Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-01
ECLI:NL:RBGEL:2026:3528
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,615 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3528 text/xml public 2026-05-07T14:52:20 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-01 0527864425 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3528 text/html public 2026-05-06T09:00:03 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3528 Rechtbank Gelderland , 01-05-2026 / 0527864425 Art 241 Sr (nieuw): opzetaanranding. Verdachte heeft aangeefster, zijn destijds jonge werkneemster, gezoend en betast terwijl zij meermaals ‘nee’ had gezegd. De rechtbank legt een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk op en daarnaast een taakstraf voor de duur van 120 uur. Schadevergoeding toegewezen van € 1.500 immaterieel en € 863,59 materieel. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/278644-25 Datum uitspraak : 1 mei 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] (Irak), wonende aan [adres] in [woonplaats] . Raadsvrouw: mr. A. Sahin, advocaat in Lent. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 23 maart 2025 te [werkplaats] gld, met een persoon, te weten [aangever] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (tong)zoenen van die [aangever] en/of het betasten van de billen van die [aangever] en/of het betasten van de borsten van die [aangever] en/of het zuigen aan de borsten en/of tepels van die [aangever] en/of het betasten van de vagina van die [aangever] , terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe is – in de kern – aangevoerd dat de aangifte de enige bron van beschuldiging is en dat de aangifte onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. In het bijzonder kan niet worden bewezen dat verdachte wist, althans ernstige reden had om te vermoeden, dat bij aangeefster de wil ontbrak. De verdediging is daarom van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van opzet- of schuldaanranding kan komen. De beoordeling door de rechtbank Bewijsmiddelen 1. Aangeefster [aangever] heeft verklaard dat zij op 22 maart 2025 aan het werk was in de friettent van verdachte in [werkplaats] . Zij is die dag tot 02.00 uur ’s nachts (de rechtbank begrijpt: 23 maart 2025) aan het werk geweest. Verdachte vroeg die avond aan haar of zij na haar dienst met hem wilde chillen en aangeefster heeft hierop ‘ja’ gezegd. Aangeefster en verdachte zaten die nacht samen op de bank in het kantoor van verdachte. Verdachte zei tegen aangeefster dat zij hem gek maakte en hij vroeg meermaals of hij in haar wang mocht bijten. Aangeefster zei steeds ‘nee’. Vervolgens vroeg verdachte of hij kusjes van aangeefster mocht. Aangeefster zei ‘nee’. Toen vroeg verdachte of aangeefster dichterbij kwam zitten en aangeefster realiseerde zich dat zijn hand halverwege haar zij lag. Hij vroeg opnieuw meermaals om kusjes van aangeefster. Zij zei wederom ‘nee’. Hij ging ook met zijn hand richting haar billen en op een gegeven moment kneep hij in haar billen. Op enig moment had hij zijn hand in haar broek, bij haar billen en string. Hij trok aan haar string en bleef vragen of hij haar mocht zoenen. Aangeefster verliet de ruimte voor een moment en kwam weer terug. Verdachte zat wederom aan haar billen, wilde haar zoenen en ging met zijn hand over haar borst. Hij ging met zijn hand bovenlangs via haar shirt naar binnen en voelde achter de bh van aangeefster. Verdachte zoende aangeefster. Hierop verliet zij wederom kort de ruimte. Bij terugkomst zoende hij haar opnieuw, haalde haar borsten uit haar bh, zoende haar borsten en zoog aan haar tepels. Toen greep hij met zijn hand over haar broek naar haar vagina. Verdachte vertelde haar dat hij heel vaak naar haar had gekeken, dat zij hem gek maakte en dat hij zich moest inhouden niet op haar billen te slaan. Aangeefster gaf even later aan dat zij naar huis zou gaan. Verdachte liep met haar mee naar de achterdeur en vroeg om nog een kusje. Hij duwde zijn lichaam tegen haar aan en gaf haar een tongzoen. Toen is aangeefster naar huis gegaan. 2. Op 24 maart 2025 heeft aangeefster een appbericht gestuurd naar verdachte. Hierin heeft zij aangegeven dat zij haar ontslag indient en dat dat alles heeft te maken met wat er tussen hen is gebeurd. Zij geeft eveneens in dit bericht aan dat zij meermaals ‘nee’ heeft gezegd en dat verdachte veel te ver is gegaan. 3. Aangeefster heeft een geluidsopname gemaakt van een ontmoeting tussen verdachte en haarzelf op enig moment na 23 maart 2025. Deze geluidsopname is door de politie beluisterd en uitgeschreven. Uit de beschrijving van dit gesprek volgt onder meer het volgende: Mannelijke stem: “Sorry als ik iets verkeerds heb gedaan”. “Ik heb het beste met je voor dat weet je”. Vrouwelijke stem: “Als je zegt ik heb het beste met je voor maar ik heb gewoon nee gezegd”. Mannelijk stem: “Ik heb jou niet gedwongen”. Vrouwelijke stem: “Ja maar. Je hebt me niet gedwongen maar ik heb wel nee gezegd”. “En je probeerde het wel. Nog een keer en nog een keer”. (…) Mannelijke stem: “Ik ga je niet pijn doen, dat weetje wel”. Vrouwelijke stem: “Dat heb je wel gedaan”. Mannelijke stem: “Ja sorry als ik jou echt pijn, maar dat was echt niet mijn bedoeling. Dat weet je wel”. Vrouwelijke stem: “Ja klopt” Mannelijke stem: “Sorry”. 4. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij de vriend is van aangeefster. Aangeefster heeft hem verteld dat verdachte haar na het werk probeerde te zoenen en aan haar string, billen en borsten heeft gezeten met zijn handen en zijn mond. Getuige is met aangeefster op enig moment naar verdachte toe gegaan. Aangeefster confronteerde verdachte toen met wat hij bij haar gedaan zou hebben. Verdachte gaf aan dat aangeefster in zijn optiek alleen ‘nee’ gezegd zou hebben omdat hij een vrouw heeft. Van dit gesprek, opgenomen in de nacht van 14 op 15 juli 2025, is een geluidsopname gemaakt. 5. Deze geluidsopname is door de politie uitgeschreven. Uit de beschrijving van dit gesprek volgt onder meer het volgende: Mannenstem 1: Welke deur jongen. Ik heb je toch niet geslagen, ik heb niks gedaan met jou man. Wat doe je zo moeilijk jongen. Ik heb met jou gezoend en dat wilde jij ook. Anders had je tegen mij gezegd “nee ik wil niet zoenen”. Vrouwenstem 1: Dat heb ik gezegd, nee, nee je hebt een vrouw, nee ik heb een vriend. Mannenstem 1: Jij zei nee alleen omdat ik een vrouw had. Jij zei niet nee omdat je niet wilde. Dat weetje heel goed [aangever] . Niet zo kijken naar mij [aangever] . Ik heb jou nergens op gedwongen. Echt letterlijk nergens op. En dat weetje heel goed. Jij wilt mijn relatie kapot maken en dat is niet gelukt [aangever] . 6. Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij die avond met aangeefster heeft gezoend. Er was sprake van een klik tussen hem en aangeefster. Verder heeft verdachte verklaard dat hij de mannenstem is die te horen is op de geluidsopnames. Algemene overwegingen ten aanzien van bewijs in zedenzaken 7. Zedenzaken kenmerken zich in het algemeen door het gegeven dat slechts twee personen – de aangeefster en de verdachte – aanwezig waren bij de ten laste gelegde handelingen. In deze zaak is dit niet anders. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad in zedenzaken kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de seksuele handelingen als zodanig bevestiging dienen te vinden in ander bewijsmateriaal.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3528 text/xml public 2026-05-07T14:52:20 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-01 0527864425 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3528 text/html public 2026-05-06T09:00:03 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3528 Rechtbank Gelderland , 01-05-2026 / 0527864425 Art 241 Sr (nieuw): opzetaanranding. Verdachte heeft aangeefster, zijn destijds jonge werkneemster, gezoend en betast terwijl zij meermaals ‘nee’ had gezegd. De rechtbank legt een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk op en daarnaast een taakstraf voor de duur van 120 uur. Schadevergoeding toegewezen van € 1.500 immaterieel en € 863,59 materieel. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/278644-25 Datum uitspraak : 1 mei 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] (Irak), wonende aan [adres] in [woonplaats] . Raadsvrouw: mr. A. Sahin, advocaat in Lent. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 23 maart 2025 te [werkplaats] gld, met een persoon, te weten [aangever] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (tong)zoenen van die [aangever] en/of het betasten van de billen van die [aangever] en/of het betasten van de borsten van die [aangever] en/of het zuigen aan de borsten en/of tepels van die [aangever] en/of het betasten van de vagina van die [aangever] , terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe is – in de kern – aangevoerd dat de aangifte de enige bron van beschuldiging is en dat de aangifte onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. In het bijzonder kan niet worden bewezen dat verdachte wist, althans ernstige reden had om te vermoeden, dat bij aangeefster de wil ontbrak. De verdediging is daarom van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van opzet- of schuldaanranding kan komen. De beoordeling door de rechtbank Bewijsmiddelen 1. Aangeefster [aangever] heeft verklaard dat zij op 22 maart 2025 aan het werk was in de friettent van verdachte in [werkplaats] . Zij is die dag tot 02.00 uur ’s nachts (de rechtbank begrijpt: 23 maart 2025) aan het werk geweest. Verdachte vroeg die avond aan haar of zij na haar dienst met hem wilde chillen en aangeefster heeft hierop ‘ja’ gezegd. Aangeefster en verdachte zaten die nacht samen op de bank in het kantoor van verdachte. Verdachte zei tegen aangeefster dat zij hem gek maakte en hij vroeg meermaals of hij in haar wang mocht bijten. Aangeefster zei steeds ‘nee’. Vervolgens vroeg verdachte of hij kusjes van aangeefster mocht. Aangeefster zei ‘nee’. Toen vroeg verdachte of aangeefster dichterbij kwam zitten en aangeefster realiseerde zich dat zijn hand halverwege haar zij lag. Hij vroeg opnieuw meermaals om kusjes van aangeefster. Zij zei wederom ‘nee’. Hij ging ook met zijn hand richting haar billen en op een gegeven moment kneep hij in haar billen. Op enig moment had hij zijn hand in haar broek, bij haar billen en string. Hij trok aan haar string en bleef vragen of hij haar mocht zoenen. Aangeefster verliet de ruimte voor een moment en kwam weer terug. Verdachte zat wederom aan haar billen, wilde haar zoenen en ging met zijn hand over haar borst. Hij ging met zijn hand bovenlangs via haar shirt naar binnen en voelde achter de bh van aangeefster. Verdachte zoende aangeefster. Hierop verliet zij wederom kort de ruimte. Bij terugkomst zoende hij haar opnieuw, haalde haar borsten uit haar bh, zoende haar borsten en zoog aan haar tepels. Toen greep hij met zijn hand over haar broek naar haar vagina. Verdachte vertelde haar dat hij heel vaak naar haar had gekeken, dat zij hem gek maakte en dat hij zich moest inhouden niet op haar billen te slaan. Aangeefster gaf even later aan dat zij naar huis zou gaan. Verdachte liep met haar mee naar de achterdeur en vroeg om nog een kusje. Hij duwde zijn lichaam tegen haar aan en gaf haar een tongzoen. Toen is aangeefster naar huis gegaan. 2. Op 24 maart 2025 heeft aangeefster een appbericht gestuurd naar verdachte. Hierin heeft zij aangegeven dat zij haar ontslag indient en dat dat alles heeft te maken met wat er tussen hen is gebeurd. Zij geeft eveneens in dit bericht aan dat zij meermaals ‘nee’ heeft gezegd en dat verdachte veel te ver is gegaan. 3. Aangeefster heeft een geluidsopname gemaakt van een ontmoeting tussen verdachte en haarzelf op enig moment na 23 maart 2025. Deze geluidsopname is door de politie beluisterd en uitgeschreven. Uit de beschrijving van dit gesprek volgt onder meer het volgende: Mannelijke stem: “Sorry als ik iets verkeerds heb gedaan”. “Ik heb het beste met je voor dat weet je”. Vrouwelijke stem: “Als je zegt ik heb het beste met je voor maar ik heb gewoon nee gezegd”. Mannelijk stem: “Ik heb jou niet gedwongen”. Vrouwelijke stem: “Ja maar. Je hebt me niet gedwongen maar ik heb wel nee gezegd”. “En je probeerde het wel. Nog een keer en nog een keer”. (…) Mannelijke stem: “Ik ga je niet pijn doen, dat weetje wel”. Vrouwelijke stem: “Dat heb je wel gedaan”. Mannelijke stem: “Ja sorry als ik jou echt pijn, maar dat was echt niet mijn bedoeling. Dat weet je wel”. Vrouwelijke stem: “Ja klopt” Mannelijke stem: “Sorry”. 4. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij de vriend is van aangeefster. Aangeefster heeft hem verteld dat verdachte haar na het werk probeerde te zoenen en aan haar string, billen en borsten heeft gezeten met zijn handen en zijn mond. Getuige is met aangeefster op enig moment naar verdachte toe gegaan. Aangeefster confronteerde verdachte toen met wat hij bij haar gedaan zou hebben. Verdachte gaf aan dat aangeefster in zijn optiek alleen ‘nee’ gezegd zou hebben omdat hij een vrouw heeft. Van dit gesprek, opgenomen in de nacht van 14 op 15 juli 2025, is een geluidsopname gemaakt. 5. Deze geluidsopname is door de politie uitgeschreven. Uit de beschrijving van dit gesprek volgt onder meer het volgende: Mannenstem 1: Welke deur jongen. Ik heb je toch niet geslagen, ik heb niks gedaan met jou man. Wat doe je zo moeilijk jongen. Ik heb met jou gezoend en dat wilde jij ook. Anders had je tegen mij gezegd “nee ik wil niet zoenen”. Vrouwenstem 1: Dat heb ik gezegd, nee, nee je hebt een vrouw, nee ik heb een vriend. Mannenstem 1: Jij zei nee alleen omdat ik een vrouw had. Jij zei niet nee omdat je niet wilde. Dat weetje heel goed [aangever] . Niet zo kijken naar mij [aangever] . Ik heb jou nergens op gedwongen. Echt letterlijk nergens op. En dat weetje heel goed. Jij wilt mijn relatie kapot maken en dat is niet gelukt [aangever] . 6. Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij die avond met aangeefster heeft gezoend. Er was sprake van een klik tussen hem en aangeefster. Verder heeft verdachte verklaard dat hij de mannenstem is die te horen is op de geluidsopnames. Algemene overwegingen ten aanzien van bewijs in zedenzaken 7. Zedenzaken kenmerken zich in het algemeen door het gegeven dat slechts twee personen – de aangeefster en de verdachte – aanwezig waren bij de ten laste gelegde handelingen. In deze zaak is dit niet anders. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad in zedenzaken kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de seksuele handelingen als zodanig bevestiging dienen te vinden in ander bewijsmateriaal.
Volledig
Het is voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daarnaast geldt dat een voor het bewijs gebruikte verklaring op zichzelf ook voldoende betrouwbaar moet zijn. De waardering van het bewijs 8. Aangeefster heeft verklaard dat de verhoudingen tussen hen goed waren, ze zag er geen kwaad in om na gedane arbeid nog even te ‘chillen’ met een glas wijn. Haar gedetailleerde verklaring komt overeen met hetgeen zij meteen erna heeft verteld aan haar vriend [getuige] . Haar app-bericht met ontslagname onmiddellijk erna, kan worden gezien als bevestiging dat er die nacht iets is voorgevallen waardoor de bestaande vertrouwensband was weggevallen. 9. Verder constateert de rechtbank dat de verklaring van aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in de stukken die zich in het dossier bevinden. Zo heeft zij verklaard dat zij en verdachte hebben gezoend, hetgeen verdachte, na eerdere ontkenning bij de politie, ter terechtzitting heeft bevestigd. Ook volgt uit de uitgeschreven geluidsopname dat verdachte heeft gehoord dat aangeefster ‘nee’ tegen hem zei en dat hij zijn excuus aanbiedt voor als hij aangeefster pijn zou hebben gedaan. Gelet op dit alles acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar en neemt zij deze als uitgangspunt. 10. De verklaringen van aangeefster met betrekking tot de door verdachte verrichte seksuele handelingen vinden steun in de deels bekennende verklaring van verdachte zelf, inhoudende dat hij en aangeefster die bewuste avond samen hebben gezoend (hiervoor 6). Deze verklaring van verdachte biedt steun voor dit deel van de seksuele handelingen waarover aangeefster heeft verklaard. Dit past naadloos bij wat aangeefster hierover heeft verklaard. 11. Verder blijkt uit de uitgeschreven geluidsopnames van het gesprek tussen verdachte en aangeefster (hiervoor 3 en 5) dat verdachte heeft gehoord dat aangeefster die avond ‘nee’ tegen hem heeft gezegd en dat verdachte zijn excuses aanbiedt voor het geval hij iets verkeerds heeft gedaan. 12. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de verklaring van aangeefster in voldoende mate wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Ten aanzien van de kwalificatie van de bewezen feiten oordeelt de rechtbank verder als volgt. Opzetaanranding 13. De rechtbank stelt voorop dat opzetaanranding onder meer betrekking heeft op situaties waarin iemand opzettelijk de wil van de ander negeert. Het gaat dus over situaties waarin de dader opzettelijk tegen de wil van de ander ingaat of ontbrekende instemming bij de ander negeert of voor lief neemt . Het ontbreken van de wil kan worden bewezen als wordt vastgesteld dat het slachtoffer ten tijde van het seksueel contact die seksuele handelingen niet op prijs heeft gesteld en dit op enigerlei wijze (non-)verbaal tot uiting heeft gebracht. 14. Uitgaande van de verklaring van aangeefster blijkt dat verdachte begonnen is met haar te zoenen en dat hij vervolgens haar billen, borsten en vagina heeft betast en een zuigzoen heeft gegeven op haar borsten. Aangeefster heeft tegen verdachte meermaals ‘nee’ gezegd en zich op enig moment van hem weggedraaid. Verdachte is aan deze duidelijke (non-)verbale signalen voorbijgegaan door aangeefster te blijven zoenen en betasten. Dat aangeefster in verdachtes optiek kennelijk alleen maar nee heeft gezegd omdat hij getrouwd was (zie het opgenomen gesprek onder 5) is niet relevant. Het motief voor het weigeren in te stemmen met seksuele handelingen doet er niet toe. Nee is nee, ook voor verdachte. Het is niet aan hem hieraan een eigen invulling te geven. 15. De rechtbank concludeert dat verdachte de seksuele handelingen bij aangeefster heeft verricht terwijl hij wist dat zij dat niet wilde. . Hiermee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 23 maart 2025 te [werkplaats] gld, met een persoon, te weten [aangever] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (tong)zoenen van die [aangever] en /of het betasten van de billen van die [aangever] en/of het betasten van de borsten van die [aangever] en /of het zuigen aan de borsten en /of tepels van die [aangever] en /of het betasten van de vagina van die [aangever] , terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Opzetaanranding. 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Aan dit voorwaardelijk strafdeel dient een proeftijd van 2 jaren te worden verbonden. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een taakstraf van 120 uren. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat een gevangenisstraf zwaar zou zijn voor verdachte omdat hij zijn werk kwijt zou raken. Hij is nu kostwinner van het gezin. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding van aangeefster, zijn destijds aanzienlijk jongere werkneemster. Na werktijd heeft verdachte haar gezoend en betast terwijl hij wist dat zij dit niet wilde. Dit gebeurde in de nacht terwijl zij met elkaar nog in de friettent van verdachte aanwezig waren. Verdachte had, mede gelet op zijn leeftijd en zijn rol als werkgever, beter moeten weten. Hij heeft een inbreuk gemaakt op de seksuele integriteit van aangeefster. Het feit dat aangeefster direct ontslag heeft genomen bij verdachte, toont aan dat dit incident grote impact op haar heeft gehad. Persoon van verdachte De rechtbank heeft gezien dat uit het strafblad van verdachte, gedateerd 18 maart 2026, blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank houdt rekening met het reclasseringsadvies, gedateerd 20 maart 2026. De reclassering schrijft dat verdachte stabiele leefomstandigheden heeft. Hij woont samen met zijn gezin, werkt binnen zijn horecaonderneming en kan goed rondkomen. Gelet op het feit dat verdachte het strafbare feit ontkent, kan de reclassering geen kans op recidive inschatten. Daarnaast ziet de reclassering geen aanknopingspunten voor het adviseren van interventies. De straf Gelet op al het voorgaande en de straffen die in soortgelijke zaken werden opgelegd, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren passend. Deze taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis als de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van één maand. De rechtbank wil met het opleggen van een voorwaardelijke straf de verdachte en de maatschappij ervan doordringen dat dergelijk strafbaar handelen absoluut niet wordt getolereerd. Aan het voorwaardelijke strafdeel wordt een proeftijd voor de duur van 2 jaren verbonden.
Volledig
Het is voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daarnaast geldt dat een voor het bewijs gebruikte verklaring op zichzelf ook voldoende betrouwbaar moet zijn. De waardering van het bewijs 8. Aangeefster heeft verklaard dat de verhoudingen tussen hen goed waren, ze zag er geen kwaad in om na gedane arbeid nog even te ‘chillen’ met een glas wijn. Haar gedetailleerde verklaring komt overeen met hetgeen zij meteen erna heeft verteld aan haar vriend [getuige] . Haar app-bericht met ontslagname onmiddellijk erna, kan worden gezien als bevestiging dat er die nacht iets is voorgevallen waardoor de bestaande vertrouwensband was weggevallen. 9. Verder constateert de rechtbank dat de verklaring van aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in de stukken die zich in het dossier bevinden. Zo heeft zij verklaard dat zij en verdachte hebben gezoend, hetgeen verdachte, na eerdere ontkenning bij de politie, ter terechtzitting heeft bevestigd. Ook volgt uit de uitgeschreven geluidsopname dat verdachte heeft gehoord dat aangeefster ‘nee’ tegen hem zei en dat hij zijn excuus aanbiedt voor als hij aangeefster pijn zou hebben gedaan. Gelet op dit alles acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar en neemt zij deze als uitgangspunt. 10. De verklaringen van aangeefster met betrekking tot de door verdachte verrichte seksuele handelingen vinden steun in de deels bekennende verklaring van verdachte zelf, inhoudende dat hij en aangeefster die bewuste avond samen hebben gezoend (hiervoor 6). Deze verklaring van verdachte biedt steun voor dit deel van de seksuele handelingen waarover aangeefster heeft verklaard. Dit past naadloos bij wat aangeefster hierover heeft verklaard. 11. Verder blijkt uit de uitgeschreven geluidsopnames van het gesprek tussen verdachte en aangeefster (hiervoor 3 en 5) dat verdachte heeft gehoord dat aangeefster die avond ‘nee’ tegen hem heeft gezegd en dat verdachte zijn excuses aanbiedt voor het geval hij iets verkeerds heeft gedaan. 12. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de verklaring van aangeefster in voldoende mate wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Ten aanzien van de kwalificatie van de bewezen feiten oordeelt de rechtbank verder als volgt. Opzetaanranding 13. De rechtbank stelt voorop dat opzetaanranding onder meer betrekking heeft op situaties waarin iemand opzettelijk de wil van de ander negeert. Het gaat dus over situaties waarin de dader opzettelijk tegen de wil van de ander ingaat of ontbrekende instemming bij de ander negeert of voor lief neemt . Het ontbreken van de wil kan worden bewezen als wordt vastgesteld dat het slachtoffer ten tijde van het seksueel contact die seksuele handelingen niet op prijs heeft gesteld en dit op enigerlei wijze (non-)verbaal tot uiting heeft gebracht. 14. Uitgaande van de verklaring van aangeefster blijkt dat verdachte begonnen is met haar te zoenen en dat hij vervolgens haar billen, borsten en vagina heeft betast en een zuigzoen heeft gegeven op haar borsten. Aangeefster heeft tegen verdachte meermaals ‘nee’ gezegd en zich op enig moment van hem weggedraaid. Verdachte is aan deze duidelijke (non-)verbale signalen voorbijgegaan door aangeefster te blijven zoenen en betasten. Dat aangeefster in verdachtes optiek kennelijk alleen maar nee heeft gezegd omdat hij getrouwd was (zie het opgenomen gesprek onder 5) is niet relevant. Het motief voor het weigeren in te stemmen met seksuele handelingen doet er niet toe. Nee is nee, ook voor verdachte. Het is niet aan hem hieraan een eigen invulling te geven. 15. De rechtbank concludeert dat verdachte de seksuele handelingen bij aangeefster heeft verricht terwijl hij wist dat zij dat niet wilde. . Hiermee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 23 maart 2025 te [werkplaats] gld, met een persoon, te weten [aangever] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (tong)zoenen van die [aangever] en /of het betasten van de billen van die [aangever] en/of het betasten van de borsten van die [aangever] en /of het zuigen aan de borsten en /of tepels van die [aangever] en /of het betasten van de vagina van die [aangever] , terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Opzetaanranding. 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Aan dit voorwaardelijk strafdeel dient een proeftijd van 2 jaren te worden verbonden. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een taakstraf van 120 uren. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat een gevangenisstraf zwaar zou zijn voor verdachte omdat hij zijn werk kwijt zou raken. Hij is nu kostwinner van het gezin. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding van aangeefster, zijn destijds aanzienlijk jongere werkneemster. Na werktijd heeft verdachte haar gezoend en betast terwijl hij wist dat zij dit niet wilde. Dit gebeurde in de nacht terwijl zij met elkaar nog in de friettent van verdachte aanwezig waren. Verdachte had, mede gelet op zijn leeftijd en zijn rol als werkgever, beter moeten weten. Hij heeft een inbreuk gemaakt op de seksuele integriteit van aangeefster. Het feit dat aangeefster direct ontslag heeft genomen bij verdachte, toont aan dat dit incident grote impact op haar heeft gehad. Persoon van verdachte De rechtbank heeft gezien dat uit het strafblad van verdachte, gedateerd 18 maart 2026, blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank houdt rekening met het reclasseringsadvies, gedateerd 20 maart 2026. De reclassering schrijft dat verdachte stabiele leefomstandigheden heeft. Hij woont samen met zijn gezin, werkt binnen zijn horecaonderneming en kan goed rondkomen. Gelet op het feit dat verdachte het strafbare feit ontkent, kan de reclassering geen kans op recidive inschatten. Daarnaast ziet de reclassering geen aanknopingspunten voor het adviseren van interventies. De straf Gelet op al het voorgaande en de straffen die in soortgelijke zaken werden opgelegd, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren passend. Deze taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis als de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van één maand. De rechtbank wil met het opleggen van een voorwaardelijke straf de verdachte en de maatschappij ervan doordringen dat dergelijk strafbaar handelen absoluut niet wordt getolereerd. Aan het voorwaardelijke strafdeel wordt een proeftijd voor de duur van 2 jaren verbonden.
Volledig
Deze voorwaardelijke straf is lager dan geëist door de officier van justitie. Dit komt omdat de rechtbank (nog) meer rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. 8 De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 863,59 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het bedrag aan materiële schade is opgebouwd uit de volgende posten: Medische kosten (eigen risico 2025): € 385,00 Medische kosten (eigen risico 2026): € 256,50 Reiskosten: € 222,09 Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft, mede gelet op de bepleite vrijspraak, geen verweer gevoerd. Overweging van de rechtbank Materiële schade Uit het onderzoek op de terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten ten aanzien van het eigen risico zijn voldoende onderbouwd en de vordering wordt op dit punt niet betwist. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Dit betekent dat deze kosten zullen worden toegewezen voor de gevorderde bedragen van € 385,00 en € 256,50. De reiskosten die zijn gemaakt voor het bezoek aan het politiebureau en de psycholoog kunnen worden gezien als schade die rechtstreeks het gevolg is van het bewezen verklaarde feit en aldus voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal deze kosten daarom, niettegenstaande andersluidende rechtspraak, toewijzen. Immateriële schade Op grond van de wet komt immateriële schade onder meer voor vergoeding in aanmerking als de benadeelde partij “op andere wijze in zijn persoon is aangetast” (artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek). Verdachte heeft een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van de benadeelde partij. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt dat er sprake is van een aantasting in de persoon. Zo kampt zij met psychische klachten waarvoor zij hulp krijgt van een psycholoog. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, wijst de rechtbank de immateriële schadevergoeding toe tot het gevorderde bedrag van € 1.500,00. Conclusie De toe te wijzen bedragen zijn dus de volgende: Medische kosten (eigen risico 2025): € 385,00 Medische kosten (eigen risico 2026): € 256,50 Reiskosten: € 222,09 Immateriële schade: € 1.500,00 De rechtbank vermeerdert het toegewezen bedrag voor materiële schadevergoeding van € 863,59 met de wettelijke rente met ingang van 9 april 2026, de datum van indiening van de vordering. De rechtbank vermeerdert het toegewezen bedrag van immateriële schade van € 1.500,00 met de wettelijke rente met ingang van 23 maart 2025, de pleegdatum van het feit. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 241 van het Wetboek van Strafrecht. 10 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand ; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; legt op een taakstraf van 120 uren , met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen; ten aanzien van de benadeelde partij [aangever] veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] : - de materiële schade € 863,59 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening; - de immateriële schade € 1.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 863,59 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026, en € 1.500,00 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 33 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. J.M. Breimer en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.A.M. Disberg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 mei 2026. mr. P.J. Verbeek is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025173228, gesloten op 22 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 4 – 10; het proces-verbaal van bevindingen, p. 1. Overzicht screenshots whatsapp-berichten, p. 12 – 13. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 40 – 41. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 46 – 48. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 50 – 51. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 april 2026.
Volledig
Deze voorwaardelijke straf is lager dan geëist door de officier van justitie. Dit komt omdat de rechtbank (nog) meer rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. 8 De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 863,59 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het bedrag aan materiële schade is opgebouwd uit de volgende posten: Medische kosten (eigen risico 2025): € 385,00 Medische kosten (eigen risico 2026): € 256,50 Reiskosten: € 222,09 Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft, mede gelet op de bepleite vrijspraak, geen verweer gevoerd. Overweging van de rechtbank Materiële schade Uit het onderzoek op de terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten ten aanzien van het eigen risico zijn voldoende onderbouwd en de vordering wordt op dit punt niet betwist. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Dit betekent dat deze kosten zullen worden toegewezen voor de gevorderde bedragen van € 385,00 en € 256,50. De reiskosten die zijn gemaakt voor het bezoek aan het politiebureau en de psycholoog kunnen worden gezien als schade die rechtstreeks het gevolg is van het bewezen verklaarde feit en aldus voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal deze kosten daarom, niettegenstaande andersluidende rechtspraak, toewijzen. Immateriële schade Op grond van de wet komt immateriële schade onder meer voor vergoeding in aanmerking als de benadeelde partij “op andere wijze in zijn persoon is aangetast” (artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek). Verdachte heeft een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van de benadeelde partij. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt dat er sprake is van een aantasting in de persoon. Zo kampt zij met psychische klachten waarvoor zij hulp krijgt van een psycholoog. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, wijst de rechtbank de immateriële schadevergoeding toe tot het gevorderde bedrag van € 1.500,00. Conclusie De toe te wijzen bedragen zijn dus de volgende: Medische kosten (eigen risico 2025): € 385,00 Medische kosten (eigen risico 2026): € 256,50 Reiskosten: € 222,09 Immateriële schade: € 1.500,00 De rechtbank vermeerdert het toegewezen bedrag voor materiële schadevergoeding van € 863,59 met de wettelijke rente met ingang van 9 april 2026, de datum van indiening van de vordering. De rechtbank vermeerdert het toegewezen bedrag van immateriële schade van € 1.500,00 met de wettelijke rente met ingang van 23 maart 2025, de pleegdatum van het feit. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 241 van het Wetboek van Strafrecht. 10 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand ; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; legt op een taakstraf van 120 uren , met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen; ten aanzien van de benadeelde partij [aangever] veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] : - de materiële schade € 863,59 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening; - de immateriële schade € 1.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 863,59 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026, en € 1.500,00 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 33 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. J.M. Breimer en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.A.M. Disberg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 mei 2026. mr. P.J. Verbeek is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025173228, gesloten op 22 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 4 – 10; het proces-verbaal van bevindingen, p. 1. Overzicht screenshots whatsapp-berichten, p. 12 – 13. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 40 – 41. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 46 – 48. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 50 – 51. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 april 2026.