Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-08
ECLI:NL:RBGEL:2026:3674
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,095 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3674 text/xml public 2026-05-11T08:41:45 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-08 05/317030-35 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3674 text/html public 2026-05-07T16:08:58 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3674 Rechtbank Gelderland , 08-05-2026 / 05/317030-35 veroordeling wegens art. 6 WVW 1994 tot een taakstraf van 80 uur en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/317030-25 Datum uitspraak : 8 mei 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1958 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] in [woonplaats] , raadsman: mr. H.W. Leemans, advocaat in Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Klarenbeek, gemeente Voorst als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Peugeot), daarmee rijdende op de weg, de Zutphenseweg/N345, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of - in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of - in strijd met artikel 19 van voormeld reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of - ( vervolgens) met het door hem bestuurde voertuig (rechts) van de weg is geraakt/gereden en/of tegen een aldaar in de berm bevindende boom is gebotst en/of - in strijd met het gestelde in artikel 76 van het voornoemd reglement de (dubbele) doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, - welke strepen op die weg (de Zutphenseweg/N345) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richting-, heeft bevonden en/of - is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met het vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto, merk Volkswagen) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Klarenbeek, gemeente Voorst als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Zutphenseweg/N345, - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of - in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of - in strijd met artikel 19 van voormeld reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of - ( vervolgens) met het door hem bestuurde voertuig (rechts) van de weg is geraakt/gereden en/of tegen een aldaar in de berm bevindende boom is gebotst en/of - in strijd met het gestelde in artikel 76 van het voornoemd reglement de (dubbele) doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, - welke strepen op die weg (de Zutphenseweg/N345) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richting-, heeft bevonden en/of - is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met het vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto, merk Volkswagen) door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Klarenbeek, gemeente Voorst als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zutphenseweg/N345, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 9 juni 2025 was verdachte bestuurder van een personenauto (Peugeot) en reed hij op de Zutphenseweg/N345 te Klarenbeek, gemeente Voorst. Verdachte is aan de rechterkant van de weg geraakt en heeft hierna een boom geraakt. Hij is hierdoor vervolgens op de linker weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht gekomen en gebotst tegen de tegemoetkomende auto waarin [slachtoffer] zat. [slachtoffer] heeft als gevolg daarvan letsel opgelopen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. De officier van justitie gaat daarbij uit van de laagste schuldgradatie, te weten aanmerkelijke schuld. Het letsel van het slachtoffer is volgens de officier van justitie aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat sprake is geweest van een kort moment van onoplettendheid en dat daarom vrijspraak moet volgen voor het primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde is geen bewijsverweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij achter een kleine blauwe auto reed (de rechtbank begrijpt: het voertuig van verdachte). Dit voertuig week de hele tijd naar de berm naar rechts. Hij reed tegen en in de berm om vervolgens weer terug te sturen naar de rijbaan. Op enig moment kwam het blauwe voertuig tegen een boom in de berm aan, waarna hij geheel op de linker weghelft terechtkwam. Het blauwe voertuig kwam vervolgens tegen een zilverkleurige auto aan (de rechtbank begrijpt: het voertuig van het slachtoffer). Het zilverkleurige voertuig vloog over de kop tegen een boom aan. Getuige [getuige 2] zat bij [getuige 1] in de auto en zag de blauwe auto slingeren op de rijbaan. Op enig moment zag ze dat de blauwe auto een boom aan de rechterzijde van de weg raakte en daarna draaide en voor een gedeelte op de andere weghelft terechtkwam. Vervolgens vond een botsing plaats met een ander voertuig. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het rijden op zijn telefoon keek om te kijken hoe laat het was. Daardoor heeft hij even niet opgelet en is hij van de weg geraakt, heeft hij een boom geraakt en denkt hij uiteindelijk op de andere weghelft terecht te zijn gekomen en zo het voertuig van het slachtoffer te hebben geraakt. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat op de plaats van het ongeval de hoofdrijbaan aan weerszijden een grasberm had met daarin bomen die ongeveer 40 centimeter van de asfaltrand stonden. Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 Van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 is sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3674 text/xml public 2026-05-11T08:41:45 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-08 05/317030-35 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3674 text/html public 2026-05-07T16:08:58 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3674 Rechtbank Gelderland , 08-05-2026 / 05/317030-35 veroordeling wegens art. 6 WVW 1994 tot een taakstraf van 80 uur en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/317030-25 Datum uitspraak : 8 mei 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1958 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] in [woonplaats] , raadsman: mr. H.W. Leemans, advocaat in Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Klarenbeek, gemeente Voorst als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Peugeot), daarmee rijdende op de weg, de Zutphenseweg/N345, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of - in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of - in strijd met artikel 19 van voormeld reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of - ( vervolgens) met het door hem bestuurde voertuig (rechts) van de weg is geraakt/gereden en/of tegen een aldaar in de berm bevindende boom is gebotst en/of - in strijd met het gestelde in artikel 76 van het voornoemd reglement de (dubbele) doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, - welke strepen op die weg (de Zutphenseweg/N345) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richting-, heeft bevonden en/of - is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met het vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto, merk Volkswagen) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Klarenbeek, gemeente Voorst als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Zutphenseweg/N345, - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of - in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of - in strijd met artikel 19 van voormeld reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of - ( vervolgens) met het door hem bestuurde voertuig (rechts) van de weg is geraakt/gereden en/of tegen een aldaar in de berm bevindende boom is gebotst en/of - in strijd met het gestelde in artikel 76 van het voornoemd reglement de (dubbele) doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, - welke strepen op die weg (de Zutphenseweg/N345) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richting-, heeft bevonden en/of - is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met het vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto, merk Volkswagen) door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Klarenbeek, gemeente Voorst als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zutphenseweg/N345, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 9 juni 2025 was verdachte bestuurder van een personenauto (Peugeot) en reed hij op de Zutphenseweg/N345 te Klarenbeek, gemeente Voorst. Verdachte is aan de rechterkant van de weg geraakt en heeft hierna een boom geraakt. Hij is hierdoor vervolgens op de linker weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht gekomen en gebotst tegen de tegemoetkomende auto waarin [slachtoffer] zat. [slachtoffer] heeft als gevolg daarvan letsel opgelopen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. De officier van justitie gaat daarbij uit van de laagste schuldgradatie, te weten aanmerkelijke schuld. Het letsel van het slachtoffer is volgens de officier van justitie aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat sprake is geweest van een kort moment van onoplettendheid en dat daarom vrijspraak moet volgen voor het primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde is geen bewijsverweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij achter een kleine blauwe auto reed (de rechtbank begrijpt: het voertuig van verdachte). Dit voertuig week de hele tijd naar de berm naar rechts. Hij reed tegen en in de berm om vervolgens weer terug te sturen naar de rijbaan. Op enig moment kwam het blauwe voertuig tegen een boom in de berm aan, waarna hij geheel op de linker weghelft terechtkwam. Het blauwe voertuig kwam vervolgens tegen een zilverkleurige auto aan (de rechtbank begrijpt: het voertuig van het slachtoffer). Het zilverkleurige voertuig vloog over de kop tegen een boom aan. Getuige [getuige 2] zat bij [getuige 1] in de auto en zag de blauwe auto slingeren op de rijbaan. Op enig moment zag ze dat de blauwe auto een boom aan de rechterzijde van de weg raakte en daarna draaide en voor een gedeelte op de andere weghelft terechtkwam. Vervolgens vond een botsing plaats met een ander voertuig. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het rijden op zijn telefoon keek om te kijken hoe laat het was. Daardoor heeft hij even niet opgelet en is hij van de weg geraakt, heeft hij een boom geraakt en denkt hij uiteindelijk op de andere weghelft terecht te zijn gekomen en zo het voertuig van het slachtoffer te hebben geraakt. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat op de plaats van het ongeval de hoofdrijbaan aan weerszijden een grasberm had met daarin bomen die ongeveer 40 centimeter van de asfaltrand stonden. Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 Van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 is sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
Volledig
Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. De rechtbank stelt vast dat verdachte reed op een weg met aan weerszijden bomen die op slechts 40 centimeter van de asfaltrand stonden. Hij heeft op die weg op zijn telefoon gekeken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte daar enige tijd mee bezig moet zijn geweest, nu twee getuigen die op ongeveer 15 meter afstand achter hem reden hebben verklaard dat hij de hele tijd uitweek naar rechts en dat hij slingerde, alvorens hij van de weg raakte en de boom raakte en in botsing kwam met het slachtoffer. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat verdachte zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse heeft gericht. Dit gaat verder dan een kort moment van onoplettendheid. Verdachte had een andere keuze moeten maken en niet (zo lang) op zijn telefoon moeten kijken, zeker gezien de aard van de weg waar hij zich bevond met aan weerszijden bomen die dicht op de rijbaan stonden, wat het extra riskant maakte. Hij is hierdoor rechts van de weg geraakt en tegen een boom gebotst en vervolgens op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer tegen de auto van het slachtoffer gebotst. Hij heeft dus uiteindelijk niet zo veel mogelijk rechts gehouden en was evenmin in staat zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en deze vrij was. Anders dan in de tenlastelegging staat vermeld, was ter plaatse geen sprake van een doorgetrokken streep zodat verdachte van de overschrijding daarvan zal worden vrijgesproken. De aard en de ernst van de voornoemde gedragingen van verdachte, onder deze omstandigheden, maken dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest en dat het daarom aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Letsel in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 Door het verkeersongeval heeft het slachtoffer een klaplong, gebroken ribben, een gebroken sleutelbeen, meerdere breuken aan de wervelkolom en een hersenbloeding opgelopen. Hij heeft 6 tot 7 weken in het ziekenhuis gelegen en heeft meerdere operaties ondergaan. Dit letsel wordt, mede vanwege onder meer de noodzaak en aard van medisch ingrijpen, door de rechtbank als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt. Conclusie De rechtbank acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigd bewezen. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Klarenbeek, gemeente Voorst als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Peugeot), daarmee rijdende op de weg, de Zutphenseweg/N345, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en /of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en /of - in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en /of - in strijd met artikel 19 van voormeld reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en /of - ( vervolgens) met het door hem bestuurde voertuig (rechts) van de weg is geraakt/gereden en/of tegen een aldaar in de berm bevindende boom is gebotst en /of - in strijd met het gestelde in artikel 76 van het voornoemd reglement de (dubbele) doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, - welke strepen op die weg (de Zutphenseweg/N345) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richting-, heeft bevonden en/of - is gebotst tegen , althans in aanrijding gekomen met het vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto, merk Volkswagen) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht , dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht. 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel, dan wel aan hem een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Verder is bepleit geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, dan wel deze geheel voorwaardelijk op te leggen. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij hij enige tijd niet goed oplette en is gaan slingeren, tegen een boom is geraakt en vervolgens tegen de tegemoetkomende [slachtoffer] is gebotst. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij op een weg met bomen vlak langs de rijbaan, langere tijd zijn aandacht onvoldoende heeft gericht op de verkeerssituatie. De LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting hanteren in het geval van aanmerkelijke schuld aan een ongeval met zwaar lichamelijk letsel een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij na het ongeluk en ter terechtzitting een schuldbewuste houding heeft aangenomen en er blijk van heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien. Hij heeft inzicht getoond in zijn handelen en rijdt nog maar weinig auto. De rechtbank weegt voorts in het voordeel van verdachte mee dat hij heeft gepoogd contact te zoeken met het slachtoffer.
Volledig
Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. De rechtbank stelt vast dat verdachte reed op een weg met aan weerszijden bomen die op slechts 40 centimeter van de asfaltrand stonden. Hij heeft op die weg op zijn telefoon gekeken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte daar enige tijd mee bezig moet zijn geweest, nu twee getuigen die op ongeveer 15 meter afstand achter hem reden hebben verklaard dat hij de hele tijd uitweek naar rechts en dat hij slingerde, alvorens hij van de weg raakte en de boom raakte en in botsing kwam met het slachtoffer. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat verdachte zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse heeft gericht. Dit gaat verder dan een kort moment van onoplettendheid. Verdachte had een andere keuze moeten maken en niet (zo lang) op zijn telefoon moeten kijken, zeker gezien de aard van de weg waar hij zich bevond met aan weerszijden bomen die dicht op de rijbaan stonden, wat het extra riskant maakte. Hij is hierdoor rechts van de weg geraakt en tegen een boom gebotst en vervolgens op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer tegen de auto van het slachtoffer gebotst. Hij heeft dus uiteindelijk niet zo veel mogelijk rechts gehouden en was evenmin in staat zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en deze vrij was. Anders dan in de tenlastelegging staat vermeld, was ter plaatse geen sprake van een doorgetrokken streep zodat verdachte van de overschrijding daarvan zal worden vrijgesproken. De aard en de ernst van de voornoemde gedragingen van verdachte, onder deze omstandigheden, maken dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest en dat het daarom aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Letsel in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 Door het verkeersongeval heeft het slachtoffer een klaplong, gebroken ribben, een gebroken sleutelbeen, meerdere breuken aan de wervelkolom en een hersenbloeding opgelopen. Hij heeft 6 tot 7 weken in het ziekenhuis gelegen en heeft meerdere operaties ondergaan. Dit letsel wordt, mede vanwege onder meer de noodzaak en aard van medisch ingrijpen, door de rechtbank als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt. Conclusie De rechtbank acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigd bewezen. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Klarenbeek, gemeente Voorst als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Peugeot), daarmee rijdende op de weg, de Zutphenseweg/N345, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en /of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en /of - in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en /of - in strijd met artikel 19 van voormeld reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en /of - ( vervolgens) met het door hem bestuurde voertuig (rechts) van de weg is geraakt/gereden en/of tegen een aldaar in de berm bevindende boom is gebotst en /of - in strijd met het gestelde in artikel 76 van het voornoemd reglement de (dubbele) doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, - welke strepen op die weg (de Zutphenseweg/N345) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richting-, heeft bevonden en/of - is gebotst tegen , althans in aanrijding gekomen met het vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto, merk Volkswagen) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht , dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht. 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel, dan wel aan hem een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Verder is bepleit geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, dan wel deze geheel voorwaardelijk op te leggen. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij hij enige tijd niet goed oplette en is gaan slingeren, tegen een boom is geraakt en vervolgens tegen de tegemoetkomende [slachtoffer] is gebotst. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij op een weg met bomen vlak langs de rijbaan, langere tijd zijn aandacht onvoldoende heeft gericht op de verkeerssituatie. De LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting hanteren in het geval van aanmerkelijke schuld aan een ongeval met zwaar lichamelijk letsel een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij na het ongeluk en ter terechtzitting een schuldbewuste houding heeft aangenomen en er blijk van heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien. Hij heeft inzicht getoond in zijn handelen en rijdt nog maar weinig auto. De rechtbank weegt voorts in het voordeel van verdachte mee dat hij heeft gepoogd contact te zoeken met het slachtoffer.