Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-16
ECLI:NL:RBGEL:2026:337
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 23/6721, 23/6884, 23/6887 en 23/6892 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaken tussen [eiseres] , te [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. J. van Meeteren), en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister (gemachtigde: L.A.P. ter Laak) Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, de Staat. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de herziening van het besluit tot definitieve vaststelling van de tegemoetkoming tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid, eerste aanvraagperiode (NOW 1), de vaststelling van de tegemoetkoming op nihil en de terugvordering van de betaalde tegemoetkoming ter hoogte van € 555.916. De minister heeft daartoe besloten met zijn besluit van 17 oktober 2022 (het primaire besluit I). 1.1. Ook beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak de beroepen van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvragen voor definitieve vaststelling van de tegemoetkomingen voor de tweede aanvraagperiode (NOW 2), de derde aanvraagperiode (NOW 3.1) en de vierde aanvraagperiode (NOW 3.2) en de terugvorderingen van de betaalde voorschotten, ter hoogte van respectievelijk € 524.556, € 323.460 en € 312.447. De minister heeft daartoe besloten met zijn twee besluiten van 27 oktober 2022 (de primaire besluiten II en III) en zijn besluit van 8 maart 2023 (het primaire besluit IV). 1.2. Met het bestreden besluit van 31 augustus 2023 op de bezwaren van eiseres (het bestreden besluit I) is de minister bij het primaire besluit IV gebleven. Met de drie besluiten van 31 augustus 2023 heeft de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV) de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I, II en III ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze besluiten. 1.3. Op 8 september 2023 heeft de minister drie bestreden besluiten afgegeven (de bestreden besluiten II, III en IV) op de bezwaren van eiseres. Daarbij is de minister bij de primaire besluiten I, II en III gebleven. Met deze bestreden besluiten zijn de drie besluiten op bezwaar van het UWV komen te vervallen. Eiseres heeft ook tegen de bestreden besluiten II, III en IV beroep ingesteld. 1.4. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft de beroepen op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vertegenwoordigd door [persoon A] ( [functie 1] ), vergezeld door [persoon B] ( [functie 2] ), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister, vergezeld door drs. C. Staal (register accountant van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering, Uitvoering van Beleid (hierna: UVB)). 1.6. Tijdens de zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat het beroep voor zover dat gericht is tegen de besluiten van het UWV van 31 augustus 2023 als ingetrokken kan worden beschouwd. Totstandkoming van de besluiten 2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres staat vanaf 19 januari [jaar 1] (toen zij nog [naam bedrijf] heette) ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK). Uit het uittreksel uit het Handelsregister blijkt dat eiseres (evenals [naam bedrijf] destijds) zich bezighoudt met het adviseren/begeleiden/opleiden van derden, het uitvoeren van projecten, het inzetten (en werven) van specialisten/professionals op het gebied van automatisering, alsmede met handel in software, hardware en aanverwante zaken en diensten. 2.1. Eiseres heeft op 23 april 2020 een aanvraag ingediend bij de minister voor een tegemoetkoming op grond van de NOW 1. Daarop geeft eiseres aan in de periode van 1 mei 2020 tot en met 31 juli 2020 een omzetverlies van 25% te verwachten. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister, met zijn besluit van 28 april 2020, aan eise Volgens deze externe melding heeft eiseres in 2019 een bedrag van € [bedrag 5] uit hoofde van een vaststellingsovereenkomst ontvangen. Bij het onderzoek is onder meer de jaarrekening over 2019 (vastgesteld op 15 februari 2020) onderzocht en zijn vragen gesteld aan en beantwoord door eiseres. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in het (concept) Rapport van bevindingen van 21 mei 2022. Daarin wordt het volgende geconcludeerd. De omzet over de referentieperiode moet gewijzigd vastgesteld worden op € [bedrag 6] . Er wordt ten onrechte een incidentele baat van € [bedrag 5] als omzet verantwoord in de referentieperiode. Deze baat voldoet niet aan artikel 1, tweede lid, van de NOW-regeling. De baat ziet toe op de verkoop van een intern “gegenereerde” immaterieel vast actief, een domeinnaam. Het begrip netto-omzet moet worden geïnterpreteerd vanuit de normale, niet-incidentele bedrijfsactiviteiten. De incidentele verkoop van immateriële vaste activa valt buiten het omzetbegrip, zoals bedoeld in artikel 2:377, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), vanwege het feit dat deze verkoop niet voortkomt uit de gewone bedrijfsuitoefening (normale, niet-incidentele bedrijfsactiviteiten). Ze maakt daarom geen deel uit van het omzetbegrip voor de uitvoering van de NOW-regeling en is in de jaarrekening 2019 van eiseres niet onder de netto-omzet verantwoord. Op pagina 19 van de jaarrekening wordt dit ook door eiseres zelf bevestigd met de volgende passage: "Due to an highly incidental sales transaction, clearly distinguishable from ordinary activities, extra revenues of [bedrag 7] euro have been received. These are not expected to have any influence on future revenues." Daaruit blijkt onomstotelijk dat ook voor de gebruikers van de jaarrekening 2019 van eiseres, dit moet worden gezien als een eenmalige opbrengst. Ook voldoet de aanvraag niet aan artikel 3 van de NOW-regeling. Het doel van de regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van drie maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zodat zij werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval. De terugval in omzetten is niet het gevolg van buitengewone omstandigheden als gevolg van de coronapandemie en de getroffen coronamaatregelen, maar wordt veroorzaakt door het lager uitvallen van incidentele baten in de meetperiode ten opzichte van het referentiejaar 2019. Op basis van de aangepaste omzetgegevens is er sprake van een omzetdaling van 19% in plaats van een omzetdaling van 28%. 2.4. Naar aanleiding van dit rapport heeft de minister, bij brief van 22 juni 2022, aan eiseres meegedeeld het voornemen te hebben terug te komen van zijn besluit van 16 september 2021. Op basis van het rapport concludeert de minister dat de referentie-omzet over 2019 te hoog is vastgesteld. Dat betekent dat eiseres over de meetperiode van mei tot en met juli 2020 minder dan 20% omzetverlies heeft en er geen recht is op NOW. Eiseres wordt in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken te reageren. De besluiten op de aanvragen voor de definitieve berekeningen op grond van de NOW 2 en NOW 3 (3.1 en 3.2) houdt de minister aan, totdat een definitief besluit is genomen over de NOW 1. Met haar brief van 21 juli 2022 heeft de gemachtigde van eiseres op de brief van de minister van 22 juni 2022 gereageerd. Kort samengevat stelt eiseres daarin dat de verkoop wel onderdeel is van de referentie-omzet. Vervolgens heeft de minister het primaire besluit I afgegeven. 2.5. Bij het primaire besluit II heeft de minister de aanvraag van eiseres voor de definitieve vaststelling op grond van de NOW 2 afgewezen. Gebleken is dat het omzetverlies minder dan 20% is. Daarom bestaat geen recht op een definitieve tegemoetkoming. Het v Het gaat om feiten op grond waarvan de subsidie lager zou zijn vastgesteld dan bij het verlenen is gebeurd en waarvan de minister bij de vaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn. Eiseres heeft namelijk een bedrag van € [bedrag 5] ten onrechte geclassificeerd als zijnde een verkoop van de domeinnamen [website 1] en [website 2] . Dit is niet in lijn met de reguliere bedrijfsactiviteiten en daarmee is dit bedrag geen onderdeel van de netto-omzet in 2019 voor de NOW. De minister is van oordeel dat het bedrag van € [bedrag 5] niet tot de omzet gerekend moet worden in het kader van de NOW. Dat bedrag is namelijk ontvangen naar aanleiding van een schikking van een dispuut en wordt niet gekwalificeerd als opbrengsten uit reguliere bedrijfsactiviteiten van eiseres en behoort daarmee niet tot de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 2:377, zesde lid, van het BW. Op basis van de door de minister ontvangen [overeenkomst] van 9 april 2019 (tussen eiseres en een in de Verenigde Staten (VS) gevestigde IT-onderneming die actief is met een vergelijkbare merknaam, die internationaal opereert en software verkoopt met in de naam ' [naam] ') is gebleken dat er onduidelijkheden en mogelijke inbreuken op elkaars merkenrechten zijn, wat heeft geleid tot wat in de [overeenkomst] 'een dispuut' wordt genoemd. De [overeenkomst] is het resultaat van onderhandelingen en overeenstemming over een minnelijke schikking van het dispuut en de overdracht van het merk, handelsmerken, domeinnamen ( [website 1] en [website 2] ) en sociale media-accounts. De overdracht van de domeinnamen [website 1] en [website 2] is slechts een uitvloeisel van de schikking van het dispuut. Het gaat dus niet om een transactie sec gericht op de koop van de domeinnamen [website 1] en [website 2] . Dit wordt versterkt door het feit dat beide domeinnamen ( [website 1] en [website 2] ) op dit moment niet in gebruik zijn. De referentie-omzet over 2019 is daarmee lager dan eiseres heeft opgegeven bij de aanvragen voor de vaststelling van de tegemoetkomingen. Haar netto-omzet over de referentieperiode 2019 bedraagt € [bedrag 6] , in plaats van de door haar opgegeven netto-omzet van € [bedrag 1] en haar omzetverlies voor de NOW 1 bedraagt 19%, voor de NOW 2 17%, voor de NOW 3.1 12% en voor de NOW 3.2 10% (op basis van de netto-omzet van eiseres over de betreffende meetperioden), in plaats van de door eiseres opgegeven omzetverliezen van meer dan 20%. Op grond van de nieuwe berekeningen komt de minister tot de conclusie dat het omzetverlies in de betreffende meetperioden minder dan 20% bedraagt. Daarmee bestaat er geen recht op tegemoetkomingen. Het doel van de NOW is niet bereikt, omdat het omzetverlies van eiseres lager is dan het minimum van 20%. De minister is van mening dat bij de besluitvorming niet in strijd is gehandeld met het verbod van vooringenomenheid. Van belang is dat UVB geen bestuursorgaan is, maar een adviserende rol heeft. De minister heeft bij het nemen van de besluiten onpartijdig/onbevooroordeeld gekeken naar de relevante feiten en de betrokken belangen. Dat eiseres de werkwijze/procedure als vooringenomen ervaart, is op zich beschouwd ontoereikend om te dienen als een objectief aanknopingspunt voor vooringenomenheid. De minister is van mening dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden. Voordat hij het primaire besluit I heeft genomen, heeft de minister advies ingewonnen van UVB over de juistheid van de ingediende aanvraag. Vervolgens heeft de minister eiseres in de gelegenheid gesteld te reageren op het advies en heeft de minister op basis van de feiten en de betrokken belangen het besluit genomen. Hieruit blijkt dat de minister de nodige kennis heeft vergaard en dat de relevante feiten en belangen zijn meegenomen bij/afgewogen in het besluit. De minister is van mening dat het besluit van 16 september 2021 terecht is herzien, omdat gebleken is dat eiseres bij de aanvraag een onjuiste netto-omzet over de referentieperiode heeft vermeld en dat zij De minister is bevoegd de subsidie lager vast te stellen. De volgende vraag is of de minister van deze bevoegdheid gebruik kan maken, anders gezegd of bij het nemen van het besluit voldoende evenwicht wordt bewaakt tussen het belang van het individu en het algemeen belang. De minister is bevoegd de subsidie lager vast te stellen dan werd verleend indien de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. De minister heeft met het UWV beleid ontwikkeld om in bepaalde situaties gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid de subsidie niet lager vast te stellen. Dit beleid is kenbaar uit kamerstukken. Als het omzetverlies lager is dan geschat bij de verlening, dan zal de subsidie navenant lager uitvallen. De regeling gaat er vanuit dat eiseres de loonkosten nog deels zelf kan financieren, naar gelang er nog omzet is. Immers, met de oorspronkelijke omzet konden alle loonkosten worden gefinancierd. Van het deel van de loonsom dat eiseres gelet op het omzetverlies niet zelf kan opbrengen, wordt 90% gesubsidieerd. De minister verstrekt een subsidie om loonkosten te financieren voor zover daar behoefte aan is volgens het doel van de regeling: om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van drie maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zodat zij werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval. Eiseres heeft bij haar aanvragen van de subsidieverlening een verwacht omzetverlies van meer dan 20% doorgegeven. Indien zij bij de aanvragen van de subsidieverlening een verwacht omzetverlies van minder dan 20% zou hebben doorgegeven, dan zouden haar aanvragen zijn afgewezen. De minister is namelijk gehouden om aanvragen voor een tegemoetkoming NOW af te wijzen als het omzetverlies lager is dan 20%. Van belang is dat bij het aanvragen van het voorschot NOW moet worden uitgegaan van het geschatte omzetverlies. Dit hangt samen met de noodzaak om werkgevers zo snel mogelijk te voorzien van een voorschot NOW. Bij het vaststellen van de subsidie is er meer tijd om te corrigeren. Dit betekent dat werkgevers zich moeten realiseren dat de definitieve tegemoetkoming NOW lager kan uitvallen als het werkelijke omzetverlies lager is dan het verwachte omzetverlies. In het geval van eiseres geldt dat het werkelijke omzetverlies minder dan 20% bedraagt. Daarmee is het doel van de subsidie niet bereikt. Uit oogpunt van een zorgvuldige besteding van publieke middelen maakt de minister in beginsel gebruik van zijn bevoegdheid tot lager vaststellen en terugvorderen van de onverschuldigd betaalde subsidiegelden. Als de minister afziet van (een gedeelte) van de terugvordering, dan zou eiseres meer subsidie ontvangen dan waar zij volgens de NOW recht op heeft. Het doel van de terugvordering is gelegen in een goede besteding van publieke middelen. De minister heeft namelijk een zwaarwegend belang bij een juiste vaststelling vanuit het oogpunt van een zorgvuldige besteding van publieke middelen. Aangezien de subsidie op grond van de NOW moet toekomen aan werkgevers die het nodig en er recht op hebben en de minister het voor deze tijdelijke noodmaatregel beschikbare budget slechts één keer kan besteden, dient er zorgvuldig omgegaan te worden met de besteding hiervan. Overigens is niet gebleken dat de uitoefening van die bevoegdheid hier voor eiseres onevenwichtig uitpakt. Daarom is de minister van mening dat zijn belang hier zwaarder moet wegen. Wat vindt eiseres? 6. Eiseres voert – kort samengevat – het volgende aan tegen de Voor alle bestreden besluiten geldt dat het enkele feit dat in de NOW geen hardheidsclausule is opgenomen, niet betekent dat ruimte voor maatwerk ontbreekt. Eiseres doet een beroep op artikel 4:84 van de Awb, dat voorschrijft dat een beleidsmaatregel niet wordt toegepast als de gevolgen voor een belanghebbende niet in verhouding staan tot de te dienen doelen. Onverkorte toepassing van de uitleg die de minister aan het omzetbegrip geeft, is volgens eiseres niet aan de orde, omdat dit leidt tot nadelige gevolgen die niet in lijn liggen met het doel van de regeling. De berekeningsmethode van de referentie-omzet zoals gehanteerd door de minister moet wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing worden verklaard, aldus eiseres. Het bestreden besluit over de NOW 1 berust niet op een deugdelijke belangenafweging. Eiseres heeft aantoonbaar te maken gehad met een forse omzetdaling en desondanks heeft zij tijdens de coronapandemie de loonkosten gewoon door moeten betalen. Dat is waar deze regeling voor in het leven is geroepen en daarom is het volstrekt onredelijk om eiseres hiervan uit te sluiten. Voor de herziening van het NOW 1-besluit bestond geen grondslag. De gegevens zijn bij de aanvraag direct op 25 augustus 2021 bekend gemaakt. Deze gegevens zijn daarna niet gewijzigd. Het bestreden besluit NOW 1 is niet gebaseerd op andere gegevens dan toentertijd aan de minister bekend zijn gemaakt. Indien de minister de gegevens onvoldoende achtte of onjuist, dan had het op zijn weg gelegen om eiseres te wijzen op de onjuistheid of op onduidelijkheden in de aanvraag. Eiseres had in deze situatie geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens en aan de juistheid van het definitieve besluit NOW 1. Toepassing van artikel 4:49 van de Awb en artikel 16 van de NOW 1 is alleen mogelijk als er een verwijt te maken valt aan de subsidieontvanger. Daarvan is in haar geval geen sprake, aldus eiseres. Eiseres heeft alle vereiste gegevens juist en volledig opgegeven en de definitieve subsidieaanvraag door een accountant laten controleren. Bij het opstellen en vaststellen van de jaarrekening over 2019 is een bestendige gedragslijn gevolgd en deze jaarrekening is goedgekeurd door de accountant. De NOW-regeling schrijft voor dat de jaarrekening over 2019 moet worden gevolgd en eiseres had geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. Van misbruik of oneigenlijk gebruik van de NOW 1, zoals bedoeld in de toelichting op artikel 16 van de NOW 1, is geen sprake. Er zijn geen zaken doelbewust anders voorgesteld. De jaarrekening over 2019 is op dezelfde wijze (als voorheen) opgesteld en door de accountant gecontroleerd. De coronacrisis en de NOW-regeling speelden toen nog niet. Gezien wat eiseres heeft aangevoerd, bestond er voor de minister geen bevoegdheid om het eerste definitieve vaststellingsbesluit te wijzigen. Met name voor de herziening van het definitieve besluit inzake NOW 1 doet eiseres ook een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel. Zij heeft een officieel besluit gekregen inhoudende de mededeling dat de subsidie definitief was vastgesteld. Dat besluit was genomen door het UWV namens de minister. Het UWV is de instantie die de bevoegdheid heeft dergelijke besluiten te nemen. Zodoende kon eiseres ervan uitgaan dat het UWV een standpuntbepaling deed uitgaan ten aanzien van de te nemen beslissing, namens het daartoe bevoegde orgaan. Tevens mocht zij in verband met de inhoud van de mededeling en de rechtspersoon die de mededeling deed er gerechtvaardigd op vertrouwen dat dit het standpunt was. Eiseres concludeert dan ook dat zij ervan mocht uitgaan dat de subsidie definitief conform het definitieve besluit aan haar was verleend. Tot slot stelt eiseres dat er sprake is van schending van het verbod op vooringenomenheid en het fair-play beginsel. Eiseres kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er sprake is van vooringenomenheid en dat zij wordt onderworpen aan de willekeur van UVB/de minister. UVB heeft in de verschille Uit de hoogte van de settlement fee valt af te leiden dat [eiseres] wordt gecompenseerd voor de waarde van het door de organisatie opgebouwde immateriële vaste actief en daarmee investeringen in het opbouwen van de nieuwe merknaam en huisstijl van eiseres kan financieren. Ontvangsten naar aanleiding van een schikking van een dispuut - en de daaruit voortvloeiende overdracht van de eigen merknaam en het immateriële vaste actief de eigen domeinnaam - kwalificeren niet als opbrengsten uit normale activiteiten van de organisatie en daarmee niet als (netto-)omzet voor de NOW. Uit IFRS 15 valt af te leiden dat als het om een eenmalige of zeldzame gebeurtenis gaat dit niet als een normale activiteit (ordinary activity) kan worden beschouwd. Op bladzijde 11 van de jaarrekening van 2019 is vermeld: “The Consolidated financial statements are prepared according to the International Financial Reporting Standard (IFRS) as adopted by the European Union (EU) and the stipulations in Title 9 Book 2 of the Dutch Civil Code.” Het omzetbegrip (revenu) is op bladzijde 13 van de jaarrekening 2019 gedefinieerd: “Revenue represents amounts invoices for services supplied during the financial year reported on, net of discounts and value added taxes. Revenues from services are recognized in proportion to the services rendered, based on cost incurred in respect of the services performed up to balance sheet date, in proportion to the estimated cost of the aggregate services to be performed. The cost price of these services is allocated to the same period.” De minister verwijst naar de definitie van het begrip omzet in artikel 2:377, zesde lid, van het BW. Daaruit en de omschrijving van het begrip netto-omzet in de Richtlijn voor de Jaarverslaggeving (RJ) 270 , kan samengevat gesteld worden, dat het bij de bepaling van de omzet voor de NOW dient te gaan om baten uit de normale/reguliere bedrijfsvoering en dat baten die incidenteel zijn niet tot de omzet voor de NOW horen. Deze samenvatting van het omzetbegrip wordt overigens ook weer bevestigd in Bijlage III, waaraan eiseres in haar reactie van 21 juli 2022 zelf ook refereert: “In het Jaarrekeningenrecht is opgenomen dat omzet bestaat uit de inkomsten die toe te rekenen zijn aan de reguliere activiteiten van de onderneming. Voor bedrijven die goederen of diensten leveren, betekent dit dat de opbrengsten die een bedrijf haalt uit het leveren van goederen en/of diensten moeten worden gezien als omzet. Om tot de netto-omzet te komen worden de daaraan gerelateerde kortingen en de over de omzet geheven belasting daarvan afgehaald. Ook de overige opbrengsten worden als omzet gezien voor de NOW voor zover zij zien op de reguliere bedrijfsactiviteiten van de onderneming.” Uit de jaarrekening 2019 (pagina 18) blijkt dat de transactie zo uitzonderlijk was dat deze door eiseres zelf overduidelijk niet als normale bedrijfsactiviteit wordt aangemerkt, maar zelfs als hoogst uitzonderlijk transactie is beoordeeld. Zelfs zo uitzonderlijk, dat de gebruikers van de jaarrekening 2019 van eiseres daar expliciet schriftelijk op gewezen dienen te worden. De baat ziet immers toe op de verkoop van een intern gegenereerd immaterieel vast actief, het betreft de eigen merknaam, waaronder de eigen domeinnaam. Het begrip netto-omzet dient te worden geïnterpreteerd vanuit de normale activiteiten van de organisatie. De incidentele verkoop van immateriële vaste activa valt buiten het omzetbegrip zoals bedoeld in artikel 2:377, zesde lid, van het BW, vanwege het feit dat deze verkoop niet voortkomt uit de gewone bedrijfsuitoefening (normale, niet-incidentele bedrijfsactiviteiten). De vraag voor NOW is niet zozeer of de bij de schikking na een dispuut verkregen eenmalige vergoeding voor de verkoop van de eigen bedrijfsnaam en domeinnamen tot de omzet mag/moet worden gerekend. Volgens het BW2 , NL GAAP en IFRS is dat wel het geval. In IFRS is het begrip 'ordinary activities' (normale c.q. reguliere activiteiten) niet gedefinieerd. IAS 1 (IF De accountant had zich, gezien de bijzondere situatie, op de hoogte moeten stellen van de aard en achtergrond van eerdergenoemde transactie en de motivering van de wijze van verwerking in de jaarrekening. Het is de minister niet gebleken uit de overlegde documentatie, dat dit overleg heeft plaatsgevonden. De toelichting (“Due to highly incidental sales transaction ... future revenues") in de jaarrekening is volgens de minister wel doorslaggevend. Zonder deze toelichting geeft de jaarrekening geen getrouw beeld. De gebruiker wordt voor wat betreft de hoogte van de omzet op het verkeerde been gezet en heeft anders verkeerde verwachtingen ten aanzien van de in de toekomt te realiseren omzet. Het is maar zeer de vraag of zonder deze opmerking een goedkeurende verklaring kan worden overgelegd. Hiervoor heeft de minister al gesteld dat de transactie een materiële invloed heeft op het resultaat van de onderneming over 2019. Het kwalificeren van een dispuut als een langlopend project, is volstrekt ongeloofwaardig. Evenals het feit dat het verkopen van de bedrijfsnaam een kernactiviteit zou zijn. Het feit dat in 2021 een domeinnaam is verkocht, maakt niet dat met terugwerkende kracht de verkoop van de bedrijfsnaam als kernactiviteit kan worden bestempeld. Dat met de bewoordingen “handel in software, hardware en aanverwante zaken en diensten” in de statuten ook gedoeld wordt op de verkoop van domeinnamen is mogelijk. Echter, dat de verkoop van domeinnamen hiermee tot een normale activiteit is geworden, betwist de minister; dat moet blijken uit het feitelijk handelen van de onderneming. Een enkele verkoop van een domeinnaam maakt deze activiteit (transactie) niet tot een kernactiviteit. De verkoop van de eigen bedrijfsnaam valt hier uitdrukkelijk niet onder. Indien de handel in domeinnamen tot de kernactiviteiten behoort, mag de gebruiker van de jaarrekening erop vertrouwen dat dit wordt genoemd en toegelicht. Nu dit niet is gebeurd, mag de gebruiker uitgaan van de activiteiten zoals in de jaarrekening genoemd. Dit is wezenlijk voor het interpreteren van de cijfers in de jaarrekening. Het feit dat transacties in domeinnamen niet afdoende zijn gedocumenteerd en gearchiveerd, doet afbreuk aan de controleerbaarheid van de administratie. Indien sprake is van handel in domeinnamen, dienen de domeinnamen die voor handelsdoeleinden worden aangehouden als voorraad te worden aangemerkt. Dat is de minister uit de overgelegde stukken niet gebleken. De verkoop van drie domeinnamen in 2021 betekent niet dat de handel in domeinnamen als reguliere activiteit in 2019 moet worden gezien. Dit los van het feit dat deze zaak niet over de domeinnaam gaat maar over de bedrijfsnaam en het oplossen van een dispuut. In de uitspraken omtrent subsidies waaronder die van de rechtbank Den Haag, waar eiseres naar verwijst, wordt een verband gelegd tussen de kernactiviteiten en de normale activiteiten van de onderneming en dat in dat verband het begrip omzet ruim dient te worden uitgelegd. In deze zaak behoort de transactie juist niet tot de reguliere activiteiten en kan geen beroep op een ruime uitleg van het omzet begrip worden gedaan. Het gebruik van IFRS is niet bezwaarlijk. De minister verzet zich niet tegen het gebruik van IFRS. Hoewel onder de post ‘Revenues’ verantwoord, laat de toelichting op een deel van deze post in de jaarrekening niets aan duidelijkheid te wensen over. Eerder heeft de minister aangegeven dat de post een materiële invloed heeft op het beeld van de jaarrekening, zowel qua omzet als resultaat. Het gaat om een specifieke post die voor de NOW materieel is. Immers de post leidt tot een andere uitkomst voor wat betreft de omzetdaling. Onder het Nederlandse jaarrekeningrecht moet de betreffende post onder de post ‘Overige opbrengsten’ worden verantwoord. Gegeven de melding bij de afdeling Handhaving van het UWV heeft de minister op grond van artikel 13, eerste lid, onder e, van de NOW 1 alle recht om nadere gegevens op te vragen en niet zonder m Kern is dat het omzetbegrip in deze regeling zo dicht mogelijk aansluit bij het activiteitenniveau van de onderneming, instelling, of het concern. Dit is van belang omdat de ontwikkeling van de omzetdaling daarmee voor een belangrijk deel kan samenhangen. Op grond van de begrippen in het Burgerlijk Wetboek (artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek) en de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving (RJ 940) wordt uitgegaan van de netto-omzet, waarbij het gaat om de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon onder aftrek van kortingen en dergelijke van over de omzet geheven belasting. Opbrengsten zijn baten die ontstaan bij de uitvoering van de normale activiteiten van een onderneming. Dit betekent dat omzet wordt verantwoord als de activiteiten betrekking hebben op de levering van goederen of diensten voor een specifieke klant waarmee een (verkoop)contract is gesloten.” 8.1. Uit artikel 13, tweede lid, van de NOW 1, artikel 16, eerste lid, van de NOW 2 en artikel 13, eerste lid, van de NOW 3 volgt, dat bij de aanvragen voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming van werkgevers, zoals eiseres, een accountantsverklaring moet worden overgelegd. Deze accountantsverklaring heeft volgens deze artikelleden betrekking op de naleving van de subsidievoorwaarden en moet voldoen aan (kort gezegd) de standaarden van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants en de vereisten van het accountantsprotocol bij de betreffende NOW-regeling. In paragraaf 2.2. van het accountantsprotocol van de NOW 1 wordt voor het netto-omzetbegrip verwezen naar het omzetbegrip van artikel 1, tweede lid, van de NOW 1 en de toelichting op dit begrip. In het accountantsprotocol van de NOW 2 en de NOW 3 wordt in paragraaf 2.2 voor het netto-omzetbegrip ook verwezen naar artikel 1, tweede lid, van de NOW 2 respectievelijk artikel 1, tweede lid, van de NOW 3. De netto-omzet over de referentieperiode is één van de gegevens die moet worden meegezonden met de aanvragen om definitieve vaststelling van de tegemoetkoming. 8.2. Uit de artikelen 1, tweede lid, van de NOW 1, de NOW 2 en de NOW 3, de toelichting daarop en de accountantsprotocollen van de NOW 1, de NOW 2 en de NOW 3 blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, dat voor het bepalen van de referentieomzet uitsluitend mag worden gekeken naar de omzet die eiseres heeft behaald over het kalenderjaar 2019 bij de uitvoering van haar normale bedrijfsactiviteiten. 8.3. Gelet op het voorgaande, is het daarom van belang vast te stellen of het bedrag van € [bedrag 5] dat eiseres in het kader van de [overeenkomst] heeft ontvangen tot de omzet uit haar normale bedrijfsactiviteiten moet worden gerekend. De rechtbank is van oordeel dat dit bedrag niet tot de omzet uit de normale bedrijfsactiviteiten van eiseres kan worden gerekend. Zij zal hierna uitleggen waarom zij tot dit oordeel komt. 8.4. De rechtbank leidt uit de [overeenkomst] af, zoals reeds opgemerkt door de minister in het verweerschrift van 3 februari 2025 (zie rechtsoverweging 7), dat geen sprake was van slechts de verkoop van de domeinnamen ‘ [website 1] ’ en ‘ [website 2] ’. Eiseres was sinds [jaar 2] actief onder de naam [naam bedrijf] Daarbij had zij de domeinnamen [website 1] en [website 2] en sociale media-accounts gerelateerd aan [naam bedrijf] in haar bezit. Een IT-onderneming in de VS opereert internationaal onder de (merk)naam [naam] . Eiseres en deze IT-onderneming waren van oordeel dat de andere onderneming inbreuk maakte op onder meer hun merkrechten. Zij zijn hierover met elkaar in onderhandeling gegaan. Dat heeft geleid tot de [overeenkomst] van 9 april 2019, waarin een minnelijke schikking is getroffen. De IT-onderneming heeft als onderdeel van de gesloten vaststellingsovereenkomst een bedrag van € [bedrag 5] aan eiseres betaald. Eiseres heeft vervolgens haar (handels)naam gewijzigd in [eiseres] Ook zijn de statuten gewijzigd.Uit artikel 4.1 van de [overeenkomst] blij Hierbij mag uitgegaan worden van de gecontroleerde en/of samengesteld definitieve (inrichtings)jaarrekening 2019 (…) waarbij wel vastgesteld wordt of de juiste definitie is gehanteerd.” In de nadere toelichting op (onder meer) deze tabel in het accountantsprotocol is vermeld, dat de tabellen niet alle risico’s bevatten en dat de accountant op basis van zijn professioneel kritische instelling en risicoanalyse moet bepalen welke risico’s aanwezig zijn in de specifieke situatie en welke werkzaamheden dan uitgevoerd moeten worden. Welke werkzaamheden dat zijn, is volgens de toelichting onder meer afhankelijk van de omstandigheid of er eerder accountantscontrole heeft plaatsgevonden. Hierbij is relevant dat de gebruiker van de accountant verwacht, dat er een volledige risicoanalyse en planning en uitvoering van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden en is vastgelegd in het dossier. Uit de hier toepasselijke standaard 3900N volgt, dat de gebruiker van de verklaring bij de aanvraag de minister (het UWV) is. 8.7. Uit al wat hiervoor is overwogen, leidt de rechtbank af dat bij het opgeven van de netto-omzet over de referentieperiode in de aanvragen om definitieve vaststelling en bij het oordeel van de accountant over die opgaven ruimte bestaat voor afwijking van de post die in de jaarrekening over 2019 als opbrengst/netto-omzet is verantwoord, ook als bij deze jaarrekening een goedkeurende verklaring van een controlerend accountant is verstrekt. Daartoe bestond alle aanleiding, aangezien in deze jaarrekening op bladzijde 18 expliciet als toelichting op “extra revenues” is opgenomen dat deze voortvloeien uit een “highly incidental sales transaction”. Dat de accountant in zijn goedkeurende verklaring bij de jaarrekening over 2019 heeft verklaard (zoals uit deze verklaring blijkt), dat de verantwoording van onder meer de Revenues een “true and fair view” van de behaalde opbrengsten geeft (in de woorden van de minister in het verweerschrift: een getrouw beeld) in overeenstemming met de gehanteerde grondslagen voor deze verantwoording (in dit geval: de grondslagen in IFRS en in titel 9 van Boek 2 van het BW), betekent niet dat bij de opgaven van de netto-omzet in de referentieperiode door eiseres ook is voldaan aan de vereisten van de NOW. Het behoeft geen betoog dat de juistheid van de opgegeven behaalde netto-omzet over de referentieperiode één van de kernvariabelen is voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkomingen door de minister. Juist daarom diende eiseres zich bij het opgeven van de netto-omzet over deze periode te realiseren, dat opbrengst die is gegenereerd met niet normale activiteiten niet als voor het geleden omzetverlies relevante omzet beschouwd kan worden. Ook de accountant had daarvoor oog moeten hebben bij het geven van zijn oordeel over de opgave van eiseres. 8.8. Gelet op wat hiervoor is overwogen en geoordeeld, is de rechtbank met de minister van oordeel dat het bedrag van € [bedrag 5] dat eiseres heeft ontvangen, buiten de referentieomzet over 2019 moet worden gelaten voor de vaststelling van de tegemoetkomingen op grond van de NOW. Dat betekent dat de referentieomzet over 2019 terecht door de minister is vastgesteld op € [bedrag 6] , in plaats van op de door eiseres opgegeven netto-omzet van € [bedrag 1] . Het gevolg daarvan is dat de percentages van het omzetverlies van eiseres voor de NOW 1 moeten worden vastgesteld op 19%, voor de NOW 2 op 17%, voor de NOW op 3.1 12% en voor de NOW 3.2 op 10%. Deze percentages zijn door eiseres niet betwist. Omdat voor het recht op een tegemoetkoming het omzetverlies minimaal 20% dient te bedragen , betekent dit dat eiseres over alle aanvraagperioden geen recht op een tegemoetkoming heeft. Mocht de minister het besluit van 16 september 2021 intrekken en de tegemoetkoming NOW 1 vaststellen op nihil? 9. Nu de rechtbank in 8.8 tot het oordeel is gekomen dat eiseres, gelet op haar omzetverlies van 19%, geen recht heeft op een tegemoetkoming op grond van de NOW 1, dient zij de Zoals de CRvB in de uitspraak van 11 oktober 2022 in navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 heeft overwogen, is de ratio van het evenredigheidsbeginsel niet zozeer het in het algemeen tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodige nadelige gevolgen. Daarbij gaat het hier om een directe toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, waarbij het aankomt op een afweging van de belangen van eiseres bij een hogere tegemoetkoming en de belangen van de minister bij een zorgvuldige besteding van publieke middelen. 9.4. Eiseres wijst erop dat - voor zover uit moet worden gegaan van een omzetdaling van 19% - slechts sprake is van een verschil van 1% waarvoor eiseres volledig wordt belast. Uit het bestreden besluit NOW 1 blijkt in geen geval, dat de minister rekening heeft gehouden met deze onevenredige nadelen van het besluit voor haar, aldus eiseres. 9.5. De rechtbank merkt op dat door de minister bij het opstellen van de NOW-regelingen een bewuste keuze is gemaakt om alleen bij een omzetverlies van ten minste 20% een tegemoetkoming toe te kennen. De rechtbank begrijpt uit de toelichting op de NOW 1 dat de minister van oordeel is, dat een omzetverlies van minder dan 20% tot het normale ondernemingsrisico behoort. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen onredelijke motivering. Inherent aan de keuze van de regelgever is dat werkgevers die een omzetverlies van minder dan 20% hebben, zoals eiseres, niet in aanmerking komen voor deze tegemoetkoming. Dat maakt niet dat er sprake is van onnodige nadelige gevolgen voor eiseres door het intrekken van het besluit van 16 september 2021 en het alsnog op nihil vaststellen van de tegemoetkoming op grond van de NOW 1. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het algemeen belang van de minister bij een zorgvuldige besteding van publieke middelen zwaar moet wegen. Ook heeft eiseres geen specifieke feiten of omstandigheden naar voren gebracht, waaruit zou volgen dat in haar situatie sprake is van onnodig nadelige gevolgen. 10. Eiseres heeft aangevoerd dat het besluit van 16 september 2021 formele rechtskracht had gekregen. Zij heeft haar bedrijfsvoering op de vaststelling ingericht, heeft vertrouwd én mocht vertrouwen op de definitieve vaststelling. Daarmee doet eiseres een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep slaagt, naar het oordeel van de rechtbank, niet. 10.1. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. 10.2. In artikel 4:49, derde lid, van de Awb is – kort samengevat en hier van belang – bepaald dat de subsidievaststelling niet meer kan worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt. Dat betekent dat eiseres er rekening mee had moeten houden dat het beslui In de bestreden besluiten heeft de minister met betrekking tot de belangenafweging – kort samengevat – alleen opgemerkt dat zijn belang bij een zorgvuldige besteding van publieke middelen zwaarder moet wegen dan de belangen van eiseres bij het hoger vaststellen van de tegemoetkomingen. In zijn verweerschrift van 3 februari 2025 heeft de minister hier nog aan toegevoegd, dat het hem niet gebleken is dat zijn besluitvorming voor eiseres heeft geleid tot onnodig nadelige gevolgen. Niet is gesteld of gebleken dat er sprake is van omstandigheden waaruit volgt dat het financiële nadeel als onevenredig moet worden beoordeeld. De minister heeft hierbij rekening gehouden met de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het bestreden besluit. De minister is niet gebleken dat de uitoefening van die bevoegdheid voor eiser onevenredig uitpakt. Hij is daarom van oordeel dat zijn belang hier zwaarder moet wegen. 11.3.3. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat de bestreden besluiten niet berusten op een deugdelijke belangenafweging. Eiseres heeft aantoonbaar te maken gehad met een forse omzetdaling en desondanks heeft zij tijdens de coronapandemie de loonkosten gewoon door moeten betalen. Dat is waar deze regeling voor in het leven is geroepen en daarom is het volstrekt onredelijk om eiseres hiervan uit te sluiten. 11.3.4. Nu eiseres, behoudens hetgeen onder 11.3.3 is opgemerkt, niet nader onderbouwd heeft waarom door de minister onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen, is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de minister zwaarder moeten wegen. De minister heeft daarom de tegemoetkomingen op grond van de NOW 2, de NOW 3.1 en de NOW 3.2 op nihil mogen vaststellen. Mocht de minister de betaalde (voorschot)bedragen van de tegemoetkomingen terugvorderen? 12. Gelet op wat hiervoor over de vaststelling van de tegemoetkomingen op nihil is overwogen, staat vast dat de minister ten onrechte aan eiseres tegemoetkomingen op grond van de NOW 1 en voorschotten op de tegemoetkomingen op grond van de NOW 2, 3.1 en 3.2 heeft verstrekt. Artikel 19 van de NOW 2 en artikel 25 van de NOW 3 bepalen dat, onverminderd artikel 4:95, vierde lid, van de Awb, het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijk kan worden teruggevorderd van de subsidieontvanger indien dit ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt of indien niet aan de in bepaalde artikelen van de NOW-regelingen genoemde verplichtingen, is voldaan. De minister heeft zowel op grond voornoemde artikelen als op grond van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb een discretionaire bevoegdheid om het onverschuldigd betaalde voorschot geheel of gedeeltelijk terug te vorderen van de subsidieontvanger. Op grond van artikel 4:57, eerste lid, van de Awb heeft de minister ook een discretionaire bevoegdheid om de op grond van de NOW 1 betaalde tegemoetkoming van eiseres terug te vorderen. Ook met betrekking tot de terugvorderingen geldt dat, gelet op artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, beoordeeld moet worden of de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiseres niet onevenredig zijn in verhouding met de doelen die met het besluit worden gediend. 12.1. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat vanuit het oogpunt van zorgvuldige besteding van publieke middelen in beginsel gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten op grond van de NOW. Dat is een legitiem doel waaraan belangrijke betekenis toekomt. 12.2. Het gevolg van de bestreden besluiten voor eiseres is dat zij een bedrag van in totaal € 1.716.379 moet terugbetalen. Dit financiële gevolg van de terugvordering voor eiseres beoordeelt de rechtbank niet als onevenredig nadelig. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres in beroep geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat op 31 augustus 2023 en 8 september 2023, de data van de bestreden besluiten, sprake was van een financiële noodsituatie. De conclusie van de rechtbank is dan ook dat de in de bes Dat betekent, uitgaande van een uitspraak uiterlijk op 24 januari 2026, dat de in beginsel redelijk geachte termijn van twee jaar met veertien maanden is overschreden. 14.8. De bezwaarfase heeft, gerekend vanaf het moment van ontvangen van het bezwaarschrift op 24 november 2022 tot het moment van verzenden van het bestreden besluit op 31 augustus 2023, iets meer dan negen maanden geduurd. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de termijn. De rechtbank acht de zaken niet dusdanig ingewikkeld dat daar reden voor is. Het overige deel van de overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegerekend aan de Staat. 14.9. Gelet op het uitgangspunt dat een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn overschreden is, wordt de door eiseres geleden immateriële schade vastgesteld op een bedrag van in totaal (3 x 500) € 1.500. Daarvan komt (3/14 x € 1.500) € 321,43 ten laste van de minister en (11/14 x € 1.500) € 1.178,57 ten laste van de Staat. Conclusie en gevolgen 15. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Wel heeft eiseres recht op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van het bepaalde in artikel 8:94, tweede lid, van de Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb, zoals hier aan de orde, geen griffierecht verschuldigd. Eiseres krijgt wel een vergoeding van de proceskosten voor de indiening van dit verzoek. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek, wegingsfactor 0,5 (licht) met een waarde van € 934 per punt). 15.1. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn deels aan de minister en deels aan de Staat moet worden toegerekend, moeten zij beiden de helft van dit bedrag betalen aan eiseres. Daarom veroordeelt de rechtbank de minister tot het betalen van een bedrag van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres. De rechtbank veroordeelt ook de Staat tot het betalen van een bedrag van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond; - veroordeelt de minister tot vergoeding van schade aan eiseres tot een bedrag van € 321,43; - veroordeelt de Staat tot vergoeding van schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.178,57; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50; - veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van Lee, voorzitter, en mr. D.J. Post en mr. P.L. de Vos, leden, in aanwezigheid van mr. H. Peters, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 2:4, eerste lid Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid. Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid Artikel 1, tweede lid Onder omzet wordt in deze regeling verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van grondslagen en detailtoepassingen die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Voor natuurlijke personen is dit de omzetbepaling die de basis is geweest voor de laatst vastgestelde aangifte voor de Wet inkomstenbelasting 2001, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling. Artikel 3 Het doel van deze regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van drie maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zodat zij werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval. Artikel 4 De Minister kan aan een werkgever, die gedurende een aaneengesloten periode van drie kalendermaanden in de periode van 1 maart tot en met 31 juli 2020 verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2020. Artikel 5 Onverminderd artikel 4:35, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverlening geweigerd, indien of voor zover: a. niet of onvoldoende aannemelijk is dat de omzetdaling van de betreffende werkgever ten minste 20% zal zijn; b. het rekeningnummer dat bij de aanvraag is opgegeven niet correspondeert met het in de aanvraag opgegeven loonheffingennummer en de daaraan verbonden rekeninggegevens; c. geen loongegevens beschikbaar zijn in de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, over de aangiftetijdvakken, bedoeld in artikel 10, tweede tot en met vierde lid en artikel 7, zevende lid; of d. de aanvraag anderszins niet voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen. Artikel 6, eerste lid De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de periode als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt, in hele procenten en naar boven afgerond. Artikel 6, tweede lid De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier. Artikel 13, eerste lid Aan de werkgever aan wie subsidie wordt verleend, worden de volgende verplichtingen opgelegd: a. de werkgever is verplicht de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden; b. de werkgever doet na 17 maart 2020 geen verzoek om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, gedurende het tijdvak waarover subsidie is verleend; c. de werkgever is verplicht de subsidie uitsluitend aan te wenden voor de betaling van de loonkosten; d. de werkgever is verplicht de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden, of bij het ontbreken daarvan, de werknemers te informeren over de subsidieverlening; e. de werkgever voert een zodanig controleerbare administratie dat alle voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan en verleent