Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-13
ECLI:NL:RBGEL:2026:3780
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,708 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3780 text/xml public 2026-05-20T17:00:15 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-13 ARN 24/2786 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3780 text/html public 2026-05-14T09:12:13 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3780 Rechtbank Gelderland , 13-05-2026 / ARN 24/2786 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De raad is namelijk niet ingegaan op eisers onderbouwde stelling dat hij over een deel van zijn vermogen niet kan beschikken. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De raad moet een nieuw besluit nemen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/2786 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser en het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een toevoeging. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag en voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers aanvraag om een toevoeging. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De raad is namelijk niet ingegaan op eisers onderbouwde stelling dat hij over een deel van zijn vermogen niet kan beschikken. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De raad moet een nieuw besluit nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om een toevoeging. De raad heeft deze aanvraag met het besluit van 21 november 2023 afgewezen, omdat eisers vermogen meer bedraagt dan het drempelbedrag. Met het bestreden besluit van 19 maart 2024 op het bezwaar van eiser is de raad bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank Het beoordelingskader 3. Artikel 34 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) geeft de financiële grenzen voor het al dan niet in aanmerking komen voor een toevoeging. Op grond van artikel 34, tweede lid, van de Wrb is er geen recht op rechtsbijstand op basis van een toevoeging als het vermogen van de aanvrager meer bedraagt dan het drempelbedrag zoals genoemd in artikel 9.4a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het drempelbedrag voor het peiljaar 2021 is € 31.340. 3.1. Op grond van artikel 34a van de Wrb gaat de raad in beginsel uit van de gegevens over inkomen en vermogen die door de Belastingdienst zijn berekend. De raad hoeft dit dus niet zelf te berekenen. De raad mag er in de regel vanuit gaan dat over het vermogen, zoals door de Belastingdienst is berekend, wordt beschikt, zoals bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wrb. Het is aan de aanvrager van een toevoeging om rechtsbijstand om aan te tonen dat dit in de omstandigheden van zijn of haar geval anders is. Een redelijke toepassing van het bepaalde in artikel 34, tweede lid, van de Wrb kan dan met zich brengen dat voor de beoordeling van het recht op rechtsbijstand bij de hoogte van het vermogen van de aanvrager, een bestanddeel van het vermogen buiten beschouwing moet blijven waarvan de aanvrager aantoont dat hij of zij niet op enig moment (heeft) beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan krijgen over dit vermogensbestanddeel. Is de raad bij de beoordeling uitgegaan van een juist vermogen? 4. Eiser voert in beroep alleen maar aan dat hij meent dat zijn vermogen waarover hij kan beschikken niet boven het gestelde drempelbedrag komt en dat hij recht heeft op de toevoeging. Meer voert hij niet aan. Zo betwist hij niet dat zijn vermogen op zichzelf ligt boven de wettelijk vastgestelde financiële grens. Eiser stelt echter dat hij over een deel van dat vermogen niet kan beschikken. Hij heeft deze grond in de bezwaarprocedure wel toegelicht. Onder zijn vermogen vallen twee vorderingen, namelijk een vordering van € 39.571 op zijn moeder en een vordering van € 7.640,28 op de Vereniging van eigenaren. Over die vorderingen kan eiser niet beschikken. Het vermogen waarover eiser wél kan beschikken, ligt niet boven de wettelijk vastgestelde financiële grens. 4.1. Deze beroepsgrond slaagt. De raad is in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op eisers bezwaargrond dat hij over een deel van zijn vermogen niet kan beschikken. Hoewel de raad in beginsel mag uitgaan van het vermogen dat door de Belastingdienst is berekend, heeft eiser betoogd en onderbouwd met stukken dat dit in zijn situatie anders is. De raad heeft deze in bezwaar naar voren gebrachte omstandigheden niet beoordeeld in het bestreden besluit. Gelet op onder 3.1 had de raad dat wel moeten doen. Dit betekent dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dat is in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de raad op om binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. 5.1. Omdat het beroep gegrond is, moet de raad het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De raad moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 1). Verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt de raad op om binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt de raad tot betaling van € 934 aan proceskosten aan eiser; bepaalt dat de raad het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op: griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. ABRvS 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:34.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3780 text/xml public 2026-05-20T17:00:15 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-13 ARN 24/2786 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3780 text/html public 2026-05-14T09:12:13 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3780 Rechtbank Gelderland , 13-05-2026 / ARN 24/2786 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De raad is namelijk niet ingegaan op eisers onderbouwde stelling dat hij over een deel van zijn vermogen niet kan beschikken. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De raad moet een nieuw besluit nemen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/2786 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser en het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een toevoeging. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag en voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers aanvraag om een toevoeging. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De raad is namelijk niet ingegaan op eisers onderbouwde stelling dat hij over een deel van zijn vermogen niet kan beschikken. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De raad moet een nieuw besluit nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om een toevoeging. De raad heeft deze aanvraag met het besluit van 21 november 2023 afgewezen, omdat eisers vermogen meer bedraagt dan het drempelbedrag. Met het bestreden besluit van 19 maart 2024 op het bezwaar van eiser is de raad bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank Het beoordelingskader 3. Artikel 34 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) geeft de financiële grenzen voor het al dan niet in aanmerking komen voor een toevoeging. Op grond van artikel 34, tweede lid, van de Wrb is er geen recht op rechtsbijstand op basis van een toevoeging als het vermogen van de aanvrager meer bedraagt dan het drempelbedrag zoals genoemd in artikel 9.4a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het drempelbedrag voor het peiljaar 2021 is € 31.340. 3.1. Op grond van artikel 34a van de Wrb gaat de raad in beginsel uit van de gegevens over inkomen en vermogen die door de Belastingdienst zijn berekend. De raad hoeft dit dus niet zelf te berekenen. De raad mag er in de regel vanuit gaan dat over het vermogen, zoals door de Belastingdienst is berekend, wordt beschikt, zoals bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wrb. Het is aan de aanvrager van een toevoeging om rechtsbijstand om aan te tonen dat dit in de omstandigheden van zijn of haar geval anders is. Een redelijke toepassing van het bepaalde in artikel 34, tweede lid, van de Wrb kan dan met zich brengen dat voor de beoordeling van het recht op rechtsbijstand bij de hoogte van het vermogen van de aanvrager, een bestanddeel van het vermogen buiten beschouwing moet blijven waarvan de aanvrager aantoont dat hij of zij niet op enig moment (heeft) beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan krijgen over dit vermogensbestanddeel. Is de raad bij de beoordeling uitgegaan van een juist vermogen? 4. Eiser voert in beroep alleen maar aan dat hij meent dat zijn vermogen waarover hij kan beschikken niet boven het gestelde drempelbedrag komt en dat hij recht heeft op de toevoeging. Meer voert hij niet aan. Zo betwist hij niet dat zijn vermogen op zichzelf ligt boven de wettelijk vastgestelde financiële grens. Eiser stelt echter dat hij over een deel van dat vermogen niet kan beschikken. Hij heeft deze grond in de bezwaarprocedure wel toegelicht. Onder zijn vermogen vallen twee vorderingen, namelijk een vordering van € 39.571 op zijn moeder en een vordering van € 7.640,28 op de Vereniging van eigenaren. Over die vorderingen kan eiser niet beschikken. Het vermogen waarover eiser wél kan beschikken, ligt niet boven de wettelijk vastgestelde financiële grens. 4.1. Deze beroepsgrond slaagt. De raad is in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op eisers bezwaargrond dat hij over een deel van zijn vermogen niet kan beschikken. Hoewel de raad in beginsel mag uitgaan van het vermogen dat door de Belastingdienst is berekend, heeft eiser betoogd en onderbouwd met stukken dat dit in zijn situatie anders is. De raad heeft deze in bezwaar naar voren gebrachte omstandigheden niet beoordeeld in het bestreden besluit. Gelet op onder 3.1 had de raad dat wel moeten doen. Dit betekent dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dat is in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de raad op om binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. 5.1. Omdat het beroep gegrond is, moet de raad het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De raad moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 1). Verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt de raad op om binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt de raad tot betaling van € 934 aan proceskosten aan eiser; bepaalt dat de raad het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op: griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. ABRvS 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:34.