Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-08
ECLI:NL:RBGEL:2026:3762
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,052 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3762 text/xml public 2026-05-15T18:00:21 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-08 12104519 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3762 text/html public 2026-05-13T10:48:57 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3762 Rechtbank Gelderland , 08-04-2026 / 12104519 Kort geding. Kortdurende huurovereenkomst bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:301 BW. Opzegging door verhuurder is rechtsgeldig. Ontruiming wordt toegewezen. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 12104519 \ VV EXPL 26-20 Vonnis in kort geding van 8 april 2026 in de zaak van [naam eiser] B.V. te [woonplaats] eisende partij hierna te noemen: [de eiser] , gemachtigde: mr. C. Cenik, tegen [naam gedaagde] H.O.D.N. [naam gedaagd bedrijf] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , gemachtigde: U. Hosgoren. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 16 maart 2026 met producties 1 tot en met 6; - de conclusie van antwoord van 23 maart 2026; - de nagekomen producties 7 en 8 van de zijde van [de eiser] ; - de mondelinge behandeling van 25 maart 2026 ter gelegenheid waarvan de gemachtigde van [de eiser] spreekaantekeningen heeft voorgedragen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Vervolgens is vonnis bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. Tussen de rechtsvoorganger van [de eiser] en [de gedaagde] is een huurovereenkomst tot stand gekomen waarbij de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] (hierna: het gehuurde) aan [de gedaagde] is verhuurd van 14 februari 2025 tot en met 13 februari 2026. In de huurovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen: Duur verlenging en opzegging 3.1 Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van 1 jaar (12 maanden), ingaande 14 februari 2025 (hierna te noemen ‘ ingangsdatum ’) en lopende tot en met 13 februari 2026 . 3.2 Behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder of verhuurder in overeenstemming met 3.4 en 3.5 wordt de huurovereenkomst na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode voortgezet voor een aansluitende periode van 12 maanden, derhalve tot en met 13 februari 2027 . 3.3 Behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder of verhuurder in overeenstemming met 3.4 en 3.5 wordt de huurovereenkomst na het verstrijken de in 3.2 genoemde periode voortgezet voor een aansluitende periode van 1 jaar (12 maanden) derhalve tot en met 13 februari 2028. Na deze datum wordt het contract voor onbepaalde tijd voortgezet. 3.4 Beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging vindt plaats door huurder aan verhuurder of door verhuurder aan huurder tegen het einde van de lopende huurperiode of, ingeval van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, tegen ieder tijdstip, een en ander met inachtneming van een opzegtermijn van 3 kalendermaanden Verhuurder neemt daarbij de wettelijke opzeggingsgronden in acht. 3.5 Opzegging van deze huurovereenkomst dient te geschieden door middel van een deurwaardersexploot of per aangetekende brief. Huurder dient de huuropzegging aan verhuurder te sturen met een afschrift aan de beheerder als genoemd in artikel 8.1 van de huurovereenkomst. 2.2. Op 28 mei 2025 is [de eiser] eigenaar – en daarmee tevens verhuurder – van het gehuurde geworden. 2.3. Bij deurwaardersexploot van 12 juni 2025 heeft [de eiser] de huur tegen 13 februari 2026 opgezegd. 2.4. In november 2025 heeft [de gedaagde] via WhatsApp geïnformeerd naar de herstructureringsplannen van het gehuurde. [de eiser] heeft gereageerd dat de plannen doorgaan en dat de huurovereenkomst zal eindigen, maar dat het nog afwachten is op de vergunning van de gemeente. 2.5. Op 11 februari 2026 hebben partijen via WhatsApp contact gehad en geprobeerd om te komen tot een minnelijke regeling. Dit is niet gelukt. 2.6. Bij brief van 13 februari 2026 heeft de gemachtigde van [de eiser] [de gedaagde] verzocht om het gehuurde te ontruimen en op te leveren. Als [de gedaagde] dat niet doet, zal een kort geding procedure tot ontruiming worden gestart, zo heeft de gemachtigde van [de eiser] geschreven. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert samengevat - ontruiming van het gehuurde aan [adres] , gemeente [gemeentenaam] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis en de veroordeling van [de gedaagde] tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 1.250,00, te vermeerderen met 21% omzetbelasting, per maand na 13 februari 2026 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [de gedaagde] het gehuurde niet heeft ontruimd, met veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [de eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij de huurovereenkomst met [de gedaagde] rechtsgeldig tegen het einde van de huurovereenkomst heeft opgezegd. [de gedaagde] is na het einde van de huurovereenkomst het gehuurde echter zonder recht of titel blijven gebruiken. 3.3. [de gedaagde] voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. 4.2. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [de eiser] de huurovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daarover als volgt. 4.3. Anders dan [de gedaagde] heeft betoogd, is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:301 BW. Voldoende aannemelijk is geworden dat partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst hebben beoogd een tijdelijk gebruik van beperkte duur mogelijk te maken. Dit volgt uit de inhoud van de overeenkomst, waaronder de bepalingen omtrent looptijd en beëindiging, alsmede uit de context waarin de overeenkomst is gesloten. De overeenkomst tussen partijen kwalificeert dus als een huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is in de zin van artikel 7:301 BW. Dit brengt in beginsel mee dat de dwingendrechtelijke huurbescherming van artikel 7:290 BW e.v. niet van toepassing is en dat voor beëindiging geen wettelijke opzeggingsgrond is vereist. 4.4. De kantonrechter volgt [de gedaagde] ook niet in zijn standpunt dat [de eiser] op grond van de huurovereenkomst gehouden was bij opzegging een opzeggrond in acht te nemen. Naar het oordeel van de kantonrechter slaat de zinsnede Verhuurder neemt daarbij de wettelijke opzeggingsgronden in acht in artikel 3.4 van de huurovereenkomst op de zin ervoor, die ziet op huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Bij huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd dient verhuurder de wettelijke opzeggronden in acht nemen. Dit volgt ook uit de wet. Voor huurovereenkomsten voor bepaalde tijd, zoals in dit geval, is dat niet aan de orde. De wettelijke opzeggronden van artikel 7:296 BW zijn niet van toepassing op huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Dus ook niet het door [de gedaagde] aangehaalde lid 2 van dat wetsartikel. 4.5. Het standpunt van [de gedaagde] dat artikel 3.4 van de huurovereenkomst in samenhang met artikel 3.2 van de huurovereenkomst moet worden gelezen en dat dat daaruit volgt dat een opzeggingsgrond is vereist, leidt niet tot een ander oordeel. Artikel 3.2 schrijft immers alleen voor dat opzegging conform artikel 3.4 dient te geschieden. Hiervoor is reeds geoordeeld dat uit artikel 3.4 volgt dat geen wettelijke opzeggronden vereist zijn bij huurovereenkomsten voor bepaalde tijd.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3762 text/xml public 2026-05-15T18:00:21 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-08 12104519 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3762 text/html public 2026-05-13T10:48:57 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3762 Rechtbank Gelderland , 08-04-2026 / 12104519 Kort geding. Kortdurende huurovereenkomst bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:301 BW. Opzegging door verhuurder is rechtsgeldig. Ontruiming wordt toegewezen. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 12104519 \ VV EXPL 26-20 Vonnis in kort geding van 8 april 2026 in de zaak van [naam eiser] B.V. te [woonplaats] eisende partij hierna te noemen: [de eiser] , gemachtigde: mr. C. Cenik, tegen [naam gedaagde] H.O.D.N. [naam gedaagd bedrijf] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , gemachtigde: U. Hosgoren. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 16 maart 2026 met producties 1 tot en met 6; - de conclusie van antwoord van 23 maart 2026; - de nagekomen producties 7 en 8 van de zijde van [de eiser] ; - de mondelinge behandeling van 25 maart 2026 ter gelegenheid waarvan de gemachtigde van [de eiser] spreekaantekeningen heeft voorgedragen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Vervolgens is vonnis bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. Tussen de rechtsvoorganger van [de eiser] en [de gedaagde] is een huurovereenkomst tot stand gekomen waarbij de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] (hierna: het gehuurde) aan [de gedaagde] is verhuurd van 14 februari 2025 tot en met 13 februari 2026. In de huurovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen: Duur verlenging en opzegging 3.1 Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van 1 jaar (12 maanden), ingaande 14 februari 2025 (hierna te noemen ‘ ingangsdatum ’) en lopende tot en met 13 februari 2026 . 3.2 Behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder of verhuurder in overeenstemming met 3.4 en 3.5 wordt de huurovereenkomst na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode voortgezet voor een aansluitende periode van 12 maanden, derhalve tot en met 13 februari 2027 . 3.3 Behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder of verhuurder in overeenstemming met 3.4 en 3.5 wordt de huurovereenkomst na het verstrijken de in 3.2 genoemde periode voortgezet voor een aansluitende periode van 1 jaar (12 maanden) derhalve tot en met 13 februari 2028. Na deze datum wordt het contract voor onbepaalde tijd voortgezet. 3.4 Beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging vindt plaats door huurder aan verhuurder of door verhuurder aan huurder tegen het einde van de lopende huurperiode of, ingeval van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, tegen ieder tijdstip, een en ander met inachtneming van een opzegtermijn van 3 kalendermaanden Verhuurder neemt daarbij de wettelijke opzeggingsgronden in acht. 3.5 Opzegging van deze huurovereenkomst dient te geschieden door middel van een deurwaardersexploot of per aangetekende brief. Huurder dient de huuropzegging aan verhuurder te sturen met een afschrift aan de beheerder als genoemd in artikel 8.1 van de huurovereenkomst. 2.2. Op 28 mei 2025 is [de eiser] eigenaar – en daarmee tevens verhuurder – van het gehuurde geworden. 2.3. Bij deurwaardersexploot van 12 juni 2025 heeft [de eiser] de huur tegen 13 februari 2026 opgezegd. 2.4. In november 2025 heeft [de gedaagde] via WhatsApp geïnformeerd naar de herstructureringsplannen van het gehuurde. [de eiser] heeft gereageerd dat de plannen doorgaan en dat de huurovereenkomst zal eindigen, maar dat het nog afwachten is op de vergunning van de gemeente. 2.5. Op 11 februari 2026 hebben partijen via WhatsApp contact gehad en geprobeerd om te komen tot een minnelijke regeling. Dit is niet gelukt. 2.6. Bij brief van 13 februari 2026 heeft de gemachtigde van [de eiser] [de gedaagde] verzocht om het gehuurde te ontruimen en op te leveren. Als [de gedaagde] dat niet doet, zal een kort geding procedure tot ontruiming worden gestart, zo heeft de gemachtigde van [de eiser] geschreven. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert samengevat - ontruiming van het gehuurde aan [adres] , gemeente [gemeentenaam] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis en de veroordeling van [de gedaagde] tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 1.250,00, te vermeerderen met 21% omzetbelasting, per maand na 13 februari 2026 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [de gedaagde] het gehuurde niet heeft ontruimd, met veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [de eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij de huurovereenkomst met [de gedaagde] rechtsgeldig tegen het einde van de huurovereenkomst heeft opgezegd. [de gedaagde] is na het einde van de huurovereenkomst het gehuurde echter zonder recht of titel blijven gebruiken. 3.3. [de gedaagde] voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. 4.2. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [de eiser] de huurovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daarover als volgt. 4.3. Anders dan [de gedaagde] heeft betoogd, is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:301 BW. Voldoende aannemelijk is geworden dat partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst hebben beoogd een tijdelijk gebruik van beperkte duur mogelijk te maken. Dit volgt uit de inhoud van de overeenkomst, waaronder de bepalingen omtrent looptijd en beëindiging, alsmede uit de context waarin de overeenkomst is gesloten. De overeenkomst tussen partijen kwalificeert dus als een huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is in de zin van artikel 7:301 BW. Dit brengt in beginsel mee dat de dwingendrechtelijke huurbescherming van artikel 7:290 BW e.v. niet van toepassing is en dat voor beëindiging geen wettelijke opzeggingsgrond is vereist. 4.4. De kantonrechter volgt [de gedaagde] ook niet in zijn standpunt dat [de eiser] op grond van de huurovereenkomst gehouden was bij opzegging een opzeggrond in acht te nemen. Naar het oordeel van de kantonrechter slaat de zinsnede Verhuurder neemt daarbij de wettelijke opzeggingsgronden in acht in artikel 3.4 van de huurovereenkomst op de zin ervoor, die ziet op huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Bij huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd dient verhuurder de wettelijke opzeggronden in acht nemen. Dit volgt ook uit de wet. Voor huurovereenkomsten voor bepaalde tijd, zoals in dit geval, is dat niet aan de orde. De wettelijke opzeggronden van artikel 7:296 BW zijn niet van toepassing op huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Dus ook niet het door [de gedaagde] aangehaalde lid 2 van dat wetsartikel. 4.5. Het standpunt van [de gedaagde] dat artikel 3.4 van de huurovereenkomst in samenhang met artikel 3.2 van de huurovereenkomst moet worden gelezen en dat dat daaruit volgt dat een opzeggingsgrond is vereist, leidt niet tot een ander oordeel. Artikel 3.2 schrijft immers alleen voor dat opzegging conform artikel 3.4 dient te geschieden. Hiervoor is reeds geoordeeld dat uit artikel 3.4 volgt dat geen wettelijke opzeggronden vereist zijn bij huurovereenkomsten voor bepaalde tijd.