Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-05
ECLI:NL:RBGEL:2026:3175
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
2,223 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3175 text/xml public 2026-04-30T15:32:15 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-05 12080335 \ VV EXPL 26-12 Uitspraak Kort geding Verstek NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3175 text/html public 2026-04-30T15:31:24 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3175 Rechtbank Gelderland , 05-03-2026 / 12080335 \ VV EXPL 26-12 Kort geding, verstek, compenseren proceskosten RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 12080335 \ VV EXPL 26-12 Vonnis in kort geding van 5 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, MOAM B.V. , gevestigd te Nijmegen, eisende partij, hierna te noemen: MOAM, gemachtigde: mr. M.J. Wagemans, tegen [naam gedaagde] H.O.D.N. [naam gedaagd bedrijf] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 18 februari met producties 1 tot en met 5, het tijdens de mondelinge behandeling van 26 februari 2026 verleende verstek. 1.2. MOAM heeft naast [de gedaagde] ook gedagvaard Adan Group B.V. (hierna: Adan). Adan is na uitroeping van de zaak verschenen. Bij binnenkomst hebben de gemachtigden van MOAM en Adan de kantonrechter geïnformeerd over een bereikt onderhands akkoord. Ter zitting is dat akkoord uitgewerkt in een vaststellingsovereenkomst. Deze vaststellingsovereenkomst is opgenomen in een proces verbaal. Onderdeel van de regeling is doorhaling van de procedure tussen MOAM en Adan. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De vordering 2.1. MOAM vordert, na eisvermindering, veroordeling van [de gedaagde] om de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] in [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde) vóór 1 juli 2026 te verlaten met alle aan hem toebehorende zaken en vervolgens verlaten te houden. 3 De beoordeling 3.1. Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen. [de gedaagde] is niet ter zitting schenen. Tegen [de gedaagde] is daarom verstek verleend. 3.2. Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de stellingen van MOAM. 3.3. De verstekverlening heeft tot gevolg dat binnen het bestek van dit kort geding dient te worden beoordeeld of de door MOAM ingestelde vorderingen de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen (artikel 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Bij deze beoordeling is van belang dat in dit kort geding slechts een voorlopig oordeel kan worden gegeven over de rechtsverhouding van partijen aan de hand van de toepasselijke materiële rechtsregels en na een afweging van de wederzijdse belangen. Het voorlopige oordeel in dit kort geding moet gebaseerd zijn op de ten tijde van de behandeling van het kort geding bekende feiten en omstandigheden. Voor nadere bewijslevering en onderzoek zoals in een bodemprocedure is in kort geding geen plaats. Bepalend is dus of feiten die relevant zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering voldoende aannemelijk zijn geworden op grond van hetgeen, in dit geval MOAM, in deze kortgedingprocedure naar voren is gebracht. 3.4. De vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen. Hiertoe overweegt de kantonrechter dat voldoende aannemelijk is dat [de gedaagde] de feitelijk gebruiker is van het gehuurde. Op basis van de overgelegde stukken is verder voldoende aannemelijk dat tussen MOAM en [de gedaagde] geen sprake is van een rechtsverhouding die aan toewijzing van het gevorderde in de weg staat. 3.5. Gelet op de eisvermindering van MOAM en het bereiken van een onderhandse regeling in de procedure tussen MOAM en Adan, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in de zin dat ieder van de partijen zijn eigen kosten draagt. 4 De beslissing De kantonrechter rechtdoende als voorzieningenrechter 4.1. veroordeelt [de gedaagde] om het gehuurde vóór 1 juli 2026 te verlaten met alle aan hem toebehorende zaken en vervolgens verlaten te houden, 4.2. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026. 68348 51588
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3175 text/xml public 2026-04-30T15:32:15 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-05 12080335 \ VV EXPL 26-12 Uitspraak Kort geding Verstek NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3175 text/html public 2026-04-30T15:31:24 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3175 Rechtbank Gelderland , 05-03-2026 / 12080335 \ VV EXPL 26-12 Kort geding, verstek, compenseren proceskosten RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 12080335 \ VV EXPL 26-12 Vonnis in kort geding van 5 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, MOAM B.V. , gevestigd te Nijmegen, eisende partij, hierna te noemen: MOAM, gemachtigde: mr. M.J. Wagemans, tegen [naam gedaagde] H.O.D.N. [naam gedaagd bedrijf] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 18 februari met producties 1 tot en met 5, het tijdens de mondelinge behandeling van 26 februari 2026 verleende verstek. 1.2. MOAM heeft naast [de gedaagde] ook gedagvaard Adan Group B.V. (hierna: Adan). Adan is na uitroeping van de zaak verschenen. Bij binnenkomst hebben de gemachtigden van MOAM en Adan de kantonrechter geïnformeerd over een bereikt onderhands akkoord. Ter zitting is dat akkoord uitgewerkt in een vaststellingsovereenkomst. Deze vaststellingsovereenkomst is opgenomen in een proces verbaal. Onderdeel van de regeling is doorhaling van de procedure tussen MOAM en Adan. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De vordering 2.1. MOAM vordert, na eisvermindering, veroordeling van [de gedaagde] om de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] in [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde) vóór 1 juli 2026 te verlaten met alle aan hem toebehorende zaken en vervolgens verlaten te houden. 3 De beoordeling 3.1. Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen. [de gedaagde] is niet ter zitting schenen. Tegen [de gedaagde] is daarom verstek verleend. 3.2. Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de stellingen van MOAM. 3.3. De verstekverlening heeft tot gevolg dat binnen het bestek van dit kort geding dient te worden beoordeeld of de door MOAM ingestelde vorderingen de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen (artikel 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Bij deze beoordeling is van belang dat in dit kort geding slechts een voorlopig oordeel kan worden gegeven over de rechtsverhouding van partijen aan de hand van de toepasselijke materiële rechtsregels en na een afweging van de wederzijdse belangen. Het voorlopige oordeel in dit kort geding moet gebaseerd zijn op de ten tijde van de behandeling van het kort geding bekende feiten en omstandigheden. Voor nadere bewijslevering en onderzoek zoals in een bodemprocedure is in kort geding geen plaats. Bepalend is dus of feiten die relevant zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering voldoende aannemelijk zijn geworden op grond van hetgeen, in dit geval MOAM, in deze kortgedingprocedure naar voren is gebracht. 3.4. De vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen. Hiertoe overweegt de kantonrechter dat voldoende aannemelijk is dat [de gedaagde] de feitelijk gebruiker is van het gehuurde. Op basis van de overgelegde stukken is verder voldoende aannemelijk dat tussen MOAM en [de gedaagde] geen sprake is van een rechtsverhouding die aan toewijzing van het gevorderde in de weg staat. 3.5. Gelet op de eisvermindering van MOAM en het bereiken van een onderhandse regeling in de procedure tussen MOAM en Adan, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in de zin dat ieder van de partijen zijn eigen kosten draagt. 4 De beslissing De kantonrechter rechtdoende als voorzieningenrechter 4.1. veroordeelt [de gedaagde] om het gehuurde vóór 1 juli 2026 te verlaten met alle aan hem toebehorende zaken en vervolgens verlaten te houden, 4.2. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026. 68348 51588