Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-05-01
ECLI:NL:RBGEL:2026:3457
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/8010 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 september 2024. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.110. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag IB/PVV 2020 gehandhaafd. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, waarin hij wijst op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2025 . De inspecteur heeft een nader stuk ingediend, waarin hij ook ingaat op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2025 . De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur zijn verschenen [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] . Feiten Vaststelling aanslag IB/PVV 2020 en bezwaar 1. Belanghebbende is in de jaren 2019 en 2020 in loondienst bij [naam bedrijf 1] B.V. 2. Op 28 januari 2019 heeft [naam bedrijf 2] B.V. een auto besteld, waarvan belanghebbende de beoogde bestuurder is. Het betreft een KIA e-Niro DynamicLine 64kWh, die uiteindelijk is geleverd op 20 januari 2020 met kenteken [kenteken] (de auto). De datum van de tenaamstelling van de auto is 24 januari 2020. De auto is volledig elektrisch. 3. Op 14 maart 2021 heeft de inspecteur de aangifte IB/PVV 2020 van belanghebbende ontvangen. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 56.525. Er is geen inkomen uit sparen en beleggen en inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven. Belanghebbende heeft in die aangifte een percentage voor de bijtelling van de auto van 4% aangegeven. 4. Bij brief van 11 juli 2023 heeft de inspecteur aangegeven voornemens te zijn af te wijken van de aangifte IB/PVV 2020, omdat hij in de ontvangen aangifte voor het aangegeven loon uit dienstbetrekking een afwijking heeft geconstateerd in vergelijking met de ontvangen aangifte loonheffingen. De inspecteur stelt in de brief voornemens te zijn het loon uit dienstbetrekking van belanghebbende met € 1.585 te verhogen, van € 56.589 naar € 58.174. De afwijking ziet op de bijtelling voor de auto. Het percentage voor de bijtelling van de auto heeft de inspecteur verhoogd van 4% naar 8%. 5. Op 17 juli 2023 heeft de inspecteur een reactie van belanghebbende ontvangen, waaruit blijkt dat belanghebbende het niet eens is met de voorgenomen afwijking van de aangifte IB/PVV 2020. 6. Met dagtekening 18 augustus 2023 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020 vastgesteld overeenkomstig zijn voornemen tot afwijking. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.110 (€ 56.589 -/- € 64 inkomen uit eigenwoning + € 1.585). 7. Op 16 augustus 2023 heeft de inspecteur van belanghebbende het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2020 ontvangen. 8. Op 11 september 2024 heeft de inspecteur uitspraak op het bezwaar van belanghebbende gedaan. Algemeen 9. Op 19 juni 2015 heeft de Staatssecretaris van Financiën een brief verstuurd aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Deze brief heeft de naam "Autobrief II" gekregen. 10. Op 5 juli 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën een brief verstuurd aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Deze brief heeft de naam "Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II en parallelimport in relatie tot de BPM" gekregen. 11. Op 28 juni 2019 heeft de Staatssecretaris van Financiën een brief verstuurd aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, m Ik wil echt nog even op terugkomen op de auto’s om het goed te snappen. Ik snap heel goed dat je een ander type auto wil. Daar ben ik het mee eens. U zegt terecht dat deze mensen de auto al besteld hebben, maar dat die nog niet geleverd is. Die auto komt dus sowieso naar Nederland. De vraag is wat het effect is van deze maatregel die nu ingaat. Komen er daardoor echt minder auto’s van dit type op de Nederlandse markt? Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer: Deze auto’s zijn besteld. Wat het voor deze mensen betekent, is dat de korting op hun bijtelling omlaaggaat van 18% naar 14%. Het betekent voor deze mensen dus een financieel verschil. Dat zou per maand een paar tientjes verschil kunnen maken. Het is dan de vraag of zo’n auto daarvoor dan niet meer naar Nederland komt, want als je de bijtelling van vergelijkbare fossiele auto’s bekijkt, is die nog steeds een stuk hoger. Dan is het dus nog steeds een stuk aantrekkelijker om deze auto te rijden. De heer Klaver (GroenLinks): Ik stel deze vragen omdat het me gaat om de proportionaliteit van ingrijpen in een belofte die de overheid heeft gedaan. Ik ben het er nog mee eens ook. Ik snap heel goed waarom het kabinet het doet. Maar om dan deze relatief kleine groep te pakken … Die auto’s komen toch naar Nederland, want een wachtlijst betekent vaak dat ze al besteld zijn. Ik hoop dat het kabinet daar nog over wil nadenken. Als je het hebt over draagvlak, is dit iets dat er bij heel veel mensen in hakt, zelfs als je er onwijs tegen bent dat auto’s ook gesubsidieerd worden. Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer: Ik ben blij dat we met elkaar constateren dat het kabinet de goede richting kiest met de elektrische auto’s: een ander type auto en focus op de tweedehandsmarkt. We hebben gekeken of we het een halfjaar later konden laten ingaan om de net bestelde auto’s erbuiten te laten vallen, maar dat blijkt niet uitvoerbaar voor de Belastingdienst. Ik heb tegen de mensen aan tafel wel gezegd: laten we met elkaar om tafel gaan om te kijken waar dit knelpunten oplevert. Dit pakket staat, maar laten we met elkaar kijken naar het handelingsperspectief.” 13. In het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord zijn voorstellen ter uitwerking van de aangekondigde fiscale maatregelen uit het Klimaatakkoord opgenomen. In de memorie van toelichting is omtrent het verlagen van de korting van 18% naar 14% het volgende vermeld: “In overeenstemming met de afspraken in het Klimaatakkoord wordt bij de stimulering van elektrische auto’s meer rekening gehouden met de ontwikkelingen in de markt. De verkoopcijfers van elektrische voertuigen tonen aan dat de verkoop van elektrische auto’s aanvankelijk achterbleef bij de ramingen, maar dat het gevoerde beleid succesvol is en dat de verkopen de verwachtingen van de Wet uitwerking Autobrief II inmiddels ruimschoots overtreffen. In 2018 zijn ongeveer twee keer zoveel elektrische auto's verkocht als verwacht. De verkopen tot nu toe in 2019 laten zien dat ook in 2019 meer elektrische auto’s zullen worden verkocht dan eerder geraamd. Een dergelijke stijging van de verkopen is een aanwijzing dat de mate van stimulering waarschijnlijk hoger is dan noodzakelijk om het gewenste doel te bereiken. Dat is voor het kabinet aanleiding om al met ingang van 1 januari 2020 over te gaan tot een verlaging van de korting op de bijtelling voor elektrische auto’s en een verlaging van de cap. De korting op de bijtelling bedraagt zoals gezegd op dit moment 18%-punt. Het kabinet stelt voor met ingang van 1 januari 2020 deze korting te verlagen tot 14%-punt en tegelijkertijd de cap te verlagen tot € 45.000 waardoor in 2020 de korting maximaal € 6300 bedraagt.” Beoordeling door de rechtbank 14. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Meer specifiek spitst het geschil zich toe op de volgende vragen: Leidt de verlaging Uit de onder 4.4 tot en met 4.6 geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever met de stapsgewijze oploop van de bijtelling vanaf 2020 het volgende heeft beoogd: oversubsidiëring voorkomen, rekening houden met de ontwikkelingen in de snelgroeiende markt, aansluiten bij het handelingsperspectief van de particuliere automobilist en de tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s op gang brengen. Daarbij is ervoor gekozen de maatregel niet een halfjaar later in te laten gaan om de net bestelde auto’s erbuiten te laten vallen – zodat, naar het Hof begrijpt, ook deze groep zou vallen onder het onder artikel 13bis, lid 18, van de Wet LB 1964 opgenomen overgangsrecht – omdat dit niet uitvoerbaar blijkt voor de Belastingdienst. De wetgever realiseerde zich dat deze relatief kleine groep er per maand een aantal tientjes op achteruit zou gaan. (…)” De rechtbank maakt bovenstaande overwegingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tot de hare. Zij wijst hierbij op de hiervoor onder punt 11 tot en met 13 geciteerde stukken uit de parlementaire geschiedenis, zoals die ook zijn opgenomen onder overweging 4.4. tot en met 4.6 van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. 21. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever met de gemaakte afweging voor het reeds op 1 januari 2020 in laten gaan van de verlaging van de bijtellingskorting, zonder overgangsrecht voor de groep belastingplichtigen die al verplichtingen was aangegaan vóór de aankondiging op 28 juni 2019, niet buiten zijn ruime beoordelingsmarge is getreden. De conclusie luidt dat de verlaging van de bijtellingskorting geen ongeoorloofde inbreuk vormt op artikel 1 van het EP bij het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Leidt verlaging van de bijtellingskorting naar 14% tot schending van het vertrouwensbeginsel? 22. Belanghebbende is van mening dat de verlaging van de bijtellingskorting leidt tot een schending van het vertrouwensbeginsel. Daartoe voert belanghebbende aan dat de stimuleringsmaatregel in de vorm van een bijtellingskorting van 18% hem heeft aangespoord om voor een nulemissieauto te kiezen. Het vertrouwen dat de bijtellingskorting 18% zou bedragen, is opgewekt door overheidscommunicatie, zonder tijdsbeperking van de stimuleringsmaatregel. Volgens belanghebbende ging de rol van de Staatssecretaris van Financiën daarbij verder dan de rol van medewetgever. Dit blijkt uit de publiekscommunicatie door de Rijksoverheid waarin de Autobrief II als geldend beleid werd vermeld en de communicatie via de site van de Rijksoverheid, waarbij de burger is geïnformeerd over een aanpak tot en met 2020. Belanghebbende is van mening dat de Staatssecretaris van Financiën daarbij heeft gehandeld als uitvoerende macht. Er was geen reden om aan te nemen dat in 2019 een wetswijziging per 1 januari 2020 zou worden aangekondigd zonder een overgangsbepaling voor de gevallen waarin al sprake was van een lopende bestelling van een nulemissieauto. Volgens belanghebbende is het algemeen belang van belastingheffing niet dermate groot dat dit opweegt tegen het invoeren van overgangsbeleid of een specifieke toepassing van een lager bijtellingspercentage in dit individuele geval. 23. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belasting- of premieplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. 24. De rechtbank is van oordeel dat de verlaging van de bijtellingskorting niet leidt tot schending van het vertrouwensbeginsel. Op de eerste plaats is geen sprake van een expliciete toezegging dat de bijtellingskorting ook in 2020 18% zou blijven. Bovendien geldt dat, indien al sprake zou zijn van een (impliciete) toezegging, deze is gedaan door de Staatssecretaris van Fin