Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-24
ECLI:NL:RBGEL:2026:3348
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,067 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3348 text/xml public 2026-04-29T15:00:16 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-24 05.109878.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3348 text/html public 2026-04-28T10:58:26 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3348 Rechtbank Gelderland , 24-04-2026 / 05.109878.25 De rechtbank veroordeelt een 76-jarige man uit Hoek van Holland voor het verduisteren bijna 3 ton. Dit deed hij in zijn functie als penningmeester van een stichting in Tiel. Hij krijgt een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Daarbij moet de man een taakstraf van 240 uur verrichten. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05-109878-25 Datum uitspraak : 24 april 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1950 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] in [woonplaats] , raadsman: mr. F.W. Verweij, advocaat in Utrecht. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 7 augustus 2024 te Tiel en/of [woonplaats] en/of ’s-Gravenzande en/of Kerk Avezaath en/of Dordrecht en/of Elst en/of Breukelen en/of Rumpt en/of ’s-Hertogenbosch en/of Hoorn en/of Bussum, althans in Nederland en/of Spanje opzettelijk 293.477,27 euro, althans een geldbedrag, althans enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [stichting] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten penningmeester, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens [stichting] , d.d. 24 december 2024, p. 6-8 (met diverse bijlagen waaronder bankafschriften, p. 10-124); - het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 april 2025, p. 187-197; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 april 2026. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat: hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 7 augustus 2024 te Tiel en /of [woonplaats] en /of ’s-Gravenzande en /of Kerk Avezaath en /of Dordrecht en /of Elst en /of Breukelen en /of Rumpt en /of ’s-Hertogenbosch en /of Hoorn en /of Bussum, althans in Nederland en /of Spanje opzettelijk 293.477,27 euro, althans een geldbedrag, althans enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [stichting] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten penningmeester, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie vindt een taakstraf niet passend en ziet – ondanks de persoonlijke omstandigheden van verdachte – geen reden om van de richtlijnen af te wijken. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat een gevangenisstraf niet passend is gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daartoe is ook nog aangevoerd dat een gevangenisstraf betekent dat verdachte zijn baan zal verliezen en daardoor niet meer in staat zal zijn om zijn schuld terug te betalen. Als het inkomen van verdachte wegvalt, zal de partner van verdachte de huur niet kunnen betalen en dakloos worden. Hoewel het een lange periode en een groot bedrag betreft, staan die gevolgen niet in verhouding tot de ernst van het feit. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan verduistering tijdens zijn werkzaamheden als penningmeester voor de [stichting] . Hij heeft gedurende een periode van ruim vijf jaar bijna 3 ton weggenomen van de stichting waar hij als vrijwilliger penningmeester voor was, enkel en alleen om zichzelf te verrijken. Daarbij heeft hij op geen enkele wijze oog gehad voor de (financiële) gevolgen daarvan voor de stichting. Pas toen aan het licht kwam dat het geld van de stichting bijna op was en de stichting besloot verdachte uit zijn functie te ontheffen, heeft verdachte besloten zichzelf aan te geven bij de politie. Door op deze manier te handelen heeft hij de stichting ernstig benadeeld en het door de stichting in hem gestelde vertrouwen op grove wijze geschonden. Dit rekent de rechtbank hem aan. Uit het strafblad van verdachte van 17 maart 2026 blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 18 maart 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet in staat bleek om zelfstandig zijn gedrag te stoppen, terwijl hij zich er van bewust van was dat hij strafbaar bezig was en dat hij uiteindelijk gepakt zou worden. Hij negeerde deze situatie, wat wijst op een vermijdende copingstijl. Verdachte lijkt over het algemeen echter goed te functioneren en hij is ook niet eerder met justitie in aanraking gekomen. Beschermend is dat zijn sociale netwerk inmiddels op de hoogte is van het delict. Verder heeft zijn vrouw de financiën overgenomen. De reclassering vindt gelet op het lage recidiverisico interventies of toezicht niet nodig. Een gevangenisstraf zal zijn mogelijkheid om het geld terug te betalen beperken, omdat verdachte dan zijn werk kwijt zal raken. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, maar ook naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de pensioengerechtigde leeftijd ruimschoots bereikt. Hij werkt nog om zijn schuld, voor zover mogelijk, te kunnen terugbetalen. Sinds een aantal maanden maakt hij hiertoe maandelijks een bedrag over naar de stichting. Een gevangenisstraf zou betekenen dat hij zijn baan verliest en hij deze schuld niet verder kan afbetalen. De rechtbank is daarom van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. Wel moet verdachte volgens de rechtbank een ferme waarschuwing krijgen in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf. De rechtbank zal aan verdachte dan ook een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3348 text/xml public 2026-04-29T15:00:16 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-24 05.109878.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3348 text/html public 2026-04-28T10:58:26 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3348 Rechtbank Gelderland , 24-04-2026 / 05.109878.25 De rechtbank veroordeelt een 76-jarige man uit Hoek van Holland voor het verduisteren bijna 3 ton. Dit deed hij in zijn functie als penningmeester van een stichting in Tiel. Hij krijgt een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Daarbij moet de man een taakstraf van 240 uur verrichten. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05-109878-25 Datum uitspraak : 24 april 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1950 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] in [woonplaats] , raadsman: mr. F.W. Verweij, advocaat in Utrecht. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 7 augustus 2024 te Tiel en/of [woonplaats] en/of ’s-Gravenzande en/of Kerk Avezaath en/of Dordrecht en/of Elst en/of Breukelen en/of Rumpt en/of ’s-Hertogenbosch en/of Hoorn en/of Bussum, althans in Nederland en/of Spanje opzettelijk 293.477,27 euro, althans een geldbedrag, althans enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [stichting] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten penningmeester, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens [stichting] , d.d. 24 december 2024, p. 6-8 (met diverse bijlagen waaronder bankafschriften, p. 10-124); - het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 april 2025, p. 187-197; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 april 2026. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat: hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 7 augustus 2024 te Tiel en /of [woonplaats] en /of ’s-Gravenzande en /of Kerk Avezaath en /of Dordrecht en /of Elst en /of Breukelen en /of Rumpt en /of ’s-Hertogenbosch en /of Hoorn en /of Bussum, althans in Nederland en /of Spanje opzettelijk 293.477,27 euro, althans een geldbedrag, althans enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [stichting] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten penningmeester, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie vindt een taakstraf niet passend en ziet – ondanks de persoonlijke omstandigheden van verdachte – geen reden om van de richtlijnen af te wijken. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat een gevangenisstraf niet passend is gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daartoe is ook nog aangevoerd dat een gevangenisstraf betekent dat verdachte zijn baan zal verliezen en daardoor niet meer in staat zal zijn om zijn schuld terug te betalen. Als het inkomen van verdachte wegvalt, zal de partner van verdachte de huur niet kunnen betalen en dakloos worden. Hoewel het een lange periode en een groot bedrag betreft, staan die gevolgen niet in verhouding tot de ernst van het feit. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan verduistering tijdens zijn werkzaamheden als penningmeester voor de [stichting] . Hij heeft gedurende een periode van ruim vijf jaar bijna 3 ton weggenomen van de stichting waar hij als vrijwilliger penningmeester voor was, enkel en alleen om zichzelf te verrijken. Daarbij heeft hij op geen enkele wijze oog gehad voor de (financiële) gevolgen daarvan voor de stichting. Pas toen aan het licht kwam dat het geld van de stichting bijna op was en de stichting besloot verdachte uit zijn functie te ontheffen, heeft verdachte besloten zichzelf aan te geven bij de politie. Door op deze manier te handelen heeft hij de stichting ernstig benadeeld en het door de stichting in hem gestelde vertrouwen op grove wijze geschonden. Dit rekent de rechtbank hem aan. Uit het strafblad van verdachte van 17 maart 2026 blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 18 maart 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet in staat bleek om zelfstandig zijn gedrag te stoppen, terwijl hij zich er van bewust van was dat hij strafbaar bezig was en dat hij uiteindelijk gepakt zou worden. Hij negeerde deze situatie, wat wijst op een vermijdende copingstijl. Verdachte lijkt over het algemeen echter goed te functioneren en hij is ook niet eerder met justitie in aanraking gekomen. Beschermend is dat zijn sociale netwerk inmiddels op de hoogte is van het delict. Verder heeft zijn vrouw de financiën overgenomen. De reclassering vindt gelet op het lage recidiverisico interventies of toezicht niet nodig. Een gevangenisstraf zal zijn mogelijkheid om het geld terug te betalen beperken, omdat verdachte dan zijn werk kwijt zal raken. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, maar ook naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de pensioengerechtigde leeftijd ruimschoots bereikt. Hij werkt nog om zijn schuld, voor zover mogelijk, te kunnen terugbetalen. Sinds een aantal maanden maakt hij hiertoe maandelijks een bedrag over naar de stichting. Een gevangenisstraf zou betekenen dat hij zijn baan verliest en hij deze schuld niet verder kan afbetalen. De rechtbank is daarom van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. Wel moet verdachte volgens de rechtbank een ferme waarschuwing krijgen in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf. De rechtbank zal aan verdachte dan ook een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.