Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-28
ECLI:NL:RBGEL:2026:3332
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,591 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3332 text/xml public 2026-05-01T17:00:09 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-28 ARN 25/2321 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3332 text/html public 2026-04-29T09:31:35 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3332 Rechtbank Gelderland , 28-04-2026 / ARN 25/2321 Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een aan eiser opgelegde last onder dwangsom in te trekken maar het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een aan het college te wijten onrechtmatigheid, zodat het college het verzoek om proceskostenvergoeding terecht heeft afgewezen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/2321 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats 1], eiser (gemachtigde: mr. J. Wassink), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (gemachtigde: mr. H. Kuhnen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een aan eiser opgelegde last onder dwangsom in te trekken maar het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de proceskostenvergoeding. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 17 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college de dwangsombeschikking herroepen maar het verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Totstandkoming van het besluit 3. Op 1 mei 2024 hebben toezichthouders van de afdeling Stadsrealisatie en de afdeling Toezicht en Handhaving, beiden belast met de handhaving, een controle uitgevoerd op de locatie [locatie 1] te [plaats 2]. Naar aanleiding van de geconstateerde kamergewijze bewoning van het pand heeft het college per brief van 6 mei 2024 aan eiser het voornemen om handhavend op te treden bekendgemaakt. Op 23 mei 2024 heeft het college aan eiser verzocht om documenten aan te leveren die aantonen dat de kamerverhuur op de [locatie 1] valt onder het overgangsrecht. Op 27 juni 2024 heeft het college eiser nogmaals verzocht om de opgevraagde documenten aan te leveren. 3.1. Op 21 november 2024 heeft het college besloten een last onder dwangsom op te leggen, omdat toezichthouders hebben geconstateerd dat het pand kamergewijs wordt bewoond. Deze woonvorm is in strijd met het geldende omgevingsplan ‘gemeente Nijmegen’. In de lastomschrijving staat dat de kamergewijze bewoning volledig moet worden gestaakt. 3.2. Eiser heeft tegen de last onder dwangsom bezwaar ingediend. Op 19 februari 2025 heeft er in het kader van het bezwaar een hoorzitting plaatsgevonden, vervolgens heeft eiser op 10 maart 2025 aanvullende stukken aan het college gestuurd. Met deze stukken - 5 huurovereenkomsten en bankafschriften - heeft eiser volgens het college alsnog aangetoond dat de woning met het adres [locatie 1] ten tijde van de peildatum van, 7 oktober 2021, aan 5 personen kamergewijs werd verhuurd. 3.3. Op 17 april 2025 heeft het college het bezwaar van eiser daarom gegrond verklaard en de dwangsombeschikking van 21 november 2024 herroepen. Het verzoek om vergoeding van proceskosten wijst het college wel af: volgens het college is de herroeping niet te wijten aan een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 3.4. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Eiser stelt dat het college hem onterecht niet heeft vergoed in de kosten van de bezwaarprocedure en de geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van het college. Beoordeling door de rechtbank Procesbelang 4. Eiser stelt dat het college hem ten onrechte niet heeft vergoed voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen van het college. Eiser stelt verder dat hij procesbelang heeft bij deze procedure met het oog op eventuele toekomstige geschillen. Volgens eiser zijn voor kamergewijze bewoning van het pand vergunningen en toestemmingen aanwezig, terwijl het college ten onrechte stelt dat alleen sprake is van een situatie die is toegestaan onder het overgangsrecht. 4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) levert het niet inwilligen van een verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar niet een zelfstandig procesbelang op. Wel geldt hierop de volgende uitzondering. Mede in verband met het ontbreken van een bepaling als artikel 8:75a van de Awb voor de bezwaarfase, moet nog steeds procesbelang aanwezig worden geacht als het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. De rechterlijke beoordeling blijft dan in beginsel beperkt tot de gegeven beslissing over de bezwaarkosten als zodanig. 4.2. De rechtbank stelt vast dat in dit geval het college het primaire besluit van 21 november 2024, inhoudende een dwangsombeschikking, in bezwaar heeft herroepen met het besluit van 17 april 2025. Met dit besluit heeft het college tevens het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen. Daarmee is de uitzonderingssituatie van toepassing, wat betekent dat sprake is van procesbelang. Omdat de rechtbank het procesbelang reeds om deze reden aanneemt, gaat zij niet verder in op de vraag of de gronden met betrekking tot de onderliggende motivering van het besluit, dan wel de gestelde schade als gevolg van het besluit, ook procesbelang opleveren. Is de gevraagde kostenvergoeding terecht afgewezen? 5. De vraag die voorligt is of het college de gevraagde proceskostenvergoeding terecht heeft afgewezen. Daarbij geldt dat de proceskosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende en voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In deze zaak is de vraag of sprake is van een herroeping wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 5.1. Eiser stelt dat de last is herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid, omdat het gebruik van het pand voor kamerverhuur in het verleden is vergund en hij dit heeft aangetoond. Uit een vergunning uit 1980 en een daaropvolgende goedkeuring uit 2005 blijkt volgens eiser dat de [locatie 1] (evenals het pand [locatie 2]) kamergewijs werd verhuurd en bewoond, met een vergunning als basis. Als vergunningverlener had het college dat moeten weten en mocht het geen last opleggen. Nadat eiser dit heeft aangetoond, heeft het college de last ingetrokken. Daarmee is de intrekking het gevolg van een aan het college te wijten onrechtmatigheid en heeft hij recht op vergoeding van de kosten in bezwaar. 5.2. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de last is ingetrokken omdat eiser op 10 maart 2025 aanvullende stukken aan het college heeft gestuurd.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3332 text/xml public 2026-05-01T17:00:09 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-28 ARN 25/2321 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3332 text/html public 2026-04-29T09:31:35 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3332 Rechtbank Gelderland , 28-04-2026 / ARN 25/2321 Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een aan eiser opgelegde last onder dwangsom in te trekken maar het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een aan het college te wijten onrechtmatigheid, zodat het college het verzoek om proceskostenvergoeding terecht heeft afgewezen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/2321 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats 1], eiser (gemachtigde: mr. J. Wassink), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (gemachtigde: mr. H. Kuhnen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een aan eiser opgelegde last onder dwangsom in te trekken maar het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de proceskostenvergoeding. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 17 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college de dwangsombeschikking herroepen maar het verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Totstandkoming van het besluit 3. Op 1 mei 2024 hebben toezichthouders van de afdeling Stadsrealisatie en de afdeling Toezicht en Handhaving, beiden belast met de handhaving, een controle uitgevoerd op de locatie [locatie 1] te [plaats 2]. Naar aanleiding van de geconstateerde kamergewijze bewoning van het pand heeft het college per brief van 6 mei 2024 aan eiser het voornemen om handhavend op te treden bekendgemaakt. Op 23 mei 2024 heeft het college aan eiser verzocht om documenten aan te leveren die aantonen dat de kamerverhuur op de [locatie 1] valt onder het overgangsrecht. Op 27 juni 2024 heeft het college eiser nogmaals verzocht om de opgevraagde documenten aan te leveren. 3.1. Op 21 november 2024 heeft het college besloten een last onder dwangsom op te leggen, omdat toezichthouders hebben geconstateerd dat het pand kamergewijs wordt bewoond. Deze woonvorm is in strijd met het geldende omgevingsplan ‘gemeente Nijmegen’. In de lastomschrijving staat dat de kamergewijze bewoning volledig moet worden gestaakt. 3.2. Eiser heeft tegen de last onder dwangsom bezwaar ingediend. Op 19 februari 2025 heeft er in het kader van het bezwaar een hoorzitting plaatsgevonden, vervolgens heeft eiser op 10 maart 2025 aanvullende stukken aan het college gestuurd. Met deze stukken - 5 huurovereenkomsten en bankafschriften - heeft eiser volgens het college alsnog aangetoond dat de woning met het adres [locatie 1] ten tijde van de peildatum van, 7 oktober 2021, aan 5 personen kamergewijs werd verhuurd. 3.3. Op 17 april 2025 heeft het college het bezwaar van eiser daarom gegrond verklaard en de dwangsombeschikking van 21 november 2024 herroepen. Het verzoek om vergoeding van proceskosten wijst het college wel af: volgens het college is de herroeping niet te wijten aan een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 3.4. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Eiser stelt dat het college hem onterecht niet heeft vergoed in de kosten van de bezwaarprocedure en de geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van het college. Beoordeling door de rechtbank Procesbelang 4. Eiser stelt dat het college hem ten onrechte niet heeft vergoed voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen van het college. Eiser stelt verder dat hij procesbelang heeft bij deze procedure met het oog op eventuele toekomstige geschillen. Volgens eiser zijn voor kamergewijze bewoning van het pand vergunningen en toestemmingen aanwezig, terwijl het college ten onrechte stelt dat alleen sprake is van een situatie die is toegestaan onder het overgangsrecht. 4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) levert het niet inwilligen van een verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar niet een zelfstandig procesbelang op. Wel geldt hierop de volgende uitzondering. Mede in verband met het ontbreken van een bepaling als artikel 8:75a van de Awb voor de bezwaarfase, moet nog steeds procesbelang aanwezig worden geacht als het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. De rechterlijke beoordeling blijft dan in beginsel beperkt tot de gegeven beslissing over de bezwaarkosten als zodanig. 4.2. De rechtbank stelt vast dat in dit geval het college het primaire besluit van 21 november 2024, inhoudende een dwangsombeschikking, in bezwaar heeft herroepen met het besluit van 17 april 2025. Met dit besluit heeft het college tevens het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen. Daarmee is de uitzonderingssituatie van toepassing, wat betekent dat sprake is van procesbelang. Omdat de rechtbank het procesbelang reeds om deze reden aanneemt, gaat zij niet verder in op de vraag of de gronden met betrekking tot de onderliggende motivering van het besluit, dan wel de gestelde schade als gevolg van het besluit, ook procesbelang opleveren. Is de gevraagde kostenvergoeding terecht afgewezen? 5. De vraag die voorligt is of het college de gevraagde proceskostenvergoeding terecht heeft afgewezen. Daarbij geldt dat de proceskosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende en voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In deze zaak is de vraag of sprake is van een herroeping wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 5.1. Eiser stelt dat de last is herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid, omdat het gebruik van het pand voor kamerverhuur in het verleden is vergund en hij dit heeft aangetoond. Uit een vergunning uit 1980 en een daaropvolgende goedkeuring uit 2005 blijkt volgens eiser dat de [locatie 1] (evenals het pand [locatie 2]) kamergewijs werd verhuurd en bewoond, met een vergunning als basis. Als vergunningverlener had het college dat moeten weten en mocht het geen last opleggen. Nadat eiser dit heeft aangetoond, heeft het college de last ingetrokken. Daarmee is de intrekking het gevolg van een aan het college te wijten onrechtmatigheid en heeft hij recht op vergoeding van de kosten in bezwaar. 5.2. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de last is ingetrokken omdat eiser op 10 maart 2025 aanvullende stukken aan het college heeft gestuurd.
Volledig
Met deze stukken - vijf huurovereenkomsten en bankafschriften - heeft eiser volgens het college alsnog aangetoond dat de woning aan de [locatie 1] ten tijde van de peildatum van 7 oktober 2021 aan vijf personen kamergewijs werd verhuurd. Het college heeft de last onder dwangsom daarom ingetrokken. Daarmee is geen sprake van intrekking op grond van een aan het college te wijten onrechtmatigheid. Eiser heeft immers pas in bezwaar aangetoond dat hij onder het overgangsrecht viel. De stelling van eiser dat dit niet nodig was, omdat hij al over een vergunning beschikte en het college dat ook behoorde te weten, volgt de rechtbank niet. De door eiser overgelegde vergunning heeft betrekking op [locatie 2] en kan derhalve niet dienen als bewijs voor legaal gebruik van [locatie 1]. Eiser heeft daarmee niet aangetoond dat voor [locatie 1] een soortgelijke vergunning krachtens de Nijmeegse Verblijfsgebouwenverordening is verleend als voor het pand aan de [locatie 2]. Hetzelfde geldt voor de overgelegde verklaring van de Kamer van Koophandel van 14 augustus 1978; ook deze heeft betrekking op [locatie 2]. Ten aanzien van de goedkeuring uit 2005, waarin staat dat het pand met nummer 17 destijds is gecontroleerd en ‘goedgekeurd als kamerverhuurpand’, geldt dat in deze brief nergens het aantal kamers of bewoners wordt genoemd. Daarnaast dateert de brief van 2 september 2005, ruim vijftien jaar vóór de peildatum. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de benodigde documenten om het bestaande gebruik vast te stellen (de huurovereenkomsten en bankafschriften) pas na meerdere verzoeken van het college in de bezwaarfase heeft overgelegd. Deze documenten waren klaarblijkelijk reeds in het bezit van eiser. Indien eiser deze documenten eerder had overgelegd, was er geen aanleiding geweest voor het college om een dwangsombeschikking op te leggen. Er is daarom geen sprake van aan het college te wijten onrechtmatigheid, zodat het college het verzoek om proceskostenvergoeding terecht heeft afgewezen. Misbruik van bevoegdheid 6. De rechtbank ziet aanleiding om ook in te gaan op de beroepsgrond van eiser dat het college misbruik maakt van zijn bevoegdheid. 6.1. Eiser stelt dat het college probeert hem te intimideren en kamergewijze bewoning van zijn panden onmogelijk te maken. Zo zouden er veel controles worden uitgevoerd, waarbij de bewoners expliciet te kennen is gegeven dat sprake is van een illegale situatie. Ook ontvangen de bewoners regelmatig ongedateerde brieven van het college, waarin zij worden ‘uitgelokt’ om melding te doen van het aantal bewoners. Eiser beschouwt deze brieven als intimidatie richting zijn bewoners en hemzelf. Daarnaast zou de brandweer veelvuldig ter plaatse komen zonder voorafgaand overleg met eiser. 6.2. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken van misbruik van bevoegdheid door het college. Het college heeft toegelicht dat de brieven waar eiser naar verwijst standaardbrieven zijn die worden verstuurd op het moment dat een nieuwe inschrijving op een adres plaatsvindt. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het bijhouden van de Basisregistratie Personen (BRP). Het doel van deze standaardbrieven is om eventuele foutieve inschrijvingen te signaleren en zo nodig te corrigeren. Dit duidt niet op intimidatie. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom de uitgevoerde controles door toezichthouders en de brandweer bedoeld zouden zijn om hem of de bewoners van de [locatie 1] te intimideren. [locatie 2] 7. Ten aanzien van de beroepsgronden die zien op de handhaving met betrekking tot het pand aan de [locatie 2] merkt de rechtbank op dat in deze zaak uitsluitend de beoordeling van het besluit van 17 april 2025 voorligt, dat betrekking heeft op het pand aan de [locatie 1]. De rechtbank laat deze gronden daarom buiten beschouwing. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het verzoek om proceskostenvergoeding terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet in samenhang met voorschrift 4.1 van het ‘Facetbestemmingsplan Kamerverhuur’. ECLI:NL:RVS:2024:2323. Als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
Volledig
Met deze stukken - vijf huurovereenkomsten en bankafschriften - heeft eiser volgens het college alsnog aangetoond dat de woning aan de [locatie 1] ten tijde van de peildatum van 7 oktober 2021 aan vijf personen kamergewijs werd verhuurd. Het college heeft de last onder dwangsom daarom ingetrokken. Daarmee is geen sprake van intrekking op grond van een aan het college te wijten onrechtmatigheid. Eiser heeft immers pas in bezwaar aangetoond dat hij onder het overgangsrecht viel. De stelling van eiser dat dit niet nodig was, omdat hij al over een vergunning beschikte en het college dat ook behoorde te weten, volgt de rechtbank niet. De door eiser overgelegde vergunning heeft betrekking op [locatie 2] en kan derhalve niet dienen als bewijs voor legaal gebruik van [locatie 1]. Eiser heeft daarmee niet aangetoond dat voor [locatie 1] een soortgelijke vergunning krachtens de Nijmeegse Verblijfsgebouwenverordening is verleend als voor het pand aan de [locatie 2]. Hetzelfde geldt voor de overgelegde verklaring van de Kamer van Koophandel van 14 augustus 1978; ook deze heeft betrekking op [locatie 2]. Ten aanzien van de goedkeuring uit 2005, waarin staat dat het pand met nummer 17 destijds is gecontroleerd en ‘goedgekeurd als kamerverhuurpand’, geldt dat in deze brief nergens het aantal kamers of bewoners wordt genoemd. Daarnaast dateert de brief van 2 september 2005, ruim vijftien jaar vóór de peildatum. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de benodigde documenten om het bestaande gebruik vast te stellen (de huurovereenkomsten en bankafschriften) pas na meerdere verzoeken van het college in de bezwaarfase heeft overgelegd. Deze documenten waren klaarblijkelijk reeds in het bezit van eiser. Indien eiser deze documenten eerder had overgelegd, was er geen aanleiding geweest voor het college om een dwangsombeschikking op te leggen. Er is daarom geen sprake van aan het college te wijten onrechtmatigheid, zodat het college het verzoek om proceskostenvergoeding terecht heeft afgewezen. Misbruik van bevoegdheid 6. De rechtbank ziet aanleiding om ook in te gaan op de beroepsgrond van eiser dat het college misbruik maakt van zijn bevoegdheid. 6.1. Eiser stelt dat het college probeert hem te intimideren en kamergewijze bewoning van zijn panden onmogelijk te maken. Zo zouden er veel controles worden uitgevoerd, waarbij de bewoners expliciet te kennen is gegeven dat sprake is van een illegale situatie. Ook ontvangen de bewoners regelmatig ongedateerde brieven van het college, waarin zij worden ‘uitgelokt’ om melding te doen van het aantal bewoners. Eiser beschouwt deze brieven als intimidatie richting zijn bewoners en hemzelf. Daarnaast zou de brandweer veelvuldig ter plaatse komen zonder voorafgaand overleg met eiser. 6.2. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken van misbruik van bevoegdheid door het college. Het college heeft toegelicht dat de brieven waar eiser naar verwijst standaardbrieven zijn die worden verstuurd op het moment dat een nieuwe inschrijving op een adres plaatsvindt. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het bijhouden van de Basisregistratie Personen (BRP). Het doel van deze standaardbrieven is om eventuele foutieve inschrijvingen te signaleren en zo nodig te corrigeren. Dit duidt niet op intimidatie. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom de uitgevoerde controles door toezichthouders en de brandweer bedoeld zouden zijn om hem of de bewoners van de [locatie 1] te intimideren. [locatie 2] 7. Ten aanzien van de beroepsgronden die zien op de handhaving met betrekking tot het pand aan de [locatie 2] merkt de rechtbank op dat in deze zaak uitsluitend de beoordeling van het besluit van 17 april 2025 voorligt, dat betrekking heeft op het pand aan de [locatie 1]. De rechtbank laat deze gronden daarom buiten beschouwing. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het verzoek om proceskostenvergoeding terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet in samenhang met voorschrift 4.1 van het ‘Facetbestemmingsplan Kamerverhuur’. ECLI:NL:RVS:2024:2323. Als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.