Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-16
ECLI:NL:RBGEL:2026:310
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/9382 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen), en de minister van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: mr. M.H. Kazem). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de korpschef van Politie. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over intrekking van de aan eiser verleende jachtakte. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het intrekkingsbesluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef de jachtakte heeft kunnen intrekken. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. De korpschef heeft in het besluit van 11 maart 2024 de jachtakte van eiser ingetrokken. Met het bestreden besluit van 19 november 2024 op het administratief beroep van eiser is de minister bij die intrekking gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser heeft op 1 april 2023 (opnieuw) een jachtakte gekregen. Deze jachtakte was geldig tot 31 maart 2024. 3.1. Op 14 september 2023 is eiser verhoord omdat hij wordt verdacht van overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (het al dan niet opzettelijk doden/vangen van inheemse vogels). Uit het proces-verbaal van verhoor van 14 september 2023 blijkt dat eiser heeft aangegeven vangkooien te bouwen maar nooit te gebruiken. De vangkooien werden wel gebruikt op het terrein/grond van eiser, maar eiser geeft aan niet te weten door wie. Eiser heeft aangegeven dat hij gevangen kraaien heeft losgelaten. Verder heeft eiser over heel veel vragen “Geen idee". Daarnaast is al vóór het verhoor opsporingsonderzoek verricht naar het gebruik van onvergunde kraaienvangkooien. In de processen-verbaal van bevindingen van 27 juni 2023 en 3 juli 2023 staan de resultaten van dit onderzoek. Het betreft een digitaal onderzoek van WhatsApp-verkeer tussen eiser en anderen van wie de jachtakte ook is ingetrokken, in de periode van 15 augustus 2022 tot en met 19 juni 2023. Op die datum is onder eiser een rondvormige ekstervangkooi inbeslaggenomen die stond opgesteld op gestapelde betonplaten op de [locatie] in [plaats] . Ook is toen de telefoon van eiser inbeslaggenomen. Uit de transcripties is verder geconcludeerd dat eiser en de andere personen zich bezig hielden met het opzettelijk doden en/of vangen van in het wild levende vogels die van nature in Nederland voorkomen; hoofdzakelijk kraaiachtigen, zoals zwarte kraaien (corvus corone) en eksters (pica pica). 3.2. De korpschef heeft op 6 februari 2024 een voornemen tot het intrekken van de jachtakte gestuurd naar eiser. Eiser heeft hierop zijn zienswijze kenbaar gemaakt met de brief van 29 februari 2024. 3.3. Met het besluit van 11 maart 2024 heeft de korpschef de jachtakte van eiser ingetrokken omdat er sprake is van vrees voor misbruik. 3.4. Eiser heeft administratief beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef. Met de beslissing van 19 november 2024 op het administratief beroep is de minister bij de intrekking van de jachtakte gebleve - Proces-verbaal van bevindingen (PL0600-2023240963-26) 30 01-2023 [eiser] : “Hé kunnen we vrijdag misschien die kooi bouwen ik heb smiddags papa dag als ik donderdag dan wat hout bij jou haal dan kan ik daar mooi mee aan de gang en (...) is dan ook vrij denk”. (...) “Ja dat kan zeker. Wou je ze hier nog bouwen?” 21 03-2023. (...): Heb je al kraaien te pakken? [eiser] : “Nee nog niet.” 17 05-2023 [eiser] : “Moet ik nog bij jou kraaien kooi kijken” “Ja ga er wel ff langs moet ook ff kraai hebben ga zo die andere kooi ergens brengen met (...)” - Proces-verbaal van bevindingen (PL0600-2023240963-27) 02 02-2023 [eiser] : “Joh heb jij morgen middag ff tijd om die kooien te bouwen heb hout al gehaald bij [persoon A]” 12 02-2024 [eiser] : “Krijg binnenkort ekster”” De minister stelt zich op het standpunt dat het voorhanden hebben van wapens en/of munitie niet langer aan eiser kan worden toevertrouwd. Juist een jager die tot taak heeft op een verantwoorde manier om te gaan met het doden van dieren zou beter moeten weten en zou zich moeten houden aan de geldende regels. 5.2. De rechtbank stelt voorop dat het hebben van een jachtakte een bijzondere positie met zich brengt. Een houder van een jachtakte mag namelijk over een vuurwapen en munitie beschikken, terwijl daar in Nederland een verbod op geldt. Zowel artikel 5.42, derde lid, van de Omgevingswet als artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder c van het Bkl schrijven voor dat een jachtakte in ieder geval wordt ingetrokken als het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer aan iemand kan worden toevertrouwd. 5.3. De begrippen “niet langer kan worden toevertrouwd” en “vrees voor misbruik” worden nader uitgelegd in de Circulaire wapens en munitie 2019 (Circulaire). Volgens de Circulaire zijn “het niet langer kunnen toevertrouwen” en “vrees voor misbruik” twee verschillende omschrijvingen voor dezelfde situatie. Vrees voor misbruik kan volgens de Circulaire onder andere blijken uit een veroordeling en andere rechterlijke uitspraken of uit andere omtrent de aanvrager bekende feiten. 5.4. Volgens vaste rechtspraak is de geringe twijfel aan het kunnen toevertrouwen van het onder zich hebben van wapens en munitie voldoende grond om een jachtakte in te trekken. Deze twijfel moet objectief toetsbaar zijn. Bij de beoordeling of deze geringe twijfel aanwezig is, mogen de korpschef en de minister ook niet uit veroordelingen gebleken informatie, zoals processen-verbaal en de feiten en omstandigheden die daaruit naar voren komen, bij hun besluitvorming betrekken. 5.5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser een blanco strafblad heeft. Er is geen sprake van een veroordeling die de aanleiding is om de jachtakte in te trekken. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich desalniettemin op het standpunt heeft mogen stellen dat uit de processen-verbaal van 27 juni 2023 en 3 juli 2023 blijkt dat sprake is van vrees voor misbruik. De minister heeft aan de vrees voor misbruik ook geen veroordeling ten grondslag gelegd, maar zogenaamde andere omtrent de aanvraag bekende feiten (zie onder 5.3). De minister kan zich op het standpunt stellen dat onder meer uit de onder 5.1 geciteerde passages uit verschillende processen-verbaal blijkt van zodanige betrokkenheid bij het bouwen, het onderhouden en het zonder vergunning gebruiken van vogelvangkooien (kraaien/eksters) dat maakt dat sprake is van vrees voor misbruik. Dat eiser voor alle afzonderlijke app-berichten betwist dat daaruit vrees voor misbruik blijkt maakt dat niet anders. De minister kan, zoals hij stelt, uit het totaalbeeld dat uit het app-verkeer blijkt, concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik. De Whatsappgesprekken gaan verder dan uitsluitend over het bouwen van kooien. Zo staat er bijvoorbeeld ook: “21-03-2023. (...): Heb je al kraaien te pakken? [eiser] : “Nee nog niet.” Er is verder geen rechtsregel die voorschrijft dat de minister gehoor moet geven aan een oproep om referenten over de vrees voor misbruik te horen. Uit In dit geval ligt de vrees voor misbruik aan de intrekking ten grondslag, zoals neergelegd in onderdeel B, paragraaf 1.2, ad b, van de Circulaire. Hierin zijn geen termijnen genoemd waarvan afgeweken zou kunnen en moeten worden. Is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel? 9. Eiser heeft op de zitting nog toegelicht dat hij aan schadebestrijding doet en dat het daarom voor hem belangrijk is dat hij weer in het bezit is van een jachtakte. 9.1. Voor zover eiser hiermee betoogt dat de minister in strijd met het evenredigheidsbeginsel geen voorrang heeft gegeven aan zijn belangen, slaagt dat betoog niet. Voor de beoordeling van dit betoog is van belang dat artikel 8:104, eerste lid, onder c, van het Bkl bepaalt dat de korpschef de jachtakte in ieder geval intrekt als er aanwijzingen zijn dat aan de houder van een jachtakte het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Volgens artikel 8.74t, tweede lid, onder a van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit geweigerd als sprake is van vrees voor misbruik. Dit is voor zowel intrekking als weigering van de jachtakte een dwingende formulering die in beginsel geen ruimte laat voor een afweging van de belangen van eiser. Dat doet er niet aan af dat alle relevante omstandigheden van het geval moeten worden betrokken bij de beoordeling of er zulke aanwijzingen zijn, omdat de rechtbank het betoog van eiser zo begrijpt dat hij vindt dat de toepassing van het artikel voor hem onevenredig uitpakt. De rechtbank heeft onder 5.5 geoordeeld dat de minister mocht concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik. Bovendien is het niet onevenredig dat niet eerst voor een schriftelijke waarschuwing is gekozen (zie onder 6.2). De minister kan zich daarom op het standpunt stellen dat de maatregel tot intrekking van de jachtakte noodzakelijk is vanwege de vrees voor misbruik. Eisers betoog dat hij wordt ingehuurd om op twee landgoederen aan schadebestrijding te doen is geen zodanig bijzondere omstandigheid dat de minister van toepassing van zijn intrekkingsbevoegdheid had moeten afzien. Daarvan zou sprake zijn als het besluit gelet op de gegeven omstandigheden voor eiser onredelijk bezwarend is. De rechtbank is van oordeel dat daarvan niet is gebleken. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de jachtakte in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Wettelijk kader Omgevingswet Artikel 5.1, eerste lid, onder f Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: (…) een jachtgeweeractiviteit, Artikel 5.39, onder a Het bevoegd gezag wijzigt de voorschriften van een omgevingsvergunning of trekt een omgevingsvergunning in: a. in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, Artikel 5.42, derde lid 3. Als geval als bedoeld in artikel 5.39, onder a, waarin het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit intrekt, wordt in ieder geval aangewezen h