Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-16
ECLI:NL:RBGEL:2026:311
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/110 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen), en de minister van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: mr. M.H. Kazem). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de korpschef van Politie. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de aan eiser verleende jachtakte. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het intrekkingsbesluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef de jachtakte heeft kunnen intrekken. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. De korpschef heeft in het besluit van 11 maart 2024 de jachtakte van eiser ingetrokken. Met het bestreden besluit van 28 november 2024 op het administratief beroep van eiser is de minister bij die intrekking gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op het administratief beroep. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser heeft op 24 februari 2023 (opnieuw) een jachtakte gekregen. Deze jachtakte was geldig tot en met 1 april 2024. 3.1. Op 20 september 2023 is eiser verhoord omdat hij wordt verdacht van overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (het al dan niet opzettelijk doden/vangen van inheemse vogels). Uit het proces-verbaal van verhoor van 20 september 2023 blijkt dat eiser alleen zijn persoonsgegevens heeft bevestigd. In reactie op alle andere vragen heeft eiser consequent gezegd: “daar hoef ik geen antwoord op te geven.” Daarnaast is al vóór het verhoor opsporingsonderzoek verricht naar het gebruik van onvergunde kraaienvangkooien. In het proces-verbaal van bevindingen van 3 juli 2023 staan de resultaten van dit onderzoek. Het betreft een digitaal onderzoek van WhatsApp-verkeer tussen eiser en een ander van wie de jachtakte ook is ingetrokken, in de periode van 5 januari 2023 tot en met 16 juni 2023. Kort daarna, op 19 juni 2023, is op een in het proces-verbaal van 10 oktober 2023 genoemd adres een kraaienvangkooi inbeslaggenomen. Op 23 juni 2023 is op een in het proces-verbaal van 10 oktober 2023 genoemd adres een werkzame groot model kraaienvangkooi inbeslaggenomen. Uit de transcripties van het WhatsApp-verkeer is verder geconcludeerd dat eiser en de andere persoon zich bezig hielden met het opzettelijk doden en/of vangen van in het wild levende vogels die van nature in Nederland voorkomen; hoofdzakelijk kraaiachtigen, zoals zwarte kraaien (corvus corone) en eksters (pica pica). 3.2. De korpschef heeft op 5 februari 2024 een voornemen tot het intrekken van de jachtakte naar eiser gestuurd. Eiser heeft hierop zijn zienswijze kenbaar gemaakt met de brief van 29 februari 2024. 3.3. Met het besluit van 11 maart 2024 heeft de korpschef de jachtakte van eiser ingetrokken omdat er sprake is van vrees voor misbruik. 3.4. Eiser heeft administratief beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef. Met de beslissing van 28 november 2024 op het administratief beroep is de minister bij de intrekking van de jachtakte gebleven. 3.5. Daarvoor heeft de minister Zowel artikel 5.42, derde lid, van de Omgevingswet als artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder c van het Bkl schrijven voor dat een jachtakte in ieder geval wordt ingetrokken als het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer aan iemand kan worden toevertrouwd. 5.3. De begrippen “niet langer kan worden toevertrouwd” en “vrees voor misbruik” worden nader uitgelegd in de Circulaire wapens en munitie 2019 (Circulaire). Volgens de Circulaire zijn “het niet langer kunnen toevertrouwen” en “vrees voor misbruik” twee verschillende omschrijvingen voor dezelfde situatie. Vrees voor misbruik kan volgens de Circulaire onder andere blijken uit een veroordeling en andere rechterlijke uitspraken of uit andere omtrent de aanvrager bekende feiten. 5.4. Volgens vaste rechtspraak is de geringe twijfel aan het kunnen toevertrouwen van het onder zich hebben van wapens en munitie voldoende grond om een jachtakte in te trekken. Deze twijfel moet objectief toetsbaar zijn. Bij de beoordeling of deze geringe twijfel aanwezig is, mogen de korpschef en de minister ook niet uit veroordelingen gebleken informatie, zoals processen-verbaal en de feiten en omstandigheden die daaruit naar voren komen, bij hun besluitvorming betrekken. 5.5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser een blanco strafblad heeft. Er is geen sprake van een veroordeling die de aanleiding is om de jachtakte in te trekken. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich desalniettemin op het standpunt heeft mogen stellen dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 3 juli 2023 en het proces-verbaal van verhoor van 20 september 2023 blijkt dat sprake is van vrees voor misbruik. De minister heeft aan de vrees voor misbruik ook geen veroordeling ten grondslag gelegd, maar zogenaamde andere omtrent eiser bekende feiten (zie onder 5.3). De minister kan zich op basis van de processenverbaal van de politie op het standpunt stellen dat gebleken is van betrokkenheid van eiser bij het bouwen, het onderhouden en het zonder vergunning gebruiken van vogelvangkooien (kraaien/eksters) en dat dat maakt dat sprake is van vrees voor misbruik. Dat eiser stelt dat zijn naam in de door de minister geciteerde verklaring niet wordt genoemd is onjuist. Zo blijkt uit de onder 5.1 geciteerde passage dat eiser, bij naam genoemd, samen met een ander een kraaienvangkooi geplaatst en onderhouden heeft. Dat eiser daarnaast betwist dat uit die verklaring vrees voor misbruik blijkt maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De minister kan, zoals hij stelt, uit het totaalbeeld dat uit het app-verkeer blijkt, concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik. Uit de transcriptie van de Whatsapp-gesprekken van eiser met een ander blijkt namelijk dat eiser een paar keer instemmend reageert op vragen over afspraaksuggesties voor het timmeren, spuiten en het (op)bouwen van een kooi: “12-01-2023. (…): "dan kun je weer ff timmeren ik heb 1 frame net in de meni gespoten morgen ff omdraaien en onderkant nog ff dan is tie helemaal klaar voor de opbouw. Zaterdag is om 1 uur en rond 3 uur afgelopen". [eiser]: "Ooh super!" “30-01-23. (…): “Hé kunnen we vrijdag misschien die kooi bouwen ik heb smiddags papa dag als donderdag dan wat hout bij jou haal dan kan ik daar mooi mee aan de gang en (…) is dan ook vrij denk". [eiser]: “Ja dat kan zeker. Wou je ze hier nog bouwen?” Daarnaast vraagt eiser zelf aan de ander hoe de kooi het doet en of de ander al kraaien te pakken heeft. De effectiviteit van de kooi – de vraag of er daadwerkelijk kraaien mee worden gevangen – komt ook regelmatig terug in het Whatsapp-verkeer tussen eiser en de ander: “17-2-2023. [eiser]: “Hoe doet de kooi het?” “21-3-2023. [eiser]: “Heb je al kraaien te pakken?” (…): “Nee, nog niet.” “30-4-2023. (…): “En al wat in de kooi?” [eiser]: “Ga zo die kant op.” (…): “Ben net al geweest zit nog niks in bij je” [eiser]: “Nee zag het. Jammer” “26-05-2023. [eiser]: "Hier bij de kraaienkooi veel beweging. Er gaat alleen niks in” "Het brood ia steeds De minister betoogt terecht dat het onderdeel van de Circulaire waar eiser naar verwijst ziet op de situatie waarin de intrekking van een jachtakte is gebaseerd op een veroordeling. In dit geval ligt de vrees voor misbruik aan de intrekking ten grondslag, zoals neergelegd in onderdeel B, paragraaf 1.2 ad b van de Circulaire. Hierin zijn geen termijnen genoemd waarvan afgeweken zou kunnen worden en moeten worden. Is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel? 9. Eiser heeft op de zitting nog toegelicht dat hij aan schadebestrijding doet en dat het daarom voor hem belangrijk is dat hij weer in het bezit is van een jachtakte. 9.1. Voor zover eiser hiermee betoogt dat de minister in strijd met het evenredigheidsbeginsel geen voorrang heeft gegeven aan zijn belangen, slaagt dat betoog niet. Voor de beoordeling van dit betoog is van belang dat artikel 8:104, eerste lid, onder c, van het Bkl bepaalt dat de korpschef de jachtakte in ieder geval intrekt als er aanwijzingen zijn dat aan de houder van een jachtakte het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Volgens artikel 8.74t, tweede lid, onder a van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit geweigerd als sprake is van vrees voor misbruik. Dit is voor zowel intrekking als weigering van de jachtakte een dwingende formulering die in beginsel geen ruimte laat voor een afweging van de belangen van eiser. Dat doet er niet aan af dat alle relevante omstandigheden van het geval moeten worden betrokken bij de beoordeling of er zulke aanwijzingen zijn, omdat de rechtbank het betoog van eiser zo begrijpt dat hij vindt dat de toepassing van het artikel voor hem onevenredig uitpakt. De rechtbank heeft onder 5.5 geoordeeld dat de minister mocht concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik. Bovendien is het niet onevenredig dat niet eerst voor een schriftelijke waarschuwing is gekozen (zie onder 6.2). De minister kan zich daarom op het standpunt stellen dat de maatregel tot intrekking van de jachtakte noodzakelijk is vanwege de vrees voor misbruik. Eisers betoog dat hij agrariër is en daarnaast wordt ingehuurd om op agrarische percelen de schade door zwijnen te bestrijden is geen zodanig bijzondere omstandigheid dat de minister van toepassing van zijn intrekkingsbevoegdheid had moeten afzien. Daarvan zou sprake zijn als het besluit gelet op de gegeven omstandigheden voor eiser onredelijk bezwarend is. De rechtbank is van oordeel dat daarvan niet is gebleken. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de jachtakte in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Wettelijk kader Omgevingswet Artikel 5.1, eerste lid, onder f Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: (…) een jachtgeweeractiviteit, Artikel 5.39, onder a Het bevoegd gezag wijzigt de voorschriften van een omgevingsvergunning of trekt een omgevingsvergunning in: a. in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van