Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-04-22
ECLI:NL:RBGEL:2026:3191
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05-220106-25 Datum uitspraak : 22 april 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] , op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] . Raadsman: mr. F.H.J. van Gaal, advocaat in Wijchen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt, gemeente Heumen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door - een of meerdere afbeeldingen van [aangever 2] op de oprit achter te laten en/of - een of meerdere malen (25 keer) met een (automatisch) vuurwapen, te weten een AK-47, kogels richting en/of op de woning en/of de toegangspoort tot het terrein waarop de woning staat af te vuren; 2. hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Beuningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere politieambtenaren heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een (automatisch) vuurwapen, te weten een AK-47, op hen te richten; 3. hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt en/of Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad - een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch geweer, van het merk Kalasjnikov, type AK-47, kaliber 7.62 nato, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of - munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meerdere kogelpatro(o)n(en) van het kaliber 7.62 nato. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van feit 1 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van bevindingen, p. 60-61; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 63-65; - het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 234-294; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 april 2026. Ten aanzien van feit 2 De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Nadat [verdachte] in Overasselt de poort van een woonerf had beschoten met een automatisch vuurwapen (AK-47) is hij bij [medeverdachte] in de auto gestapt en zijn zij weggevlucht. Op de snelweg zijn zij achtervolgd door de politie en uiteindelijk heeft [medeverdachte] het voertuig in Beuningen tot stilstand gebracht. Daar is [verdachte] vanaf de achterbank aan de rechterzijde van de auto uitgestapt. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] stonden op enkele meters afstand van het voertuig. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 tenlastegelegde bedreiging van de politieagenten. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van dit feit. Beoordeling door de rechtbank Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat een jongen uit de auto stapte. Zij keek eerst op de zij-/achterkant van zijn lichaam. Plotseling draaide de jongen zich om en toen zag zij dat hij een vuurwapen in zijn handen had. Zij herkende dit wapen als een AK-47. De jongen had het wapen eerst naar beneden gericht, toen draaide hij zich om en in de beweging van het omdraaien zag zij dat hij het vuurwapen in hun ri hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt en /of Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad - een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch geweer, van het merk Kalasjnikov, type AK-47, kaliber 7.62 nato, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en /of - munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meerdere kogelpatro (o) n ( en ) van het kaliber 7.62 nato; en hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt en /of Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander en, althans alleen, voorhanden heeft gehad - een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch geweer, van het merk Kalasjnikov, type AK-47, kaliber 7.62 nato, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en /of - munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meerdere kogelpatro ( o ) n (en) van het kaliber 7.62 nato. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feiten 1 en 2, telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd; feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; en medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 420 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. Hieraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie vordert daarnaast dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat toepassing moet worden gegeven aan het adolescentenstrafrecht. Een groot deel van de straf dient in voorwaardelijke zin te worden opgelegd met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van meerdere personen. Midden in de nacht is hij vanuit Amsterdam naar de andere kant van het land afgereisd om daar met een Kalasjnikov AK-47 in totaal 25 kogels af te vuren op de toegangspoort van een erf waarop zich onder meer een woning bevond. Dit is een zeer ernstig feit. Een woning is bij uitstek een plek waar bewoners zich veilig zouden moeten kunnen voelen. Het behoeft geen betoog dat een dergelijke schietpartij leidt tot sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank vindt het heel ernstig en zorgelijk dat verdachte zich heeft laten lenen voor het plegen van dit zeer gewelddadige feit en hij niet heeft gedacht aan de gevolgen van zijn handelen. Hij praatte zijn voorgenomen daad goed door zichzelf voor te houden dat er niks ergs zou gebeuren en er niemand gewond zou raken. Verdachte heeft deze klus welbewust aangenomen en liet zich daarbij slechts leiden door het geld dat hij hiermee zou kunnen verdienen om zijn lachgasverslaving te kunnen bekostigen. Na de schietpartij is verdachte weer in de vluchtauto ges In de ernst van de feiten ziet de rechtbank aanleiding een hogere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegend acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk passend. Dit voorwaardelijke deel dient ertoe verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en dient als drukmiddel om aan zijn persoonlijke ontwikkeling en toekomst te (blijven) werken. Hieraan verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het contact- en locatieverbod. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een contactverbod met de medeverdachte en de slachtoffers van de bedreigingen en een locatieverbod voor Overasselt. Verdachte en zijn medeverdachte lijken elkaar niet te kennen en er zijn geen aanwijzingen dat zij contact met elkaar zullen opnemen. Ook bestaat er geen aanleiding te veronderstellen dat verdachte contact zal opnemen met de slachtoffers, dan wel dat hij zich in de toekomst in Overasselt zal bevinden. Verdachte heeft zich ogenschijnlijk heel eenvoudig laten verleiden tot het uitvoeren van ernstige feiten. Kennelijk alleen om (met het geld dat hij daarmee zou verdienen) te kunnen voorzien in zijn verslaving. Hoewel het in detentie stukken beter lijkt te gaan met verdachte, heeft hij behandeling en begeleiding nodig om tot een blijvende gedragsverandering te komen. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, zonder deze behandeling en begeleiding, weer een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal zij bevelen dat de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 8 De beoordeling van de civiele vorderingen [aangever 1] en [aangever 3] (feit 1) De benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 3] hebben in verband met de onder feit 1 ten laste gelegde bedreiging een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partijen vorderen € 206.351,00 aan materiële schade en ieder € 10.000,00 aan smartengeld, die zij als gevolg van de bedreiging zouden hebben geleden. De materiële schade is opgebouwd uit de volgende schadeposten: reparatiekosten poort, € 1.035,00; vervangende huisvesting, € 13.423,00; reiskosten, € 1.589,00; beveiligingskosten, € 108.557,00 toekomstige beveiligingskosten, € 81.747,00. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er twijfels zijn ten aanzien van de gestelde schade met betrekking tot de kosten voor reparatie van de poort, maar dat de rechtbank hier gebruik zou kunnen maken van haar schattingsbevoegdheid. Voor het overige deel aan materiële schade/smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen te verklaren. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat de schadeposten te summier zijn onderbouwd en niet uit te sluiten is dat bepaalde kosten ook met andere factoren (zoals eerdere sluitingen van het perceel) te maken hebbe. De behandeling van de vorderingen levert daarmee een onevenredige belasting voor het strafproces op. De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade het volgende naar voren gebracht. Het is evident dat schade is ontstaan aan de poort door het handelen van verdachte. Er kunnen echter wel vragen worden gesteld bij de bijgevoegde factuur, die niet is gericht aan de benadeelden maar aan een bedrijf en die bovendien is opgesteld ruim nadat de poort blijkens het proces-verbaal van de Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan echter geen sprake, nu uit het dossier niet volgt dat het oogmerk van de verdachte hierop was gericht. Uit het dossier, en dan met name de bij de poort achtergelaten foto’s, lijkt juist te volgen dat de bedreiging was gericht tegen hun zoon die op hetzelfde erf woont. Het oogmerk, zoals bij deze civiele grondslag wordt bedoeld, dient te worden onderscheiden van het opzet, zoals bij de bewezenverklaring van belang is. De rechtbank overweegt verder dat van een aantasting in de persoon 'op andere wijze' in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon 'op andere wijze' sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aangeleverde uitdraaien van het consult van [aangever 1] en [aangever 3] bij de huisarts in februari 2026 onvoldoende om het gestelde geestelijk letsel te onderbouwen. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid best aan te nemen is dat een feit als het onderhavige, waarbij met een automatisch wapen op de toegangspoort van een woonerf is geschoten, gelet op de aard en ernst van de normschending leidt tot immateriële schade bij de bewoners. In dit geval ziet de rechtbank echter contra-indicaties in de verklaringen die de benadeelde partijen zowel direct na het feit als enige tijd later over de gevolgen daarvan hebben afgelegd. In deze verklaringen gaven zij zeer expliciet en bij herhaling aan zich niet bedreigd te voelen door het incident en hiervan geen last van te hebben. Zo verklaarde [aangever 1] onder meer: “ Het is natuurlijk niet leuk dat dat gebeurd is, maar het is ook niet zo dat ik zeg van, ik word er bang van ofzo. Nee, dat niet. Nee.” En [aangever 3] : “ Ja eigenlijk precies hetzelfde.” En: “We hebben eigenlijk allemaal wel zoiets van: dit is gewoon treiteren.” Dat deze expliciete verklaringen niet overeenkomstig de waarheid zouden zijn geweest of dat de mentale situatie inmiddels gewijzigd is, zoals ter zitting naar voren is gebracht door de advocaat, is onvoldoende onderbouwd. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank verder dat dit incident niet op zichzelf lijkt te staan en speelt tegen de achtergrond van eerdere incidenten. Voor de rechtbank is daarmee onduidelijk gebleven wat precies de mentale gevolgen zijn geweest van dit specifieke incident bij de benadeelden. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen tot immateriële schadevergoeding onvoldoende zijn onderbouwd. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen verklaren. Zij kunnen de vorderingen nog aan de burgerlijke rechter voorleggen. [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (feit 2) De benadeelde partijen [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hebben in verband met de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging een vordering tot schadevergoeding ingediend. [verbalisant 2] vordert een bedrag van € 3.000,00 aan smartengeld en [verbalisant 1] vordert een bedrag van € 5.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatreg Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken; - verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Tactus verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering, indien en zolang de jeugdreclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing; - verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat deze instelling in overleg met de jeugdreclassering opstelt; - verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk, vrijetijdsbesteding of school, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag; - verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het middelengebruik en/of het gebruik te leren beheersen, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt. Deze controles bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd; stelt als overige voorwaarden dat: verdachte meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen; verdachte meewerkt aan toezicht door de jeugdreclassering, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt; geeft opdracht aan de Reclassering Leger des Heils tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan; beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht; verklaart de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 3] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot materiële schade/smartengeld; veroordeelt verdachte in verband met het feit onder 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen [verbalisant 2] en [verbalisant 1] van de volgende bedragen aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente 1. [verbalisant 2] € 3.000,00 28 juli 2025 2. [verbalisant 1] € 5.000,00 28 juli 2025 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan smartengeld te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente