termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500 toegekend. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. 9.2. Het college heeft het pro-forma bezwaar van eiser op 29 februari 2024 ontvangen en met het besluit van 4 juni 2024 op het bezwaar beslist. De rechtbank heeft met de uitspraak van vandaag op het beroep beslist. Sinds 29 februari 2024 en de uitspraak van vandaag zijn ruim twee jaar en twee maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met afgerond drie maanden is overschreden. Eiser heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500. Omdat deze overschrijding geheel is toe te rekenen aan de beroepsfase, moet de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) de door eiser geleden schade vergoeden. Verzoek om bekendmaking informatiebron 10. Eiser schrijft in zijn beroepschrift dat de informatiemanager in het besluit van 2 mei 2024 melding maakt van bewust foutief gekopieerde bankrekeningnummers die afkomstig zouden zijn uit Suwinet. Eiser plaatst daar vraagtekens bij. Hij verzoekt daarom de rechtbank de informatiemanager te dwingen zijn bron voor de bewust foutieve gekopieerde bankrekeningnummers bekend te maken en bij het overschrijden van de daarvoor gegeven termijn een bestuurlijke boete op te leggen. 10.1. De rechtbank kan zich niet uitlaten over dit verzoek. De rechtbank dient zich gelet op de reikwijdte van het bestreden besluit te beperken tot de vraag of het college de gegevens die over eiser zijn verwerkt ook aan eiser zijn verstrekt. Deze vraag heeft de rechtbank onder 8.2. bevestigend beantwoord. Het verzoek om de informatiemanager te dwingen een bron openbaar te maken, valt buiten deze beroepsprocedure. Conclusie en gevolgen 11.
Volledig
Een bestuursorgaan mag dat doen, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, als met de gekozen wijze van verstrekking aan het doel van artikel 15, derde lid, van de AVG wordt voldaan. Was het college bevoegd te beslissen op eisers inzageverzoek? 6. Eiser stelt in twijfel of het college bevoegd was om te beslissen op zijn inzageverzoek. Eiser licht toe dat hij zijn inzageverzoek bij de sociale dienst van de gemeente Arnhem had moeten indienen, omdat de sociale dienst een informatieverzoek heeft gedaan bij de Belastingdienst. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat het college bevoegd was om op eisers inzageverzoek te beslissen. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat het college niet bevoegd was om te beslissen op het inzageverzoek, omdat het gaat om informatie die de sociale dienst van de gemeente Arnhem in het kader van de uitvoering van de Participatiewet heeft opgevraagd bij de Belastingdienst. Het college is belast met de uitvoering van de Participatiewet. Is het besluit niet rechtsgeldig? 7. Eiser stelt dat sprake is van ongeldige besluitvorming. Het college had vanaf 28 december 2023 dertig dagen de tijd om op eisers inzageverzoek te beslissen. Pas na afloop van deze termijn heeft het college eiser laten weten onvoldoende tijd te hebben om op zijn inzageverzoek te beslissen, terwijl het college dit binnen de wettelijke termijn van dertig dagen had moeten laten weten. Uiteindelijk heeft het college op 15 februari 2024 een besluit genomen op eisers inzageverzoek. Daarnaast heeft het college te laat beslist op eisers bezwaarschrift. Eiser moest een ingebrekestelling indienen om het college te laten beslissen op zijn bezwaarschrift. 7.1. De beroepsgrond slaagt niet. De in de AVG opgenomen beslistermijn van een maand na ontvangst van een inzageverzoek is geen fatale termijn. Aan het nemen van een besluit na het verstrijken van die termijn heeft de regelgever niet de consequentie verbonden dat het besluit niet rechtsgeldig zou zijn. Bij overschrijding van de beslistermijn bestaat wel de mogelijkheid om het bestuursorgaan erop te wijzen dat er nog geen besluit is genomen met een zogenoemde ingebrekestelling. Als het bestuursorgaan dan vervolgens nog geen besluit neemt, kan een belanghebbende tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Dit heeft eiser ook gedaan toen het college niet tijdig een besluit nam op zijn bezwaarschrift. Het college heeft aan eiser ook een dwangsom betaald wegens het te laat beslissen op zijn bezwaarschrift. Heeft het college voldaan aan eisers inzageverzoek? 8. Eiser stelt dat het college niet heeft voldaan aan zijn inzageverzoek. Met het bestreden besluit wordt niet de gevraagde en gewenste transparantie gegeven. Zo wordt niet bevestigd dat het college eisers FSV-registratie met derden heeft gedeeld zodat hij bij de Belastingdienst een verzoek tot schadevergoeding kan indienen. Ook is niet duidelijk geworden of een rechtmatigheidsonderzoek is uitgevoerd in het kader van de Wet werk en bijstand of de Bijstand voor zelfstandigen. Daarnaast blijft onduidelijk wat voor het college de aanleiding was om een informatieverzoek te doen bij de Belastingdienst. Eiser had zelf al zijn bankafschriften overgelegd in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek waardoor dit onderzoek niet de aanleiding kan zijn geweest om informatie op te vragen bij de Belastingdienst. Verder stelt eiser dat de zoekslag niet zorgvuldig is geweest, omdat onjuiste bankrekeningnummers zijn genoemd in het besluit van 15 februari 2024. Daarnaast wordt in het besluit van 2 mei 2024 ten onrechte gesteld dat de data op het overzicht van de Belastingdienst niet meer relevant zijn. 8.1. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat degene die stelt dat er meer persoonsgegevens moeten zijn, nadat de verwerkingsverantwoordelijke onderzoek naar die persoonsgegevens heeft gedaan en niet ongeloofwaardig heeft medegedeeld dat er niet meer persoonsgegevens zijn, aannemelijk moet maken dat er wel meer persoonsgegevens moeten zijn. 8.2. De rechtbank is van oordeel dat het college heeft voldaan aan het inzageverzoek van eiser. Het college heeft namelijk volledig inzicht gegeven in de gegevens die over eiser zijn verwerkt. Het gaat hierbij niet om de vraag of de verwerkte gegevens juist zijn, maar om de vraag of het college een voldoende zoekslag heeft uitgevoerd en inzicht heeft gegeven in de gevonden gegevens. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat in eerste instantie de twee genoemde data in het overzicht van persoonsgegevens bij de Belastingdienst als uitgangspunt zijn genomen bij de zoekslag. Er is gezocht naar gegevens in de systemen die nu worden gebruikt, maar ook in systemen die destijds werden gebruikt in het kader van het sociale domein. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft het college een nadere zoekslag uitgevoerd waarbij is betrokken dat het gaat om de beoordeling van een uitkering waarvoor informatie over saldi in de jaren 2013 en 2014 relevant was. Bij deze zoekslag is niet meer vastgehouden aan de door eiser genoemde data in zijn verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank is de zoekslag van het college hiermee afdoende geweest. Eiser heeft ook geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht om te twijfelen aan de volledigheid van de door het college uitgevoerde zoekslag. Dat een foutief bankrekeningnummer is vermeld in het besluit van 15 februari 2024, betekent niet dat geen zorgvuldige zoekslag heeft plaatsgevonden. De rechtbank vindt dit eerder een indicatie dat het college transparant en volledig is geweest bij het beslissen op het inzageverzoek van eiser. Overschrijding van de redelijke termijn 9. Eiser stelt dat hij al vanaf mei 2024 wacht op duidelijkheid omtrent de uitkomst van dit beroep. Het is niet reëel om een burger bijna twee jaar op de inhoudelijke behandeling van een beroepsprocedure te laten wachten. 9.1. De rechtbank merkt deze beroepsgrond aan als een verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Volgens vaste rechtspraak mag de behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, maximaal twee jaar duren. Voor elk half jaar dat deze termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500 toegekend. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. 9.2. Het college heeft het pro-forma bezwaar van eiser op 29 februari 2024 ontvangen en met het besluit van 4 juni 2024 op het bezwaar beslist. De rechtbank heeft met de uitspraak van vandaag op het beroep beslist. Sinds 29 februari 2024 en de uitspraak van vandaag zijn ruim twee jaar en twee maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met afgerond drie maanden is overschreden. Eiser heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500. Omdat deze overschrijding geheel is toe te rekenen aan de beroepsfase, moet de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) de door eiser geleden schade vergoeden. Verzoek om bekendmaking informatiebron 10. Eiser schrijft in zijn beroepschrift dat de informatiemanager in het besluit van 2 mei 2024 melding maakt van bewust foutief gekopieerde bankrekeningnummers die afkomstig zouden zijn uit Suwinet. Eiser plaatst daar vraagtekens bij. Hij verzoekt daarom de rechtbank de informatiemanager te dwingen zijn bron voor de bewust foutieve gekopieerde bankrekeningnummers bekend te maken en bij het overschrijden van de daarvoor gegeven termijn een bestuurlijke boete op te leggen. 10.1. De rechtbank kan zich niet uitlaten over dit verzoek. De rechtbank dient zich gelet op de reikwijdte van het bestreden besluit te beperken tot de vraag of het college de gegevens die over eiser zijn verwerkt ook aan eiser zijn verstrekt. Deze vraag heeft de rechtbank onder 8.2. bevestigend beantwoord. Het verzoek om de informatiemanager te dwingen een bron openbaar te maken, valt buiten deze beroepsprocedure. Conclusie en gevolgen 11.