Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-16
ECLI:NL:RBGEL:2026:316
RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer: ARN 25/136 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser] uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. H. ten Kortenaar), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: mr. O. Yazici). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om met ingang van 30 december 2023 (hierna: datum in geding) in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. Belangrijk punt hierbij is de medische toestand van eiser op de datum in geding. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd om eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de medische grondslag (het medisch onderzoek en de beoordeling van de belastbaarheid van eiser) en de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit. Onder 8 geeft de rechtbank een oordeel over het achterwege laten van de hoorzitting in bezwaar. Aan het eind, onder 9, staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 12 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 september 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift. Hierbij zijn gevoegd de rapportage van 27 juni 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en de rapportage van 9 juli 2025 van de arbeidsdeskundige b&b. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, vergezeld van zijn partner, en zijn gemachtigde deelgenomen. Verder is verschenen de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser was werkzaam als frontofficemedewerker bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (hierna: werkgever) voor gemiddeld 35,86 uur per week. Op 22 december 2020 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen. Op 20 september 2022 heeft eiser een aanvraag gedaan om een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat het UWV een loonsanctie had opgelegd. Daardoor moest de werkgever het loon van eiser doorbetalen tot 31 december 2023. De werkgever heeft de geconstateerde tekortkomingen niet hersteld, zodat de datum einde wachttijd 30 december 2023 (de datum in geding) is. 3.1. Naar aanleiding hiervan heeft het UWV de aanvraag van eiser alsnog in behandeling genomen. Een verzekeringsarts van het UWV heeft medisch onderzoek verricht en in dat kader een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) (gedateerd 14 december 2023) opgesteld. Een arbeidsdeskundige van het UWV heeft aan de hand van deze FML vastgesteld dat eiser ongeschikt is voor de maatmanfunctie, maar dat hij nog wel andere passende arbeid kan verrichten zodat zijn mate van arbeidsongeschiktheid 25,59% bedraagt. Bij besluit van 12 januari 2024 heeft het UWV geweigerd om eiser met ingang van de datum in geding een WIA-uitkering toe te kennen, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 3.2. In het kader van de bezwaarprocedure heeft een verzekeringsarts b&b van he De rechtbank is verder van oordeel dat de verzekeringsarts b&b de medische belastbaarheid van eiser op de datum in geding in het rapport van 6 september 2024 op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. De verzekeringsarts b&b heeft hierbij opgemerkt dat bij de verzekeringsarts bekend was dat eiser te kampen heeft met ASS-problematiek. Verder heeft de verzekeringsarts bij zijn (psychisch) onderzoek vastgesteld dat eiser een sombere en vlakke stemming had en moedeloosheid toonde. Op basis van het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zijn beperkingen aangenomen voor de psychische belastbaarheid van eiser, waaronder ook een urenrestrictie. Hierbij is rekening gehouden met verminderde mentale flexibiliteit, verminderde stress-belastbaarheid en verminderde emotionele belastbaarheid door beperkingen vast te stellen ten aanzien van boven normaal verdelen van de aandacht, zich flexibel aanpassen aan sterk wisselende werkomstandigheden, veelvuldige storingen en onderbrekingen, frequente deadlines en productiepieken, eigen gevoelens uiten, conflicthantering, samenwerken, werk met klanten en hulpbehoevenden en leidinggeven. Deze beperkingen passen volgens de verzekeringsarts b&b goed bij de aard van de stoornis die bij eiser is vastgesteld. Het ontbrak alleen aan een beperking ten aanzien van lawaai en werken in een hectische omgeving met veel auditieve prikkels en deze beperkingen heeft de verzekeringsarts b&b toegevoegd aan de FML. De verzekeringsarts b&b ziet daarvoor ook reden in de informatie van GGZcentraal. Volgens de verzekeringsarts b&b zijn geen fysieke beperkingen aangenomen, omdat geen sprake is van fysieke pathologie. Voor wat betreft de urenbeperking, stelt de verzekeringsarts b&b dat de verzekeringsarts rekening heeft gehouden met het belang van een intact bioritme door werken in de nacht en ploegendiensten te beperken. Er is ook rekening gehouden met een licht verminderde energie door aan te geven dat eiser ongeveer acht uur per dag en 40 uur per week arbeid kan verrichten, wat passend is te achten. Wanneer eiser arbeid verricht waarin rekening wordt gehouden met de gestelde beperkingen, dan is er geen medische grond om een verdergaande urenrestrictie aan te nemen, aldus de verzekeringsarts b&b. 6.1. Eiser stelt dat zijn beperkingen zijn onderschat. Hij wijst in dit verband naar opgestelde criteria door de Stichting Autsider, een belangenorganisatie die als erkende en deskundige bron wordt gezien, en de Hulpgids GGZ, de informatiebron voor professioneel geestelijke gezondheidsmedewerkers. Hieruit volgt volgens eiser dat er blijvende tekorten zijn in de sociale communicatie en interactie. Bij eiser is de gradatie ‘ernstig’ toegekend. Verwezen wordt naar de brief van GGZcentraal van 3 november 2022. Daarnaast heeft eiser nog een brief van zijn behandelaar overgelegd van 20 november 2024. 6.1.1. Eiser voert verder aan dat de verzekeringsarts heeft aangenomen dat zijn medische situatie en functionele mogelijkheden op lange termijn enigszins zullen toenemen, maar eiser betwist dat. Volgens eiser is de verzekeringsarts (b&b) ook niet deskundig op het gebied van ASS. Ook zijn behandelaar vindt dat hij niet meer aan het werk kan, omdat hij vermoedelijk lange tijd onbewust over zijn grenzen heen zal gaan met alle gevolgen van dien, waarbij een relatie wordt gelegd tussen dit grensoverschrijdende handelen en dat dit dwangmatige gedachten en handelingen veroorzaakt waarop eiser geen grip heeft. Verwachtingen op het gebied van werk zijn voor eiser zeer stressvol en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk zal dat tot spoedige nieuwe uitval leiden, los van een mogelijk verergering van de medische toestand van eiser, doordat klachten veelal niet tijdig worden herkend als gevolg van de stoornis. 6.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voorop staat dat het medisch feitencomplex, namelijk de aandoening waaraan eiser lijdt, niet in geschil is. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe dit medisch f De rechtbank vindt dan ook dat het UWV voldoende duidelijk heeft onderbouwd, dat eiser in staat moet worden geacht de functies te vervullen. 7.3. Ook kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn stelling dat sprake is van willekeur, omdat de arbeidsdeskundige b&b de functie medewerker postverzorging intern binnen de sbc-code 315140 heeft verworpen wegens overschrijding van zijn belastbaarheid op het item lawaai, maar tegelijkertijd deze functie weer opnieuw aan eiser heeft voorgehouden. De functie die aan eiser in bezwaar is voorgehouden is de functie medewerker input diensten. Deze valt binnen de sbc-code 315140. De functie die de arbeidsdeskundige b&b heeft voorgehouden betreft de functie distributiemedewerker. Deze functie is door de arbeidsdeskundige b&b als passend beoordeeld. Beide functies vallen in dezelfde sbc-code, wat de verwarring bij eiser kan hebben veroorzaakt, maar zijn inhoudelijk dus wel verschillend. Er is dus ook geen sprake van het overtreden van het verbod van détournement de pouvoir, wat eiser nog naar voren heeft gebracht. 7.4. De arbeidsdeskundige b&b heeft berekend dat eiser op de datum in geding met de middelste van de drie geduide functies 68,66% kan verdienen van het loon dat hij voorheen verdiende met zijn eigen werk, zodat hij voor de overige 31,34%, en dus minder dan 35%, arbeidsongeschikt is. Hoorplicht 8. Eiser voert aan dat de hoorplicht is geschonden. De verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b hebben gerapporteerd naar aanleiding van de stukken. Er heeft geen hoorzitting plaatsgevonden voordat het bestreden besluit is genomen. 8.1. Vast staat dat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden voordat het UWV het bestreden besluit heeft genomen. Ook staat vast dat het UWV eiser niet heeft gevraagd of hij wilde afzien van een hoorzitting. Sterker nog, in zijn gronden van bezwaar verzoekt eiser daar juist expliciet om. Het UWV had dan ook niet kunnen en mogen afzien van een hoorzitting. 8.2. De rechtbank is van oordeel dat het UWV dit gebrek in de bezwaarfase niet heeft hersteld. Uit het aanvullend verweerschrift van het UWV van 8 september 2025 en het verhandelde tijdens de zitting volgt dat, toen de medewerker bezwaar erachter kwam dat geen hoorzitting was gehouden, er alsnog een hoorzitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2024 waar eiser en zijn partner zijn verschenen. Volgens eiser was dit echter geen hoorzitting, tijdens welke zou zijn gesproken over zijn bezwaarschrift, maar meer een excuusgesprek. Aangezien het UWV geen verslag van deze hoorzitting heeft kunnen overleggen, gaat de rechtbank uit van de lezing van eiser. 8.3. Anders dan eiser kennelijk veronderstelt maakt voorgaande niet dat dit gebrek (in de voorbereiding van de besluitvorming in bezwaar) in beroep niet is hersteld. Eiser heeft tijdens de zitting zijn zienswijze over de besluitvorming van het UWV gegeven. Op de vraag van de rechtbank of eiser daarmee alles heeft gezegd wat hij wilde zeggen heeft hij positief geantwoord. Ook heeft eiser op de vraag van de rechtbank geantwoord dat hij bij het UWV niet nog iets anders had willen zeggen dan hij niet al tijdens de zitting heeft gedaan. Het standpunt van eiser dat, omdat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, het bestreden besluit sowieso vernietigd dient te worden, zodat de besluitvorming opnieuw kan plaatsvinden, volgt de rechtbank dus niet. Niet wordt ingezien dat eiser door deze gang van zaken in zijn belangen is geschaad. Dit laatste heeft eiser ook niet gesteld noch aannemelijk gemaakt. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om dit gebrek in de voorbereiding van het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het UWV terecht heeft geweigerd om hem met ingang van de datum in geding een WIA-uitkering te verstrekken. 9.1. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om te