Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-21
ECLI:NL:RBGEL:2026:3035
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
15,238 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3035 text/xml public 2026-05-04T13:26:51 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-21 ARN 25/1099 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3035 text/html public 2026-05-04T13:26:14 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3035 Rechtbank Gelderland , 21-04-2026 / ARN 25/1099 Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om bij eiseres meerdere verbeurde dwangsommen in te vorderen, omdat zij niet heeft voldaan aan de last om overtredingen van de milieuwet- en regelgeving te beëindigen. Daarbij gaat het onder meer om het niet verstrekken van gegevens waar de toezichthouder/het college om heeft verzocht (overtreding van artikel 5:17 en 5:20 van de Awb) en een onjuiste manier van het opslaan van gasflessen (overtreding van artikel 4.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 4.4a, derde lid, van de Activiteitenregeling in samenhang met voorschrift 6.2.1. van de PGS 15/versie 2016). Van het doorbreken van de formele rechtskracht van de last onder dwangsom kan geen sprake zijn. Het is niet gebleken dat eiseres evident geen overtreder is, dat evident geen overtredingen zijn gepleegd of dat het college evident in strijd met het legaliteitsbeginsel heeft gehandeld. De dwangsom is verbeurd omdat de gasflessenopslag niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Eiseres miskent dat de overtreding en de last tweeledig zijn en zien op enerzijds het daadwerkelijk opbergen van de gasflessen in een daarvoor bedoelde opslagvoorziening, en anderzijds op het moeten voldoen van die opslagvoorziening aan bepaalde vereisten. Het college heeft het verzoek van eiseres om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase onterecht afgewezen. Het primaire besluit is wat betreft de hoogte van de in te vorderen dwangsommen namelijk herroepen ten gevolge van een onrechtmatigheid die aan het college te wijten is. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de met het bezwaar gemaakte proceskosten is afgewezen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/1099 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres (gemachtigde: mr. S. van Gent), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde (gemachtigde: H. Ben Kaddour). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om bij eiseres meerdere verbeurde dwangsommen in te vorderen, omdat zij niet heeft voldaan aan de last om overtredingen van de milieuwet- en regelgeving te beëindigen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het invorderingsbesluit van het college. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het invorderingsbesluit niet (geheel) in stand kan blijven. Het beroep is gegrond en eiseres krijgt (deels) gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Bij besluit van 30 mei 2024 heeft het college een bedrag van € 45.000,- van eiseres ingevorderd voor overtreding van de opgelegde lasten. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college het bestreden besluit herroepen voor wat betreft de hoogte van het in te vorderen bedrag en dit verlaagd tot € 16.500,-. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en de toezichthouder [naam toezichthouder] . Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. [eiseres] B.V. (hierna: [eiseres] ) is een gespecialiseerd bedrijf in bouw- en sloopwerkzaamheden. Het bedrijf staat bij de Kamer van Koophandel ingeschreven op het adres [locatie 1] in [plaats 1] . Volgens het college is eiseres drijver van de inrichting gelegen aan de [locatie 2] in [plaats 1] . 3.1. Bij besluit van 14 augustus 2023 is aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd voor de volgende overtredingen van de milieuwet- en regelgeving: 1. gegevens koudemiddel airco (type en hoeveelheid) niet verstrekt; 2. vloeistofdichte verklaring tank- en wasplaats niet aangetoond; 3. onjuiste manier opslaan gasflessen (niet in een PGS-15 voorziening); 4. geen aanrijdingsbeveiliging bij afleverzuil. 3.2. Eiseres is gelast deze overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden, binnen een termijn van twee weken voor de eerste en een termijn van twee maanden voor de overige overtredingen. Als dit niet zou worden opgevolgd, dan zouden de volgende dwangsommen per overtreding worden verbeurd: € 500,- per week of gedeelte hiervan, maximaal € 5.000,- € 1.000,- per week of gedeelte hiervan, maximaal € 10.000,- € 1.500,- per week of gedeelte hiervan, maximaal € 15.000,- € 1.500,- per week of gedeelte hiervan, maximaal € 15.000,-. 3.3. Bij de controle van het perceel aan de [locatie 2] op 12 maart 2024 heeft het college geconstateerd dat alle vier de overtredingen niet zijn opgeheven. Na eerst een voornemen tot invordering aan eiseres mee te delen en daarop een zienswijze van haar te hebben ontvangen, besluit het college op 30 mei 2024 tot invordering van een bedrag van € 45.000,-; dat zijn de maximaal verbeurde dwangsommen bij elkaar opgeteld. 3.4. Eiseres is hiertegen in bezwaar gekomen. In de beslissing op bezwaar van 21 januari 2025 heeft het college, in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften, het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering. Het primaire besluit is herroepen wat betreft de hoogte van het gevorderde bedrag voor overtreding 3 en overtreding 4, waardoor het gevorderde uitkomt op een totaalbedrag van € 16.500,-. Daarvoor is van belang dat wat betreft overtreding 3 niet kan worden uitgegaan van een doorlopende overtreding. Het verbeuren van een dwangsom vereist in dit geval een feitelijke bevinding. Omdat slechts éénmaal, tijdens de controle op 12 maart 2024, is geconstateerd dat de gasflessenopslag niet voldeed, heeft het college besloten dat er voor deze overtreding ook maar éénmaal een bedrag van € 1.500,- is verbeurd. Daarnaast is overtreding 4 niet meer in nieuwe wet- en regelgeving, meer specifiek het Besluit activiteiten leefomgeving, terug te vinden. Zodoende ziet het college, in navolging van een uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, af van invordering van het aan die overtreding gekoppelde dwangsombedrag. 3.5. Eiseres is het ook met dit besluit niet eens en is in beroep gekomen. Volgens eiseres kan het gestelde bedrag niet worden ingevorderd, omdat zij niet als overtreder is aan te merken, er geen sprake is geweest van als overtreding aan te merken gedragingen en de last niet is overtreden. Doorbreking van de formele rechtskracht van de last onder dwangsom 4. Eiseres betoogt dat de formele rechtskracht van de last onder dwangsom moet worden doorbroken. Daartoe voert zij primair aan evident geen overtreder te zijn. Daarnaast brengt eiseres naar voren dat van de overtreding 1 en overtreding 3 (zie onder 3.1) geen sprake is geweest, dan wel dat deze geen onderwerp hadden mogen worden van een last onder dwangsom. 4.1. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 14 augustus 2023, waarin aan eiseres vier lasten onder dwangsom zijn opgelegd, in rechte onaantastbaar is, omdat eiseres hiertegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. De rechtmatigheid van de aan eiseres opgelegde lasten is daarmee een gegeven. 4.2.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3035 text/xml public 2026-05-04T13:26:51 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-21 ARN 25/1099 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3035 text/html public 2026-05-04T13:26:14 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3035 Rechtbank Gelderland , 21-04-2026 / ARN 25/1099 Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om bij eiseres meerdere verbeurde dwangsommen in te vorderen, omdat zij niet heeft voldaan aan de last om overtredingen van de milieuwet- en regelgeving te beëindigen. Daarbij gaat het onder meer om het niet verstrekken van gegevens waar de toezichthouder/het college om heeft verzocht (overtreding van artikel 5:17 en 5:20 van de Awb) en een onjuiste manier van het opslaan van gasflessen (overtreding van artikel 4.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 4.4a, derde lid, van de Activiteitenregeling in samenhang met voorschrift 6.2.1. van de PGS 15/versie 2016). Van het doorbreken van de formele rechtskracht van de last onder dwangsom kan geen sprake zijn. Het is niet gebleken dat eiseres evident geen overtreder is, dat evident geen overtredingen zijn gepleegd of dat het college evident in strijd met het legaliteitsbeginsel heeft gehandeld. De dwangsom is verbeurd omdat de gasflessenopslag niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Eiseres miskent dat de overtreding en de last tweeledig zijn en zien op enerzijds het daadwerkelijk opbergen van de gasflessen in een daarvoor bedoelde opslagvoorziening, en anderzijds op het moeten voldoen van die opslagvoorziening aan bepaalde vereisten. Het college heeft het verzoek van eiseres om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase onterecht afgewezen. Het primaire besluit is wat betreft de hoogte van de in te vorderen dwangsommen namelijk herroepen ten gevolge van een onrechtmatigheid die aan het college te wijten is. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de met het bezwaar gemaakte proceskosten is afgewezen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/1099 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres (gemachtigde: mr. S. van Gent), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde (gemachtigde: H. Ben Kaddour). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om bij eiseres meerdere verbeurde dwangsommen in te vorderen, omdat zij niet heeft voldaan aan de last om overtredingen van de milieuwet- en regelgeving te beëindigen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het invorderingsbesluit van het college. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het invorderingsbesluit niet (geheel) in stand kan blijven. Het beroep is gegrond en eiseres krijgt (deels) gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Bij besluit van 30 mei 2024 heeft het college een bedrag van € 45.000,- van eiseres ingevorderd voor overtreding van de opgelegde lasten. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college het bestreden besluit herroepen voor wat betreft de hoogte van het in te vorderen bedrag en dit verlaagd tot € 16.500,-. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en de toezichthouder [naam toezichthouder] . Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. [eiseres] B.V. (hierna: [eiseres] ) is een gespecialiseerd bedrijf in bouw- en sloopwerkzaamheden. Het bedrijf staat bij de Kamer van Koophandel ingeschreven op het adres [locatie 1] in [plaats 1] . Volgens het college is eiseres drijver van de inrichting gelegen aan de [locatie 2] in [plaats 1] . 3.1. Bij besluit van 14 augustus 2023 is aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd voor de volgende overtredingen van de milieuwet- en regelgeving: 1. gegevens koudemiddel airco (type en hoeveelheid) niet verstrekt; 2. vloeistofdichte verklaring tank- en wasplaats niet aangetoond; 3. onjuiste manier opslaan gasflessen (niet in een PGS-15 voorziening); 4. geen aanrijdingsbeveiliging bij afleverzuil. 3.2. Eiseres is gelast deze overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden, binnen een termijn van twee weken voor de eerste en een termijn van twee maanden voor de overige overtredingen. Als dit niet zou worden opgevolgd, dan zouden de volgende dwangsommen per overtreding worden verbeurd: € 500,- per week of gedeelte hiervan, maximaal € 5.000,- € 1.000,- per week of gedeelte hiervan, maximaal € 10.000,- € 1.500,- per week of gedeelte hiervan, maximaal € 15.000,- € 1.500,- per week of gedeelte hiervan, maximaal € 15.000,-. 3.3. Bij de controle van het perceel aan de [locatie 2] op 12 maart 2024 heeft het college geconstateerd dat alle vier de overtredingen niet zijn opgeheven. Na eerst een voornemen tot invordering aan eiseres mee te delen en daarop een zienswijze van haar te hebben ontvangen, besluit het college op 30 mei 2024 tot invordering van een bedrag van € 45.000,-; dat zijn de maximaal verbeurde dwangsommen bij elkaar opgeteld. 3.4. Eiseres is hiertegen in bezwaar gekomen. In de beslissing op bezwaar van 21 januari 2025 heeft het college, in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften, het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering. Het primaire besluit is herroepen wat betreft de hoogte van het gevorderde bedrag voor overtreding 3 en overtreding 4, waardoor het gevorderde uitkomt op een totaalbedrag van € 16.500,-. Daarvoor is van belang dat wat betreft overtreding 3 niet kan worden uitgegaan van een doorlopende overtreding. Het verbeuren van een dwangsom vereist in dit geval een feitelijke bevinding. Omdat slechts éénmaal, tijdens de controle op 12 maart 2024, is geconstateerd dat de gasflessenopslag niet voldeed, heeft het college besloten dat er voor deze overtreding ook maar éénmaal een bedrag van € 1.500,- is verbeurd. Daarnaast is overtreding 4 niet meer in nieuwe wet- en regelgeving, meer specifiek het Besluit activiteiten leefomgeving, terug te vinden. Zodoende ziet het college, in navolging van een uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, af van invordering van het aan die overtreding gekoppelde dwangsombedrag. 3.5. Eiseres is het ook met dit besluit niet eens en is in beroep gekomen. Volgens eiseres kan het gestelde bedrag niet worden ingevorderd, omdat zij niet als overtreder is aan te merken, er geen sprake is geweest van als overtreding aan te merken gedragingen en de last niet is overtreden. Doorbreking van de formele rechtskracht van de last onder dwangsom 4. Eiseres betoogt dat de formele rechtskracht van de last onder dwangsom moet worden doorbroken. Daartoe voert zij primair aan evident geen overtreder te zijn. Daarnaast brengt eiseres naar voren dat van de overtreding 1 en overtreding 3 (zie onder 3.1) geen sprake is geweest, dan wel dat deze geen onderwerp hadden mogen worden van een last onder dwangsom. 4.1. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 14 augustus 2023, waarin aan eiseres vier lasten onder dwangsom zijn opgelegd, in rechte onaantastbaar is, omdat eiseres hiertegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. De rechtmatigheid van de aan eiseres opgelegde lasten is daarmee een gegeven. 4.2.
Volledig
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat een belanghebbende in de procedure tegen een invorderingsbesluit in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. Is evident dat eiseres geen overtreder is? 5. Eiseres betoogt dat niet is komen vast te staan dat – zo al sprake was van overtredingen – zij als overtreder is aan te merken. Daartoe voert zij samengevat aan dat de (vermeende) verboden gedragingen redelijkerwijs niet aan haar konden worden toegerekend, omdat de rechtspersoon [eiseres] niet gevestigd is in of eigenaar is van het pand aan de [locatie 2] en niet kon beschikken over de activiteiten of gedragingen op het betreffende perceel. 5.1. Het college stelt zich primair op het standpunt dat eiseres met deze beroepsgrond te laat is. De reactie van eiseres op het voornemen van het college om tot invordering van de verbeurde dwangsom over te gaan , richtte zich op het niet deugdelijk en oncontroleerbaar vaststellen van overtredingen. Pas in het bezwaar tegen het invorderingsbesluit van 30 mei 2025 betwist eiseres dat zij als overtreder kan worden aangemerkt. Verder brengt het college naar voren dat het overtrederschap van eiseres in de beslissing op bezwaar uitvoerig is behandeld en dat eiseres in deze niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij evident niet als overtreder is aan te merken. 5.2. Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een overtreder degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Dat kan in de eerste plaats degene zijn die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de gedraging is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en als overtreder worden aangemerkt. 5.3. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat voor de vraag of iemand als overtreder aangemerkt kan worden als hij de verboden handeling niet zelf fysiek heeft verricht, wordt aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap. Voor rechtspersonen zijn de criteria uit het zogenoemde Drijfmest -arrest van de Hoge Raad van belang. In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit als de gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe onder andere behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Zo’n gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn als zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon, de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, e rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. 5.4. Het betoog van eiseres dat zij evident geen overtreder is slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan namelijk niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld dat eiseres met de overtredingen niets van doen heeft en is aan het evidentiecriterium dus niet voldaan. Hoewel eiseres heeft aangevoerd dat zij staat ingeschreven op de [locatie 1] , dat zij niet de eigenaar is van het pand of de materialen aan de [locatie 2] en dat de operationele activiteiten op dat perceel niet door haar worden uitgevoerd, heeft zij bevestigd dat zij in het verleden wel degelijk aan de [locatie 2] was gevestigd. Bovendien heeft zij op zitting niet duidelijk kunnen maken, ondanks de wetenschap dat er sprake is van verwevenheid van meerdere holdings en werkbedrijven, aan welke andere onderneming de activiteiten dan wel (vermoedelijk) kunnen worden toegerekend. Eisers heeft ook niet toegelicht waar zij dan wel haar operationele activiteiten uitvoert of materieel opslaat dat voor de uitvoering van haar activiteiten (waaronder sloopwerkzaamheden) noodzakelijk is. Gelet hierop en rekening houdend met het hierboven geschetste toetsingskader kan niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld dat de (vermeende) overtredingen evident niet aan eiseres kunnen worden toegerekend. Evident geen sprake van overtreding 1? 6. Eiseres betoogt dat evident geen sprake is van overtreding 1 en dat die overtreding dus ten onrechte aan de last ten grondslag is gelegd. Zij voert daartoe aan dat zij de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 5:20 van de Awb niet heeft geschonden, omdat de toezichthouder tijdens de controle geen informatie heeft gevorderd over het type koudemiddel en de hoeveelheid die zich daarvan in de airco-unit zou bevinden. Volgens eisers heeft het college dit in de beslissing op bezwaar, door navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften, ook erkend. Daarnaast leidt ook de brief van het college van 29 juni 2021 niet tot een medewerkingsplicht, omdat hierin informatie wordt verzocht en niet gevorderd als bedoeld in artikel 5:16 van de Awb. 6.1. Het college erkent dat geen vordering van de gegevens is gedaan op grond van artikel 5:16, van de Awb. Desondanks blijft overeind dat aan eiseres bij herhaling is verzocht om informatie aan te leveren over het type en de hoeveelheid koudemiddel in de airco-unit. Eiseres heeft hieraan niet de medewerking verleend waartoe zij op grond van artikel 5:20 van de Awb is gehouden. 6.2. Het betoog van eiseres dat evident geen sprake is geweest van overtreding 1 slaagt niet. Niet weersproken is dat eiseres in het kader van handhaving meerdere keren is verzocht om informatie aan te leveren over het type en de hoeveelheid van de gebruikte koelvloeistof in de airco-unit en dat dat verzoek met de brief van 29 juni 2021 ook schriftelijk is gedaan. Deze informatie is, ondanks de algemene medewerkingsplicht die op grond van artikel 5:20, van de Awb op eiseres rust, niet aangeleverd. De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar beroep een (semantische) discussie start over het gebruik van de term ‘verzoeken’ in de brief van 29 juni 2021 versus de term ‘vorderen’ als gebruikt in artikel 5:16 van de Algemene wet bestuursrecht. Het is nog maar de vraag of het noodzakelijk is om de term ‘vorderen’ te gebruiken nu het gaat om het aanleveren van informatie in het kader van een algemene plicht tot het verlenen van medewerking aan toezichthouders. Of sprake is van het ontbreken van een schending van een medewerkingsplicht is dus niet zonder nader onderzoek duidelijk. Dat betekent dat aan het evidentiecriterium niet is voldaan en het betoog van eiseres niet slaagt. Evident geen sprake van overtreding 3? 7. Eiseres betoogt dat evident geen sprake is van overtreding 3 en dat die overtreding dus ten onrechte aan de last ten grondslag is gelegd. Zij betwist dat de opslagvoorziening van de gasflessen niet voldeed aan de eisen die daaraan werden gesteld in PGS (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen) 15. Volgens eiseres is een inpandige opslag niet noodzakelijk, stonden de gasflessen verzekerd tegen de muur en werd voldaan aan de afstandseisen. 7.1.
Volledig
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat een belanghebbende in de procedure tegen een invorderingsbesluit in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. Is evident dat eiseres geen overtreder is? 5. Eiseres betoogt dat niet is komen vast te staan dat – zo al sprake was van overtredingen – zij als overtreder is aan te merken. Daartoe voert zij samengevat aan dat de (vermeende) verboden gedragingen redelijkerwijs niet aan haar konden worden toegerekend, omdat de rechtspersoon [eiseres] niet gevestigd is in of eigenaar is van het pand aan de [locatie 2] en niet kon beschikken over de activiteiten of gedragingen op het betreffende perceel. 5.1. Het college stelt zich primair op het standpunt dat eiseres met deze beroepsgrond te laat is. De reactie van eiseres op het voornemen van het college om tot invordering van de verbeurde dwangsom over te gaan , richtte zich op het niet deugdelijk en oncontroleerbaar vaststellen van overtredingen. Pas in het bezwaar tegen het invorderingsbesluit van 30 mei 2025 betwist eiseres dat zij als overtreder kan worden aangemerkt. Verder brengt het college naar voren dat het overtrederschap van eiseres in de beslissing op bezwaar uitvoerig is behandeld en dat eiseres in deze niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij evident niet als overtreder is aan te merken. 5.2. Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een overtreder degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Dat kan in de eerste plaats degene zijn die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de gedraging is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en als overtreder worden aangemerkt. 5.3. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat voor de vraag of iemand als overtreder aangemerkt kan worden als hij de verboden handeling niet zelf fysiek heeft verricht, wordt aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap. Voor rechtspersonen zijn de criteria uit het zogenoemde Drijfmest -arrest van de Hoge Raad van belang. In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit als de gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe onder andere behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Zo’n gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn als zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon, de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, e rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. 5.4. Het betoog van eiseres dat zij evident geen overtreder is slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan namelijk niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld dat eiseres met de overtredingen niets van doen heeft en is aan het evidentiecriterium dus niet voldaan. Hoewel eiseres heeft aangevoerd dat zij staat ingeschreven op de [locatie 1] , dat zij niet de eigenaar is van het pand of de materialen aan de [locatie 2] en dat de operationele activiteiten op dat perceel niet door haar worden uitgevoerd, heeft zij bevestigd dat zij in het verleden wel degelijk aan de [locatie 2] was gevestigd. Bovendien heeft zij op zitting niet duidelijk kunnen maken, ondanks de wetenschap dat er sprake is van verwevenheid van meerdere holdings en werkbedrijven, aan welke andere onderneming de activiteiten dan wel (vermoedelijk) kunnen worden toegerekend. Eisers heeft ook niet toegelicht waar zij dan wel haar operationele activiteiten uitvoert of materieel opslaat dat voor de uitvoering van haar activiteiten (waaronder sloopwerkzaamheden) noodzakelijk is. Gelet hierop en rekening houdend met het hierboven geschetste toetsingskader kan niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld dat de (vermeende) overtredingen evident niet aan eiseres kunnen worden toegerekend. Evident geen sprake van overtreding 1? 6. Eiseres betoogt dat evident geen sprake is van overtreding 1 en dat die overtreding dus ten onrechte aan de last ten grondslag is gelegd. Zij voert daartoe aan dat zij de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 5:20 van de Awb niet heeft geschonden, omdat de toezichthouder tijdens de controle geen informatie heeft gevorderd over het type koudemiddel en de hoeveelheid die zich daarvan in de airco-unit zou bevinden. Volgens eisers heeft het college dit in de beslissing op bezwaar, door navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften, ook erkend. Daarnaast leidt ook de brief van het college van 29 juni 2021 niet tot een medewerkingsplicht, omdat hierin informatie wordt verzocht en niet gevorderd als bedoeld in artikel 5:16 van de Awb. 6.1. Het college erkent dat geen vordering van de gegevens is gedaan op grond van artikel 5:16, van de Awb. Desondanks blijft overeind dat aan eiseres bij herhaling is verzocht om informatie aan te leveren over het type en de hoeveelheid koudemiddel in de airco-unit. Eiseres heeft hieraan niet de medewerking verleend waartoe zij op grond van artikel 5:20 van de Awb is gehouden. 6.2. Het betoog van eiseres dat evident geen sprake is geweest van overtreding 1 slaagt niet. Niet weersproken is dat eiseres in het kader van handhaving meerdere keren is verzocht om informatie aan te leveren over het type en de hoeveelheid van de gebruikte koelvloeistof in de airco-unit en dat dat verzoek met de brief van 29 juni 2021 ook schriftelijk is gedaan. Deze informatie is, ondanks de algemene medewerkingsplicht die op grond van artikel 5:20, van de Awb op eiseres rust, niet aangeleverd. De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar beroep een (semantische) discussie start over het gebruik van de term ‘verzoeken’ in de brief van 29 juni 2021 versus de term ‘vorderen’ als gebruikt in artikel 5:16 van de Algemene wet bestuursrecht. Het is nog maar de vraag of het noodzakelijk is om de term ‘vorderen’ te gebruiken nu het gaat om het aanleveren van informatie in het kader van een algemene plicht tot het verlenen van medewerking aan toezichthouders. Of sprake is van het ontbreken van een schending van een medewerkingsplicht is dus niet zonder nader onderzoek duidelijk. Dat betekent dat aan het evidentiecriterium niet is voldaan en het betoog van eiseres niet slaagt. Evident geen sprake van overtreding 3? 7. Eiseres betoogt dat evident geen sprake is van overtreding 3 en dat die overtreding dus ten onrechte aan de last ten grondslag is gelegd. Zij betwist dat de opslagvoorziening van de gasflessen niet voldeed aan de eisen die daaraan werden gesteld in PGS (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen) 15. Volgens eiseres is een inpandige opslag niet noodzakelijk, stonden de gasflessen verzekerd tegen de muur en werd voldaan aan de afstandseisen. 7.1.
Volledig
Het college licht toe dat de aanwezige gasflessen in een opslagvoorziening dienen te worden opgeslagen die voldoet aan de eisen uit PGS 15. Het college blijft bij de constatering in het controlerapport van 3 maart 2021 dat de opslagvoorziening niet was voorzien van een slot en niet voldeed aan de veiligheidsafstanden uit de PGS 15. 7.2. Het betoog van eiseres dat van een overtreding evident geen sprake is, slaagt niet. Eiseres betwist niet dat constatering in het controlerapport van 3 maart 2021 dat de opslagvoorziening niet was voorzien van een slot. Verder betwist eiseres weliswaar dat niet aan de afstandseisen werd voldaan, maar zij onderbouwt die betwisting niet. Evident strijd met het legaliteitsbeginsel? 8. Eiseres betoogt in het kader van het doorbeken van de formele rechtskracht van de last onder dwangsom tenslotte nog dat het college niet de bevoegdheid had om voor schending van de medewerkingsplicht (overtreding 1) op grond van artikel 5:20, van de Awb een last onder dwangsom op te leggen. Die bevoegdheid ontstond pas bij de wijziging van de Awb per 1 juli 2021. Omdat de informatie-aanvraag dateert van 29 juni 2021 heeft het college de last onder dwangsom met terugwerkende kracht opgelegd en dat is in strijd met het legaliteitsbeginsel als bedoeld in artikel 5:4, tweede lid, van de Awb. 8.1. Volgens het college slaagt deze beroepsgrond niet. De brief van 29 juni 2021 waar eiseres naar verwijst is namelijk een waarschuwingsbrief met een verzoek aan eiseres om de overtredingen ongedaan te maken. De last onder dwangsom dateert van 14 augustus 2023. Op dat moment bestaat de bevoegdheid van het college al ruim twee jaar. 8.2. Het betoog van eiser dat het college in strijd met het legaliteitsbeginsel heeft gehandeld, door aan de vermeende overtreding een last onder dwangsom te verbinden, slaagt niet. De grondslag voor het opleggen van de last onder dwangsom is gelegen in artikel 5:20, derde lid, van de Awb. Eiseres merkt terecht op dat dit artikel met ingang van 1 juli 2021 in werking is getreden. Dat houdt in dat dat artikel met ingang van die datum kan worden toegepast in situaties waarin de op grond van het eerste lid van artikel 5:20 van de Awb gevorderde medewerking niet binnen de gestelde termijn is verleend. Uit de brief van 29 juni 2021 blijkt dat aan eiseres een termijn van zes weken is gegeven om de gevraagde informatie over de koudevloeistof aan te leveren. Deze termijn is verstreken zonder dat het college de gegevens heeft ontvangen. Ook nadien zijn er meerdere momenten geweest waarop eiseres alsnog aan dit verzoek heeft kunnen voldoen maar niet heeft voldaan. Nu het college pas op 14 augustus 2023 een last onder dwangsom tot nakoming van deze medewerkingsplicht heeft opgelegd, is van handelen in strijd met het legaliteitsbeginsel geen sprake. Daarbij dient te worden meegewogen dat de medewerkingsplicht ook vóór 1 juli 2021 al bestond en diverse bijzondere wetten de mogelijkheid bevatten om de medewerkingsplicht jegens toezichthouders via een last onder bestuursdwang of dwangsom te handhaven. Al die bepalingen zijn via genoemde wijzigingswet vervallen. De rechtsgrondslag voor besluiten op grond van die vervallen bepalingen is overgegaan naar art. 5:20, derde lid, van de Awb. Hierdoor is een algemene grondslag geïntroduceerd, op grond waarvan het bestuursorgaan de medewerkingsplicht kan handhaven door oplegging van een last onder bestuursdwang en daarmee ook een last onder dwangsom. Tussenconclusie doorbreken formele rechtskracht 9. Uit wat door eiseres naar voren is gebracht volgt niet dat eiseres evident geen overtreder is of dat de overtredingen die aan de last onder dwangsom ten grondslag liggen evident niet zijn gepleegd. Ook is niet gebleken dat het college evident in strijd met het legaliteitsbeginsel heeft gehandeld door het opleggen van een last onder dwangsom voor overtreding 1. De rechtbank stelt daarom vast dat van een uitzonderlijk geval op basis waarvan de formele rechtskracht van de last onder dwangsom van 14 augustus 2023 doorbroken zou moeten worden, niet is gebleken. Heeft eiseres de last met betrekking tot overtreding 3 opgevolgd en de dwangsom niet verbeurd? 10. Eiseres betwist dat zij de last met betrekking tot overtreding 3 niet tijdig heeft opgevolgd. Volgens eiseres zag de last namelijk op de opslagvoorziening die aan bepaalde vereisten moest voldoen. De overtreding die tijdens de controle op 12 maart 2024 is geconstateerd gaat over het buiten de opslagvoorziening staan van flessen met brandbare en niet brandbare gassen. Dat maakt echter nog niet dat daarmee de opslagvoorziening niet voldeed aan PGS 15. Daarnaast betoogt eiseres dat de constateringen over de opslagvoorziening die de toezichthouder op 12 maart 2024 nog aanvullend heeft gedaan, onvoldoende onderbouwd of niet relevant zijn. Zo is op de foto’s niet te zien dat in de opslagvoorziening ook andere goederen aanwezig waren, en is een gevaren- of waarschuwingssymbool op de opslagvoorziening geen verplichting die volgt uit de PSG15. Eiseres stelt dan ook dat aan het invorderingsbesluit geen deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag ligt zodat het besluit niet in stand kan blijven. 10.1. De beroepsgrond slaagt niet. Eiseres miskent dat de overtreding en de last tweeledig zijn en zien op enerzijds het daadwerkelijk opbergen van de gasflessen in een daarvoor bedoelde opslagvoorziening, en anderzijds op het moeten voldoen van die opslagvoorziening aan bepaalde vereisten. In het handhavingsbesluit van 14 augustus 2023 staat: “ Overtreding 3: Onjuiste manier opslaan gasflessen Gebleken is dat de aanwezige voorraad gasflessen niet worden opgeslagen in een voorziening welke voldoet aan de eisen uit de PGS 15. De geconstateerde overtreding is in strijd met de volgende wet- en regelgeving (de volledige artikelen vindt u in bijlage I): • artikel 4.1 lid 1 van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 4.4a lid 3 van de Activiteitenregeling in samenhang met voorschrift 6.2.1. van de PGS 15 (PGS 15 versie 2016). (…) Wij leggen u de volgende last op: (…) Overtreding 3: Onjuiste manier opslaan gasflessen Last: U dient de eerder in dit besluit beschreven 'Overtreding 3: onjuiste manier opslaan gasflessen' ongedaan te maken en u dient ervoor zorg te dragen dat de overtreding in de toekomst niet nogmaals plaatsvindt. U kunt uitvoering geven aan deze last door de aanwezige gasflessen op te slaan in een daarvoor bestemde opslagvoorziening op grond artikelen 4.1 lid 1 van het Activiteitenbesluit, 4.4a lid 3 van de Activiteitenregeling en voorschrift 6.2.1. van de PGS 15 (PGS 15 versie 2016), waarbij geen andere goederen aanwezig zijn. Daarbij moet de opslagvoorziening voorzien zijn van een gevaren- of waarschuwingssymbool.” Het college stelt terecht dat aan het voorschrift niet wordt voldaan als de opslagvoorziening zou voldoen maar de gasflessen daarbuiten worden opgeslagen. Uit het controlerapport van de toezichthouder blijkt dat hij op 12 maart 2024 onder meer het volgende heeft geconstateerd: “Ook stonden diverse gasflessen buiten deze bewaarplaats opgesteld.” Eiseres heeft niet betwist dat op die datum meerdere gasflessen buiten de opslagvoorziening stonden. Daarmee is komen vast te staan dat de last is overtreden. 10.2. Omdat er niet gesteld of gebleken is dat er bijzondere omstandigheden zijn om van invordering af te zien, heeft het college tot invordering van de verbeurde dwangsom kunnen overgaan. Proceskosten bezwaarfase 11. Eiseres betoogt dat het college het verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase onterecht heeft afgewezen. Met het herroepen van het primaire besluit en het naar beneden bijstellen van de verbeurde dwangsom is sprake van een aan het college te wijten onrechtmatigheid die tot vergoeding van de proceskosten zou moeten leiden. 11.1. Het college betwist dat het primaire besluit is herroepen vanwege een aan het college te wijten onrechtmatigheid van het besluit.
Volledig
Het college licht toe dat de aanwezige gasflessen in een opslagvoorziening dienen te worden opgeslagen die voldoet aan de eisen uit PGS 15. Het college blijft bij de constatering in het controlerapport van 3 maart 2021 dat de opslagvoorziening niet was voorzien van een slot en niet voldeed aan de veiligheidsafstanden uit de PGS 15. 7.2. Het betoog van eiseres dat van een overtreding evident geen sprake is, slaagt niet. Eiseres betwist niet dat constatering in het controlerapport van 3 maart 2021 dat de opslagvoorziening niet was voorzien van een slot. Verder betwist eiseres weliswaar dat niet aan de afstandseisen werd voldaan, maar zij onderbouwt die betwisting niet. Evident strijd met het legaliteitsbeginsel? 8. Eiseres betoogt in het kader van het doorbeken van de formele rechtskracht van de last onder dwangsom tenslotte nog dat het college niet de bevoegdheid had om voor schending van de medewerkingsplicht (overtreding 1) op grond van artikel 5:20, van de Awb een last onder dwangsom op te leggen. Die bevoegdheid ontstond pas bij de wijziging van de Awb per 1 juli 2021. Omdat de informatie-aanvraag dateert van 29 juni 2021 heeft het college de last onder dwangsom met terugwerkende kracht opgelegd en dat is in strijd met het legaliteitsbeginsel als bedoeld in artikel 5:4, tweede lid, van de Awb. 8.1. Volgens het college slaagt deze beroepsgrond niet. De brief van 29 juni 2021 waar eiseres naar verwijst is namelijk een waarschuwingsbrief met een verzoek aan eiseres om de overtredingen ongedaan te maken. De last onder dwangsom dateert van 14 augustus 2023. Op dat moment bestaat de bevoegdheid van het college al ruim twee jaar. 8.2. Het betoog van eiser dat het college in strijd met het legaliteitsbeginsel heeft gehandeld, door aan de vermeende overtreding een last onder dwangsom te verbinden, slaagt niet. De grondslag voor het opleggen van de last onder dwangsom is gelegen in artikel 5:20, derde lid, van de Awb. Eiseres merkt terecht op dat dit artikel met ingang van 1 juli 2021 in werking is getreden. Dat houdt in dat dat artikel met ingang van die datum kan worden toegepast in situaties waarin de op grond van het eerste lid van artikel 5:20 van de Awb gevorderde medewerking niet binnen de gestelde termijn is verleend. Uit de brief van 29 juni 2021 blijkt dat aan eiseres een termijn van zes weken is gegeven om de gevraagde informatie over de koudevloeistof aan te leveren. Deze termijn is verstreken zonder dat het college de gegevens heeft ontvangen. Ook nadien zijn er meerdere momenten geweest waarop eiseres alsnog aan dit verzoek heeft kunnen voldoen maar niet heeft voldaan. Nu het college pas op 14 augustus 2023 een last onder dwangsom tot nakoming van deze medewerkingsplicht heeft opgelegd, is van handelen in strijd met het legaliteitsbeginsel geen sprake. Daarbij dient te worden meegewogen dat de medewerkingsplicht ook vóór 1 juli 2021 al bestond en diverse bijzondere wetten de mogelijkheid bevatten om de medewerkingsplicht jegens toezichthouders via een last onder bestuursdwang of dwangsom te handhaven. Al die bepalingen zijn via genoemde wijzigingswet vervallen. De rechtsgrondslag voor besluiten op grond van die vervallen bepalingen is overgegaan naar art. 5:20, derde lid, van de Awb. Hierdoor is een algemene grondslag geïntroduceerd, op grond waarvan het bestuursorgaan de medewerkingsplicht kan handhaven door oplegging van een last onder bestuursdwang en daarmee ook een last onder dwangsom. Tussenconclusie doorbreken formele rechtskracht 9. Uit wat door eiseres naar voren is gebracht volgt niet dat eiseres evident geen overtreder is of dat de overtredingen die aan de last onder dwangsom ten grondslag liggen evident niet zijn gepleegd. Ook is niet gebleken dat het college evident in strijd met het legaliteitsbeginsel heeft gehandeld door het opleggen van een last onder dwangsom voor overtreding 1. De rechtbank stelt daarom vast dat van een uitzonderlijk geval op basis waarvan de formele rechtskracht van de last onder dwangsom van 14 augustus 2023 doorbroken zou moeten worden, niet is gebleken. Heeft eiseres de last met betrekking tot overtreding 3 opgevolgd en de dwangsom niet verbeurd? 10. Eiseres betwist dat zij de last met betrekking tot overtreding 3 niet tijdig heeft opgevolgd. Volgens eiseres zag de last namelijk op de opslagvoorziening die aan bepaalde vereisten moest voldoen. De overtreding die tijdens de controle op 12 maart 2024 is geconstateerd gaat over het buiten de opslagvoorziening staan van flessen met brandbare en niet brandbare gassen. Dat maakt echter nog niet dat daarmee de opslagvoorziening niet voldeed aan PGS 15. Daarnaast betoogt eiseres dat de constateringen over de opslagvoorziening die de toezichthouder op 12 maart 2024 nog aanvullend heeft gedaan, onvoldoende onderbouwd of niet relevant zijn. Zo is op de foto’s niet te zien dat in de opslagvoorziening ook andere goederen aanwezig waren, en is een gevaren- of waarschuwingssymbool op de opslagvoorziening geen verplichting die volgt uit de PSG15. Eiseres stelt dan ook dat aan het invorderingsbesluit geen deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag ligt zodat het besluit niet in stand kan blijven. 10.1. De beroepsgrond slaagt niet. Eiseres miskent dat de overtreding en de last tweeledig zijn en zien op enerzijds het daadwerkelijk opbergen van de gasflessen in een daarvoor bedoelde opslagvoorziening, en anderzijds op het moeten voldoen van die opslagvoorziening aan bepaalde vereisten. In het handhavingsbesluit van 14 augustus 2023 staat: “ Overtreding 3: Onjuiste manier opslaan gasflessen Gebleken is dat de aanwezige voorraad gasflessen niet worden opgeslagen in een voorziening welke voldoet aan de eisen uit de PGS 15. De geconstateerde overtreding is in strijd met de volgende wet- en regelgeving (de volledige artikelen vindt u in bijlage I): • artikel 4.1 lid 1 van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 4.4a lid 3 van de Activiteitenregeling in samenhang met voorschrift 6.2.1. van de PGS 15 (PGS 15 versie 2016). (…) Wij leggen u de volgende last op: (…) Overtreding 3: Onjuiste manier opslaan gasflessen Last: U dient de eerder in dit besluit beschreven 'Overtreding 3: onjuiste manier opslaan gasflessen' ongedaan te maken en u dient ervoor zorg te dragen dat de overtreding in de toekomst niet nogmaals plaatsvindt. U kunt uitvoering geven aan deze last door de aanwezige gasflessen op te slaan in een daarvoor bestemde opslagvoorziening op grond artikelen 4.1 lid 1 van het Activiteitenbesluit, 4.4a lid 3 van de Activiteitenregeling en voorschrift 6.2.1. van de PGS 15 (PGS 15 versie 2016), waarbij geen andere goederen aanwezig zijn. Daarbij moet de opslagvoorziening voorzien zijn van een gevaren- of waarschuwingssymbool.” Het college stelt terecht dat aan het voorschrift niet wordt voldaan als de opslagvoorziening zou voldoen maar de gasflessen daarbuiten worden opgeslagen. Uit het controlerapport van de toezichthouder blijkt dat hij op 12 maart 2024 onder meer het volgende heeft geconstateerd: “Ook stonden diverse gasflessen buiten deze bewaarplaats opgesteld.” Eiseres heeft niet betwist dat op die datum meerdere gasflessen buiten de opslagvoorziening stonden. Daarmee is komen vast te staan dat de last is overtreden. 10.2. Omdat er niet gesteld of gebleken is dat er bijzondere omstandigheden zijn om van invordering af te zien, heeft het college tot invordering van de verbeurde dwangsom kunnen overgaan. Proceskosten bezwaarfase 11. Eiseres betoogt dat het college het verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase onterecht heeft afgewezen. Met het herroepen van het primaire besluit en het naar beneden bijstellen van de verbeurde dwangsom is sprake van een aan het college te wijten onrechtmatigheid die tot vergoeding van de proceskosten zou moeten leiden. 11.1. Het college betwist dat het primaire besluit is herroepen vanwege een aan het college te wijten onrechtmatigheid van het besluit.
Volledig
Enkel de hoogte van de verbeurde dwangsom moest worden bijgesteld, omdat het hier niet ging om een voortdurende overtreding en met één controlemoment de dwangsom dus maar eenmaal en niet tienmaal gevorderd had kunnen worden. 11.2 Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 11.3 Het betoog van eiseres slaagt. Herroeping vindt plaats indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot intrekking of wijziging van de primaire beslissing, zodanig dat het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde rechtsgevolg. Het college heeft het besluit van 30 mei 2024 herroepen voor wat betreft de hoogte van de in te vorderen dwangsommen voor overtredingen 3 en 4. De aanleiding voor de verlaging van de verbeurde dwangsom voor overtreding 3 van € 15.000,- naar € 1.500,- is dat er slechts eenmaal is gecontroleerd en geconstateerd dat de gasflessenopslag niet voldeed. Daarmee is sprake van een onrechtmatigheid die aan het college te wijten is. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de met het bezwaar gemaakte proceskosten is afgewezen. 12.2. De rechtbank ziet in het kader van een finale beslechting van het geschil aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.294,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,- en een wegingsfactor 1). 12.3. De rechtbank zal het college ook veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). 12.4. Het college dient het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit voor zover bij dat besluit het verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van haar bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, is afgewezen; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit; veroordeelt het college in de kosten van eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep tot een bedrag van in totaal € 3.142,-; bepaalt dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 385,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. [eiseres] is bij akte van 30 mei 1996 opgericht door [persoon A] , handelend als enig directeur van [naam bedrijf 1] B.V. (gevestigd aan de [locatie 3] in [plaats 2] ). [eiseres] B.V. is een participatiemaatschappij met als enig aandeelhouder en directeur [naam bedrijf 2] B.V. Overtreding van artikel 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Overtreding van Artikel 2.0, tweede lid, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, van de Activiteitenregeling. Overtreding van artikel 4.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 4.4a, derde lid, van de Activiteitenregeling in samenhang met voorschrift 6.2.1. van de PGS 15 (PGS 15 versie 2016). Overtreding van artikel 3.19, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder e, van de Activiteitenregeling in samenhang met voorschrift 5.7.3 van de PGS 28 (versie 1.0 december 2011). € 5.000,- (overtreding 1) + € 10.000,- (overtreding 2) + € 1.500,- (overtreding 3) = € 16.500,- ECLI:NL:RVS:2024:2645, r.o.14 e.v. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466. Zie de zienswijze van eiseres van 22 mei 2024. Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067, r.o. 7.3. e.v. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, zoals verduidelijkt in het arrest van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733. Zie ook Tekst en Commentaar, opmerking 3, onder a bij artikel 5:16 Awb: “In het voorontwerp derde tranche werd, in aansluiting op de gangbare terminologie, nog de term ‘verlangen’ gebruikt in plaats van ‘vorderen’. Met de term ‘vorderen’ is geen inhoudelijk verschil beoogd, maar slechts een betere aansluiting op de terminologie van art. 184 Sr (NV II bij derde tranche Awb, Kamerstuk 23700, 5, p. 67). Dat artikel stelt strafbaar het opzettelijk niet voldoen aan een toezichtsvordering, in de systematiek van titel 5.2 het niet voldoen aan de medewerkingsplicht van art. 5:20, lid 1 (zie art. 5:20, aant. 6).” Zie Tekst en Commentaar bij artikel 5:20, van de Awb, opmerking 5, alinea 4. Zie artikel 5:32, van de Awb. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) van 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25. Artikel 8:72, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
Volledig
Enkel de hoogte van de verbeurde dwangsom moest worden bijgesteld, omdat het hier niet ging om een voortdurende overtreding en met één controlemoment de dwangsom dus maar eenmaal en niet tienmaal gevorderd had kunnen worden. 11.2 Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 11.3 Het betoog van eiseres slaagt. Herroeping vindt plaats indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot intrekking of wijziging van de primaire beslissing, zodanig dat het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde rechtsgevolg. Het college heeft het besluit van 30 mei 2024 herroepen voor wat betreft de hoogte van de in te vorderen dwangsommen voor overtredingen 3 en 4. De aanleiding voor de verlaging van de verbeurde dwangsom voor overtreding 3 van € 15.000,- naar € 1.500,- is dat er slechts eenmaal is gecontroleerd en geconstateerd dat de gasflessenopslag niet voldeed. Daarmee is sprake van een onrechtmatigheid die aan het college te wijten is. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de met het bezwaar gemaakte proceskosten is afgewezen. 12.2. De rechtbank ziet in het kader van een finale beslechting van het geschil aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.294,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,- en een wegingsfactor 1). 12.3. De rechtbank zal het college ook veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). 12.4. Het college dient het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit voor zover bij dat besluit het verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van haar bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, is afgewezen; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit; veroordeelt het college in de kosten van eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep tot een bedrag van in totaal € 3.142,-; bepaalt dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 385,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. [eiseres] is bij akte van 30 mei 1996 opgericht door [persoon A] , handelend als enig directeur van [naam bedrijf 1] B.V. (gevestigd aan de [locatie 3] in [plaats 2] ). [eiseres] B.V. is een participatiemaatschappij met als enig aandeelhouder en directeur [naam bedrijf 2] B.V. Overtreding van artikel 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Overtreding van Artikel 2.0, tweede lid, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, van de Activiteitenregeling. Overtreding van artikel 4.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 4.4a, derde lid, van de Activiteitenregeling in samenhang met voorschrift 6.2.1. van de PGS 15 (PGS 15 versie 2016). Overtreding van artikel 3.19, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder e, van de Activiteitenregeling in samenhang met voorschrift 5.7.3 van de PGS 28 (versie 1.0 december 2011). € 5.000,- (overtreding 1) + € 10.000,- (overtreding 2) + € 1.500,- (overtreding 3) = € 16.500,- ECLI:NL:RVS:2024:2645, r.o.14 e.v. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466. Zie de zienswijze van eiseres van 22 mei 2024. Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067, r.o. 7.3. e.v. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, zoals verduidelijkt in het arrest van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733. Zie ook Tekst en Commentaar, opmerking 3, onder a bij artikel 5:16 Awb: “In het voorontwerp derde tranche werd, in aansluiting op de gangbare terminologie, nog de term ‘verlangen’ gebruikt in plaats van ‘vorderen’. Met de term ‘vorderen’ is geen inhoudelijk verschil beoogd, maar slechts een betere aansluiting op de terminologie van art. 184 Sr (NV II bij derde tranche Awb, Kamerstuk 23700, 5, p. 67). Dat artikel stelt strafbaar het opzettelijk niet voldoen aan een toezichtsvordering, in de systematiek van titel 5.2 het niet voldoen aan de medewerkingsplicht van art. 5:20, lid 1 (zie art. 5:20, aant. 6).” Zie Tekst en Commentaar bij artikel 5:20, van de Awb, opmerking 5, alinea 4. Zie artikel 5:32, van de Awb. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) van 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25. Artikel 8:72, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk.