Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-04-21
ECLI:NL:RBGEL:2026:3020
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/2012 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres 1] en [eiseres 2] , uit [plaats 1] , eiseressen (gemachtigde: mr. D. de Jong), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg (gemachtigden: mr. E. Celik en mr. E. Hilferink). Als derde-partij heeft aan de procedure deelgenomen: woningcorporatie Kleurrijk wonen (gemachtigden: mr. E. van Alphen en B. Frinking). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het toepassen van spoedeisende bestuursdwang vanwege het houden en fokken van een groot aantal honden en het besluit om kostenverhaal voor de kosten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de last onder bestuursdwang. In de beslissing op bezwaar van 26 maart 2025 heeft het college de bezwaarschriften van eiseressen tegen de last onder bestuursdwang en het besluit kostenverhaal ongegrond verklaard en de besluiten in stand gelaten. Eiseressen zijn het niet eens met de beslissing op bezwaar. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake was van een overtreding op grond waarvan het college bevoegd was om handhavend op te treden. Gelet op de ernstige situatie was het college bevoegd om spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om daarvan af te zien. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden om van het kostenverhaal af te zien. Eiseressen krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Aan eiseressen is op 29 juli 2024 een last onder bestuursdwang opgelegd met betrekking tot het houden en fokken van ongeveer 70 honden. Het college is op dezelfde dag overgegaan tot uitvoering van de bestuursdwang. 2.1. Eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen de last onder bestuursdwang. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland tijdens de bezwaarfase verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, om hun honden weer terug te krijgen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van eiseressen in de uitspraak van 9 augustus 2024 afgewezen . 2.2. In het besluit van 20 november 2024 heeft het college de gemaakte kosten voor de uitvoering van de last onder bestuursdwang van 29 juli 2024 op eiseressen verhaald. 2.3. In de beslissing op bezwaar van 26 maart 2025 heeft het college de bezwaarschriften van eiseressen tegen de last onder bestuursdwang en het kostenverhaalsbesluit ongegrond verklaard. 2.4. Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseressen [eiseres 1] met gemachtigde, de gemachtigden van het college en de gemachtigden van Kleurrijk Wonen. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van de last onder bestuursdwang en het kostenverhaalsbesluit 3. Eiseressen huurden (in elk geval ten tijde van het toepassen van de spoedeisende bestuursdwang) de woning [locatie] in [plaats 2] . Sinds maart 2024 hebben de politie en Kleurrijk Wonen (de woningcorporatie die de woning aan eiseressen verhuurde) klachten van omwonenden ontvangen in verband met overlast door het houden van een groot aantal honden. Dit heeft geleid tot bezoeken door de woningcorporatie, de Dierenpolitie en de Landelijke Inspectiedienst. Kleurrijk Wonen en omwonenden hebben vervolgens melding gedaan bij het college. Op 3 en 18 juli 2024 heeft een toezichthouder van het college controles uitgevoerd. Op 23 juli 2024 is opnieuw een controle uitgevoerd, waarbij de toezichthouders met een machtiging tot binnentreden van de burgemeester toegang tot de woning hebben gekregen. In het controlerapport van 25 juli 2024 is vastgelegd wat de toezichthouders hebben aangetroffen. Bij de controle is vastgesteld Volgens artikel 1 van het bestemmingsplan is een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf een beroep of bedrijf dat in een woning wordt uitgeoefend waarvan de ruimtelijke uitwerking of uitstraling met de woonfunctie verenigbaar is en waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en degene die het beroep of het bedrijf uitoefent ook bewoner van de woning is. 5.1. Eiseressen hebben geen gronden gericht tegen het standpunt van het college dat het houden van ongeveer 70 honden niet past bij de begripsomschrijving van een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf. Het houden van deze aantallen honden is een gebruik dat niet verenigbaar is met de woonbestemming. Gezien de ruimtelijke uitstraling van het gebruik en de aard, omvang en intensiteit van dit gebruik is deze uitstraling van dien aard, dat deze planologisch gezien niet meer met de woonfunctie valt te rijmen. Dat betekent dat niet in geschil is dat sprake is van een overtreding en daarom is het college bevoegd om handhavend op te treden. Beginselplicht tot handhaving 6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, moet in geval van een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik maken. Handhavend optreden is alleen onevenredig, als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Beroepsgronden tegen het bestuursdwangbesluit 7. Eiseressen betogen dat het college door het toepassen van spoedeisende bestuursdwang jegens hen onevenredige en disproportionele middelen heeft ingezet. Het college heeft het besluit volgens eiseressen onvoldoende gemotiveerd. Daarbij is van belang dat zowel de gemeente als de (deskundige) instanties al maanden van de situatie bij eiseressen de woning op de hoogte waren, en dat er ook afspraken waren gemaakt en stappen waren gezet om de situatie uiterlijk in september 2024 te beëindigen. Ook geven eiseressen aan dat zij leven voor de hondjes en dat de inbeslagname hun leven kapot heeft gemaakt en dat ze onuitsprekelijk verdrietig zijn. De gevolgen voor eiseressen zijn dus groot. Het kwijtraken van de honden en de woning is voor eiseressen een traumatische ervaring. Die omstandigheden in combinatie met de in de rapportage van 25 juli 2024 aangegeven verbeterde omstandigheden, hadden volgens eiseressen aanleiding moeten zijn om van de last onder bestuursdwang af te zien en hadden, in de beslissing op bezwaar, aanleiding moeten zijn dit besluit alsnog te herroepen. Mocht het college spoedeisende bestuursdwang toepassen? 7.1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Dit staat in artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de vraag of het college spoedeisende bestuursdwang mocht toepassen dient beoordeeld te worden of het college, gelet op de ten tijde van de oplegging van de last onder bestuursdwang aanwezige kennis en ter beschikking staande gegevens, ervan mocht uitgaan dat zich een overtreding voordeed en of het daarbij tot de conclusie kon komen dat een zodanige situatie zich voordeed dat spoedeisende bestuursdwang was vereist om deze situatie te beëindigen. 7.2. De rechtbank oordeelt dat het college spoedeisende bestuursdwang heeft kunnen toepassen en dat het bestr Voor zover eiseressen aanvoeren dat het niet juist is dat zij op 3 juli 2024 de toezichthouder geen toegang hebben gegeven tot de woning maakt dit het voorgaande niet anders. Uit het door de toezichthouder opgemaakte controlerapport blijkt dat eiseressen liever niet wilden dat de toezichthouder de woning binnen ging en er daarom alleen met de bewoner aan de voordeur is gesproken. Ongeacht de reden van het niet binnentreden brengt dit mee dat de toezichthouder dus op dat moment nog niet zelf de situatie ter plekke heeft kunnen waarnemen en daarmee niet van de ernst van de situatie op de hoogte is geweest. Controlerapport van 30 juli 2024 7.5. Voor zover eiseressen aanvoeren dat het controlerapport van 30 juli 2024, dat is opgemaakt naar aanleiding van het uitvoeren van de bestuursdwang op 29 juli 2024, niet in de beslissing op bezwaar meegenomen kon worden omdat dit rapport is opgemaakt na de oplegging van de last onder bestuursdwang volgt de rechtbank dit niet. Het is juist dat dit rapport niet ten grondslag lag aan de last onder bestuursdwang. Het rapport kon echter wel worden meegenomen in de beslissing op bezwaar omdat dat besluit een algehele heroverweging inhoudt op grond van artikel 7:11 van de Awb. Uit het controlerapport van 30 juli 2024 blijkt dat de situatie nog ernstiger was dan op grond van het controlerapport van 25 juli 2024 was aangenomen. Uit dat controlerapport blijkt dat er 125 levende honden in de woning aanwezig waren. En daarnaast 1 hond die dezelfde dag is overleden. Verder lagen er 30 overleden honden/pups in de vriezer en lag er een vooralsnog onbekend aantal overleden honden begraven in de tuin van [locatie] . Het controlerapport van 30 juli 2024 bevestigt achteraf dan ook de noodzaak voor direct handhavend optreden. Advies van de commissie bezwaarschriften 7.6. Voor zover eiseressen opkomen tegen het advies van de commissie bezwaarschriften overweegt de rechtbank als volgt. Het college heeft het advies van de commissie bezwaarschriften aan de beslissing op bezwaar ten grondslag gelegd en heeft dat naar het oordeel ook kunnen doen. Het college stelt terecht dat het advies van de commissie bezwaarschriften aansluit bij de bevindingen uit de controlerapporten van de toezichthouders. Eiseressen voeren aan dat zij hebben weersproken dat zij de toezichthouder op 3 juli 2024 de toegang tot de woning hebben geweigerd, maar in het rapport van de toezichthouder staat onder meer en voor zover hier van belang: “Zij wilde liever niet dat ik de woning binnen ging i.v.m. de honden. Daardoor gesproken met de bewoner aan de voordeur.” Eiseressen voeren ook aan dat ten onrechte is opgenomen dat op 23 juli 2024 zou zijn gebleken dat de honden niet op een correcte diervriendelijke wijze werden verzorgd en dat de woning op 23 juli 2024 ernstig was vervuild. In het rapport van de toezichthouder staat echter dat alle honden (toen geschat: zo’n 70) in de woonkamer waren en dat de honden niet boven of buiten komen. De uitwerpselen van de honden werden direct verwijderd en daarmee waren eiseressen de hele dag bezig. Naast de constatering dat de vloer van de woonkamer er, voor het aantal honden dat er werd gehouden, redelijk bijgehouden/ schoon uitzag, staat ook in het rapport dat in de keuken schimmelvorming en vochtplekken werd waargenomen (“keukenkasten aangevreten - rot weg”) en dat binnen de geur van hondenurine werd geroken. De passages waar eiseressen naar verwijzen zijn naar het oordeel van de rechtbank dus niet onzorgvuldig. Dat de situatie in het verweerschrift van het college in de bezwaarfase op deze punten (deels) in gelijke bewoordingen wordt beschreven maakt op zichzelf niet dat daarmee sprake is van een onzorgvuldig of eenzijdig voorbereid advies. Dat de commissie bezwaarschriften niet uitdrukkelijk ingaat op de bezwaren van eiseressen maakt het voorgaande ook niet anders. Uit de opsomming van de bezwaargronden in het advies blijkt dat de commissie bezwaarschriften de bezwaren van eiseressen tegen de feitenweerg In de voorliggende procedure is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan de kosten van bestuursdwang niet (geheel) voor rekening van eiseressen zouden moeten komen. 9.4. De rechtbank oordeelt dat de hoogte van de door het college teruggevorderde kosten niet onredelijk is. De gemachtigde van het college heeft wat betreft de hoogte van de door de Dierenbescherming aangegeven kosten tijdens de zitting bij de rechtbank toegelicht dat gerekend is met een bedrag van € 25 euro per hond. Er is daarbij uitgegaan van een kleine hond. De kosten bestaan uit de verblijfskosten voor 14 dagen. Het bedrag is weliswaar hoger dan het op de website van de Dierenbescherming genoemde bedrag van € 17 voor de opvang van een kleine hond, maar voor deze situatie (die afwijkt van de situatie waarvoor het bedrag van € 17 geldt) waren de kosten ook hoger begroot. De hoge kosten hebben te maken met de opvang van ongeveer 120 honden. Er zijn kosten gemaakt voor medische keuring, noodzakelijke medische behandelingen, chips en paspoorten en eten en drinken. Gedurende de opvangperiode is een aantal hoogdrachtige teefjes bevallen, wat extra kosten heeft opgeleverd. Op de dag van de uitvoering van de bestuursdwang was het 35 °C, waardoor er minder honden per auto vervoerd mochten worden. Hierdoor moest er vaker met de dieren gereden worden. Verder is bij het controleren van de dieren door de dierenarts gebleken dat veel dieren gezondheidsproblemen hadden, die tot extra zorgkosten hebben geleid. Ook moesten alle dieren op basis van het Besluit houders van dieren geïdentificeerd worden en een identificatiedocument krijgen. Dit betekent dat elke hond een chip moest krijgen en geregistreerd diende te worden. Zonder identificatie is opvang niet mogelijk en kon niet aan de uitvoering van de last worden voldaan. Omdat de oorspronkelijke factuur was gebaseerd op de aanwezigheid van veel minder honden bleken de kosten achteraf veel hoger te zijn dan begroot. Nu het college in het besluit kostenverhaal is uitgegaan van de vooraf ingediende factuur zijn niet de volledige kosten op eiseressen verhaald. Voor zover eiseressen voor het gehanteerde tarief hebben verwezen naar een aantal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit de periode van 2012 tot en met 2017 waarin is gerekend met lagere tarieven maakt dat het voorgaande niet anders. Tarieven zijn sinds de genoemde uitspraken aan aanpassing onderhevig geweest door bijvoorbeeld inflatie, wijzigende marktomstandigheden en ontwikkelingen in de beroepspraktijk. Deze uitspraken geven daarom geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Voor zover eiseressen tijdens de zitting hebben beoogd te betogen dat het college bij het kostenverhaal rekening had moeten houden met de crowdfundingsactie van de Dierenbescherming voor de opvang van de honden waarbij € 91.000 euro is opgehaald volgt de rechtbank dat zonder nadere toelichting, en die ontbreekt, niet. De gemachtigde van het college heeft weliswaar op de zitting toegelicht dat haar ook bekend is dat een crowdfundingsactie is gestart, maar heeft daarnaast ook aangegeven dat de op eiseressen verhaalde kosten niet de daadwerkelijke kosten dekken. 10. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep voor zover dat ziet op het kostenverhaal niet. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met dez