Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-14
ECLI:NL:RBGEL:2026:330
RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/454832 / HZ ZA 25-199 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] ., te [vestigingsplaats] ,2. [eiser 2] , te [vestigingsplaats] ,3. [eiser 3] , te [woonplaats] , eisende partijen, advocaat: mr. A. Hofman. Eisers worden hierna samen [gezamenlijke eisers] genoemd en afzonderlijk [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] . tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. R.P.C. Smit. 1 De zaak in het kort [eiser 1] heeft zich garant gesteld voor vorderingen van schuldeisers van het bouwbedrijf en de holding van [gedaagde] . [eiser 2] heeft bedragen overgemaakt op de bankrekening van de holding van [gedaagde] . [eiser 3] heeft een bedrag geleend aan de holding van [gedaagde] . [gezamenlijke eisers] vordert betaling van deze bedragen door [gedaagde] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. [gedaagde] ontkent dat hij als bestuurder aansprakelijk is voor de vorderingen van [gezamenlijke eisers] In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] niet als bestuurder aansprakelijk kan worden gehouden voor de vorderingen. De vorderingen van [gezamenlijke eisers] worden afgewezen. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 1 oktober 2025 - de akte uitlating van [gezamenlijke eisers] - de antwoordakte van [gedaagde] - de akte vermeerdering eis - de akte overlegging producties van [gedaagde] - de producties 22 tot en met 26 van [gezamenlijke eisers] - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 december 2025- de spreekaantekeningen van [gezamenlijke eisers] - de spreekaantekeningen van [gedaagde] . 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [gedaagde] is de bestuurder van [naam holding] (hierna: [naam holding] ). Deze vennootschap was de bestuurder van [naam bouwbedrijf] (hierna: [naam bouwbedrijf] ) 3.2. De heer [naam bestuurder] is (indirect) bestuurder van [eiser 1] en van [eiser 2] . 3.3. De ondernemingen van [naam bestuurder] en [gedaagde] hebben veel samengewerkt. 3.4. [eiser 3] was in 2022 als uitzendkracht werkzaam bij [naam bouwbedrijf] . Op 21 februari 2022 heeft [eiser 3] een bedrag van € 50.000,00 geleend aan [naam holding] . De afspraken zijn vastgelegd in een leenovereenkomst tussen [eiser 3] en [naam holding] (productie 8 van [gezamenlijke eisers] ). 3.5. [naam 1] was als administratief medewerker werkzaam bij onder meer [naam bouwbedrijf] en bij Samen Sterk Uitzendwerk B.V. (hierna: Samen Sterk), van welke vennootschap [gedaagde] indirect bestuurder was. Op 2 augustus 2024 hebben [naam 1] en Samen Sterk een overeenkomst van geldlening gesloten, uit hoofde waarvan door [naam 1] een bedrag van € 35.000,00 aan Samen Sterk is geleend (productie 16 van [naam bestuurder] ). Samen Sterk heeft op deze geldlening een bedrag van € 15.000,00 afgelost. Op 3 december 2024 is Samen Sterk failliet verklaard. 3.6. Op 11 september 2024 heeft [naam 2] een bedrag van € 40.000,00 geleend aan [naam holding] . Op verzoek van [naam holding] is het bedrag van de geldlening overgemaakt naar een bankrekening op naam van [naam 3] , de onroerend goed vennootschap van [gedaagde] . [eiser 1] heeft zich garant gesteld voor de terugbetaling van het bedrag van de geldlening. De afspraken zijn vastgelegd in een garantstellingsovereenkomst van 23 december 2024 tussen [naam 2] , [naam holding] en [eiser 1] (productie 13 van [gezamenlijke eisers] ). 3.7. Bij e-mailbericht van 4 november 2024 aan [gedaagde] heeft [eiser 3] de vordering uit hoofde van de geldlening (zie hiervoor onder 3.4.) opgeëist en verzocht het volledige bedrag van € 50.000,00 voor 1 december 2024 te betalen (productie 9 van [gezamenlijke eisers] ). Op 29 november 2024 heeft [naam holding] een bedrag van € 5.000,00 betaald. Het restant is onbetaald gebleven. 3.8. Omdat een leverancier van [naam bouwbedrijf] , de Drentse Bouwmaterialenhandel Concordia B.V. (hierna: Concordia), had aangeven geen leveranties Op grond van artikel 2:11 BW is [gedaagde] eveneens aansprakelijk voor de door [gezamenlijke eisers] geleden schade. Ten aanzien van de geldlening van [naam 1] wist [gedaagde] als (indirect) bestuurder of had hij moeten begrijpen dat Samen Sterk niet in staat zou zijn om de geldlening af te lossen en geen verhaal zou bieden voor de vordering. [gedaagde] kan hiervan persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. 4.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gezamenlijke eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gezamenlijke eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [naam bestuurder] c.s. in de kosten van deze procedure. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling Uitgangspunt 5.1. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Aansprakelijkheid van de bestuurder kan onder meer worden aangenomen indien deze bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (zie Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 Ontvanger/Roelofsen). 5.2. Indien de bestuurder die aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad, een rechtspersoon-bestuurder is, rust de aansprakelijkheid ook hoofdelijk op ieder die bestuurder is van die rechtspersoon-bestuurder op het tijdstip van het ontstaan van de aansprakelijkheid (artikel 2:11 BW). 5.3. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [gezamenlijke eisers] , als degene die zich op de rechtsgevolgen beroept van het door haar gestelde onrechtmatig handelen van [naam holding] en [gedaagde] , de last om de feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, die tot de conclusie kunnen leiden dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Geen aansprakelijkheid van [gedaagde] 5.4. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen [gezamenlijke eisers] in deze procedure heeft gesteld onvoldoende is om te komen tot de conclusie dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken, op grond waarvan naast een eventuele aansprakelijkheid van [naam holding] , [naam bouwbedrijf] en/of Samen Sterk – de (contracts)partijen ten behoeve waarvan de gelden zijn verstrekt – ook sprake is van aansprakelijkheid van [gedaagde] als (indirect) bestuurder. Dit wordt hierna toegelicht. De vordering van [eiser 1] Garantstellingen vorderingen Concordia en [naam 2] 5.5. [eiser 1] verwijt [gedaagde] dat hij op het moment van de garantstellingen voor de vorderingen van Concordia en [naam 2] wist of had moeten weten dat [naam holding] haar verplichtingen jegens Concordia en [naam 2] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst, en (dus) ook jegens [eiser 1] als garantsteller, niet zou kunnen nakomen. Volgens [eiser 1] heeft [gedaagde] haar misleid dan wel onzorgvuldig geïnformeerd over de levensvatbaarheid van [naam bouwbedrijf] . [eiser 1] stelt dat zij haar beslissing om zich garant te stellen heeft gebaseerd op de meerjarenbegroting 2025-2026 v Dit geldt ook ten aanzien van de stelling van [eiser 1] dat [gedaagde] haar niet heeft geïnformeerd dat de vordering van [naam bouwbedrijf] op [naam 3] als oninbaar had te gelden omdat [naam 3] op omvallen stond vanwege een forse schuld aan (het begin december gefailleerde) Samen Sterk. [gedaagde] voert aan dat [eiser 1] op de hoogte was van deze schuld en verwijst daarbij naar een e-mailbericht van accountant Frank Hop aan [naam bestuurder] van 26 november 2024 met als bijlage financiële stukken van Samen Sterk (productie 31 van [gedaagde] ). Volgens [gedaagde] blijkt uit die stukken op welke partijen Samen Sterk een vordering had. De bijlage is in deze procedure niet overgelegd door [gedaagde] , maar [eiser 1] heeft niet betwist dat daarin (ook) de vordering van Samen Sterk op [naam 3] is vermeld. Daarom moet worden aangenomen dat die vordering bekend was bij, althans kenbaar was voor [eiser 1] . [eiser 1] stelt verder dat [gedaagde] niet heeft medegedeeld dat de curator van Samen Sterk kort voor de garantstelling betaling had gevorderd bij [naam bouwbedrijf] van ruim € 60.000,00. [gedaagde] voert aan dat [eiser 1] op de hoogte was van het feit dat er nog een factuur van de curator zou aankomen en verwijst hierbij naar een e-mailbericht van [naam bestuurder] aan [gedaagde] van 16 december 2024, waarin [naam bestuurder] [gedaagde] vraagt om een aantal stukken aan te leveren, waaronder de “omzet die curator factureert vanaf 2 december-15 december 2024” (productie 33 van [gedaagde] ). Op 17 december 2024 heeft [naam 1] [naam bestuurder] bij e-mail de lijst gestuurd van de curator met de door Samen Sterk gefactureerde bedragen in december 2024, waaronder een vordering op [naam bouwbedrijf] van € 34.263,53 (productie 43 van [gedaagde] ). [gedaagde] voert aan dat de vorderingen van Samen Sterk op [naam bouwbedrijf] van vóór december 2024 ten bedrage van € 26.565,79 (de facturen van 20 en 27 november) al bekend waren bij [naam bestuurder] , omdat hij al een overzicht had van alle crediteuren van het bouwbedrijf over de periode tot december 2024. Dit is niet (voldoende) weersproken door [eiser 1] . Aangenomen wordt dan ook dat [eiser 1] bekend was met de vordering van de curator. 5.9. Uit de door [gedaagde] overgelegde e-mailcorrespondentie tussen [naam bestuurder] en [naam 2] (productie 37) blijkt dat [naam bestuurder] bezig was met een herstructurering van de bedrijven van [gedaagde] teneinde de financiële situatie van het bouwbedrijf te verbeteren. In het e-mailbericht van 11 december 2024 meldt [naam bestuurder] onder meer het volgende aan [naam 6] van [naam 2] : “ (...) Gezien Samen Sterk is omgevallen, waar mee deze nu los is gekipt conform jullie eisen van de overeenkomst kom ik uitsluitend de Samen Sterk faillissement af te handelen dat er geen besmetting ontstaat met het bouwbedrijf en de Holding, gezien deze feitelijk niet door de Rabobank is gefinancierd. Hiermee ben ik bezig een aantal korte termijn crediteuren op lang te zetten waarmee de onderneming door bank / of door jullie kan worden geherfinancierd, waarmee de crediteuren en debiteuren in de pas gaan lopen en de winsten vrijvallen om de leningen en afspraken na te komen. De afspraken die we vanmorgen hebben gemaakt (...) Als je hier mee akkoord ben dan zullen we zo inplannen en zal ik garant staan dat deze betaling wordt nagekomen (...) ” [gedaagde] heeft in dit kader aangevoerd dat het initiatief tot de garantstelling voor de vordering van [naam 2] bij [eiser 1] lag en dat [gedaagde] ook niet in de e-mailcorrespondentie is meegenomen. De lening van [naam 2] moest op naam van [naam holding] komen, omdat het plan van [naam bestuurder] was om alle schulden in die vennootschap en in [naam 3] onder te brengen, zodat [naam bouwbedrijf] financiering zou kunnen krijgen. [eiser 1] heeft dit niet betwist. Ook hieruit blijkt dat [naam bestuurder] op de hoogte was van de financiële situatie van de vennootschappen van [gedaagde] . In het licht hiervan kan niet worden gezegd da De betalingen zijn volgens [gezamenlijke eisers] op verzoek van [gedaagde] gedaan. [gedaagde] betwist dat de door [eiser 2] gedane stortingen als geldlening zijn te kwalificeren. Volgens [gedaagde] zijn er geen afspraken gemaakt over een geldlening en heeft [eiser 2] uit eigen beweging bedragen overgemaakt op de bankrekening van [naam holding] om crediteuren rustig te houden en met het doel om het bouwbedrijf van [gedaagde] in handen te krijgen. 5.15. Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat [eiser 2] de gelden heeft geleend aan [naam holding] . [gezamenlijke eisers] heeft haar stelling onderbouwd met een transactieoverzicht van de Rabobank met de bedragen die vanaf de bankrekening van [eiser 2] zijn overgemaakt naar de bankrekening van [naam holding] (productie 6 van [gezamenlijke eisers] ). Daarbij is in de omschrijving steeds het woord “lening” en het actuele openstaande bedrag opgenomen. [gedaagde] heeft niet geprotesteerd tegen de omschrijving “lening”, geen vragen gesteld daarover en ook de bedragen niet teruggestort. Dat [eiser 2] de gelden heeft overgemaakt met de bedoeling, zoals [gedaagde] stelt, om de schuldeisers rustig te houden zodat [naam bestuurder] uiteindelijk de activiteiten van [naam bouwbedrijf] kon overnemen, is onvoldoende onderbouwd. 5.16. [gezamenlijke eisers] stelt dat [gedaagde] als bestuurder van [naam holding] ten tijde van het aangaan van de geldleningen heeft geweten of had moeten weten dat [naam holding] niet aan haar betalingsverplichting zou kunnen voldoen. [gezamenlijke eisers] verwijst in dat kader naar de op 9 september 2024 opgestelde jaarrekening van [naam holding] (productie 7 van [gezamenlijke eisers] ), waaruit blijkt dat het eigen vermogen van zowel [naam holding] als dat van de deelneming (het bouwbedrijf) negatief was. [gedaagde] voert als verweer dat de overboekingen door [eiser 2] gebeurden op initiatief van [naam bestuurder] . 5.17. De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van deze vordering niet kan worden aangenomen dat [gedaagde] [eiser 1] heeft misleid of onzorgvuldig heeft geïnformeerd op grond waarvan hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank licht dit als volgt toe. In een e-mailbericht van 4 december 2024 meldt [naam bestuurder] aan [naam 1] (met cc aan [gedaagde] ) onder meer dat er “50k” gestort is op de bankrekening van [naam holding] om achterstanden op te schonen (productie 23 van [gedaagde] ). Deze overboeking blijkt ook uit het transactieoverzicht van de bankrekening van [eiser 2] (productie 6 van [gezamenlijke eisers] ). Bij e-mailbericht van 12 december 2024 deelt [naam bestuurder] mee aan [eiser 3] (met cc aan [gedaagde] ) dat er “25k” is betaald, waarmee de crediteuren rustig kunnen worden gehouden (productie 24 van [gedaagde] ). Ook deze overboeking is in het transactieoverzicht van de bankrekening van [eiser 2] opgenomen. Dit geldt ook voor de overboeking van 23 december 2024 – met de omschrijving “lening (...) tbv aflossing lening G [naam 2] ” – ten aanzien waarvan [naam bestuurder] bij e-mailbericht van dezelfde datum aan [eiser 3] (met cc aan [gedaagde] ) heeft gemeld dat die morgen geld was overgeboekt voor (de vordering van) [naam 2] (productie 25 van [gedaagde] ). Hieruit blijkt dat [naam bestuurder] de uitvoering van de betalingen deed en daarvan dus op de hoogte was. [naam bestuurder] was bekend met de financiële situatie van [naam holding] en [naam bouwbedrijf] . Ook uit de jaarrekening 2023 van [naam holding] van 9 september 2024 was de financiële situatie kenbaar voor [naam bestuurder] . 5.18. [gezamenlijke eisers] stelt zich op het standpunt dat [eiser 2] door [naam holding] is misleid, doordat met de geleende gelden privéschuldeisers zijn betaald. Volgens [gezamenlijke eisers] is het geld onder andere gebruikt voor de aflossing van een privéschuld aan de heer [naam 2] ten bedrage van € 25.000,00, die door [gedaagde] ten onrechte als zakelijke schuld was gepresenteerd. [gedaagde] betwist dat di