Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-16
ECLI:NL:RBGEL:2026:309
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/8606 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen), en de minister van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: mr. M.H. Kazem). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de korpschef van Politie. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over intrekking van de aan eiser verleende jachtakte. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het intrekkingsbesluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef de jachtakte heeft kunnen intrekken. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. De korpschef heeft in het besluit van 11 maart 2024 de jachtakte van eiser ingetrokken. Met het bestreden besluit van 17 oktober 2024 op het administratief beroep van eiser is de minister bij die intrekking gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser heeft op 1 april 2023 (opnieuw) een jachtakte gekregen. Deze jachtakte was geldig tot 31 maart 2024. 3.1. Op 14 september 2023 is bij eiser thuis een controle gehouden door twee buitengewoon opsporingsambtenaren in het kader van de naleving van de Wet op de economische delicten (WED). Eiser werd verdacht van het vangen van inheemse beschermde vogels in strijd met artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Eiser is vervolgens op 16 oktober 2023 voor deze verdenking en voor een drietal andere verhoord . Uit het proces-verbaal van verhoor van 16 oktober 2023 blijkt dat eiser gebruik heeft gemaakt van zijn recht om geen antwoord te geven op de gestelde vragen. In het proces-verbaal is onder meer opgenomen dat de politie smartphones in beslag heeft genomen (o.a. op 19 juni 2023). Op deze telefoons stond een Whatsappgroep genaamd “Blokperiode”. Eiser maakte hier deel van uit. In deze groepschat werd voornamelijk gecommuniceerd over het vangen van kraaien en het fabriceren van kraaienvangkooien. Verder is al vóór de controle en het verhoor een opsporingsonderzoek verricht naar het gebruik van onvergunde kraaienvangkooien. Het betreft, zo blijkt uit het proces-verbaal van 3 juli 2023 , een digitaal onderzoek van Whatsappverkeer tussen eiser en een ander. Uit de transcripties is geconcludeerd dat eiser en de andere persoon zich bezig hielden met het opzettelijk doden en/of vangen van in het wild levende vogels die van nature in Nederland voorkomen; hoofdzakelijk kraaiachtigen, zoals zwarte kraaien (corvus corone) en eksters (pica pica). 3.2. De korpschef heeft op 30 januari 2024 een voornemen tot het intrekken van de jachtakte gestuurd naar eiser. Eiser heeft hierop zijn zienswijze kenbaar gemaakt met de e-mail van 29 februari 2024. 3.3. Met het besluit van 11 maart 2024 heeft de korpschef de jachtakte van eiser ingetrokken omdat er sprake is van vrees voor misbruik. 3.4. Eiser heeft administratief beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef. Met de beslissing van 17 oktober 2024 op het administratief beroep is de minister bij de intrekking van de jachtakte gebleven. Proces Uit de Whatsappberichten en de processen-verbaal blijkt dat eiser betrokken is bij de bouw, het onderhoud en het gebruik van vogelvangkooien zonder ontheffing. Dat eiser een blanco strafblad heeft betekent niet dat geen sprake is of kan zijn van vrees voor misbruik. Gelet op het totaalbeeld en de informatie vanuit de politie die is betrokken in de besluitvorming, blijkt dat er voldoende grondslag is voor een intrekking van de jachtakte. Juist een jager die tot taak heeft op een verantwoorde manier om te gaan met het doden van dieren zou beter moeten weten en zou zich moeten houden aan de geldende regels. 5.2. De rechtbank stelt voorop dat het hebben van een jachtakte een bijzondere positie met zich brengt. Een houder van een jachtakte mag namelijk over een vuurwapen en munitie beschikken, terwijl daar in Nederland een verbod op geldt. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) schrijft voor dat een jachtakte in ieder geval wordt ingetrokken als het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer aan iemand kan worden toevertrouwd. 5.3. De begrippen “niet langer kan worden toevertrouwd” en “vrees voor misbruik” worden nader uitgelegd in de Circulaire wapens en munitie 2019 (Circulaire). Volgens de Circulaire zijn “het niet langer kunnen toevertrouwen” en “vrees voor misbruik” twee verschillende omschrijvingen voor dezelfde situatie. Vrees voor misbruik kan volgens de Circulaire onder andere blijken uit een veroordeling en andere rechterlijke uitspraken of uit andere omtrent de aanvrager bekende feiten. 5.4. Volgens vaste rechtspraak is de geringe twijfel aan het kunnen toevertrouwen van het onder zich hebben van wapens en munitie voldoende grond om een jachtakte in te trekken. Deze twijfel moet objectief toetsbaar zijn. Bij de beoordeling of deze geringe twijfel aanwezig is, mogen de korpschef en de minister ook niet uit veroordelingen gebleken informatie, zoals processen-verbaal en de feiten en omstandigheden die daaruit naar voren komen, bij hun besluitvorming betrekken. 5.5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser een blanco strafblad heeft. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich desalniettemin op het standpunt heeft mogen stellen dat uit de bevindingen tijdens de controle ter plaatse en het digitale onderzoek van Whatsappverkeer blijkt dat sprake is van vrees voor misbruik. De minister heeft aan de vrees voor misbruik namelijk ook geen veroordeling ten grondslag gelegd, maar zogenaamde ‘andere omtrent de aanvraag bekende feiten’ (zie onder 5.3). En die kunnen ook aanleiding zijn, zo blijkt uit de Circulaire, om een vrees voor misbruik aan te nemen. De minister kan zich op het standpunt stellen dat uit de 5.1 opgesomde bevindingen en het onderzoek naar Whatsappgesprekken zoals gerapporteerd in het proces-verbaal van 3 juli 2023 blijkt van verdenkingen van verschillende wetsovertredingen en van zodanige betrokkenheid bij het bouwen, het onderhouden en het zonder vergunning gebruiken van vogelvangkooien (kraaien/eksters) dat sprake is van vrees voor misbruik. Zo staat in het proces-verbaal van 3 juli 2023, naast verschillende afbeeldingen en gesprekken over vogelvangkooien, de volgende passage uit een Whatsappconversatie: “[naam eiser]: “Je mot een zwarte hebben” [zwarte balk]: “Ja maar deze zitten er ook zat dus die die kan ik dan misschien in kleine kooi van [persoon A] vangen die staat ook nog bij mij”” Eisers betoog over de bevindingen rondom de woning maakt dat niet anders. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2023 blijkt dat eiser in elk geval wist van de aanwezigheid van het rattengif en de mollentabletten. In het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2023 staat namelijk dat eiser als volgt op de aanwezigheid van het rattengif en de mollentabletten gereageerd: “Dat spul gebruik ik niet, dat staat er al jaren.” Ook is van belang dat in het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2023 staat dat bij de controle ter plaatse een hond is aangetroffen met een halsband met e 8.1. De minister stelt zich op het standpunt dat een jachtakte wordt ingetrokken indien de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. De feiten en omstandigheden bieden voldoende grondslag om te concluderen dat aan eiser het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Het feit dat eiser de schade door wilde zwijnen op landbouwgrond wil beperken en dat dit invloed heeft op zijn beroep en bedrijf, maakt het standpunt van de minister niet anders. De minister stelt zich op het standpunt dat het zwaarwegende algemene belang van de veiligheid in de samenleving boven eisers persoonlijke belangen moet prevaleren. 8.2. Het betoog van eiser dat de minister in strijd met het evenredigheidsbeginsel geen voorrang heeft gegeven aan zijn belangen, slaagt niet. Voor de beoordeling van dit betoog is van belang dat artikel 8:104, eerste lid, onder c, van het Bkl bepaalt dat de korpschef de jachtakte in ieder geval intrekt als er aanwijzingen zijn dat aan de houder van een jachtakte het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Volgens artikel 8.74t, tweede lid, onder a van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit geweigerd als sprake is van vrees voor misbruik. Dit is voor zowel intrekking als weigering van de jachtakte een dwingende formulering die in beginsel geen ruimte laat voor een afweging van de belangen van eiser. Dat doet er niet aan af dat alle relevante omstandigheden van het geval moeten worden betrokken bij de beoordeling of er zulke aanwijzingen zijn, omdat de rechtbank het betoog van eiser zo begrijpt dat hij vindt dat de toepassing van het artikel voor hem onevenredig uitpakt. De rechtbank heeft onder 5.5 geoordeeld dat de minister mocht concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik. Bovendien is het niet onevenredig dat niet eerst voor een schriftelijke waarschuwing is gekozen (zie onder 6.2). De minister kan zich daarom op het standpunt stellen dat de maatregel tot intrekking van de jachtakte noodzakelijk is vanwege de vrees voor misbruik. Eisers betoog dat hij agrariër is en daarnaast wordt ingehuurd om op agrarische percelen de schade door zwijnen te bestrijden is geen zodanig bijzondere omstandigheid dat de minister van toepassing van zijn intrekkingsbevoegdheid had moeten afzien. Daarvan zou sprake zijn als het besluit gelet op de gegeven omstandigheden voor eiser onredelijk bezwarend is. De rechtbank is van oordeel dat daarvan niet is gebleken. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de jachtakte in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Omgevingswet Artikel 5.1, eerste lid, onder f 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activ