Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-16
ECLI:NL:RBGEL:2026:314
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/6136 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. P.A. van Hecke), en de korpschef van Politie, de korpschef (gemachtigde: mr. I.G.J. van den Broek). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de toekenning door de korpschef van smartengeld aan eiseres in verband met een beroepsziekte. Eiseres is het niet eens met de hoogte van het bedrag aan toegekend smartengeld en de wijze waarop de korpschef dat bedrag heeft vastgesteld. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toekenning van het smartengeld. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef de hoogte van het smartengeld dat aan eiseres is toegekend niet op onzorgvuldige wijze heeft vastgesteld. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij besluit van 25 augustus 2023 heeft de korpschef aan eiseres een vergoeding van € 29.677,50 aan smartengeld toegekend in verband met de bij eiseres vastgestelde en erkende beroepsziekte. 2.1. Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de korpschef bij het besluit van 25 augustus 2023 gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres samen met haar partner, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de korpschef. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres was sinds 2004 als hoofdagent werkzaam bij de politie voor 36 uur per week. In 2014 heeft zij een schokkende gebeurtenis meegemaakt die – na eerder blootgesteld te zijn geweest aan ingrijpende gebeurtenissen, zowel in haar functie als in haar privésituatie – in 2015 tot de diagnose post traumatische stress stoornis (PTSS) heeft geleid. 3.1. Op 12 maart 2015 heeft eiseres een verzoek bij de korpschef ingediend, om de bij haar vastgestelde PTSS te erkennen als beroepsziekte. Bij besluit van 13 januari 2016 heeft de korpschef op basis van een advies van de Adviescommissie PTSS Politie van 4 november 2015, de PTSS van eiseres als beroepsziekte erkend. 3.2. In 2020 heeft eiseres (opnieuw) een reeks van ingrijpende incidenten meegemaakt, waardoor zij is teruggevallen in haar klachten en zij zich heeft ziekgemeld. Nadien heeft zij haar werkuren opgebouwd in het Flexteam, een ander team dan waarin zij voordien werkzaam was. Medio 2020 werkte eiseres nog niet volledig, maar eind 2020 wel. 3.3. In juni 2021 is eiseres gedeeltelijk uitgevallen voor haar werk en sinds 12 oktober 2021 is eiseres als gevolg van een dienstongeval volledig uitgevallen. Daarna heeft zij haar werkzaamheden niet meer (volledig) hervat. 3.4. Doordat bij de zaak van eiseres over de erkenning van de beroepsziekte geen casemanager was betrokken, heeft de afhandeling van het smartengeld vertraging opgelopen. Op 16 juni 2023 heeft een beoordeling plaatsgevonden van het percentage blijvende invaliditeit (hierna: BI-percentage). De mate van blijvende invaliditeit is in het rapport van Sazyes van 16 juni 2023 door psychiater S. Berk vastgesteld op 15%. 3.5. Bij besluit van 27 juni 2023 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) met ingang van 1 juni 2023 aan eiseres een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 3.6. Bij besluit van 25 juli 2023 heeft de korpschef aan eiseres wegens arbeidsongeschiktheid eervol ontslag verleend. 3.7. Bij besluit van 25 augustus 2023 heeft de korpschef aan eiseres een smartengeldver Pas na het BI-percentage wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld. Verder zit achter de termijn van vijf jaar een beschermingsgedachte voor de ambtenaar. In het bijzonder mag door de korpschef niet worden gewacht op een verdere verbetering van de medische situatie, omdat dat in het nadeel van de ambtenaar zou zijn. Voor de vaststelling van het eerste percentage is in de toelichting op artikel 3 van het Rvbp een termijn opgenomen, maar voor het bepalen van het tweede percentage is dat niet het geval. Op voorhand weet men namelijk niet wanneer het eerste percentage bepaald zal zijn. Voor het tweede percentage moet, op grond van artikel 4 van het Rvbp, gekeken worden naar de meest recente informatie die van het UWV voorhanden was op het moment van het nemen van het bestreden besluit en na de vaststelling van het BI-percentage. Eiseres heeft in dit kader ten slotte een beroep gedaan op de uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland van 11 april 2024. In die zaak oordeelde de rechtbank volgens eiseres dat de korpschef (die ook in die zaak de termijnen had overschreden) zelfs had moeten wachten op de IVA -aanvraag, terwijl in de zaak van eiseres de WIA-uitkering al was toegekend maanden voordat het smartengeldbesluit werd genomen. Toetsingskader 6. Conform rechtspraak van de CRvB wordt op een aanvraag om smartengeld op grond van artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), in overeenstemming met de hoofdregel van het bestuursrecht, beslist met toepassing van het recht zoals dat geldt op het moment van beslissen op de aanvraag. Tussen partijen is het van toepassing zijnde recht ook niet in geschil. 6.1. Op grond van artikel 54a, eerste lid, van het Barp, zoals luidend ten tijde van de beslissing op de aanvraag, wordt in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte aan een ambtenaar smartengeld vergoed tot een, jaarlijks te indexeren, maximum bedrag. Over de wijze van toekenning van de uitkering van het smartengeld zijn nadere regels uitgewerkt in de Rvbp. 6.2. Uitgangspunt van de Rvbp is dat naar aanleiding van een aanvraag om smartengeld door een deskundige een BI-percentage wordt vastgesteld. Is er ook sprake van arbeidsongeschiktheid en is het door het UWV vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage, voor zover te relateren aan de beroepsziekte, hoger dan het genoemde invaliditeitspercentage, dan wordt van dat arbeidsongeschiktheidspercentage uitgegaan. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de mate van invaliditeit of, indien van toepassing, arbeidsongeschiktheid, ten gevolge van de beroepsziekte niet meer zal toenemen of afnemen. Uiterlijk drie jaar na melding van de beroepsziekte bij het bevoegd gezag wordt langs objectief medische weg getoetst of sprake is van een eindsituatie of dat die eindsituatie binnen redelijke termijn kan worden bereikt. Als dat laatste het geval is, wordt de termijn van drie jaar met ten hoogste twee jaar verlengd tot vijf jaar. Als er na drie jaar geen zicht is op het binnen redelijke termijn bereiken van een eindsituatie of als de eindsituatie na vijf jaar nog niet is bereikt, wordt de mate van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid naar de stand van zaken van dat moment vastgesteld. Het smartengeld is gelijk aan het vastgestelde percentage, vermenigvuldigd met het in artikel 54a, eerste lid, van het Barp genoemde bedrag. Het smartengeld zal per aanvraag nooit meer kunnen bedragen dan het daar genoemde maximumbedrag. Omvang van het geding 7. De rechtbank stelt vast – en tussen partijen is ook niet in geschil – dat de korpschef het smartengeld niet met inachtneming van de in de Rvbp genoemde termijnen heeft vastgesteld. De oorzaak hiervan is dat de korpschef de aanvraag van eiseres is vergeten in behandeling te nemen. De korpschef heeft niet binnen de in artikel 3 van de Rvbp opgenomen termijnen de door de beroepsziekte ontstane mate van invaliditeit laten vaststellen, maar heeft deze termijnen ruimschoots overschre Dat is niet in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, van de Rvbp, omdat volgens de laatste zin van dat artikellid het BI-percentage vastgesteld had moeten worden naar de stand van zaken op 12 maart 2020 (vijf jaar na de aanvraag). 10.1 De korpschef heeft zich in het bestreden besluit, in het verweerschrift en ook tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat eiseres niet is benadeeld, doordat de voorschriften van artikel 3 van de Rvbp niet zijn nageleefd. Volgens de korpschef is het niet onwaarschijnlijk dat het BI-percentage lager was uitgevallen, als dit beoordeeld was naar de stand van zaken in 2020. De klachten gerelateerd aan PTSS zijn met name verergerd in 2021, onder meer als gevolg van het dienstongeval in oktober 2021. In dat jaar is eiseres ook langdurig uitgevallen wegens ziekte en is herstel helaas niet meer mogelijk gebleken. Ook zijn er geen aanwijzingen dat er al veel eerder dan in 2020/2021 sprake was van langdurige arbeidsongeschiktheid en dat er om die reden al eerder een WIA-beoordeling had moeten plaatsvinden. 10.2. Eiseres heeft het standpunt van de korpschef dat eiseres niet is benadeeld doordat artikel 3 van de Rvbp niet is nageleefd, aanvankelijk niet betwist. Tijdens de zitting heeft eiseres aangevoerd dat het maar de vraag is of het BI-percentage lager zou zijn uitgevallen bij een beoordeling naar de stand van zaken in 2020. 10.3. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar standpunt niet heeft onderbouwd met medische stukken of op andere wijze. Daar staat tegenover dat datgene wat de korpschef ter onderbouwing van zijn standpunt naar voren heeft gebracht, wordt ondersteund door de stukken die zich in het dossier bevinden. Het rapport van Sazyes beschrijft dat eiseres in de periode 2015 tot 2020 stabiele periodes heeft gehad, maar dat door de ingrijpende gebeurtenissen in 2020 de klachten van eiseres toenamen. Verder is beschreven dat de klachten na behandeling afnamen, dat eiseres in verband met triggers op het werk ander werk is gaan doen (de rechtbank begrijpt: is gaan werken in het Flexteam) en dat sinds het dienstongeval op 12 oktober 2021 de klachten verder toenamen. Ook uit de samenvatting opgenomen in het rapport van Westerweel Intermediair van 5 januari 2024 komt hetzelfde beeld van de psychische klachten naar voren. In dit rapport is verder vermeld dat de psychische klachten chronisch van aard zijn geworden. Uit de bijlage bij het rapport van Westerweel Intermediair blijkt dat in 2017 de doelen van de cognitieve gedragstherapie grotendeels zijn bereikt, dat de traumatische herinneringen een plek hebben gekregen en dat de angststoornis volledig in remissie is. In 2020 kreeg eiseres negen behandelingen met onvoldoende resultaat. Verlenging van de behandeling was geïndiceerd, maar eiseres heeft haar werkuren wel gedeeltelijk opgebouwd. Het verzuimoverzicht, dat de korpschef voorafgaand aan de zitting op verzoek van de rechtbank in de procedure heeft gebracht, laat eveneens zien dat in 2020 sprake was van een verslechtering van tijdelijke aard, aangezien eiseres blijkens dit overzicht haar werkuren wel weer heeft opgebouwd. Er was rond die tijd in 2020, met andere woorden, sprake van re-integratiemogelijkheden. Uit het medisch onderzoeksverslag van 26 juni 2023, opgemaakt met het oog op de beoordeling op grond van de Wet WIA, blijkt – zoals ook uit de hierboven aangehaalde rapporten – dat, nadat eiseres in 2021 volledig was uitgevallen, de klachten verder toenamen. Ten tijde van de WIA-beoordeling rond einde wachttijd in 2023, was er op grond van een intensieve medische behandeling sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Re-integratie was op dat moment in 2023 dus niet (meer) aan de orde. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank van de zijde van eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar medische situatie op grond van de bij haar vastgestelde PTSS in 2020 ernstiger was dan in 2023. Bovendien vloeit uit wat eiseres zelf heeft verklaard hangende de smarteng 5 De bedragen genoemd in het eerste en tweede lid worden per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriele regeling gewijzigd overeenkomstig de consumentenprijsindex. 6 In de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2016 gelden voor de toepassing van het eerste en het tweede lid achtereenvolgens de volgende maximumbedragen: –In 2012: € 150.000,– en € 75.000,–; –In 2013: € 154.020,– en € 77.010,–; –In 2014: € 158.235,– en € 79.120,–; –In 2015: € 159.915,– en € 79.960,–; –In 2016: € 161.040,– en € 80.520,–. Regeling vergoeding beroepsziekten politie (Rvbp) – geldend van 30-6-2020 tot en met 31-3-2025 Artikel 3 1. Het bevoegd gezag wijst een onafhankelijke deskundige aan die de als gevolg van de beroepsziekte ontstane mate van invaliditeit van de ambtenaar, uitgedrukt in procenten, vaststelt aan de hand van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment van de American Medical Association. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de toestand van de ambtenaar niet meer zal verbeteren of verslechteren. Uiterlijk drie jaar na de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, bedoelde melding bij het bevoegd gezag wordt langs objectief medische weg getoetst of sprake is van een dergelijke eindsituatie, dan wel of die eindsituatie binnen redelijke termijn kan worden bereikt. Indien dat het geval is, wordt de termijn van drie jaar éénmalig met ten hoogste twee jaar verlengd. Indien er na drie jaar geen zicht is op het binnen redelijke termijn bereiken van een eindsituatie, dan wel wanneer die na vijf jaar nog niet is bereikt, wordt de mate van invaliditeit naar de stand van zaken van dat moment vastgesteld. 2 Het smartengeld is gelijk aan het in het eerste lid bedoelde percentage invaliditeit, vermenigvuldigd met het in artikel 54a, eerste lid, van het besluit genoemde bedrag. Indien op grond van artikel 4 een hoger uitkeringspercentage wordt vastgesteld, is het smartengeld gelijk aan dat percentage van het in artikel 54a, eerste lid van het besluit genoemde bedrag. Het smartengeld zal per aanvraag nooit meer kunnen bedragen dan het in artikel 54a, eerste lid, van het besluit genoemde bedrag. 3 Indien naar aanleiding van één of meer incidenten een ambtenaar beroep doet op uitkering van smartengeld op grond van zowel deze regeling als de Regeling smartengeld dienstongevallen politie, bedraagt het totale smartengeld niet meer dan het in artikel 54a, eerste lid, genoemde bedrag. 4 Indien de ambtenaar anders dan als gevolg van de beroepsziekte overlijdt voordat het uitkeringspercentage kan worden vastgesteld, wordt uitgekeerd naar het bedrag dat naar verwachting zou zijn uitgekeerd indien betrokkene niet overleden zou zijn. 5 Het bevoegd gezag draagt de kosten van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid. Artikel 4 1. Indien op grond van artikel 3, eerste lid, een percentage is vastgesteld en de beroepsziekte tevens heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid wordt een tweede percentage vastgesteld, tenzij de ambtenaar het bevoegd gezag binnen zes weken schriftelijk verzoekt niet tot vaststelling daarvan over te gaan. 2 Het bevoegd gezag wijst een onafhankelijke deskundige aan die het tweede percentage vaststelt aan de hand van de in het derde lid opgenomen tabel. Daarbij wordt uitgegaan van de mate van arbeidsongeschiktheid zoals bepaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in artikel 30, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de mate van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de opgedane beroepsziekte niet meer zal toenemen of afnemen. Uiterlijk drie jaar na de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, bedoelde melding bij het bevoegd gezag wordt langs objectief medische weg getoetst of sprake is van een dergelijke eindsituatie, dan wel of die eindsituatie binnen redelijke termijn kan worden bereikt. Indien dat het geval is, wordt de termijn van drie jaar met ten hoogste twee jaar verlengd. Indien er na drie j