Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-13
ECLI:NL:RBGEL:2026:3772
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,015 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3772 text/xml public 2026-05-20T17:00:20 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-13 ARN 25/1106 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3772 text/html public 2026-05-14T09:48:19 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3772 Rechtbank Gelderland , 13-05-2026 / ARN 25/1106 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beëindiging door de Dienst van de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de aangevoerde beroepsgronden. De mededelingen van de Dienst dat de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd zijn namelijk geen voor bezwaar vatbare besluiten. De Dienst had het bezwaar van eiseres daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep is gegrond en de rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/1106 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres en Dienst Toeslagen (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beëindiging door de Dienst van de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag van eiseres met ingang van 1 januari 2025. Eiseres is het niet eens met deze beëindiging en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat niet kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de aangevoerde beroepsgronden. De mededelingen van de Dienst dat de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd zijn namelijk geen voor bezwaar vatbare besluiten. De Dienst had het bezwaar van eiseres daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij brief van 20 november 2024 heeft de Dienst eiseres meegedeeld dat de beoordeling van het recht op kindgebonden budget met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd. Bij brief van 18 januari 2025 heeft de Dienst eiseres meegedeeld dat de beoordeling van het recht op zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd. Met het bestreden besluit van 21 februari 2025 heeft de Dienst het bezwaar van eiseres tegen deze brieven ongegrond verklaard. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van de Dienst. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres is eigenaresse van de woning op het adres [adres] in [plaats]. Zij stond tot 15 december 2021 op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Daarna woonde eiseres, vanwege haar baan als manager van een hondenpension, in de bedrijfswoning bij dit pension. Zij verhuurde haar eigen woning. Met ingang van 1 februari 2025 woont eiseres weer in haar eigen woning en staat zij ook op dit adres ingeschreven in de BRP. 3.1. Eiseres heeft met ingang van 1 januari 2020 kindgebonden budget en zorgtoeslag aangevraagd en ontvangen. De Dienst heeft het kindgebonden budget en de zorgtoeslag van eiseres over de jaren 2022, 2023 en 2024 vastgesteld op nihil en de teveel uitbetaalde bedragen teruggevorderd. Het eigen vermogen van eiseres was in deze jaren namelijk te hoog, omdat zij haar eigen woning verhuurde en er niet zelf woonde. 3.2. Bij brieven van 20 november 2024 en 18 januari 2025 heeft de Dienst eiseres meegedeeld dat de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd. In deze brieven geeft de Dienst aan dat eiseres in de jaren daarvoor geen recht had op kindgebonden budget en zorgtoeslag en dat hij geen onnodige berichten meer wil sturen. De Dienst geeft ook aan dat, als de situatie van eiseres verandert, zij opnieuw kindgebonden budget en zorgtoeslag kan aanvragen. Met het bestreden besluit van 21 februari 2025 heeft de Dienst het tegen deze brieven gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het toetsingskader 4. Kindgebonden budget en zorgtoeslag zijn inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De hoogte van het kindgebonden budget en de zorgtoeslag wordt namelijk berekend aan de hand van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen van een belanghebbende. 4.1. Op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Awir wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat, als de Dienst van oordeel is dat toepassing van het vijfde lid kan worden beëindigd, hij dit schriftelijk meedeelt aan de belanghebbende. 4.2. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling gericht op rechtsgevolg. Een beslissing heeft rechtsgevolg als zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. De ontvankelijkheid van het bezwaar 5. De rechtbank stelt vast dat de mededelingen in de brieven van 20 november 2024 en 18 januari 2025 mededelingen zijn als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van de Awir. De vraag die moet worden beantwoord is of deze mededelingen voor bezwaar vatbare besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zijn. 5.1. In de totstandkomingsgeschiedenis is over artikel 15, zesde lid, van de Awir, destijds het vierde lid, het volgende opgenomen: ‘Het vierde lid bepaalt dat een aanvraag over enig berekeningsjaar doorwerkt naar de berekeningsjaren daarna. De Belastingdienst Toeslagen kent na een aanvraag dus over volgende jaren een tegemoetkoming toe zonder dat daaraan opnieuw een aanvraag voorafgaat. Deze toekenning kan, net als de toekenning op de oorspronkelijke aanvraag, worden voorafgegaan door een voorschot. Eventueel verzoekt de dienst de belanghebbende om voorafgaand aan het verlenen van een voorschot of voorafgaand aan de toekenning om nadere informatie te geven of om bewijsstukken over te leggen. Het op deze wijze continueren van een eenmaal gedaan verzoek eindigt indien voortzetting niet langer zinvol is. Te denken valt aan het jaar waarin de omstandigheden die recht geven op een tegemoetkoming, zoals het hebben van kinderopvang of het huren van een woning, worden beëindigd. De Belastingdienst Toeslagen laat de belanghebbende in zulke situaties schriftelijk weten dat en vanaf welk moment de eerder gedane aanvraag niet langer zal gelden. Meent de belanghebbende dat hij toch in aanmerking komt voor een tegemoetkoming, dan weet hij dat hij in dat geval een nieuwe aanvraag moet indienen.’ 5.2. Hieruit concludeert de rechtbank dat de mededeling als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van de Awir geen verdere strekking heeft dan dat de eerder gedane aanvraag niet langer zal gelden voor volgende jaren. Deze mededeling strekt niet tot het beëindigen van een recht op toeslag en is niet gericht op rechtsgevolg. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het geval van eiseres geen sprake is van voor bezwaar vatbare besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. 5.3. Gelet op het voorgaande heeft de Dienst het bezwaar van eiseres ten onrechte ontvankelijk geacht.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3772 text/xml public 2026-05-20T17:00:20 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-13 ARN 25/1106 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3772 text/html public 2026-05-14T09:48:19 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3772 Rechtbank Gelderland , 13-05-2026 / ARN 25/1106 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beëindiging door de Dienst van de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de aangevoerde beroepsgronden. De mededelingen van de Dienst dat de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd zijn namelijk geen voor bezwaar vatbare besluiten. De Dienst had het bezwaar van eiseres daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep is gegrond en de rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/1106 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres en Dienst Toeslagen (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beëindiging door de Dienst van de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag van eiseres met ingang van 1 januari 2025. Eiseres is het niet eens met deze beëindiging en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat niet kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de aangevoerde beroepsgronden. De mededelingen van de Dienst dat de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd zijn namelijk geen voor bezwaar vatbare besluiten. De Dienst had het bezwaar van eiseres daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij brief van 20 november 2024 heeft de Dienst eiseres meegedeeld dat de beoordeling van het recht op kindgebonden budget met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd. Bij brief van 18 januari 2025 heeft de Dienst eiseres meegedeeld dat de beoordeling van het recht op zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd. Met het bestreden besluit van 21 februari 2025 heeft de Dienst het bezwaar van eiseres tegen deze brieven ongegrond verklaard. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van de Dienst. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres is eigenaresse van de woning op het adres [adres] in [plaats]. Zij stond tot 15 december 2021 op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Daarna woonde eiseres, vanwege haar baan als manager van een hondenpension, in de bedrijfswoning bij dit pension. Zij verhuurde haar eigen woning. Met ingang van 1 februari 2025 woont eiseres weer in haar eigen woning en staat zij ook op dit adres ingeschreven in de BRP. 3.1. Eiseres heeft met ingang van 1 januari 2020 kindgebonden budget en zorgtoeslag aangevraagd en ontvangen. De Dienst heeft het kindgebonden budget en de zorgtoeslag van eiseres over de jaren 2022, 2023 en 2024 vastgesteld op nihil en de teveel uitbetaalde bedragen teruggevorderd. Het eigen vermogen van eiseres was in deze jaren namelijk te hoog, omdat zij haar eigen woning verhuurde en er niet zelf woonde. 3.2. Bij brieven van 20 november 2024 en 18 januari 2025 heeft de Dienst eiseres meegedeeld dat de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd. In deze brieven geeft de Dienst aan dat eiseres in de jaren daarvoor geen recht had op kindgebonden budget en zorgtoeslag en dat hij geen onnodige berichten meer wil sturen. De Dienst geeft ook aan dat, als de situatie van eiseres verandert, zij opnieuw kindgebonden budget en zorgtoeslag kan aanvragen. Met het bestreden besluit van 21 februari 2025 heeft de Dienst het tegen deze brieven gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het toetsingskader 4. Kindgebonden budget en zorgtoeslag zijn inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De hoogte van het kindgebonden budget en de zorgtoeslag wordt namelijk berekend aan de hand van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen van een belanghebbende. 4.1. Op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Awir wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat, als de Dienst van oordeel is dat toepassing van het vijfde lid kan worden beëindigd, hij dit schriftelijk meedeelt aan de belanghebbende. 4.2. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling gericht op rechtsgevolg. Een beslissing heeft rechtsgevolg als zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. De ontvankelijkheid van het bezwaar 5. De rechtbank stelt vast dat de mededelingen in de brieven van 20 november 2024 en 18 januari 2025 mededelingen zijn als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van de Awir. De vraag die moet worden beantwoord is of deze mededelingen voor bezwaar vatbare besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zijn. 5.1. In de totstandkomingsgeschiedenis is over artikel 15, zesde lid, van de Awir, destijds het vierde lid, het volgende opgenomen: ‘Het vierde lid bepaalt dat een aanvraag over enig berekeningsjaar doorwerkt naar de berekeningsjaren daarna. De Belastingdienst Toeslagen kent na een aanvraag dus over volgende jaren een tegemoetkoming toe zonder dat daaraan opnieuw een aanvraag voorafgaat. Deze toekenning kan, net als de toekenning op de oorspronkelijke aanvraag, worden voorafgegaan door een voorschot. Eventueel verzoekt de dienst de belanghebbende om voorafgaand aan het verlenen van een voorschot of voorafgaand aan de toekenning om nadere informatie te geven of om bewijsstukken over te leggen. Het op deze wijze continueren van een eenmaal gedaan verzoek eindigt indien voortzetting niet langer zinvol is. Te denken valt aan het jaar waarin de omstandigheden die recht geven op een tegemoetkoming, zoals het hebben van kinderopvang of het huren van een woning, worden beëindigd. De Belastingdienst Toeslagen laat de belanghebbende in zulke situaties schriftelijk weten dat en vanaf welk moment de eerder gedane aanvraag niet langer zal gelden. Meent de belanghebbende dat hij toch in aanmerking komt voor een tegemoetkoming, dan weet hij dat hij in dat geval een nieuwe aanvraag moet indienen.’ 5.2. Hieruit concludeert de rechtbank dat de mededeling als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van de Awir geen verdere strekking heeft dan dat de eerder gedane aanvraag niet langer zal gelden voor volgende jaren. Deze mededeling strekt niet tot het beëindigen van een recht op toeslag en is niet gericht op rechtsgevolg. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het geval van eiseres geen sprake is van voor bezwaar vatbare besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. 5.3. Gelet op het voorgaande heeft de Dienst het bezwaar van eiseres ten onrechte ontvankelijk geacht.