Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-29
ECLI:NL:RBGEL:2026:3369
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,090 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3369 text/xml public 2026-05-18T15:09:48 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-29 AWB 21/3039 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3369 text/html public 2026-05-18T15:08:45 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3369 Rechtbank Gelderland , 29-04-2026 / AWB 21/3039 Inkomstenbelasting. Uitgaven wegens specifieke zorgkosten. Beroepen ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 21/3039 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026 in de zaak tussen de erven van [persoon A], uit [plaats], belanghebbenden en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbenden tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 juni 2021. De inspecteur heeft aan erflaatster, [persoon A], voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.603. De inspecteur heeft het bezwaar van erflaatster niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaarschrift ook aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 en het verzoek afgewezen. Het daartegen gerichte bezwaar heeft de inspecteur ongegrond verklaard. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen mr. [persoon B] en [persoon C]. Belanghebbenden zijn door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 23 december 2025, op het adres [adres], [postcode] te [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbenden zijn zonder kennisgeving vooraf niet op de zitting verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL via Track & Trace is gebleken dat de brief op 24 december 2025 op genoemd adres is bezorgd, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Het beroep is gezamenlijk behandeld met de beroepen van de echtgenoot van erflaatster, [persoon D] ([persoon D]), met de zaaknummers 21/1327 en 24/6120. Feiten 1. Erflaatster heeft op 25 juni 2018 een aangifte IB/PVV 2017 ingediend. Het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens het verzamelinkomen, in die aangifte is als volgt opgebouwd: Inkomen uit vroegere arbeid € 24.081 Af: aftrek specifieke zorgkosten -/- € 410 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 23.671 2. De inspecteur heeft verzocht om informatie. Naar aanleiding van de ontvangen informatie is de aftrek van de specifieke zorgkosten hoger vastgesteld. Het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens het verzamelinkomen, is in de aanslag met dagtekening 10 november 2020 als volgt vastgesteld: Inkomen uit vroegere arbeid € 24.081 Af: aftrek specifieke zorgkosten -/- € 2.478 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 21.603 3. Erflaatster heeft op 24 februari 2021 een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar is door de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 4 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het buiten de termijn is ingediend. De inspecteur heeft het bezwaarschrift ook aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering en heeft dit verzoek afgewezen. 4. Op 25 mei 2025 is erflaatster overleden. [persoon D] heeft de procedure van erflaatster (namens de erven-belanghebbenden) voortgezet Beoordeling door de rechtbank Verzoeken om de zitting uit te stellen 5. [persoon D] heeft bij brieven van 15 januari 2026, 22 januari 2026, 23 januari 2026, 29 januari 2026 en 4 februari 2026 om uitstel voor de zitting verzocht. 6. De rechtbank heeft de verzoeken afgewezen, omdat het belang van een doelmatige voortgang van de procedures zwaarder weegt dan de belangen van [persoon D] bij toewijzing van het verzoek. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat [persoon D] desgevraagd niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van medische redenen op grond waarvan [persoon D] niet in staat was om de zitting op 27 februari 2026 bij te wonen. Verder is het zo dat de inleidende beroepschriften van twee van de drie procedures dateren van 2021. [persoon D] heeft reeds diverse malen om uitstel verzocht, welke uitstelverzoeken telkens zijn toegewezen. Indien de rechtbank uitstelverzoeken zou blijven inwilligen, zou geen einde komen aan deze procedures. De redelijke termijn is reeds jarenlang overschreden en daarmee komt de behoorlijke procesorde in het geding. [persoon D] heeft voorts aangevoerd dat hem met de afwijzing van de uitstelverzoeken de kans wordt ontnomen een toelichting te geven dat de inspecteur is uitgegaan van onjuiste (drempel)bedragen voor de aftrek van specifieke zorgkosten. De rechtbank is van oordeel dat [persoon D] in de afgelopen jaren ruimschoots in de gelegenheid is geweest om deze toelichting te geven. Bovendien had die toelichting eenvoudig schriftelijk gegeven kunnen worden. Geschil 5. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank beoordeelt niet of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen. 6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Afwijzing verzoek artikel 9.6 van de Wet IB 2001 7. De uitspraak op bezwaar bevat een afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering (artikel 9.6 van de Wet IB 2001). Tijdens de zitting heeft de inspecteur verklaard dat de brief van 2 juni 2021 is opgevat als een bezwaar hiertegen en dat de inspecteur uitspraak op dat bezwaar heeft gedaan op 27 september 2021. Volgens de inspecteur hebben belanghebbenden daartegen geen beroep ingesteld. Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard? 8. [persoon D] heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar wel ontvankelijk is vanwege een verschoonbare termijnoverschrijding. 8. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat erflaatster terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het bezwaar buiten de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen zonder dat sprake is van verschoonbaarheid. 9. De bezwaartermijn bedraagt zes weken. De termijn begint te lopen op de dag na de dagtekening van de aanslag. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard wanneer het bezwaarschrift na afloop van de termijn is ingediend, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 10. Gelet op de dagtekening van de aanslag (10 november 2020) eindigde de bezwaartermijn op 23 december 2020. Het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2017, dat is ontvangen op 24 februari 2021, is dus niet tijdig ingediend. 11. [persoon D] heeft geen reden gegeven waarom erflaatster te laat bezwaar heeft gemaakt. Dat betekent dat de rechtbank geen grond ziet voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Immateriële schadevergoeding 12. [persoon D] heeft bij brief van 16 april 2025 verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 13. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding. De inspecteur heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank op dit punt. 14. De rechtbank gaat bij de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn uit van de ontvangst van het oudste bezwaarschrift in de gezamenlijk behandelde zaken.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3369 text/xml public 2026-05-18T15:09:48 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-29 AWB 21/3039 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3369 text/html public 2026-05-18T15:08:45 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3369 Rechtbank Gelderland , 29-04-2026 / AWB 21/3039 Inkomstenbelasting. Uitgaven wegens specifieke zorgkosten. Beroepen ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 21/3039 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026 in de zaak tussen de erven van [persoon A], uit [plaats], belanghebbenden en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbenden tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 juni 2021. De inspecteur heeft aan erflaatster, [persoon A], voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.603. De inspecteur heeft het bezwaar van erflaatster niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaarschrift ook aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 en het verzoek afgewezen. Het daartegen gerichte bezwaar heeft de inspecteur ongegrond verklaard. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen mr. [persoon B] en [persoon C]. Belanghebbenden zijn door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 23 december 2025, op het adres [adres], [postcode] te [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbenden zijn zonder kennisgeving vooraf niet op de zitting verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL via Track & Trace is gebleken dat de brief op 24 december 2025 op genoemd adres is bezorgd, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Het beroep is gezamenlijk behandeld met de beroepen van de echtgenoot van erflaatster, [persoon D] ([persoon D]), met de zaaknummers 21/1327 en 24/6120. Feiten 1. Erflaatster heeft op 25 juni 2018 een aangifte IB/PVV 2017 ingediend. Het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens het verzamelinkomen, in die aangifte is als volgt opgebouwd: Inkomen uit vroegere arbeid € 24.081 Af: aftrek specifieke zorgkosten -/- € 410 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 23.671 2. De inspecteur heeft verzocht om informatie. Naar aanleiding van de ontvangen informatie is de aftrek van de specifieke zorgkosten hoger vastgesteld. Het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens het verzamelinkomen, is in de aanslag met dagtekening 10 november 2020 als volgt vastgesteld: Inkomen uit vroegere arbeid € 24.081 Af: aftrek specifieke zorgkosten -/- € 2.478 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 21.603 3. Erflaatster heeft op 24 februari 2021 een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar is door de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 4 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het buiten de termijn is ingediend. De inspecteur heeft het bezwaarschrift ook aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering en heeft dit verzoek afgewezen. 4. Op 25 mei 2025 is erflaatster overleden. [persoon D] heeft de procedure van erflaatster (namens de erven-belanghebbenden) voortgezet Beoordeling door de rechtbank Verzoeken om de zitting uit te stellen 5. [persoon D] heeft bij brieven van 15 januari 2026, 22 januari 2026, 23 januari 2026, 29 januari 2026 en 4 februari 2026 om uitstel voor de zitting verzocht. 6. De rechtbank heeft de verzoeken afgewezen, omdat het belang van een doelmatige voortgang van de procedures zwaarder weegt dan de belangen van [persoon D] bij toewijzing van het verzoek. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat [persoon D] desgevraagd niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van medische redenen op grond waarvan [persoon D] niet in staat was om de zitting op 27 februari 2026 bij te wonen. Verder is het zo dat de inleidende beroepschriften van twee van de drie procedures dateren van 2021. [persoon D] heeft reeds diverse malen om uitstel verzocht, welke uitstelverzoeken telkens zijn toegewezen. Indien de rechtbank uitstelverzoeken zou blijven inwilligen, zou geen einde komen aan deze procedures. De redelijke termijn is reeds jarenlang overschreden en daarmee komt de behoorlijke procesorde in het geding. [persoon D] heeft voorts aangevoerd dat hem met de afwijzing van de uitstelverzoeken de kans wordt ontnomen een toelichting te geven dat de inspecteur is uitgegaan van onjuiste (drempel)bedragen voor de aftrek van specifieke zorgkosten. De rechtbank is van oordeel dat [persoon D] in de afgelopen jaren ruimschoots in de gelegenheid is geweest om deze toelichting te geven. Bovendien had die toelichting eenvoudig schriftelijk gegeven kunnen worden. Geschil 5. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank beoordeelt niet of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen. 6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Afwijzing verzoek artikel 9.6 van de Wet IB 2001 7. De uitspraak op bezwaar bevat een afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering (artikel 9.6 van de Wet IB 2001). Tijdens de zitting heeft de inspecteur verklaard dat de brief van 2 juni 2021 is opgevat als een bezwaar hiertegen en dat de inspecteur uitspraak op dat bezwaar heeft gedaan op 27 september 2021. Volgens de inspecteur hebben belanghebbenden daartegen geen beroep ingesteld. Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard? 8. [persoon D] heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar wel ontvankelijk is vanwege een verschoonbare termijnoverschrijding. 8. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat erflaatster terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het bezwaar buiten de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen zonder dat sprake is van verschoonbaarheid. 9. De bezwaartermijn bedraagt zes weken. De termijn begint te lopen op de dag na de dagtekening van de aanslag. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard wanneer het bezwaarschrift na afloop van de termijn is ingediend, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 10. Gelet op de dagtekening van de aanslag (10 november 2020) eindigde de bezwaartermijn op 23 december 2020. Het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2017, dat is ontvangen op 24 februari 2021, is dus niet tijdig ingediend. 11. [persoon D] heeft geen reden gegeven waarom erflaatster te laat bezwaar heeft gemaakt. Dat betekent dat de rechtbank geen grond ziet voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Immateriële schadevergoeding 12. [persoon D] heeft bij brief van 16 april 2025 verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 13. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding. De inspecteur heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank op dit punt. 14. De rechtbank gaat bij de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn uit van de ontvangst van het oudste bezwaarschrift in de gezamenlijk behandelde zaken.