Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-15
ECLI:NL:RBGEL:2026:3008
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
48,367 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3008 text/xml public 2026-04-30T15:55:15 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-15 445578 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3008 text/html public 2026-04-30T15:45:06 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3008 Rechtbank Gelderland , 15-04-2026 / 445578 Aanneming van werk. Opzegging. Afrekening meer- en minderwerk en besparingen. Retentierecht RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/445578 / HA ZA 24-619 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam eisend bedrijf in conventie / verwerend in reconventie] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [vestigingsgemeente] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [de eiser in conventie] , advocaat: mr. F.M. Aarts, tegen 1 [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 2] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna te noemen: [de gedaagde in conventie] dan wel samen in enkelvoud te noemen: [de gedaagde in conventie] , advocaat: mr. H.T.L. Janssen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 6 augustus 2025, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 november 2025. 1.2. Bij conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie hebben [de gedaagde in conventie] aangevoerd dat zij niet zijn getrouwd en dat [de gedaagde sub 2] niet de achternaam van [de gedaagde in conventie] draagt. De rechtbank zal de achternaam van [de gedaagde sub 2] , in de dagvaarding omschreven als “ [de gedaagde sub 2] ”, rectificeren en de juiste naam staat ook in de kop van dit vonnis vermeld. Het is in dit geval voor de processuele wederpartij inmiddels kenbaar dat van een vergissing sprake was en [de eiser in conventie] is blijkens de conclusie van antwoord in reconventie door de vergissing en de rectificatie niet benadeeld of in zijn verdediging geschaad (zie HR 4 december 1998, NJ 1999, 269 en HR 14 december 2007, NJ 2008, 10). 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [de gedaagde in conventie] is eigenaar van de [de molen] (de molen) aan de [adres] te [plaatsnaam] . 2.2. In opdracht van [de gedaagde in conventie] zijn ten behoeve van de verbouwing van de molen en de bouw van een woning aan die molen de volgende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd. MH Tekenwerk heeft in 2018 een technische omschrijving “renovatie [de molen] ” opgesteld, alsmede bestektekeningen. [bouwkundig adviseur 1] , adviseur voor bouwtechniek, heeft in 2018 constructieberekeningen uitgevoerd en constructietekeningen opgesteld. De architect heeft op 8 april 2022 een projectomschrijving “Renovatie [de molen] ” opgesteld (de projectomschrijving). Het project heeft (onder meer) vertraging opgelopen in het vergunningentraject en als gevolg van de coronacrisis. 2.3. De projectomschrijving van 8 april 2022 houdt onder meer het volgende in: 1.2.3 Betalingen (…) Voor te late oplevering wordt een korting van € 100,- excl. BTW per kalenderdag op de aanneemsom toegepast. 1.2.4 Verrekening meer- en minderwerken Meer- en minderwerken slechts uitvoeren na voorafgaande goedkeuring door de directie. De aannemer heeft geen recht op verrekening van meerwerk, waarvan de prijs vooraf niet schriftelijk is overeengekomen. Indien zich meerwerk voordoet dient de aannemer de te besteden tijd vooraf af te stemmen met de directie. Het meerwerk zal tegen een uurtarief van EUR 35 (vijfendertig euro) per uur worden uitgevoerd. (…) 1.2.7 Opleveringstermijn De oplevering zal plaatsvinden in overleg directie en aannemer. Datum oplevering wordt vastgelegd bij de opdracht. (…) 1.2.10 Planning De aannemer dient een planning ter goedkeuring bij de directie in. 2.4. [de eiser in conventie] is aannemer en heeft op 4 juni 2018 voor de verbouwing van de molen en de bouw van de woning aan die molen een offerte uitgebracht aan [de gedaagde in conventie] . De offerte is nadien meerdere keren aangepast. 2.5. De laatste door [de eiser in conventie] uitgebrachte offerte -waarin de door [de eiser in conventie] te verrichten werkzaamheden uitgebreid en gedetailleerd worden omschreven- dateert van 2 mei 2023. In de offerte is vastgelegd dat de datum van aanvang van het werk alsmede de datum van oplevering nader zullen worden bepaald. Verder worden in de offerte de ontvangen stukken genoemd, te weten: tekeningenset nummer 01 tot en met 16.7 van 15 maart 2018, geotechnisch onderzoek 2017-2022 van 30 januari 2018, constructieberekeningen van 14 februari 2018 en constructietekeningen B-01 tot en met B03 van 14 februari 2018. 2.6. [de eiser in conventie] en [de gedaagde in conventie] hebben op 12 mei 2023 een overeenkomst van aanneming van werk gesloten “ met Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk 2013 (AVA 2013) .” In de aannemingsovereenkomst staat achter de omschrijving van het werk: “ Verbouwing/aanbouw van de [de molen] te [plaatsnaam] conform onze offerte met uitwerkdatum 2 mei 2023. De offerte zal leidend zijn .” 2.7. [de gedaagde in conventie] heeft [de eiser in conventie] op 28 mei 2023 de overeenkomst getekend teruggestuurd en hem per e-mail bericht: Met enige vertraging zenden we je de aanneemovk getekend retour. Kan jij hem ook tekenen en aan ons terugsturen? Bij de overeenkomst maken we de volgende opmerkingen. (…) 3. Het bestek is leidende en de uitvoering van het werk dient dan ook in lijn hiermee uitgewerkt te worden tenzij later door of in samenwerking met opdrachtgever aanpassingen zijn gemaakt. 4. Prijsdalingen zullen worden doorgevoerd waar mogelijk. 5. Prijsstijgingen zullen voorafgaand ter goedkeuring met opdrachtgever worden afgestemd. (…) 2.8. In de AVA 2013 komen onder meer de volgende passages voor: Artikel 2: Overeenkomst en contractstukken 1. De overeenkomst komt tot stand door aanvaarding van de offerte door de opdrachtgever. 2. Indien een opdracht wordt gegeven door twee of meer opdrachtgevers zijn zij hoofdelijk verbonden en heeft de aannemer tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het geheel. 3. Tegenstrijdigheden in of tussen contractstukken worden, met inachtneming van de billijkheid, uitgelegd ten nadele van degene door of namens wie deze zijn opgesteld. Dit laat onverlet de verplichting van partijen om elkaar te waarschuwen in geval van klaarblijkelijke tegenstrijdigheden. (…) Artikel 6: Meer en minder werk 1. Verrekening van meer en minder werk vindt plaats: a. ingeval van wijzigingen in de overeenkomst dan wel in de voorwaarden van uitvoering; b. ingeval van afwijkingen van de bedragen van de stelposten; c. ingeval van afwijkingen van verrekenbare hoeveelheden; 2. In geval van door de opdrachtgever gewenste wijzigingen in de overeenkomst dan wel in de voorwaarden van uitvoering kan de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. 3. Wijzigingen in de overeenkomst dan wel de voorwaarden van uitvoering zullen - behoudens spoedeisende omstandigheden - schriftelijk of elektronisch worden overeengekomen. Het gemis van een schriftelijke of elektronische opdracht laat de aanspraken van de aannemer en van de opdrachtgever op verrekening van meer en minder werk onverlet. Bij gebreke van een schriftelijke opdracht rust het bewijs van de wijziging op degene die de aanspraak maakt. 4. Stelposten zijn in de overeenkomst genoemde bedragen, die in de aannemingssom zijn begrepen en die bestemd zijn voor hetzij a. het aanschaffen van bouwstoffen; b. het aanschaffen van bouwstoffen en het verwerken daarvan; c. het verrichten van werkzaamheden, welke op de dag van de overeenkomst onvoldoende nauwkeurig zijn bepaald en welke door de opdrachtgever nader moeten worden ingevuld.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3008 text/xml public 2026-04-30T15:55:15 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-15 445578 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3008 text/html public 2026-04-30T15:45:06 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3008 Rechtbank Gelderland , 15-04-2026 / 445578 Aanneming van werk. Opzegging. Afrekening meer- en minderwerk en besparingen. Retentierecht RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/445578 / HA ZA 24-619 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam eisend bedrijf in conventie / verwerend in reconventie] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [vestigingsgemeente] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [de eiser in conventie] , advocaat: mr. F.M. Aarts, tegen 1 [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 2] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna te noemen: [de gedaagde in conventie] dan wel samen in enkelvoud te noemen: [de gedaagde in conventie] , advocaat: mr. H.T.L. Janssen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 6 augustus 2025, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 november 2025. 1.2. Bij conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie hebben [de gedaagde in conventie] aangevoerd dat zij niet zijn getrouwd en dat [de gedaagde sub 2] niet de achternaam van [de gedaagde in conventie] draagt. De rechtbank zal de achternaam van [de gedaagde sub 2] , in de dagvaarding omschreven als “ [de gedaagde sub 2] ”, rectificeren en de juiste naam staat ook in de kop van dit vonnis vermeld. Het is in dit geval voor de processuele wederpartij inmiddels kenbaar dat van een vergissing sprake was en [de eiser in conventie] is blijkens de conclusie van antwoord in reconventie door de vergissing en de rectificatie niet benadeeld of in zijn verdediging geschaad (zie HR 4 december 1998, NJ 1999, 269 en HR 14 december 2007, NJ 2008, 10). 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [de gedaagde in conventie] is eigenaar van de [de molen] (de molen) aan de [adres] te [plaatsnaam] . 2.2. In opdracht van [de gedaagde in conventie] zijn ten behoeve van de verbouwing van de molen en de bouw van een woning aan die molen de volgende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd. MH Tekenwerk heeft in 2018 een technische omschrijving “renovatie [de molen] ” opgesteld, alsmede bestektekeningen. [bouwkundig adviseur 1] , adviseur voor bouwtechniek, heeft in 2018 constructieberekeningen uitgevoerd en constructietekeningen opgesteld. De architect heeft op 8 april 2022 een projectomschrijving “Renovatie [de molen] ” opgesteld (de projectomschrijving). Het project heeft (onder meer) vertraging opgelopen in het vergunningentraject en als gevolg van de coronacrisis. 2.3. De projectomschrijving van 8 april 2022 houdt onder meer het volgende in: 1.2.3 Betalingen (…) Voor te late oplevering wordt een korting van € 100,- excl. BTW per kalenderdag op de aanneemsom toegepast. 1.2.4 Verrekening meer- en minderwerken Meer- en minderwerken slechts uitvoeren na voorafgaande goedkeuring door de directie. De aannemer heeft geen recht op verrekening van meerwerk, waarvan de prijs vooraf niet schriftelijk is overeengekomen. Indien zich meerwerk voordoet dient de aannemer de te besteden tijd vooraf af te stemmen met de directie. Het meerwerk zal tegen een uurtarief van EUR 35 (vijfendertig euro) per uur worden uitgevoerd. (…) 1.2.7 Opleveringstermijn De oplevering zal plaatsvinden in overleg directie en aannemer. Datum oplevering wordt vastgelegd bij de opdracht. (…) 1.2.10 Planning De aannemer dient een planning ter goedkeuring bij de directie in. 2.4. [de eiser in conventie] is aannemer en heeft op 4 juni 2018 voor de verbouwing van de molen en de bouw van de woning aan die molen een offerte uitgebracht aan [de gedaagde in conventie] . De offerte is nadien meerdere keren aangepast. 2.5. De laatste door [de eiser in conventie] uitgebrachte offerte -waarin de door [de eiser in conventie] te verrichten werkzaamheden uitgebreid en gedetailleerd worden omschreven- dateert van 2 mei 2023. In de offerte is vastgelegd dat de datum van aanvang van het werk alsmede de datum van oplevering nader zullen worden bepaald. Verder worden in de offerte de ontvangen stukken genoemd, te weten: tekeningenset nummer 01 tot en met 16.7 van 15 maart 2018, geotechnisch onderzoek 2017-2022 van 30 januari 2018, constructieberekeningen van 14 februari 2018 en constructietekeningen B-01 tot en met B03 van 14 februari 2018. 2.6. [de eiser in conventie] en [de gedaagde in conventie] hebben op 12 mei 2023 een overeenkomst van aanneming van werk gesloten “ met Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk 2013 (AVA 2013) .” In de aannemingsovereenkomst staat achter de omschrijving van het werk: “ Verbouwing/aanbouw van de [de molen] te [plaatsnaam] conform onze offerte met uitwerkdatum 2 mei 2023. De offerte zal leidend zijn .” 2.7. [de gedaagde in conventie] heeft [de eiser in conventie] op 28 mei 2023 de overeenkomst getekend teruggestuurd en hem per e-mail bericht: Met enige vertraging zenden we je de aanneemovk getekend retour. Kan jij hem ook tekenen en aan ons terugsturen? Bij de overeenkomst maken we de volgende opmerkingen. (…) 3. Het bestek is leidende en de uitvoering van het werk dient dan ook in lijn hiermee uitgewerkt te worden tenzij later door of in samenwerking met opdrachtgever aanpassingen zijn gemaakt. 4. Prijsdalingen zullen worden doorgevoerd waar mogelijk. 5. Prijsstijgingen zullen voorafgaand ter goedkeuring met opdrachtgever worden afgestemd. (…) 2.8. In de AVA 2013 komen onder meer de volgende passages voor: Artikel 2: Overeenkomst en contractstukken 1. De overeenkomst komt tot stand door aanvaarding van de offerte door de opdrachtgever. 2. Indien een opdracht wordt gegeven door twee of meer opdrachtgevers zijn zij hoofdelijk verbonden en heeft de aannemer tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het geheel. 3. Tegenstrijdigheden in of tussen contractstukken worden, met inachtneming van de billijkheid, uitgelegd ten nadele van degene door of namens wie deze zijn opgesteld. Dit laat onverlet de verplichting van partijen om elkaar te waarschuwen in geval van klaarblijkelijke tegenstrijdigheden. (…) Artikel 6: Meer en minder werk 1. Verrekening van meer en minder werk vindt plaats: a. ingeval van wijzigingen in de overeenkomst dan wel in de voorwaarden van uitvoering; b. ingeval van afwijkingen van de bedragen van de stelposten; c. ingeval van afwijkingen van verrekenbare hoeveelheden; 2. In geval van door de opdrachtgever gewenste wijzigingen in de overeenkomst dan wel in de voorwaarden van uitvoering kan de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. 3. Wijzigingen in de overeenkomst dan wel de voorwaarden van uitvoering zullen - behoudens spoedeisende omstandigheden - schriftelijk of elektronisch worden overeengekomen. Het gemis van een schriftelijke of elektronische opdracht laat de aanspraken van de aannemer en van de opdrachtgever op verrekening van meer en minder werk onverlet. Bij gebreke van een schriftelijke opdracht rust het bewijs van de wijziging op degene die de aanspraak maakt. 4. Stelposten zijn in de overeenkomst genoemde bedragen, die in de aannemingssom zijn begrepen en die bestemd zijn voor hetzij a. het aanschaffen van bouwstoffen; b. het aanschaffen van bouwstoffen en het verwerken daarvan; c. het verrichten van werkzaamheden, welke op de dag van de overeenkomst onvoldoende nauwkeurig zijn bepaald en welke door de opdrachtgever nader moeten worden ingevuld.
Volledig
Ten aanzien van iedere stelpost wordt in de overeenkomst vermeld waarop deze betrekking heeft. 5. Bij de ten laste van stelposten te brengen uitgaven wordt gerekend met de aan de aannemer berekende prijzen respectievelijk de door hem gemaakte kosten, te verhogen met een aannemersvergoeding van 10%. (…) 9. (…) Tenzij anders is overeengekomen zal minder werk door de aannemer worden verrekend bij de eindafrekening. (…) Artikel 10: Uitvoeringsduur, uitstel van oplevering en schadevergoeding wegens te late oplevering 1. Indien de termijn, waarbinnen het werk zal worden opgeleverd, is uitgedrukt in werkbare werkdagen, wordt onder werkdag verstaan een kalenderdag, tenzij deze valt op een algemeen of ter plaatse van het werk erkende, of door de overheid dan wel bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst voorgeschreven rust- of feestdag, vakantiedag of andere niet individuele vrije dag (…). 2. De aannemer heeft recht op verlenging van de termijn waarbinnen het werk zal worden opgeleverd indien door overmacht, door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden, dan wel als gevolg van meer en minder werk, niet van de aannemer kan worden gevergd dat het werk binnen de overeengekomen termijn wordt opgeleverd. 3. Bij overschrijding van de overeengekomen bouwtijd is de aannemer een gefixeerde schadevergoeding aan de opdrachtgever verschuldigd van € 40 per werkdag tot de dag waarop het werk aan de opdrachtgever wordt opgeleverd, behoudens voor zover de aannemer recht heeft op bouwtijdverlenging. Voor de toepassing van dit lid wordt als dag van oplevering aangemerkt de dag waarop het werk volgens de aannemer gereed was voor oplevering, mits het werk vervolgens als opgeleverd geldt, dan wel de dag van ingebruikneming van het werk door de opdrachtgever. 4. De gefixeerde schadevergoeding is zonder ingebrekestelling verschuldigd en kan worden verrekend met hetgeen de aannemer nog toekomt. 5. De gefixeerde schadevergoeding bedraagt bij een overeengekomen aannemingssom kleiner of gelijk aan € 20.000 ten hoogste 25% van die aannemingssom en bij een overeengekomen aannemingssom groter dan € 20.000 ten hoogste 15% van die aannemingssom. (…) Artikel 11: In gebreke blijven van de opdrachtgever 1. Indien de opdrachtgever met de betaling van hetgeen hij ingevolge de overeenkomst aan de aannemer verschuldigd is in gebreke blijft, is hij daarover met ingang van de vervaldag de wettelijke rente verschuldigd. Indien na verloop van 14 dagen na de vervaldag nog geen betaling heeft plaatsgevonden, wordt het in de voorgaande zin bedoelde rentepercentage met 2 verhoogd. 2. Indien de opdrachtgever niet tijdig betaalt, is de aannemer gerechtigd tot invordering van het verschuldigde over te gaan, mits hij de opdrachtgever schriftelijk of elektronisch heeft aangemaand om alsnog binnen 14 dagen te betalen en die betaling is uitgebleven. Indien de aannemer tot invordering overgaat, zijn de daaraan verbonden buitengerechtelijke kosten voor rekening van de opdrachtgever, mits de hoogte hiervan in de aanmaning is vermeld. De aannemer is gerechtigd hiervoor in rekening te brengen het bedrag conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (…). 4. Indien de opdrachtgever enige op hem rustende verplichting niet nakomt, is de aannemer gerechtigd het werk te schorsen tot het moment waarop de opdrachtgever deze verplichting is nagekomen, dan wel het werk in onvoltooide staat te beëindigen, mits de aannemer de opdrachtgever vooraf schriftelijk of elektronisch op deze gevolgen van het niet-nakomen heeft gewezen. Het in de vorige zin bepaalde laat onverlet het recht van de aannemer op vergoeding van schade, kosten en rente. (…). 6. Indien op grond van dit artikel sprake is van schorsing respectievelijk beëindiging in onvoltooide staat, is het bepaalde in artikel 14 lid 5 van toepassing. (…) Artikel 13: Opschorting van de betaling Indien het uitgevoerde werk niet voldoet aan de overeenkomst heeft de opdrachtgever het recht de betaling geheel of gedeeltelijk op te schorten. Het met de opschorting gemoeide bedrag dient in redelijke verhouding te staan tot de tekortkoming. De opdrachtgever meldt schriftelijk of elektronisch de opschorting en de reden daarvan aan de aannemer. Artikel 14: Schorsing, beëindiging van het werk in onvoltooide staat en opzegging (…) 5. De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen. De aannemer heeft in dat geval recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten (…). 2.9. De aanneemsom bedraagt € 334.277,00 exclusief btw en € 404.475,17 (inclusief 21% btw), waarbij het doorberekenen van prijsstijgingen tijdens de bouw is voorbehouden. 2.10. [de gedaagde in conventie] heeft op 4 oktober 2023 van [de eiser in conventie] een “ Voorlopige planning de Molen [plaatsnaam] . ” ontvangen. Als einddatum van de werkzaamheden van [de eiser in conventie] is daarin uitgegaan van 9 februari 2024. 2.11. [de eiser in conventie] heeft [de gedaagde in conventie] per e-mail van 27 oktober 2023 het volgende bericht over “steiger ivm stucadoor”: (…) Montage en demontage steiger geeft een meerprijs op de offerte van € 993,00 Huur steiger per week € 332,00 (…) 2.12. Per e-mail van 2 november 2023 heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] de kosten voor het zetwerk geoffreerd en daarbij vermeld “De totaalprijs is €16.050 excl btw”. 2.13. Op 21 november 2023 heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] het volgende per e-mail bericht over “stalen hoeken”: (…) De hoeken op maat gemaakt kosten €2990,00 ex btw Plaatsen incl bevestigingsmateriaal €1160,00 ex btw (…) 2.14. Het werk was op 9 februari 2024 niet gereed om opgeleverd te worden. 2.15. In de aannemingsovereenkomst is vastgelegd dat de aannemingsovereenkomst in 10 termijnen zal worden betaald, telkens binnen 10 dagen na factuurdatum. 2.16. [de gedaagde in conventie] heeft de eerste 8 facturen betaald. De 9e termijn (10 % van de aanneemsom) is verschuldigd na “leveren tegels”. De 10e termijn (5% van de aanneemsom) is verschuldigd “voor/bij oplevering”. 2.17. [de eiser in conventie] heeft [de gedaagde in conventie] meerwerk gefactureerd op 13 februari 2024 voor € 25.877,06 (inclusief btw). Na een correctie van die factuur heeft [de gedaagde in conventie] € 24.097,15 betaald. 2.18. Op 21 maart 2024 heeft [de eiser in conventie] materialen voor buitenstucwerk gefactureerd voor € 66.620,65 (inclusief btw). [de gedaagde in conventie] heeft deze factuur betaald. 2.19. [de eiser in conventie] heeft [de gedaagde in conventie] meerwerk gefactureerd op 15 mei 2024 voor € 23.556,04 (inclusief btw). Die factuur is aangepast wegens het vervallen van “voordeur hout” en van het vervallen van “aanpassing dakluik” tot € 13.215,38 en door [de gedaagde in conventie] betaald. 2.20. [de eiser in conventie] heeft op 15 mei 2024 de factuur voor de 9e termijn aan [de gedaagde in conventie] verzonden onder vermelding van “10% van de aanneemsom, leveren tegels.” (€ 33.427,70 exclusief btw en € 40.447,52 inclusief btw). De factuur kent een betalingstermijn van 10 dagen. Betaling van deze factuur heeft niet binnen deze termijn plaatsgevonden. 2.21. [de eiser in conventie] heeft per e-mail van 31 mei 2024 onder meer het volgende aan [de gedaagde in conventie] medegedeeld: “ De faktuur van het 9e termijn zal zoals vanmorgen besproken, worden voldaan na het leggen van de cementdekvloer .” 2.22. De cementdekvloer is op 12 juni 2024 gestort. Betaling van de 9e termijn is echter uitgebleven. 2.23. [de gedaagde in conventie] heeft per e-mail van 26 juni 2024 onder meer aan [de eiser in conventie] bericht: Wij verwachten dat morgen weer mensen op de bouw zijn om de doorgangen af te werken en de overige werkzaamheden af te werken. Wanneer je hiervan af ziet en er wederom niemand op de bouw is om de overige werkzaamheden af te ronden als ook de garagedeur te plaatsen zullen wij alle toekomstige betalingen opschorten totdat je de gemaakte afspraken nakomt. Dit geldt dan ook voor eventuele termijnbetalingen . 2.24.
Volledig
Ten aanzien van iedere stelpost wordt in de overeenkomst vermeld waarop deze betrekking heeft. 5. Bij de ten laste van stelposten te brengen uitgaven wordt gerekend met de aan de aannemer berekende prijzen respectievelijk de door hem gemaakte kosten, te verhogen met een aannemersvergoeding van 10%. (…) 9. (…) Tenzij anders is overeengekomen zal minder werk door de aannemer worden verrekend bij de eindafrekening. (…) Artikel 10: Uitvoeringsduur, uitstel van oplevering en schadevergoeding wegens te late oplevering 1. Indien de termijn, waarbinnen het werk zal worden opgeleverd, is uitgedrukt in werkbare werkdagen, wordt onder werkdag verstaan een kalenderdag, tenzij deze valt op een algemeen of ter plaatse van het werk erkende, of door de overheid dan wel bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst voorgeschreven rust- of feestdag, vakantiedag of andere niet individuele vrije dag (…). 2. De aannemer heeft recht op verlenging van de termijn waarbinnen het werk zal worden opgeleverd indien door overmacht, door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden, dan wel als gevolg van meer en minder werk, niet van de aannemer kan worden gevergd dat het werk binnen de overeengekomen termijn wordt opgeleverd. 3. Bij overschrijding van de overeengekomen bouwtijd is de aannemer een gefixeerde schadevergoeding aan de opdrachtgever verschuldigd van € 40 per werkdag tot de dag waarop het werk aan de opdrachtgever wordt opgeleverd, behoudens voor zover de aannemer recht heeft op bouwtijdverlenging. Voor de toepassing van dit lid wordt als dag van oplevering aangemerkt de dag waarop het werk volgens de aannemer gereed was voor oplevering, mits het werk vervolgens als opgeleverd geldt, dan wel de dag van ingebruikneming van het werk door de opdrachtgever. 4. De gefixeerde schadevergoeding is zonder ingebrekestelling verschuldigd en kan worden verrekend met hetgeen de aannemer nog toekomt. 5. De gefixeerde schadevergoeding bedraagt bij een overeengekomen aannemingssom kleiner of gelijk aan € 20.000 ten hoogste 25% van die aannemingssom en bij een overeengekomen aannemingssom groter dan € 20.000 ten hoogste 15% van die aannemingssom. (…) Artikel 11: In gebreke blijven van de opdrachtgever 1. Indien de opdrachtgever met de betaling van hetgeen hij ingevolge de overeenkomst aan de aannemer verschuldigd is in gebreke blijft, is hij daarover met ingang van de vervaldag de wettelijke rente verschuldigd. Indien na verloop van 14 dagen na de vervaldag nog geen betaling heeft plaatsgevonden, wordt het in de voorgaande zin bedoelde rentepercentage met 2 verhoogd. 2. Indien de opdrachtgever niet tijdig betaalt, is de aannemer gerechtigd tot invordering van het verschuldigde over te gaan, mits hij de opdrachtgever schriftelijk of elektronisch heeft aangemaand om alsnog binnen 14 dagen te betalen en die betaling is uitgebleven. Indien de aannemer tot invordering overgaat, zijn de daaraan verbonden buitengerechtelijke kosten voor rekening van de opdrachtgever, mits de hoogte hiervan in de aanmaning is vermeld. De aannemer is gerechtigd hiervoor in rekening te brengen het bedrag conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (…). 4. Indien de opdrachtgever enige op hem rustende verplichting niet nakomt, is de aannemer gerechtigd het werk te schorsen tot het moment waarop de opdrachtgever deze verplichting is nagekomen, dan wel het werk in onvoltooide staat te beëindigen, mits de aannemer de opdrachtgever vooraf schriftelijk of elektronisch op deze gevolgen van het niet-nakomen heeft gewezen. Het in de vorige zin bepaalde laat onverlet het recht van de aannemer op vergoeding van schade, kosten en rente. (…). 6. Indien op grond van dit artikel sprake is van schorsing respectievelijk beëindiging in onvoltooide staat, is het bepaalde in artikel 14 lid 5 van toepassing. (…) Artikel 13: Opschorting van de betaling Indien het uitgevoerde werk niet voldoet aan de overeenkomst heeft de opdrachtgever het recht de betaling geheel of gedeeltelijk op te schorten. Het met de opschorting gemoeide bedrag dient in redelijke verhouding te staan tot de tekortkoming. De opdrachtgever meldt schriftelijk of elektronisch de opschorting en de reden daarvan aan de aannemer. Artikel 14: Schorsing, beëindiging van het werk in onvoltooide staat en opzegging (…) 5. De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen. De aannemer heeft in dat geval recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten (…). 2.9. De aanneemsom bedraagt € 334.277,00 exclusief btw en € 404.475,17 (inclusief 21% btw), waarbij het doorberekenen van prijsstijgingen tijdens de bouw is voorbehouden. 2.10. [de gedaagde in conventie] heeft op 4 oktober 2023 van [de eiser in conventie] een “ Voorlopige planning de Molen [plaatsnaam] . ” ontvangen. Als einddatum van de werkzaamheden van [de eiser in conventie] is daarin uitgegaan van 9 februari 2024. 2.11. [de eiser in conventie] heeft [de gedaagde in conventie] per e-mail van 27 oktober 2023 het volgende bericht over “steiger ivm stucadoor”: (…) Montage en demontage steiger geeft een meerprijs op de offerte van € 993,00 Huur steiger per week € 332,00 (…) 2.12. Per e-mail van 2 november 2023 heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] de kosten voor het zetwerk geoffreerd en daarbij vermeld “De totaalprijs is €16.050 excl btw”. 2.13. Op 21 november 2023 heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] het volgende per e-mail bericht over “stalen hoeken”: (…) De hoeken op maat gemaakt kosten €2990,00 ex btw Plaatsen incl bevestigingsmateriaal €1160,00 ex btw (…) 2.14. Het werk was op 9 februari 2024 niet gereed om opgeleverd te worden. 2.15. In de aannemingsovereenkomst is vastgelegd dat de aannemingsovereenkomst in 10 termijnen zal worden betaald, telkens binnen 10 dagen na factuurdatum. 2.16. [de gedaagde in conventie] heeft de eerste 8 facturen betaald. De 9e termijn (10 % van de aanneemsom) is verschuldigd na “leveren tegels”. De 10e termijn (5% van de aanneemsom) is verschuldigd “voor/bij oplevering”. 2.17. [de eiser in conventie] heeft [de gedaagde in conventie] meerwerk gefactureerd op 13 februari 2024 voor € 25.877,06 (inclusief btw). Na een correctie van die factuur heeft [de gedaagde in conventie] € 24.097,15 betaald. 2.18. Op 21 maart 2024 heeft [de eiser in conventie] materialen voor buitenstucwerk gefactureerd voor € 66.620,65 (inclusief btw). [de gedaagde in conventie] heeft deze factuur betaald. 2.19. [de eiser in conventie] heeft [de gedaagde in conventie] meerwerk gefactureerd op 15 mei 2024 voor € 23.556,04 (inclusief btw). Die factuur is aangepast wegens het vervallen van “voordeur hout” en van het vervallen van “aanpassing dakluik” tot € 13.215,38 en door [de gedaagde in conventie] betaald. 2.20. [de eiser in conventie] heeft op 15 mei 2024 de factuur voor de 9e termijn aan [de gedaagde in conventie] verzonden onder vermelding van “10% van de aanneemsom, leveren tegels.” (€ 33.427,70 exclusief btw en € 40.447,52 inclusief btw). De factuur kent een betalingstermijn van 10 dagen. Betaling van deze factuur heeft niet binnen deze termijn plaatsgevonden. 2.21. [de eiser in conventie] heeft per e-mail van 31 mei 2024 onder meer het volgende aan [de gedaagde in conventie] medegedeeld: “ De faktuur van het 9e termijn zal zoals vanmorgen besproken, worden voldaan na het leggen van de cementdekvloer .” 2.22. De cementdekvloer is op 12 juni 2024 gestort. Betaling van de 9e termijn is echter uitgebleven. 2.23. [de gedaagde in conventie] heeft per e-mail van 26 juni 2024 onder meer aan [de eiser in conventie] bericht: Wij verwachten dat morgen weer mensen op de bouw zijn om de doorgangen af te werken en de overige werkzaamheden af te werken. Wanneer je hiervan af ziet en er wederom niemand op de bouw is om de overige werkzaamheden af te ronden als ook de garagedeur te plaatsen zullen wij alle toekomstige betalingen opschorten totdat je de gemaakte afspraken nakomt. Dit geldt dan ook voor eventuele termijnbetalingen . 2.24.
Volledig
[de gedaagde in conventie] heeft bij e-mail van 21 juli 2024 aan [de eiser in conventie] laten weten dat in strijd met de gemaakte afspraken [de eiser in conventie] de afgelopen week niet op het werk is verschenen en dat hij iedere betaling opschort totdat [de eiser in conventie] de werkafspraken nakomt. 2.25. [de gedaagde in conventie] heeft op de factuur voor de 9e termijn op 23 juli 2024 en 25 augustus 2024 telkens een bedrag van € 6.000,00 aan [de eiser in conventie] betaald. [de gedaagde in conventie] heeft per e-mail van 8 augustus 2024 (tijdens de bouwvak) onder meer het volgende aan [de eiser in conventie] medegedeeld: Je bent nu 6 maanden te laat met de oplevering en in de afgelopen 7 weken is er sporadisch (nog geen 4 volle dagen) iemand van jullie team op de bouw geweest. Er is dan ook nagenoeg niks door jouw team gedaan en de werkzaamheden die gedaan zijn zijn kwalitatief zo slecht dat, door ons ingeschakelde derden, deze werkzaamheden hebben moeten corrigeren of dat het overnieuw gedaan moest worden (bijvoorbeeld: Doorgangen molen, muurtje badkamer, trap, trappengat etc). (…) Wij stellen jou (…) hierbij dan ook in gebreke (…) en sommeren jullie de nog te verrichten werkzaamheden zo snel mogelijk, maar in ieder geval voor eind augustus 2024 af te ronden (…). Zoals reeds eerder aangegeven zullen wij zodra het werk goed en volledig is uitgevoerd, het nog niet betaalde deel van het overeengekomen bedrag aan jullie overmaken. Wanneer jullie niet binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldoen, behouden wij ons het recht voor om het herstel door een andere partij te laten uitvoeren. Eventuele kosten of hierdoor ontstane schade zullen wij hiervoor op jullie verhalen (…) . 2.26. Op 21 augustus 2024 heeft [de eiser in conventie] met [de gedaagde in conventie] alle openstaande punten in het werk doorgenomen. [de gedaagde in conventie] heeft vervolgens op 22 augustus 2024 een e-mail aan [de eiser in conventie] verzonden met de punten die volgens hem nog open stonden. [de eiser in conventie] heeft daarop per e-mail van 28 augustus 2024 gereageerd, waarbij hij heeft aangegeven wat er wel en wat er niet klopt aan de door [de gedaagde in conventie] opgesomde punten. [de gedaagde in conventie] heeft per e-mail van 30 augustus 2024 zijn reactie aan [de eiser in conventie] kenbaar gemaakt. [de eiser in conventie] en [de gedaagde in conventie] zijn niet tot overeenstemming met elkaar gekomen over de afronding van de werkzaamheden. 2.27. [de eiser in conventie] heeft per factuur van 18 september 2024 aan [de gedaagde in conventie] meerwerk gefactureerd ad € 36.876,75 inclusief btw (€ 30.476,65 exclusief btw) onder vermelding van: “ Betaling gaarne binnen 10 dagen (…) .” In deze factuur is minderwerk verdisconteerd. Nadien heeft [de eiser in conventie] twee posten van deze meerwerkfactuur naar beneden bijgesteld en gecrediteerd met de factuur van 13 juni 2025 voor de 10e termijn. Betaling door [de gedaagde in conventie] van de meerwerkfactuur van 18 september 2024 is uitgebleven. 2.28. Mr. [bouwkundig adviseur 2] , werkzaam bij Bouwend Nederland advies, heeft bij brief van 20 september 2024 namens [de eiser in conventie] aan [de gedaagde in conventie] laten weten dat de volgende onderdelen nog uitgevoerd moeten worden: “ tegels ter plaatse van balkon ”; “ balustrade (stelpost )”; “ aftimmeren deurkozijnen ” en “ plaatsen vloerplinten ”. Namens [de eiser in conventie] heeft mr. [bouwkundig adviseur 2] [de gedaagde in conventie] daarbij gesommeerd om het restant van de factuur van de 9e termijn, zijnde een bedrag van € 28.447,52 binnen 15 dagen te voldoen onder vermelding dat bij uitblijven van betaling aanspraak wordt gemaakt op rente en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.059,48. Van deze tevens per e-mail verzonden brief heeft mr. [bouwkundig adviseur 2] een leesbevestiging ontvangen. 2.29. Mr. [bouwkundig adviseur 2] heeft bij brief van 11 oktober 2024 [de gedaagde in conventie] ook gesommeerd om binnen 5 dagen -naast het restant van de factuur van de 9e termijn- ook de meerwerknota van 18 september 2024 ad € 36.876,75 te betalen. [de gedaagde in conventie] heeft niet betaald. 2.30. [de eiser in conventie] heeft op 18 oktober 2024 -onder het plaatsen van borden waarop wordt aangegeven dat hij van zijn retentierecht gebruik maakt- de bouwplaats afgesloten. Mr. [bouwkundig adviseur 2] heeft [de gedaagde in conventie] per brief van 18 oktober 2024 over de uitoefening van het retentierecht geïnformeerd. 2.31. [de gedaagde in conventie] heeft zich dezelfde dag nog toegang tot de bouwplaats verschaft en heeft daarbij de sloten vervangen. 2.32. Mr. [bouwkundig adviseur 2] heeft [de gedaagde in conventie] bij brief van 25 oktober 2024 nogmaals -tevergeefs- gesommeerd tot betaling, binnen 15 dagen vanaf bezorging van de brief, van het restant van de 9e termijn alsmede van de (naar een bedrag van € 35.130,72) bijgestelde meerwerkfactuur van 18 september 2024 onder aanzegging van buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel. 2.33. [de eiser in conventie] heeft op 1 november 2024 bij de politie aangifte gedaan van vernieling en het verbreken van het retentierecht door [de gedaagde in conventie] . 2.34. Tussen partijen is een impasse ontstaan: [de eiser in conventie] wilde pas verder gaan met zijn werkzaamheden nadat [de gedaagde in conventie] het restant van de 9e termijnfactuur had betaald en [de gedaagde in conventie] wenste pas te betalen nadat [de eiser in conventie] haar werkzaamheden had voltooid. 2.35. Bij brief van 6 november 2024 heeft [de eiser in conventie] zich om de ontstane impasse te doorbreken jegens [de gedaagde in conventie] bereid verklaard om het werk te voltooien, zodat het werk kon worden opgeleverd en heeft hij [de gedaagde in conventie] verzocht om toegelaten te worden tot het werk. 2.36. [de gedaagde in conventie] heeft daarop bij e-mail van 12 november 2024 aan de raadsman van [de eiser in conventie] laten weten dat [de eiser in conventie] niet meer in de gelegenheid zal worden gesteld om werkzaamheden op de bouw uit te voeren. 2.37. Bij vonnis in incident van deze rechtbank van 5 maart 2025 is de vordering van [de eiser in conventie] , strekkende tot -kort gezegd- herstel van het retentierecht voor de duur van het geding op grond van een belangenafweging afgewezen, met veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van het incident. 2.38. [de eiser in conventie] heeft op 13 juni 2025 de factuur voor de 10e termijn ad € 16.713,85 (exclusief btw) opgesteld en bij conclusie van antwoord in reconventie in het geding gebracht en haar eis daarop aangepast. In deze factuur heeft [de eiser in conventie] daarnaast voor montage en demontage van de steiger en transport en handelingen de eerder aangekondigde minderprijs van in totaal € 1.443,00 (exclusief btw) doorgevoerd. Verder heeft [de eiser in conventie] wegens “ Besparing aftimmeren kozijnen en plinten ” een bedrag van € 804,07 in mindering gebracht, voor “ Besparing balustrade balkon ” een bedrag van € 5.200,00 (“ totaal € 6.000,00 minus: ankers leveren/lassen, winst en risico ”) en voor “ Besparing rubberen tegels balkon ” een bedrag van € 1.379,95 (“ totaal € 1.533,28 minus: winst en risico ”), alle bedragen exclusief btw. De factuur komt daarmee uit op een door [de gedaagde in conventie] te betalen bedrag van € 9.543,06 (inclusief btw ad € 1.656,23). [de gedaagde in conventie] heeft ook deze factuur niet betaald. 2.39. [de gedaagde in conventie] is in december 2024 naar de molen (-woning) verhuisd. 3 Het geschil in conventie 3.1. [de eiser in conventie] vordert -na wijziging c.q. vermeerdering van eis- samengevat dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a. voor recht verklaart dat het door [de eiser in conventie] uitgeoefende retentierecht rechtmatig was en dat [de gedaagde in conventie] het retentierecht onrechtmatig heeft verbroken; b.
Volledig
[de gedaagde in conventie] heeft bij e-mail van 21 juli 2024 aan [de eiser in conventie] laten weten dat in strijd met de gemaakte afspraken [de eiser in conventie] de afgelopen week niet op het werk is verschenen en dat hij iedere betaling opschort totdat [de eiser in conventie] de werkafspraken nakomt. 2.25. [de gedaagde in conventie] heeft op de factuur voor de 9e termijn op 23 juli 2024 en 25 augustus 2024 telkens een bedrag van € 6.000,00 aan [de eiser in conventie] betaald. [de gedaagde in conventie] heeft per e-mail van 8 augustus 2024 (tijdens de bouwvak) onder meer het volgende aan [de eiser in conventie] medegedeeld: Je bent nu 6 maanden te laat met de oplevering en in de afgelopen 7 weken is er sporadisch (nog geen 4 volle dagen) iemand van jullie team op de bouw geweest. Er is dan ook nagenoeg niks door jouw team gedaan en de werkzaamheden die gedaan zijn zijn kwalitatief zo slecht dat, door ons ingeschakelde derden, deze werkzaamheden hebben moeten corrigeren of dat het overnieuw gedaan moest worden (bijvoorbeeld: Doorgangen molen, muurtje badkamer, trap, trappengat etc). (…) Wij stellen jou (…) hierbij dan ook in gebreke (…) en sommeren jullie de nog te verrichten werkzaamheden zo snel mogelijk, maar in ieder geval voor eind augustus 2024 af te ronden (…). Zoals reeds eerder aangegeven zullen wij zodra het werk goed en volledig is uitgevoerd, het nog niet betaalde deel van het overeengekomen bedrag aan jullie overmaken. Wanneer jullie niet binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldoen, behouden wij ons het recht voor om het herstel door een andere partij te laten uitvoeren. Eventuele kosten of hierdoor ontstane schade zullen wij hiervoor op jullie verhalen (…) . 2.26. Op 21 augustus 2024 heeft [de eiser in conventie] met [de gedaagde in conventie] alle openstaande punten in het werk doorgenomen. [de gedaagde in conventie] heeft vervolgens op 22 augustus 2024 een e-mail aan [de eiser in conventie] verzonden met de punten die volgens hem nog open stonden. [de eiser in conventie] heeft daarop per e-mail van 28 augustus 2024 gereageerd, waarbij hij heeft aangegeven wat er wel en wat er niet klopt aan de door [de gedaagde in conventie] opgesomde punten. [de gedaagde in conventie] heeft per e-mail van 30 augustus 2024 zijn reactie aan [de eiser in conventie] kenbaar gemaakt. [de eiser in conventie] en [de gedaagde in conventie] zijn niet tot overeenstemming met elkaar gekomen over de afronding van de werkzaamheden. 2.27. [de eiser in conventie] heeft per factuur van 18 september 2024 aan [de gedaagde in conventie] meerwerk gefactureerd ad € 36.876,75 inclusief btw (€ 30.476,65 exclusief btw) onder vermelding van: “ Betaling gaarne binnen 10 dagen (…) .” In deze factuur is minderwerk verdisconteerd. Nadien heeft [de eiser in conventie] twee posten van deze meerwerkfactuur naar beneden bijgesteld en gecrediteerd met de factuur van 13 juni 2025 voor de 10e termijn. Betaling door [de gedaagde in conventie] van de meerwerkfactuur van 18 september 2024 is uitgebleven. 2.28. Mr. [bouwkundig adviseur 2] , werkzaam bij Bouwend Nederland advies, heeft bij brief van 20 september 2024 namens [de eiser in conventie] aan [de gedaagde in conventie] laten weten dat de volgende onderdelen nog uitgevoerd moeten worden: “ tegels ter plaatse van balkon ”; “ balustrade (stelpost )”; “ aftimmeren deurkozijnen ” en “ plaatsen vloerplinten ”. Namens [de eiser in conventie] heeft mr. [bouwkundig adviseur 2] [de gedaagde in conventie] daarbij gesommeerd om het restant van de factuur van de 9e termijn, zijnde een bedrag van € 28.447,52 binnen 15 dagen te voldoen onder vermelding dat bij uitblijven van betaling aanspraak wordt gemaakt op rente en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.059,48. Van deze tevens per e-mail verzonden brief heeft mr. [bouwkundig adviseur 2] een leesbevestiging ontvangen. 2.29. Mr. [bouwkundig adviseur 2] heeft bij brief van 11 oktober 2024 [de gedaagde in conventie] ook gesommeerd om binnen 5 dagen -naast het restant van de factuur van de 9e termijn- ook de meerwerknota van 18 september 2024 ad € 36.876,75 te betalen. [de gedaagde in conventie] heeft niet betaald. 2.30. [de eiser in conventie] heeft op 18 oktober 2024 -onder het plaatsen van borden waarop wordt aangegeven dat hij van zijn retentierecht gebruik maakt- de bouwplaats afgesloten. Mr. [bouwkundig adviseur 2] heeft [de gedaagde in conventie] per brief van 18 oktober 2024 over de uitoefening van het retentierecht geïnformeerd. 2.31. [de gedaagde in conventie] heeft zich dezelfde dag nog toegang tot de bouwplaats verschaft en heeft daarbij de sloten vervangen. 2.32. Mr. [bouwkundig adviseur 2] heeft [de gedaagde in conventie] bij brief van 25 oktober 2024 nogmaals -tevergeefs- gesommeerd tot betaling, binnen 15 dagen vanaf bezorging van de brief, van het restant van de 9e termijn alsmede van de (naar een bedrag van € 35.130,72) bijgestelde meerwerkfactuur van 18 september 2024 onder aanzegging van buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel. 2.33. [de eiser in conventie] heeft op 1 november 2024 bij de politie aangifte gedaan van vernieling en het verbreken van het retentierecht door [de gedaagde in conventie] . 2.34. Tussen partijen is een impasse ontstaan: [de eiser in conventie] wilde pas verder gaan met zijn werkzaamheden nadat [de gedaagde in conventie] het restant van de 9e termijnfactuur had betaald en [de gedaagde in conventie] wenste pas te betalen nadat [de eiser in conventie] haar werkzaamheden had voltooid. 2.35. Bij brief van 6 november 2024 heeft [de eiser in conventie] zich om de ontstane impasse te doorbreken jegens [de gedaagde in conventie] bereid verklaard om het werk te voltooien, zodat het werk kon worden opgeleverd en heeft hij [de gedaagde in conventie] verzocht om toegelaten te worden tot het werk. 2.36. [de gedaagde in conventie] heeft daarop bij e-mail van 12 november 2024 aan de raadsman van [de eiser in conventie] laten weten dat [de eiser in conventie] niet meer in de gelegenheid zal worden gesteld om werkzaamheden op de bouw uit te voeren. 2.37. Bij vonnis in incident van deze rechtbank van 5 maart 2025 is de vordering van [de eiser in conventie] , strekkende tot -kort gezegd- herstel van het retentierecht voor de duur van het geding op grond van een belangenafweging afgewezen, met veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van het incident. 2.38. [de eiser in conventie] heeft op 13 juni 2025 de factuur voor de 10e termijn ad € 16.713,85 (exclusief btw) opgesteld en bij conclusie van antwoord in reconventie in het geding gebracht en haar eis daarop aangepast. In deze factuur heeft [de eiser in conventie] daarnaast voor montage en demontage van de steiger en transport en handelingen de eerder aangekondigde minderprijs van in totaal € 1.443,00 (exclusief btw) doorgevoerd. Verder heeft [de eiser in conventie] wegens “ Besparing aftimmeren kozijnen en plinten ” een bedrag van € 804,07 in mindering gebracht, voor “ Besparing balustrade balkon ” een bedrag van € 5.200,00 (“ totaal € 6.000,00 minus: ankers leveren/lassen, winst en risico ”) en voor “ Besparing rubberen tegels balkon ” een bedrag van € 1.379,95 (“ totaal € 1.533,28 minus: winst en risico ”), alle bedragen exclusief btw. De factuur komt daarmee uit op een door [de gedaagde in conventie] te betalen bedrag van € 9.543,06 (inclusief btw ad € 1.656,23). [de gedaagde in conventie] heeft ook deze factuur niet betaald. 2.39. [de gedaagde in conventie] is in december 2024 naar de molen (-woning) verhuisd. 3 Het geschil in conventie 3.1. [de eiser in conventie] vordert -na wijziging c.q. vermeerdering van eis- samengevat dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a. voor recht verklaart dat het door [de eiser in conventie] uitgeoefende retentierecht rechtmatig was en dat [de gedaagde in conventie] het retentierecht onrechtmatig heeft verbroken; b.
Volledig
[de gedaagde in conventie] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 74.876,33, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum, welke rente dient te worden vermeerderd met 2% vanaf 14 dagen na het verstrijken van de betaaltermijn, dan wel subsidiair de wettelijke rente vanaf de vervaldatum; c. [de gedaagde in conventie] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.207,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum; d. [de gedaagde in conventie] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.858,36; e. [de gedaagde in conventie] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten), te voldoen binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening. 3.2. [de eiser in conventie] legt aan de uiteindelijke vordering het volgende ten grondslag. [de gedaagde in conventie] c.s. heeft door hem op 12 november 2024 de toegang tot het werk te ontzeggen de aannemingsovereenkomst per die datum opgezegd. [de eiser in conventie] heeft op grond van artikel 7:764 BW recht op de voor het hele werk geldende prijs minus de besparingen. [de gedaagde in conventie] is in verzuim met betaling van de volgende facturen: a) restant factuur 9e termijn (€ 28.477,52), b) meerwerkfactuur (€ 36.875,75) en c) factuur 10e termijn (€ 9.543,06). De AVA 2013 zijn van toepassing en [de eiser in conventie] maakt op grond daarvan aanspraak op de wettelijke rente, te vermeerderen met 2% vanaf 14 dagen na de vervaldag. Zijn retentierecht was gegrond en [de gedaagde in conventie] mocht dit recht niet eigenhandig verbreken. [de gedaagde in conventie] heeft daarmee onrechtmatig gehandeld en daarbij aan [de eiser in conventie] schade berokkend ten bedrage van € 1.207,17. [de gedaagde in conventie] dient die schade aan hem te vergoeden. [de eiser in conventie] heeft kosten gemaakt om nakoming buiten rechte te verkrijgen. Op grond van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten heeft hij jegens [de gedaagde in conventie] aanspraak op een bedrag van € 1.858,36. 3.3. [de gedaagde in conventie] voert verweer. [de gedaagde in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser in conventie] . 3.4. [de gedaagde in conventie] voert onder meer het volgende aan. Bedingen in de AVA 2013 zijn vernietigbaar op grond van artikel 6:233 aanhef en onder b BW. Omdat [de eiser in conventie] zijn werkzaamheden niet voltooide, althans niet voortvarend en in een aangesloten periode voortzette, kwam [de eiser in conventie] op 1 september 2024 in verzuim te verkeren. Ook nadien heeft hij [de eiser in conventie] tevergeefs aangespoord om alsnog aan de overeenkomst uitvoering te geven. Door anderhalve maand later een beroep te doen op haar vermeend retentierecht heeft [de eiser in conventie] er blijk van gegeven geen uitvoering meer te zullen geven aan de overeenkomst. [de gedaagde in conventie] doet een beroep op partiële ontbinding van de overeenkomst per 18 oktober 2024 voor zover de overeenkomst door [de eiser in conventie] nog niet is nagekomen. De e-mail van [de gedaagde in conventie] van 12 november 2024 kan daarom niet worden beschouwd als opzegging. [de eiser in conventie] heeft geen aanspraak op de hele aanneemsom minus de besparingen. De (meer- en minderwerk-)facturen van 13 februari 2024, 21 maart 2024, 15 mei 2024 en 18 september 2024 zijn (deels) onjuist. Zo heeft [de eiser in conventie] over een aantal posten onterecht btw in rekening gebracht. Dit is een misleidende omissie en daarmee een oneerlijke handelspraktijk (artikel 6:193d lid 2 jo 193e lid 1 sub c jo. 193b lid 3 BW). Om die reden dient partiële vernietiging te volgen en heeft [de gedaagde in conventie] de btw onverschuldigd betaald. [de eiser in conventie] heeft ook niet voldaan aan zijn informatieplicht jegens [de gedaagde in conventie] als consument. Daarom dient als sanctie de prijs met 20% te worden verminderd. Aan [de eiser in conventie] kwam geen retentierecht toe omdat [de eiser in conventie] toen in verzuim verkeerde en hij op [de gedaagde in conventie] dus geen opeisbare vordering had. Het door [de eiser in conventie] uitgeoefende retentierecht vormde een inbreuk op zijn eigendomsrecht en [de gedaagde in conventie] mocht die inbreuk eigenhandig ongedaan maken. Daarbij heeft hij geen schade toegebracht aan [de eiser in conventie] . Voor zover [de gedaagde in conventie] nog enige betaling aan [de eiser in conventie] verschuldigd zou zijn, verrekent hij het verschuldigde bedrag met hetgeen hij (in reconventie) nog van [de eiser in conventie] te vorderen heeft. 3.5. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.6. [de gedaagde in conventie] vordert -samengevat- dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [de eiser in conventie] veroordeelt tot betaling van € 64.397,51, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling van die kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt. 3.7. [de gedaagde in conventie] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [de eiser in conventie] heeft de offerte verstrekt op basis van het bestek. In het bestek staan de kernprestaties van de overeenkomst. [de gedaagde in conventie] heeft de offerte van [de eiser in conventie] aanvaard onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat het bestek leidend zou zijn. [de eiser in conventie] heeft deze voorwaarde aanvaard. Het bestek (en niet de offerte) is dus leidend. [de eiser in conventie] overschreed de contractuele bouwplanning en bouwtermijn (punt 1.2.7. en 1.2.10 bestek). Hij is met [de eiser in conventie] overeengekomen dat het werk op 9 februari 2024 zou worden opgeleverd. [de eiser in conventie] is er niet in geslaagd om het werk tijdig op te leveren. Op grond van punt 1.2.3 van het bestek maakt hij jegens [de eiser in conventie] wegens overschrijding van de opleveringstermijn primair aanspraak op een korting op de aanneemsom van € 100,00 per kalenderdag. Berekend tot de dag waarop [de eiser in conventie] het retentierecht uitoefende (18 oktober 2024) bedraagt de korting € 25.200,00. Subsidiair vordert [de gedaagde in conventie] wegens de vertraging in de uitvoering van het werk een vergoeding van € 13.537,25 voor (met name) extra woonlasten. [de eiser in conventie] heeft verder tot een bedrag van in totaal € 27.883,08 teveel aan hem gefactureerd. [de eiser in conventie] heeft een aantal van de overeengekomen werkzaamheden niet verricht. Tevens heeft [de eiser in conventie] bij de uitoefening van het werk diverse zaken die derden reeds hadden voltooid, beschadigd. [de eiser in conventie] heeft de schade niet hersteld. [de eiser in conventie] is gehouden deze schade aan hem te vergoeden. Ter zake van niet verrichte (herstel-) werkzaamheden dient [de eiser in conventie] aan hem te betalen bedrag van € 33.733,93. Bij de uitoefening van het retentierecht heeft [de eiser in conventie] schade toegebracht aan zowel de molenromp als aan de aanbouw. [de gedaagde in conventie] heeft een deskundige ingeschakeld om de omvang van de schade vast te stellen. [de eiser in conventie] dient de daarmee gemoeide kosten ad € 1.352,18 aan hem te vergoeden. De deskundige heeft de door [de eiser in conventie] toegebrachte schade begroot op een bedrag van € 4.600,65. [de eiser in conventie] weigerde de sleutels van de molenromp met aanbouw aan hem terug te geven. Hierdoor was [de gedaagde in conventie] genoodzaakt om de sloten te vervangen. Omdat [de eiser in conventie] er blijk van had gegeven eigenrichting toe te passen om zijn recht te halen, zag hij zich genoodzaakt om camerabewaking te laten aanleggen. De aan het vervangen van de sloten en de aanleg van de camerabewaking verbonden kosten bedragen € 6.180,85.
Volledig
[de gedaagde in conventie] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 74.876,33, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum, welke rente dient te worden vermeerderd met 2% vanaf 14 dagen na het verstrijken van de betaaltermijn, dan wel subsidiair de wettelijke rente vanaf de vervaldatum; c. [de gedaagde in conventie] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.207,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum; d. [de gedaagde in conventie] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.858,36; e. [de gedaagde in conventie] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten), te voldoen binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening. 3.2. [de eiser in conventie] legt aan de uiteindelijke vordering het volgende ten grondslag. [de gedaagde in conventie] c.s. heeft door hem op 12 november 2024 de toegang tot het werk te ontzeggen de aannemingsovereenkomst per die datum opgezegd. [de eiser in conventie] heeft op grond van artikel 7:764 BW recht op de voor het hele werk geldende prijs minus de besparingen. [de gedaagde in conventie] is in verzuim met betaling van de volgende facturen: a) restant factuur 9e termijn (€ 28.477,52), b) meerwerkfactuur (€ 36.875,75) en c) factuur 10e termijn (€ 9.543,06). De AVA 2013 zijn van toepassing en [de eiser in conventie] maakt op grond daarvan aanspraak op de wettelijke rente, te vermeerderen met 2% vanaf 14 dagen na de vervaldag. Zijn retentierecht was gegrond en [de gedaagde in conventie] mocht dit recht niet eigenhandig verbreken. [de gedaagde in conventie] heeft daarmee onrechtmatig gehandeld en daarbij aan [de eiser in conventie] schade berokkend ten bedrage van € 1.207,17. [de gedaagde in conventie] dient die schade aan hem te vergoeden. [de eiser in conventie] heeft kosten gemaakt om nakoming buiten rechte te verkrijgen. Op grond van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten heeft hij jegens [de gedaagde in conventie] aanspraak op een bedrag van € 1.858,36. 3.3. [de gedaagde in conventie] voert verweer. [de gedaagde in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser in conventie] . 3.4. [de gedaagde in conventie] voert onder meer het volgende aan. Bedingen in de AVA 2013 zijn vernietigbaar op grond van artikel 6:233 aanhef en onder b BW. Omdat [de eiser in conventie] zijn werkzaamheden niet voltooide, althans niet voortvarend en in een aangesloten periode voortzette, kwam [de eiser in conventie] op 1 september 2024 in verzuim te verkeren. Ook nadien heeft hij [de eiser in conventie] tevergeefs aangespoord om alsnog aan de overeenkomst uitvoering te geven. Door anderhalve maand later een beroep te doen op haar vermeend retentierecht heeft [de eiser in conventie] er blijk van gegeven geen uitvoering meer te zullen geven aan de overeenkomst. [de gedaagde in conventie] doet een beroep op partiële ontbinding van de overeenkomst per 18 oktober 2024 voor zover de overeenkomst door [de eiser in conventie] nog niet is nagekomen. De e-mail van [de gedaagde in conventie] van 12 november 2024 kan daarom niet worden beschouwd als opzegging. [de eiser in conventie] heeft geen aanspraak op de hele aanneemsom minus de besparingen. De (meer- en minderwerk-)facturen van 13 februari 2024, 21 maart 2024, 15 mei 2024 en 18 september 2024 zijn (deels) onjuist. Zo heeft [de eiser in conventie] over een aantal posten onterecht btw in rekening gebracht. Dit is een misleidende omissie en daarmee een oneerlijke handelspraktijk (artikel 6:193d lid 2 jo 193e lid 1 sub c jo. 193b lid 3 BW). Om die reden dient partiële vernietiging te volgen en heeft [de gedaagde in conventie] de btw onverschuldigd betaald. [de eiser in conventie] heeft ook niet voldaan aan zijn informatieplicht jegens [de gedaagde in conventie] als consument. Daarom dient als sanctie de prijs met 20% te worden verminderd. Aan [de eiser in conventie] kwam geen retentierecht toe omdat [de eiser in conventie] toen in verzuim verkeerde en hij op [de gedaagde in conventie] dus geen opeisbare vordering had. Het door [de eiser in conventie] uitgeoefende retentierecht vormde een inbreuk op zijn eigendomsrecht en [de gedaagde in conventie] mocht die inbreuk eigenhandig ongedaan maken. Daarbij heeft hij geen schade toegebracht aan [de eiser in conventie] . Voor zover [de gedaagde in conventie] nog enige betaling aan [de eiser in conventie] verschuldigd zou zijn, verrekent hij het verschuldigde bedrag met hetgeen hij (in reconventie) nog van [de eiser in conventie] te vorderen heeft. 3.5. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.6. [de gedaagde in conventie] vordert -samengevat- dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [de eiser in conventie] veroordeelt tot betaling van € 64.397,51, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling van die kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt. 3.7. [de gedaagde in conventie] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [de eiser in conventie] heeft de offerte verstrekt op basis van het bestek. In het bestek staan de kernprestaties van de overeenkomst. [de gedaagde in conventie] heeft de offerte van [de eiser in conventie] aanvaard onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat het bestek leidend zou zijn. [de eiser in conventie] heeft deze voorwaarde aanvaard. Het bestek (en niet de offerte) is dus leidend. [de eiser in conventie] overschreed de contractuele bouwplanning en bouwtermijn (punt 1.2.7. en 1.2.10 bestek). Hij is met [de eiser in conventie] overeengekomen dat het werk op 9 februari 2024 zou worden opgeleverd. [de eiser in conventie] is er niet in geslaagd om het werk tijdig op te leveren. Op grond van punt 1.2.3 van het bestek maakt hij jegens [de eiser in conventie] wegens overschrijding van de opleveringstermijn primair aanspraak op een korting op de aanneemsom van € 100,00 per kalenderdag. Berekend tot de dag waarop [de eiser in conventie] het retentierecht uitoefende (18 oktober 2024) bedraagt de korting € 25.200,00. Subsidiair vordert [de gedaagde in conventie] wegens de vertraging in de uitvoering van het werk een vergoeding van € 13.537,25 voor (met name) extra woonlasten. [de eiser in conventie] heeft verder tot een bedrag van in totaal € 27.883,08 teveel aan hem gefactureerd. [de eiser in conventie] heeft een aantal van de overeengekomen werkzaamheden niet verricht. Tevens heeft [de eiser in conventie] bij de uitoefening van het werk diverse zaken die derden reeds hadden voltooid, beschadigd. [de eiser in conventie] heeft de schade niet hersteld. [de eiser in conventie] is gehouden deze schade aan hem te vergoeden. Ter zake van niet verrichte (herstel-) werkzaamheden dient [de eiser in conventie] aan hem te betalen bedrag van € 33.733,93. Bij de uitoefening van het retentierecht heeft [de eiser in conventie] schade toegebracht aan zowel de molenromp als aan de aanbouw. [de gedaagde in conventie] heeft een deskundige ingeschakeld om de omvang van de schade vast te stellen. [de eiser in conventie] dient de daarmee gemoeide kosten ad € 1.352,18 aan hem te vergoeden. De deskundige heeft de door [de eiser in conventie] toegebrachte schade begroot op een bedrag van € 4.600,65. [de eiser in conventie] weigerde de sleutels van de molenromp met aanbouw aan hem terug te geven. Hierdoor was [de gedaagde in conventie] genoodzaakt om de sloten te vervangen. Omdat [de eiser in conventie] er blijk van had gegeven eigenrichting toe te passen om zijn recht te halen, zag hij zich genoodzaakt om camerabewaking te laten aanleggen. De aan het vervangen van de sloten en de aanleg van de camerabewaking verbonden kosten bedragen € 6.180,85.
Volledig
De door [de eiser in conventie] in verband met het uitoefenen van het retentierecht veroorzaakte schade bedraagt in totaal € 12.133,86. Het totaal van bovenstaande bedragen komt uit op € 98.950,69. [de gedaagde in conventie] is aan [de eiser in conventie] verschuldigd het restant van de 9e factuur ad € 28.447,52 alsmede een bedrag van € 6.105,66 aan meerwerk. Dit is in totaal € 34.553,18. Per saldo heeft hij een bedrag van € 64.397,51 (€ 98.950,69 - € 34.553,18) van [de eiser in conventie] te vorderen. 3.8. [de eiser in conventie] voert verweer. [de eiser in conventie] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure. 3.9. Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zullen de vorderingen gezamenlijk behandeld worden. De wijziging c.q. vermeerdering van eis in conventie 4.2. De rechtbank is van oordeel dat de wijziging c.q. vermeerdering van eis in conventie -waartegen [de gedaagde in conventie] overigens geen bezwaar heeft gemaakt- toelaatbaar is (artikel 130 Rv). De rechtbank zal dan ook op basis van de gewijzigde c.q. vermeerderde eis in conventie recht doen. Zijn bedingen in de algemene voorwaarden van [de eiser in conventie] vernietigbaar? 4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de AVA 2013 als algemene voorwaarden van toepassing zijn op de door partijen op 12 mei 2023 gesloten aannemingsovereenkomst. 4.4. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] deze algemene voorwaarden niet heeft meegezonden bij de overeenkomst van 12 mei 2023. [de eiser in conventie] heeft de algemene voorwaarden niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan hem ter hand gesteld, zodat aan hem niet een redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Daarom is op grond van artikel 6:233 aanhef en sub b BW een beding in deze algemene voorwaarden vernietigbaar, aldus [de gedaagde in conventie] . 4.5. De rechtbank volgt [de gedaagde in conventie] niet in deze stelling. [de eiser in conventie] heeft immers aangevoerd dat hij bij de contractstukken op 22 april 2022 de algemene voorwaarden (AVA 2013) aan [de gedaagde in conventie] heeft toegezonden. Dit heeft [de gedaagde in conventie] bij de mondelinge behandeling erkend. Daarmee heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] een redelijke mogelijkheid geboden om van deze algemene voorwaarden kennis te nemen. Onder deze omstandigheden was het niet nodig om deze algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de uiteindelijke overeenkomst van 12 mei 2023 nogmaals ter hand te stellen. Is de aannemingsovereenkomst (gedeeltelijk) ontbonden? 4.6. Een overeenkomst kan door een partij buiten rechte worden ontbonden door het uitbrengen van een (schriftelijke) verklaring aan de wederpartij waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de overeenkomst wordt ontbonden. 4.7. Gesteld noch gebleken is dat [de gedaagde in conventie] buiten rechte een dergelijke verklaring aan [de eiser in conventie] heeft uitgebracht. Eerst in de conclusie van antwoord beroept [de gedaagde in conventie] zich op ontbinding van de overeenkomst per 18 oktober 2024. [de gedaagde in conventie] heeft daartoe ter zitting aangevoerd dat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 weigerde de plinten te monteren en dat [de eiser in conventie] daardoor op 31 augustus 2024 in verzuim kwam te verkeren. [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog verklaard dat hij de overeenkomst gedeeltelijk wil ontbinden ten aanzien van het werk dat volgens hem nog moet worden voltooid. 4.8. Nu -zoals hierna zal worden overwogen- [de eiser in conventie] na de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet in verzuim is geraakt, is er naar het oordeel van de rechtbank geen deugdelijke grond om de aannemingsovereenkomst (gedeeltelijk) te ontbinden. 4.9. Voor zover [de gedaagde in conventie] aan de ontbinding van de overeenkomst tevens ten grondslag heeft willen leggen dat [de eiser in conventie] de met hem overeengekomen opleveringstermijn al ruimschoots had overschreden, verwerpt de rechtbank die stelling. Zoals hierna zal worden overwogen is tussen partijen geen (fatale) opleveringstermijn afgesproken. 4.10. Voor zover [de gedaagde in conventie] uit het door [de eiser in conventie] uitoefenen van het retentierecht heeft afgeleid dat [de eiser in conventie] de overeenkomst na 18 oktober 2024 niet meer wenste na te komen, is dat niet terecht. Het retentierecht geeft aan de schuldeiser de bevoegdheid om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten tot de vordering wordt voldaan. [de eiser in conventie] heeft het retentierecht als drukmiddel ingezet om [de gedaagde in conventie] tot betaling van de openstaande facturen te bewegen. Bij brief van 6 november 2024 heeft [de eiser in conventie] zich om de ontstane impasse te doorbreken jegens [de gedaagde in conventie] nog bereid verklaard om het werk te voltooien. Is de aannemingsovereenkomst door opzegging geëindigd? 4.11. De rechtbank is van oordeel dat de aannemingsovereenkomst wordt geacht door [de gedaagde in conventie] te zijn opgezegd met zijn e-mail van 12 november 2024. 4.12. Immers, in dat bericht ontzegt [de gedaagde in conventie] -in reactie op het aanbod van [de eiser in conventie] om de werkzaamheden te voltooien- [de eiser in conventie] definitief de toegang tot het werk. Dat kan in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat [de gedaagde in conventie] de met [de eiser in conventie] gesloten aannemingsovereenkomst heeft opgezegd voordat het werk is voltooid en opgeleverd. Het werk is bovendien door derden afgemaakt c.q. voortgezet en dit strookt ook met de inhoud van de brief van [de gedaagde in conventie] . Het verweer van [de gedaagde in conventie] dat hij niet de wil had om de overeenkomst op te zeggen en dat hij ook niet de wil heeft geopenbaard om de overeenkomst op te zeggen, wordt dan ook verworpen. Gevolgen van de opzegging van de overeenkomst, afrekening meer- en minderwerk 4.13. De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de aannemingsovereenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen (artikel 7:764 lid 1 BW; artikel 14 lid 5 AVA 2013). Ingeval van opzegging zal de opdrachtgever de voor het gehele werk geldende prijs moeten betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien, tegen aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk (artikel 7:764 lid 2 BW; artikel 14 lid 5 AVA 2013). De opdrachtgever heeft daarbij stelplicht en zonodig bewijslast van het bestaan en de omvang van die besparingen, waarbij op de aannemer een belangrijke mededelingsplicht rust (Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8728). 4.14. Vast staat dat [de gedaagde in conventie] de 9e factuur voor een bedrag van € 28.447,52 (inclusief btw) onbetaald heeft gelaten. De 10e (en tevens de laatste) termijn bedraagt 5% van de aanneemsom. Dit is een bedrag van € 16.713,85 (exclusief btw). Inclusief btw komt dit neer op een bedrag van € 20.223,76. [de gedaagde in conventie] heeft de 10e termijn niet betaald. Van de overeengekomen aanneemsom is [de gedaagde in conventie] dus nog een bedrag van € 48.671,28 (€ 28.447,52 + € 20.223,76 ) aan [de eiser in conventie] verschuldigd. 4.15. Dit bedrag kan nog naar boven en naar beneden worden bijgesteld als gevolg van meer- en minderwerk dan wel als gevolg van besparingen wegens opzegging. Partijen hebben ieder stellingen betrokken over meer- en minderwerk en over de daarmee samenhangende kosten, alsmede over de besparingen. De rechtbank zal deze stellingen hierna beoordelen. Geen schending informatieplicht artikel 6:230l sub c BW 4.16.
Volledig
De door [de eiser in conventie] in verband met het uitoefenen van het retentierecht veroorzaakte schade bedraagt in totaal € 12.133,86. Het totaal van bovenstaande bedragen komt uit op € 98.950,69. [de gedaagde in conventie] is aan [de eiser in conventie] verschuldigd het restant van de 9e factuur ad € 28.447,52 alsmede een bedrag van € 6.105,66 aan meerwerk. Dit is in totaal € 34.553,18. Per saldo heeft hij een bedrag van € 64.397,51 (€ 98.950,69 - € 34.553,18) van [de eiser in conventie] te vorderen. 3.8. [de eiser in conventie] voert verweer. [de eiser in conventie] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure. 3.9. Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zullen de vorderingen gezamenlijk behandeld worden. De wijziging c.q. vermeerdering van eis in conventie 4.2. De rechtbank is van oordeel dat de wijziging c.q. vermeerdering van eis in conventie -waartegen [de gedaagde in conventie] overigens geen bezwaar heeft gemaakt- toelaatbaar is (artikel 130 Rv). De rechtbank zal dan ook op basis van de gewijzigde c.q. vermeerderde eis in conventie recht doen. Zijn bedingen in de algemene voorwaarden van [de eiser in conventie] vernietigbaar? 4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de AVA 2013 als algemene voorwaarden van toepassing zijn op de door partijen op 12 mei 2023 gesloten aannemingsovereenkomst. 4.4. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] deze algemene voorwaarden niet heeft meegezonden bij de overeenkomst van 12 mei 2023. [de eiser in conventie] heeft de algemene voorwaarden niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan hem ter hand gesteld, zodat aan hem niet een redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Daarom is op grond van artikel 6:233 aanhef en sub b BW een beding in deze algemene voorwaarden vernietigbaar, aldus [de gedaagde in conventie] . 4.5. De rechtbank volgt [de gedaagde in conventie] niet in deze stelling. [de eiser in conventie] heeft immers aangevoerd dat hij bij de contractstukken op 22 april 2022 de algemene voorwaarden (AVA 2013) aan [de gedaagde in conventie] heeft toegezonden. Dit heeft [de gedaagde in conventie] bij de mondelinge behandeling erkend. Daarmee heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] een redelijke mogelijkheid geboden om van deze algemene voorwaarden kennis te nemen. Onder deze omstandigheden was het niet nodig om deze algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de uiteindelijke overeenkomst van 12 mei 2023 nogmaals ter hand te stellen. Is de aannemingsovereenkomst (gedeeltelijk) ontbonden? 4.6. Een overeenkomst kan door een partij buiten rechte worden ontbonden door het uitbrengen van een (schriftelijke) verklaring aan de wederpartij waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de overeenkomst wordt ontbonden. 4.7. Gesteld noch gebleken is dat [de gedaagde in conventie] buiten rechte een dergelijke verklaring aan [de eiser in conventie] heeft uitgebracht. Eerst in de conclusie van antwoord beroept [de gedaagde in conventie] zich op ontbinding van de overeenkomst per 18 oktober 2024. [de gedaagde in conventie] heeft daartoe ter zitting aangevoerd dat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 weigerde de plinten te monteren en dat [de eiser in conventie] daardoor op 31 augustus 2024 in verzuim kwam te verkeren. [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog verklaard dat hij de overeenkomst gedeeltelijk wil ontbinden ten aanzien van het werk dat volgens hem nog moet worden voltooid. 4.8. Nu -zoals hierna zal worden overwogen- [de eiser in conventie] na de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet in verzuim is geraakt, is er naar het oordeel van de rechtbank geen deugdelijke grond om de aannemingsovereenkomst (gedeeltelijk) te ontbinden. 4.9. Voor zover [de gedaagde in conventie] aan de ontbinding van de overeenkomst tevens ten grondslag heeft willen leggen dat [de eiser in conventie] de met hem overeengekomen opleveringstermijn al ruimschoots had overschreden, verwerpt de rechtbank die stelling. Zoals hierna zal worden overwogen is tussen partijen geen (fatale) opleveringstermijn afgesproken. 4.10. Voor zover [de gedaagde in conventie] uit het door [de eiser in conventie] uitoefenen van het retentierecht heeft afgeleid dat [de eiser in conventie] de overeenkomst na 18 oktober 2024 niet meer wenste na te komen, is dat niet terecht. Het retentierecht geeft aan de schuldeiser de bevoegdheid om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten tot de vordering wordt voldaan. [de eiser in conventie] heeft het retentierecht als drukmiddel ingezet om [de gedaagde in conventie] tot betaling van de openstaande facturen te bewegen. Bij brief van 6 november 2024 heeft [de eiser in conventie] zich om de ontstane impasse te doorbreken jegens [de gedaagde in conventie] nog bereid verklaard om het werk te voltooien. Is de aannemingsovereenkomst door opzegging geëindigd? 4.11. De rechtbank is van oordeel dat de aannemingsovereenkomst wordt geacht door [de gedaagde in conventie] te zijn opgezegd met zijn e-mail van 12 november 2024. 4.12. Immers, in dat bericht ontzegt [de gedaagde in conventie] -in reactie op het aanbod van [de eiser in conventie] om de werkzaamheden te voltooien- [de eiser in conventie] definitief de toegang tot het werk. Dat kan in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat [de gedaagde in conventie] de met [de eiser in conventie] gesloten aannemingsovereenkomst heeft opgezegd voordat het werk is voltooid en opgeleverd. Het werk is bovendien door derden afgemaakt c.q. voortgezet en dit strookt ook met de inhoud van de brief van [de gedaagde in conventie] . Het verweer van [de gedaagde in conventie] dat hij niet de wil had om de overeenkomst op te zeggen en dat hij ook niet de wil heeft geopenbaard om de overeenkomst op te zeggen, wordt dan ook verworpen. Gevolgen van de opzegging van de overeenkomst, afrekening meer- en minderwerk 4.13. De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de aannemingsovereenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen (artikel 7:764 lid 1 BW; artikel 14 lid 5 AVA 2013). Ingeval van opzegging zal de opdrachtgever de voor het gehele werk geldende prijs moeten betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien, tegen aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk (artikel 7:764 lid 2 BW; artikel 14 lid 5 AVA 2013). De opdrachtgever heeft daarbij stelplicht en zonodig bewijslast van het bestaan en de omvang van die besparingen, waarbij op de aannemer een belangrijke mededelingsplicht rust (Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8728). 4.14. Vast staat dat [de gedaagde in conventie] de 9e factuur voor een bedrag van € 28.447,52 (inclusief btw) onbetaald heeft gelaten. De 10e (en tevens de laatste) termijn bedraagt 5% van de aanneemsom. Dit is een bedrag van € 16.713,85 (exclusief btw). Inclusief btw komt dit neer op een bedrag van € 20.223,76. [de gedaagde in conventie] heeft de 10e termijn niet betaald. Van de overeengekomen aanneemsom is [de gedaagde in conventie] dus nog een bedrag van € 48.671,28 (€ 28.447,52 + € 20.223,76 ) aan [de eiser in conventie] verschuldigd. 4.15. Dit bedrag kan nog naar boven en naar beneden worden bijgesteld als gevolg van meer- en minderwerk dan wel als gevolg van besparingen wegens opzegging. Partijen hebben ieder stellingen betrokken over meer- en minderwerk en over de daarmee samenhangende kosten, alsmede over de besparingen. De rechtbank zal deze stellingen hierna beoordelen. Geen schending informatieplicht artikel 6:230l sub c BW 4.16.
Volledig
[de gedaagde in conventie] heeft in het kader van het meer- en minderwerk ter zitting aangevoerd dat [de eiser in conventie] niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht jegens [de gedaagde in conventie] als consument en dat daarop als sanctie moet volgen een vermindering van de prijs met 20%. 4.17. Partijen zijn het eens dat zij bij [de gedaagde in conventie] thuis hebben overlegd over een te sluiten overeenkomst, dat zij vervolgens per post of e-mail stukken zoals offertes hebben gewisseld en dat [de gedaagde in conventie] thuis, buiten aanwezigheid van [de eiser in conventie] , de overeenkomst heeft getekend. Dit betekent dat de aannemingsovereenkomst geen overeenkomst gesloten buiten de verkoopruimte is en evenmin een overeenkomst gesloten op afstand (artikel 6:230g lid 1 sub f resp. sub e BW). 4.18. Op grond van artikel 6:230l sub c BW is de aannemer bij een aannemingsovereenkomst met een consument verplicht adequate informatie verstrekken over de prijs van het werk, vooraf of uiterlijk bij het sluiten van de overeenkomst. Deze verplichting vloeit voort uit Richtlijn Consumentenrechten 2011/83/EU. Bij schending van de informatieplicht betreffende de prijs dient de rechter ambtshalve een korting op te leggen (Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieverplichtingen). Deze informatieverplichting op grond van artikel 6:230l sub c BW komt daarmee als het ware boven op de (wettelijke) regeling van artikel 7:755 BW en geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor meerwerk, nu daaraan een aanvullende overeenkomst ten grondslag ligt. 4.19. De rechtbank dient (ambtshalve) te onderzoeken of op [de eiser in conventie] een verplichting rustte zoals bedoeld in artikel 6:230l sub c BW. Dat is naar het oordeel van de rechtbank, gehoord partijen bij de mondelinge behandeling, niet het geval. 4.20. Op grond van artikel 6:230h lid 2 sub g BW is die specifieke verplichting namelijk niet van toepassing op een overeenkomst betreffende de constructie van nieuwe gebouwen en de ingrijpende verbouwing van bestaande gebouwen. Het door [de gedaagde in conventie] aan [de eiser in conventie] opgedragen werk betreft naar het oordeel van de rechtbank de constructie van een nieuw gebouw danwel een daarmee vergelijkbare ingrijpende verbouwing. 4.21. De los staande oude molenromp, volgens [de gedaagde in conventie] daterend uit 1874, is namelijk verbouwd, waarbij om de molenromp heen een nieuwe woning is gebouwd, een en ander zoals ook zichtbaar op onderstaande door [de gedaagde in conventie] overgelegde afbeeldingen (productie 5 conclusie van antwoord/eis) en zoals door [de gedaagde in conventie] bij de mondelinge behandeling bevestigd. [ Foto verwijderd ter anonimisatie. ] 4.22. Dit betekent dat [de eiser in conventie] , anders dan [de gedaagde in conventie] meent, geen informatieverplichting heeft geschonden jegens [de gedaagde in conventie] als consument overeenkomstig de Richtlijn Consumentenrechten 2011/83/EU, zoals geïmplementeerd in artikel 6:230l sub c BW, zodat een grondslag voor een sanctie terzake, in de vorm van een prijsvermindering, ontbreekt. 4.23. De verschuldigdheid van het meerwerk wordt hierna verder beoordeeld. Meerwerk 4.24. [de eiser in conventie] heeft bij factuur van 18 september 2024 jegens [de gedaagde in conventie] aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag van € 36.876,75 inclusief btw. In dit bedrag is ook de verrekening met minderwerk begrepen, dat hierna afzonderlijk zal worden besproken. De door [de gedaagde in conventie] erkende meerwerkposten zijn hieronder vet gedrukt. 4.25. In de factuur van 18 september 2024 komen de volgende meerwerk posten voor (exclusief btw): 1. Lekkage opsporen dak molen in verband met lekkage nieuwe dakbedekking (snijnaden in de nieuwe dakbedekking door eigen dakdekker) € 54,00 2. Leveren en aanbrengen extra vloerluiken € 424,00 3. Aanbrengen van balk in de molen, de balk is door u aangeleverd, balk pas gezaagd en met een lift geplaatst € 2.174,00 4. Aanpassen vloeren in verband met doorloop 1ste verdiepingsvloer, totaal 7 uur € 350,00 5. Aftimmeren kolom tbv carport (uit offerte gehaald, later zoals afgesproken gewijzigd, zie mail 11 juni ’23) € 963,42 6. Leveren en aanbrengen geïsoleerde betonvloer en smeervloer in de molen, mail 29 september 2023, opdracht 2 oktober € 2.650,00 7. Leveren en aanbrengen anti dreun onder het zetwerk € 1.812,00 8. Meerprijs hardstenen vensterbanken, 1 extra vensterbank badkamerraam zijgevel, nog na te leveren in verband met gewijzigde afwerking € 1.134,00 9. Metselwerk nieuw gemetselde muur gesloopt, kleur was niet naar wens € 285,00 10. Nieuwe muur opgemetseld op plaats van gesloopte muur, incl. stelwerk € 1.192,00 11. Maken trap begane grond, incl. stellen en stenen zagen 12-04; totaal 5 uur € 250,00 22-04 t/m 25-04; totaal 68 uur € 3.400,00 12. Metselwerk boog begane grond en verdieping 15-04 t/m 19-04; totaal 80 uur € 4.000,00 13. (26-02) sloopwerk 1 st. doorgang groter gemaakt in overleg met Susanne (vond het te smal) € 456,00 14. Inschalen boog ter plaatse van BC6, hoeklijn plaatsen in overleg met constructeur 22-08; totaal 6 uur € 300,00 hoeklijnen € 65,00 15. 30-04 traptredes stelwerk 1ste verdieping en voorbereidingen, totaal 8 uur € 400,00 16. 21-05 stelwerk onderste traptredes, stenen zagen, houtenbalk lossen van de vrachtwagen / zeer zwaar, totaal 14 uur € 700,00 17. 22-05 traptredes bgg, overleg trap boven, bekisting zetten en beton storten. betonmortel € 81,50 totaal 16 uur € 800,00 18. 27-05 stelwerk trap verdieping, stenen sorteren en mal maken, totaal 8 uur € 400,00 19. 28-05 stenen zagen, metselwerk trap verdieping, totaal 16 uur € 800,00 20. 29-05 metselwerk stelwerk verdieping, totaal 8 uur € 400,00 21. 31-05 traptredes metselen, 1 ste verdieping stenen zagen, totaal 8 uur € 400,00 22. 04-06 stelwerk traptredes, metselwerk trap en zaagwerk stenen, Sloopwerk metselmortel € 82,50 totaal 8 uur € 400,00 23. 05-06 stelwerk traptredes, zaagwerk metselwerk, totaal 10 uur € 500,00 24. 06-06 stelwerk trap, stenen zagen en metselwerk, totaal 10 uur € 500,00 25. 10-06 stenen zagen, trap verdieping, totaal 8 uur € 400,00 26. 12-06 traptrede zagen en plakken met tegellijm. tegellijm € 7,40 totaal 16 uur € 800,00 27. Week 28; aanpassen sparing ten behoeve van stalen trap richting eerste verdieping in overleg met trapleverancier, totaal 6 uur (in offerte door trapleverancier) € 300,00 Aanpassen ronding, totaal 1,5 uur (in offerte door trapleverancier) € 75,00 28. 02-11 Deurkozijnen verplaatst ter plaatse van slaapkamer / douche. Loshalen en aanpassen van lateien en stellen en opnieuw aanmetselen kozijnen, totaal 18 uur. In overleg met opdrachtgever in verband met fout op de tekening € 900,00 29. 16-11 Sloopwerk ten behoeve van lood in de molen plat dak, op jullie verzoek in verband met dieper in plaatsen, totaal 7 uur € 350,00 30. 17-11 Sloopwerk ten behoeve van lood in de molen platdak ivm dieper in de molen, totaal 5 uur, in overleg met opdrachtgever € 250,00 31. 24-11 Uithakken metselwerk in verband met verkeerde steen conform jullie verzoek, lood aanmetselen, totaal 6 uur € 300,00 32. 08-12 Metselwerk lood, totaal 12 uur € 600,00 Materiaal;12 zak metselmortel € 47,40 33. Huur steiger week 18 t/m 31, 14 weken € 4.508,00 Demontage steiger € 993,00 Transport en handeling terug € 450,00 34. Resterende termijn zetwerk, totaal conform afspraak € 16.050,00, Reeds in rekening gebracht 1e termijn € 8.025,00 en 2e termijn € 4012,50 € 4.012,50 35. Meerprijs garagedeur € 160,00 4.26. Het gefactureerde meer werk komt in totaal uit op een bedrag van € 39.126,72 ( exclusief btw). 4.27. [de gedaagde in conventie] erkent meerkosten verschuldigd te zijn voor de garagedeur (€ 160,00), de betonvloer (€ 2.650,00), vloerluiken (€ 424,00) en de antidreun (€ 1.812,00). Het totaal van deze bedragen is € 5.046,00 (exclusief btw) en € 6.105,66 (inclusief btw). 4.28. [de gedaagde in conventie] betwist de verschuldigdheid van het overige door [de eiser in conventie] gefactureerde meerwerk.
Volledig
[de gedaagde in conventie] heeft in het kader van het meer- en minderwerk ter zitting aangevoerd dat [de eiser in conventie] niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht jegens [de gedaagde in conventie] als consument en dat daarop als sanctie moet volgen een vermindering van de prijs met 20%. 4.17. Partijen zijn het eens dat zij bij [de gedaagde in conventie] thuis hebben overlegd over een te sluiten overeenkomst, dat zij vervolgens per post of e-mail stukken zoals offertes hebben gewisseld en dat [de gedaagde in conventie] thuis, buiten aanwezigheid van [de eiser in conventie] , de overeenkomst heeft getekend. Dit betekent dat de aannemingsovereenkomst geen overeenkomst gesloten buiten de verkoopruimte is en evenmin een overeenkomst gesloten op afstand (artikel 6:230g lid 1 sub f resp. sub e BW). 4.18. Op grond van artikel 6:230l sub c BW is de aannemer bij een aannemingsovereenkomst met een consument verplicht adequate informatie verstrekken over de prijs van het werk, vooraf of uiterlijk bij het sluiten van de overeenkomst. Deze verplichting vloeit voort uit Richtlijn Consumentenrechten 2011/83/EU. Bij schending van de informatieplicht betreffende de prijs dient de rechter ambtshalve een korting op te leggen (Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieverplichtingen). Deze informatieverplichting op grond van artikel 6:230l sub c BW komt daarmee als het ware boven op de (wettelijke) regeling van artikel 7:755 BW en geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor meerwerk, nu daaraan een aanvullende overeenkomst ten grondslag ligt. 4.19. De rechtbank dient (ambtshalve) te onderzoeken of op [de eiser in conventie] een verplichting rustte zoals bedoeld in artikel 6:230l sub c BW. Dat is naar het oordeel van de rechtbank, gehoord partijen bij de mondelinge behandeling, niet het geval. 4.20. Op grond van artikel 6:230h lid 2 sub g BW is die specifieke verplichting namelijk niet van toepassing op een overeenkomst betreffende de constructie van nieuwe gebouwen en de ingrijpende verbouwing van bestaande gebouwen. Het door [de gedaagde in conventie] aan [de eiser in conventie] opgedragen werk betreft naar het oordeel van de rechtbank de constructie van een nieuw gebouw danwel een daarmee vergelijkbare ingrijpende verbouwing. 4.21. De los staande oude molenromp, volgens [de gedaagde in conventie] daterend uit 1874, is namelijk verbouwd, waarbij om de molenromp heen een nieuwe woning is gebouwd, een en ander zoals ook zichtbaar op onderstaande door [de gedaagde in conventie] overgelegde afbeeldingen (productie 5 conclusie van antwoord/eis) en zoals door [de gedaagde in conventie] bij de mondelinge behandeling bevestigd. [ Foto verwijderd ter anonimisatie. ] 4.22. Dit betekent dat [de eiser in conventie] , anders dan [de gedaagde in conventie] meent, geen informatieverplichting heeft geschonden jegens [de gedaagde in conventie] als consument overeenkomstig de Richtlijn Consumentenrechten 2011/83/EU, zoals geïmplementeerd in artikel 6:230l sub c BW, zodat een grondslag voor een sanctie terzake, in de vorm van een prijsvermindering, ontbreekt. 4.23. De verschuldigdheid van het meerwerk wordt hierna verder beoordeeld. Meerwerk 4.24. [de eiser in conventie] heeft bij factuur van 18 september 2024 jegens [de gedaagde in conventie] aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag van € 36.876,75 inclusief btw. In dit bedrag is ook de verrekening met minderwerk begrepen, dat hierna afzonderlijk zal worden besproken. De door [de gedaagde in conventie] erkende meerwerkposten zijn hieronder vet gedrukt. 4.25. In de factuur van 18 september 2024 komen de volgende meerwerk posten voor (exclusief btw): 1. Lekkage opsporen dak molen in verband met lekkage nieuwe dakbedekking (snijnaden in de nieuwe dakbedekking door eigen dakdekker) € 54,00 2. Leveren en aanbrengen extra vloerluiken € 424,00 3. Aanbrengen van balk in de molen, de balk is door u aangeleverd, balk pas gezaagd en met een lift geplaatst € 2.174,00 4. Aanpassen vloeren in verband met doorloop 1ste verdiepingsvloer, totaal 7 uur € 350,00 5. Aftimmeren kolom tbv carport (uit offerte gehaald, later zoals afgesproken gewijzigd, zie mail 11 juni ’23) € 963,42 6. Leveren en aanbrengen geïsoleerde betonvloer en smeervloer in de molen, mail 29 september 2023, opdracht 2 oktober € 2.650,00 7. Leveren en aanbrengen anti dreun onder het zetwerk € 1.812,00 8. Meerprijs hardstenen vensterbanken, 1 extra vensterbank badkamerraam zijgevel, nog na te leveren in verband met gewijzigde afwerking € 1.134,00 9. Metselwerk nieuw gemetselde muur gesloopt, kleur was niet naar wens € 285,00 10. Nieuwe muur opgemetseld op plaats van gesloopte muur, incl. stelwerk € 1.192,00 11. Maken trap begane grond, incl. stellen en stenen zagen 12-04; totaal 5 uur € 250,00 22-04 t/m 25-04; totaal 68 uur € 3.400,00 12. Metselwerk boog begane grond en verdieping 15-04 t/m 19-04; totaal 80 uur € 4.000,00 13. (26-02) sloopwerk 1 st. doorgang groter gemaakt in overleg met Susanne (vond het te smal) € 456,00 14. Inschalen boog ter plaatse van BC6, hoeklijn plaatsen in overleg met constructeur 22-08; totaal 6 uur € 300,00 hoeklijnen € 65,00 15. 30-04 traptredes stelwerk 1ste verdieping en voorbereidingen, totaal 8 uur € 400,00 16. 21-05 stelwerk onderste traptredes, stenen zagen, houtenbalk lossen van de vrachtwagen / zeer zwaar, totaal 14 uur € 700,00 17. 22-05 traptredes bgg, overleg trap boven, bekisting zetten en beton storten. betonmortel € 81,50 totaal 16 uur € 800,00 18. 27-05 stelwerk trap verdieping, stenen sorteren en mal maken, totaal 8 uur € 400,00 19. 28-05 stenen zagen, metselwerk trap verdieping, totaal 16 uur € 800,00 20. 29-05 metselwerk stelwerk verdieping, totaal 8 uur € 400,00 21. 31-05 traptredes metselen, 1 ste verdieping stenen zagen, totaal 8 uur € 400,00 22. 04-06 stelwerk traptredes, metselwerk trap en zaagwerk stenen, Sloopwerk metselmortel € 82,50 totaal 8 uur € 400,00 23. 05-06 stelwerk traptredes, zaagwerk metselwerk, totaal 10 uur € 500,00 24. 06-06 stelwerk trap, stenen zagen en metselwerk, totaal 10 uur € 500,00 25. 10-06 stenen zagen, trap verdieping, totaal 8 uur € 400,00 26. 12-06 traptrede zagen en plakken met tegellijm. tegellijm € 7,40 totaal 16 uur € 800,00 27. Week 28; aanpassen sparing ten behoeve van stalen trap richting eerste verdieping in overleg met trapleverancier, totaal 6 uur (in offerte door trapleverancier) € 300,00 Aanpassen ronding, totaal 1,5 uur (in offerte door trapleverancier) € 75,00 28. 02-11 Deurkozijnen verplaatst ter plaatse van slaapkamer / douche. Loshalen en aanpassen van lateien en stellen en opnieuw aanmetselen kozijnen, totaal 18 uur. In overleg met opdrachtgever in verband met fout op de tekening € 900,00 29. 16-11 Sloopwerk ten behoeve van lood in de molen plat dak, op jullie verzoek in verband met dieper in plaatsen, totaal 7 uur € 350,00 30. 17-11 Sloopwerk ten behoeve van lood in de molen platdak ivm dieper in de molen, totaal 5 uur, in overleg met opdrachtgever € 250,00 31. 24-11 Uithakken metselwerk in verband met verkeerde steen conform jullie verzoek, lood aanmetselen, totaal 6 uur € 300,00 32. 08-12 Metselwerk lood, totaal 12 uur € 600,00 Materiaal;12 zak metselmortel € 47,40 33. Huur steiger week 18 t/m 31, 14 weken € 4.508,00 Demontage steiger € 993,00 Transport en handeling terug € 450,00 34. Resterende termijn zetwerk, totaal conform afspraak € 16.050,00, Reeds in rekening gebracht 1e termijn € 8.025,00 en 2e termijn € 4012,50 € 4.012,50 35. Meerprijs garagedeur € 160,00 4.26. Het gefactureerde meer werk komt in totaal uit op een bedrag van € 39.126,72 ( exclusief btw). 4.27. [de gedaagde in conventie] erkent meerkosten verschuldigd te zijn voor de garagedeur (€ 160,00), de betonvloer (€ 2.650,00), vloerluiken (€ 424,00) en de antidreun (€ 1.812,00). Het totaal van deze bedragen is € 5.046,00 (exclusief btw) en € 6.105,66 (inclusief btw). 4.28. [de gedaagde in conventie] betwist de verschuldigdheid van het overige door [de eiser in conventie] gefactureerde meerwerk.
Volledig
[de gedaagde in conventie] voert aan dat hij de offerte van 2 mei 2023 heeft aanvaard onder de uitdrukkelijke voorwaarde in zijn mail van 28 mei 2023 dat het bestek leidend zou zijn en dat [de eiser in conventie] deze voorwaarde zou hebben aanvaard. Uit het bestek [de rechtbank begrijpt: de projectomschrijving] onder punt 1.2.4. volgt dat [de eiser in conventie] geen recht heeft op verrekening van meerwerk, waarvan de prijs vooraf niet schriftelijk is overeengekomen, aldus [de gedaagde in conventie] . Indien zich meerwerk voordeed, diende [de eiser in conventie] de te besteden tijd af te stemmen met [de gedaagde in conventie] en zou het meerwerk tegen € 35,00 per uur worden uitgevoerd. [de eiser in conventie] heeft meerwerk gefactureerd zonder dat hij [de gedaagde in conventie] (tijdig) had gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging en zonder dat [de gedaagde in conventie] die verhogingen conform afspraak had goedgekeurd, bij voorbeeld door middel van door [de gedaagde in conventie] ondertekende urenbonnen. Hij hoefde de noodzaak van prijsverhoging niet uit zichzelf te begrijpen, aldus [de gedaagde in conventie] . 4.29. [de eiser in conventie] heeft daartegenover aangevoerd dat in de door [de gedaagde in conventie] ondertekende overeenkomst van 12 mei 2023 staat dat de offerte leidend is en dat de AVA 2013 van toepassing zijn, terwijl in de offerte en in de overeenkomst het bestek [de rechtbank begrijpt: de projectomschrijving] niet wordt vermeld. [de eiser in conventie] heeft ter zitting verklaard dat hij er bewust voor heeft gekozen om het bestek, waarin de technische prestaties uitgewerkt zijn, niet van toepassing te verklaren omdat daarover te veel vragen bestonden, zoals de afwerking van onderdelen van het werk en de verdeling van werkzaamheden tussen nevenaannemers (zoals stukadoor, installateur). Hij heeft zijn begroting niet op het bestek gebaseerd maar op het werk dat hij in de offerte aanbood, aldus [de eiser in conventie] . 4.30. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de inhoud van de aannemingsovereenkomst, die mede wordt bepaald door de offerte van 2 mei 2023 en de AVA 2013, vóór voornoemde bepalingen uit de projectomschrijving voor zover die bepalingen strijden met die overeenkomst. De getekende aannemingsovereenkomst staat namelijk gelet op haar specifieke betekenis in rangorde boven overige contractstukken zoals tekeningen en (technische) omschrijvingen en is bovendien van latere datum dan de projectomschrijving. De enkele verwijzing door [de gedaagde in conventie] in de mail van 28 mei 2023, inhoudende “het bestek is leidende en de uitvoering van het werk dient dan ook in lijn hiermee uitgewerkt te worden tenzij later door of in samenwerking met opdrachtgever aanpassingen zijn gemaakt.” , is onvoldoende concreet en specifiek om voorrang te verbinden aan punt 1.2.4 uit de projectomschrijving van april 202 2 (vgl. artikel 2 lid 3 AVA 2013), terwijl [de gedaagde in conventie] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld, gelet op de toelichting van [de eiser in conventie] , dat deze juist daarmee zou hebben ingestemd. 4.31. De vraag of, en zo ja in hoeverre [de eiser in conventie] jegens [de gedaagde in conventie] aanspraak kan maken op vergoeding van meerwerk dient dan ook te worden beantwoord aan de hand van het beroep van [de eiser in conventie] op artikel 7:755 BW (dat nagenoeg gelijkluidend is aan artikel 6 AVA 2013). Dit artikel bepaalt wanneer de aannemer recht heeft op prijsverhoging als gevolg van door de opdrachtgever gewenste (van hemzelf of van de aannemer afkomstige) toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk. Dit is het geval wanneer de aannemer de opdrachtgever tijdig voor de noodzaak van een uit het meerwerk voortvloeiende prijsverhoging heeft gewaarschuwd, tenzij de opdrachtgever de noodzaak van prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. 4.32. Bij de toepassing van deze tenzij-bepaling is niet van belang of de opdrachtgever ook inzicht had in de omvang van de prijsverhoging dan wel de (concreet) te verwachten meerkosten. Artikel 7:755 BW bepaalt immers alleen dat de opdrachtgever de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling is beoogd duidelijk te maken dat toestemming tot meerwerk niet zonder meer toestemming tot prijsverhoging impliceert. In dat opzicht heeft de wetgever de opdrachtgever bescherming willen bieden. Het is aan de opdrachtgever om zich, nadat hij tijdig door de aannemer is gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging of indien hij die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen, desgewenst te verstaan met de aannemer omtrent de omvang van de prijsverhoging en vervolgens te beslissen of hij de gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk wil opdragen (Hoge Raad 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:989). 4.33. [de eiser in conventie] heeft in zijn conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging c.q. vermeerdering van eis uitgebreid gereageerd op het verweer van [de gedaagde in conventie] met betrekking tot het meerwerk. [de eiser in conventie] heeft ten aanzien van het meerwerk -kort samengevat- aangevoerd dat er sprake is geweest van herstel van schade die door een door [de gedaagde in conventie] ingeschakelde onderaannemer was veroorzaakt, dat posten zijn erkend door [de gedaagde in conventie] , dat een slechte draagbalk op verzoek van [de gedaagde in conventie] is vervangen, dat op verzoek van [de gedaagde in conventie] met betrekking tot vensterbanken voor een duurdere uitvoering is gekozen, dat meerwerkposten vooraf met [de gedaagde in conventie] zijn besproken en het meerwerk door hem is geaccordeerd en aan hem is opgedragen. Met betrekking tot de meeste posten verwijst [de eiser in conventie] naar de bouwvergadering van 9 juni 2023 en een e-mail van 11 juni 2023 van [de gedaagde in conventie] aan hem, waarin [de gedaagde in conventie] de punten aangeeft waarover in de bouwvergadering is gesproken. [de eiser in conventie] stelt dat [de gedaagde in conventie] de noodzaak voor prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. 4.34. [de gedaagde in conventie] heeft niet betwist dat de posten die staan vermeld in de factuur van 18 september 2024 als meerwerk (dat wil zeggen dat het gaat om werkzaamheden die niet staan vermeld in de uitgebreide offerte van 2 mei 2023) kunnen worden gekwalificeerd. De meerwerkposten zijn in deze factuur voldoende gespecificeerd. Het feit dat er geen door [de gedaagde in conventie] ondertekende urenbonnen zijn, betekent dus niet dat [de eiser in conventie] daarom geen aanspraak kan maken op vergoeding van meerwerk, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. [de gedaagde in conventie] heeft ter zitting niet meer gereageerd op de hiervoor verkort weergegeven reactie van [de eiser in conventie] in zijn conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging c.q. vermeerdering van eis. Evenmin heeft [de gedaagde in conventie] ter zitting verzocht om een akte te mogen nemen om te kunnen reageren op de uitgebreide reactie van [de eiser in conventie] . 4.35. [de eiser in conventie] heeft (ook) ter zitting aangevoerd dat [de gedaagde in conventie] de regie over het werk had en dat uit de producties blijkt dat er zeer intensief contact was tussen partijen en dat [de gedaagde in conventie] een directierol heeft vervuld. Er is uiting gegeven aan de informatieplicht, niets is buiten [de gedaagde in conventie] omgegaan en [de gedaagde in conventie] heeft de noodzaak voor prijsverhoging bij meerwerk redelijkerwijs uit zichzelf moeten begrijpen. 4.36. [de gedaagde in conventie] heeft hierop ter zitting slechts gereageerd door aan te voeren dat [de eiser in conventie] niet in het algemeen en niet in het bijzonder heeft voldaan aan zijn informatieplicht en dat hij de noodzaak van een prijsverhoging niet redelijkerwijs uit zichzelf heeft moeten begrijpen. 4.37. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de gedaagde in conventie] onvoldoende gemotiveerd bestreden dat hij de regie over het werk voerde.
Volledig
[de gedaagde in conventie] voert aan dat hij de offerte van 2 mei 2023 heeft aanvaard onder de uitdrukkelijke voorwaarde in zijn mail van 28 mei 2023 dat het bestek leidend zou zijn en dat [de eiser in conventie] deze voorwaarde zou hebben aanvaard. Uit het bestek [de rechtbank begrijpt: de projectomschrijving] onder punt 1.2.4. volgt dat [de eiser in conventie] geen recht heeft op verrekening van meerwerk, waarvan de prijs vooraf niet schriftelijk is overeengekomen, aldus [de gedaagde in conventie] . Indien zich meerwerk voordeed, diende [de eiser in conventie] de te besteden tijd af te stemmen met [de gedaagde in conventie] en zou het meerwerk tegen € 35,00 per uur worden uitgevoerd. [de eiser in conventie] heeft meerwerk gefactureerd zonder dat hij [de gedaagde in conventie] (tijdig) had gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging en zonder dat [de gedaagde in conventie] die verhogingen conform afspraak had goedgekeurd, bij voorbeeld door middel van door [de gedaagde in conventie] ondertekende urenbonnen. Hij hoefde de noodzaak van prijsverhoging niet uit zichzelf te begrijpen, aldus [de gedaagde in conventie] . 4.29. [de eiser in conventie] heeft daartegenover aangevoerd dat in de door [de gedaagde in conventie] ondertekende overeenkomst van 12 mei 2023 staat dat de offerte leidend is en dat de AVA 2013 van toepassing zijn, terwijl in de offerte en in de overeenkomst het bestek [de rechtbank begrijpt: de projectomschrijving] niet wordt vermeld. [de eiser in conventie] heeft ter zitting verklaard dat hij er bewust voor heeft gekozen om het bestek, waarin de technische prestaties uitgewerkt zijn, niet van toepassing te verklaren omdat daarover te veel vragen bestonden, zoals de afwerking van onderdelen van het werk en de verdeling van werkzaamheden tussen nevenaannemers (zoals stukadoor, installateur). Hij heeft zijn begroting niet op het bestek gebaseerd maar op het werk dat hij in de offerte aanbood, aldus [de eiser in conventie] . 4.30. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de inhoud van de aannemingsovereenkomst, die mede wordt bepaald door de offerte van 2 mei 2023 en de AVA 2013, vóór voornoemde bepalingen uit de projectomschrijving voor zover die bepalingen strijden met die overeenkomst. De getekende aannemingsovereenkomst staat namelijk gelet op haar specifieke betekenis in rangorde boven overige contractstukken zoals tekeningen en (technische) omschrijvingen en is bovendien van latere datum dan de projectomschrijving. De enkele verwijzing door [de gedaagde in conventie] in de mail van 28 mei 2023, inhoudende “het bestek is leidende en de uitvoering van het werk dient dan ook in lijn hiermee uitgewerkt te worden tenzij later door of in samenwerking met opdrachtgever aanpassingen zijn gemaakt.” , is onvoldoende concreet en specifiek om voorrang te verbinden aan punt 1.2.4 uit de projectomschrijving van april 202 2 (vgl. artikel 2 lid 3 AVA 2013), terwijl [de gedaagde in conventie] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld, gelet op de toelichting van [de eiser in conventie] , dat deze juist daarmee zou hebben ingestemd. 4.31. De vraag of, en zo ja in hoeverre [de eiser in conventie] jegens [de gedaagde in conventie] aanspraak kan maken op vergoeding van meerwerk dient dan ook te worden beantwoord aan de hand van het beroep van [de eiser in conventie] op artikel 7:755 BW (dat nagenoeg gelijkluidend is aan artikel 6 AVA 2013). Dit artikel bepaalt wanneer de aannemer recht heeft op prijsverhoging als gevolg van door de opdrachtgever gewenste (van hemzelf of van de aannemer afkomstige) toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk. Dit is het geval wanneer de aannemer de opdrachtgever tijdig voor de noodzaak van een uit het meerwerk voortvloeiende prijsverhoging heeft gewaarschuwd, tenzij de opdrachtgever de noodzaak van prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. 4.32. Bij de toepassing van deze tenzij-bepaling is niet van belang of de opdrachtgever ook inzicht had in de omvang van de prijsverhoging dan wel de (concreet) te verwachten meerkosten. Artikel 7:755 BW bepaalt immers alleen dat de opdrachtgever de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling is beoogd duidelijk te maken dat toestemming tot meerwerk niet zonder meer toestemming tot prijsverhoging impliceert. In dat opzicht heeft de wetgever de opdrachtgever bescherming willen bieden. Het is aan de opdrachtgever om zich, nadat hij tijdig door de aannemer is gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging of indien hij die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen, desgewenst te verstaan met de aannemer omtrent de omvang van de prijsverhoging en vervolgens te beslissen of hij de gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk wil opdragen (Hoge Raad 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:989). 4.33. [de eiser in conventie] heeft in zijn conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging c.q. vermeerdering van eis uitgebreid gereageerd op het verweer van [de gedaagde in conventie] met betrekking tot het meerwerk. [de eiser in conventie] heeft ten aanzien van het meerwerk -kort samengevat- aangevoerd dat er sprake is geweest van herstel van schade die door een door [de gedaagde in conventie] ingeschakelde onderaannemer was veroorzaakt, dat posten zijn erkend door [de gedaagde in conventie] , dat een slechte draagbalk op verzoek van [de gedaagde in conventie] is vervangen, dat op verzoek van [de gedaagde in conventie] met betrekking tot vensterbanken voor een duurdere uitvoering is gekozen, dat meerwerkposten vooraf met [de gedaagde in conventie] zijn besproken en het meerwerk door hem is geaccordeerd en aan hem is opgedragen. Met betrekking tot de meeste posten verwijst [de eiser in conventie] naar de bouwvergadering van 9 juni 2023 en een e-mail van 11 juni 2023 van [de gedaagde in conventie] aan hem, waarin [de gedaagde in conventie] de punten aangeeft waarover in de bouwvergadering is gesproken. [de eiser in conventie] stelt dat [de gedaagde in conventie] de noodzaak voor prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. 4.34. [de gedaagde in conventie] heeft niet betwist dat de posten die staan vermeld in de factuur van 18 september 2024 als meerwerk (dat wil zeggen dat het gaat om werkzaamheden die niet staan vermeld in de uitgebreide offerte van 2 mei 2023) kunnen worden gekwalificeerd. De meerwerkposten zijn in deze factuur voldoende gespecificeerd. Het feit dat er geen door [de gedaagde in conventie] ondertekende urenbonnen zijn, betekent dus niet dat [de eiser in conventie] daarom geen aanspraak kan maken op vergoeding van meerwerk, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. [de gedaagde in conventie] heeft ter zitting niet meer gereageerd op de hiervoor verkort weergegeven reactie van [de eiser in conventie] in zijn conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging c.q. vermeerdering van eis. Evenmin heeft [de gedaagde in conventie] ter zitting verzocht om een akte te mogen nemen om te kunnen reageren op de uitgebreide reactie van [de eiser in conventie] . 4.35. [de eiser in conventie] heeft (ook) ter zitting aangevoerd dat [de gedaagde in conventie] de regie over het werk had en dat uit de producties blijkt dat er zeer intensief contact was tussen partijen en dat [de gedaagde in conventie] een directierol heeft vervuld. Er is uiting gegeven aan de informatieplicht, niets is buiten [de gedaagde in conventie] omgegaan en [de gedaagde in conventie] heeft de noodzaak voor prijsverhoging bij meerwerk redelijkerwijs uit zichzelf moeten begrijpen. 4.36. [de gedaagde in conventie] heeft hierop ter zitting slechts gereageerd door aan te voeren dat [de eiser in conventie] niet in het algemeen en niet in het bijzonder heeft voldaan aan zijn informatieplicht en dat hij de noodzaak van een prijsverhoging niet redelijkerwijs uit zichzelf heeft moeten begrijpen. 4.37. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de gedaagde in conventie] onvoldoende gemotiveerd bestreden dat hij de regie over het werk voerde.
Volledig
Steun voor de directierol van [de gedaagde in conventie] biedt overigens zijn eigen stelling (in de conclusie van antwoord in het incident onder 5.3.16.) dat hij met alle aannemers afsprak wanneer zij werkzaamheden zouden verrichten en de werkzaamheden van alle aannemers op elkaar afstemde. [de gedaagde in conventie] heeft evenmin voldoende gemotiveerd betwist dat hij op de hoogte was van aard en omvang van het door [de eiser in conventie] opgevoerde meerwerk. Dat geldt ook ten aanzien van de betwisting van de stelling van [de eiser in conventie] dat hij, [de gedaagde in conventie] , de noodzaak voor prijsverhoging bij meerwerk redelijkerwijs uit zichzelf heeft moeten begrijpen. 4.38. Bij deze stand van zaken heeft [de eiser in conventie] ter zake van meerwerk in beginsel aanspraak op betaling van een bedrag van € 39.126,72 (exclusief btw). [de gedaagde in conventie] heeft evenwel ten aanzien van sommige posten aangevoerd dat hij daarvoor geen bedrag verschuldigd is. Deze posten zullen hierna worden besproken. Dubbel gefactureerde bedragen 4.39. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] in de factuur van 18 september 2024 kosten in rekening heeft gebracht voor de montage en demontage (€ 993) en transport en handelingen (€ 450) van de steiger, terwijl deze kosten al bij twee eerdere meerwerkfacturen in rekening waren gebracht. [de eiser in conventie] heeft dit in de inleidende dagvaarding erkend en deze kosten gecrediteerd bij de factuur van 13 juni 2025 (de 10e termijn). 4.40. Dit betekent dat op voormeld bedrag van € 39.126,72 exclusief btw een bedrag van € 1.443,00 exclusief btw (€ 1.746,03 inclusief btw) in mindering zal worden gebracht. Ten onrechte gefactureerde btw over huur van de steiger 4.41. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] hem op 27 oktober 2023 per e-mail een aanbod deed voor huur van de steiger voor een bedrag van € 322,00 per week. [de eiser in conventie] vermeldde daarbij niet dat over deze kosten nog btw in rekening zou worden gebracht, zodat dit niet is overeengekomen. [de eiser in conventie] heeft echter in de factuur van 18 september 2024 ten onrechte btw over de huur van de steiger in rekening gebracht, aldus [de gedaagde in conventie] . Het gaat hierbij om een bedrag van € 946,68. 4.42. De rechtbank gaat niet mee in deze -door [de eiser in conventie] betwiste- stelling van [de gedaagde in conventie] . In de offerte van 2 mei 2023 wordt immers duidelijk vermeld dat het daarin vermelde totaalbedrag van € 334.277,00 exclusief btw is. Daaruit volgt dat de in die offerte opgenomen posten telkens bedragen exclusief btw betreffen. In de e-mail van 27 oktober 2023 is bovendien achter “montage en demontage steiger” vermeld: “meerprijs op de offerte”. In de overeenkomst van 12 mei 2023 wordt het totaalbedrag van € 334.277,00 herhaald en verhoogd met 21% btw (ad € 70.198,17), zonder dat [de gedaagde in conventie] daartegen heeft geprotesteerd. De facturen met betrekking tot de termijnbedragen vermelden telkens het (wettelijk) btw-percentage en het bedrag van de btw. Naar het oordeel van de rechtbank moet [de gedaagde in conventie] dan ook hebben begrepen dat als [de eiser in conventie] facturen uitschreef daarover ook (21%) btw verschuldigd zou zijn. En [de eiser in conventie] mocht ervan uitgaan dat [de gedaagde in conventie] dat ook had begrepen. Het enkele feit dat in de offerte van [de eiser in conventie] van 27 oktober 2023 met betrekking tot de huur van de steiger per week niet wordt vermeld dat over de daarin bedoelde kosten nog btw in rekening zou worden gebracht, merkt de rechtbank gelet op het vorenstaande aan als een kenbare omissie. Dat brengt dus niet mee dat [de gedaagde in conventie] er vanuit mocht gaan dat de genoemde prijs een bedrag inclusief btw zou vormen en dat [de eiser in conventie] in de daarop volgende factuur dan geen btw aan [de gedaagde in conventie] in rekening zou mogen brengen. 4.43. [de gedaagde in conventie] heeft nog aangevoerd dat het niet vermelden van btw in de offerte in strijd is met artikel 38 van de Wet op de Omzetbelasting. Dit artikel bepaalt dat het de ondernemer verboden is om aan anderen dan ondernemers en publiekrechtelijke lichamen goederen en diensten aan te bieden tegen prijzen met zodanige aanduidingen dat de omzetbelasting niet in de prijzen zou zijn begrepen. [de gedaagde in conventie] verbindt hieraan de conclusie dat [de eiser in conventie] hem in de factuur van 18 september 2024 over de huur van de steiger geen btw in rekening had mogen brengen. 4.44. Tekst noch strekking van deze bepaling uit de Wet op de Omzetbelasting brengt met zich dat de ondernemer die nalaat om in een aan een consument uitgebrachte offerte de btw te vermelden, de over de betreffende goederen of diensten door de ondernemer verschuldigde omzetbelasting niet bij de consument in rekening zou mogen brengen met als gevolg dat de verschuldigde btw voor rekening van de ondernemer zou blijven. Die uitkomst zou in deze zaak bovendien niet stroken met hetgeen hiervoor is overwogen. 4.45. Om dezelfde reden faalt onder deze omstandigheden het betoog van [de gedaagde in conventie] dat in het aanbod sprake is van een misleidende omissie als bedoeld in artikel 6:193d lid 2 BW omdat in het aanbod essentiële informatie (als bedoeld in artikel 6:193e lid 1 aanhef en onder c BW) zou zijn weggelaten en daarom sprake zou zijn van een oneerlijke handelspraktijk van [de eiser in conventie] als bedoeld in artikel 6:193b lid 3 onder a BW. 4.46. [de eiser in conventie] heeft de btw over de huur van de steiger dan ook met recht in de factuur van 18 september 2024 aan [de gedaagde in conventie] in rekening gebracht. Conclusie ten aanzien van het meerwerk 4.47. [de eiser in conventie] heeft ter zake van meerwerk jegens [de gedaagde in conventie] aanspraak op betaling van een bedrag van € 37.683,72 (€ 39.126,72 minus € 1.443,00), te vermeerderen met 21% btw (€ 7.913,58), dus € 45.597,30 inclusief btw. Minderwerk, besparingen 4.48. In de factuur van [de eiser in conventie] van 18 september 2024 zijn volgende posten als minderwerk vermeld (exclusief btw): -openingen trapgat en bestaande stijl, stelpost offerte € 1.000,00 -vervallen herstellen van houtconstructie waar nodig uit offerte € 600,00 -minderprijs loodvervanger aansluiting molen € 460,00 -minderprijs hardstenen dorpels € 284,00 -minderprijs herplaatsen bestaande raam keuken € 112,00 -minderprijs pvc doorvoeren € 16,05 -minderprijs mantelbuizen € 462,00 -minderprijs geïsoleerde kantplank wegens andere opbouw € 5.641,02 -minderprijs steunen ten behoeve van sierrand € 75,00 Totaal exclusief btw: € 8.650,07 4.49. [de gedaagde in conventie] stelt dat het door [de eiser in conventie] erkende minderwerk neerkomt op een bedrag van € 7.650,07 (exclusief btw). [de gedaagde in conventie] vergist zich hier aangezien hij de stelpost van € 1.000,00 in zijn opstelling van het minderwerk niet heeft meegenomen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het minderwerk voor een bedrag van € 8.650,07 (exclusief btw) door [de eiser in conventie] is erkend. Inclusief btw komt dit neer op een bedrag van € 10.466,58. 4.50. De factuur van 13 juni 2025 (10e termijn) bevat drie wegens besparingen in mindering te brengen posten (alles exclusief btw): Besparing aftimmeren kozijnen en plinten ad € 804,07, Besparing balustrade balkon ad € 5.200,00, Besparing rubberen tegels balkon ad € 1.379,95. Dit is totaal € 7.384,02 exclusief btw en € 8.934,66 inclusief btw. Ten onrechte niet gecrediteerd minderwerk of niet verrekende besparingen? Niet aangebracht krimpnet 4.51. [de gedaagde in conventie] is met [de eiser in conventie] overeengekomen dat [de eiser in conventie] in de dekvloer een krimpnet zou aanbrengen voor een bedrag van € 3.174,00, te vermeerderen met btw. [de eiser in conventie] heeft het krimpnet niet aangebracht, zodat een bedrag van € 3.840,54 (inclusief btw) als minderwerk dient te worden verrekend, aldus [de gedaagde in conventie] . 4.52.
Volledig
Steun voor de directierol van [de gedaagde in conventie] biedt overigens zijn eigen stelling (in de conclusie van antwoord in het incident onder 5.3.16.) dat hij met alle aannemers afsprak wanneer zij werkzaamheden zouden verrichten en de werkzaamheden van alle aannemers op elkaar afstemde. [de gedaagde in conventie] heeft evenmin voldoende gemotiveerd betwist dat hij op de hoogte was van aard en omvang van het door [de eiser in conventie] opgevoerde meerwerk. Dat geldt ook ten aanzien van de betwisting van de stelling van [de eiser in conventie] dat hij, [de gedaagde in conventie] , de noodzaak voor prijsverhoging bij meerwerk redelijkerwijs uit zichzelf heeft moeten begrijpen. 4.38. Bij deze stand van zaken heeft [de eiser in conventie] ter zake van meerwerk in beginsel aanspraak op betaling van een bedrag van € 39.126,72 (exclusief btw). [de gedaagde in conventie] heeft evenwel ten aanzien van sommige posten aangevoerd dat hij daarvoor geen bedrag verschuldigd is. Deze posten zullen hierna worden besproken. Dubbel gefactureerde bedragen 4.39. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] in de factuur van 18 september 2024 kosten in rekening heeft gebracht voor de montage en demontage (€ 993) en transport en handelingen (€ 450) van de steiger, terwijl deze kosten al bij twee eerdere meerwerkfacturen in rekening waren gebracht. [de eiser in conventie] heeft dit in de inleidende dagvaarding erkend en deze kosten gecrediteerd bij de factuur van 13 juni 2025 (de 10e termijn). 4.40. Dit betekent dat op voormeld bedrag van € 39.126,72 exclusief btw een bedrag van € 1.443,00 exclusief btw (€ 1.746,03 inclusief btw) in mindering zal worden gebracht. Ten onrechte gefactureerde btw over huur van de steiger 4.41. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] hem op 27 oktober 2023 per e-mail een aanbod deed voor huur van de steiger voor een bedrag van € 322,00 per week. [de eiser in conventie] vermeldde daarbij niet dat over deze kosten nog btw in rekening zou worden gebracht, zodat dit niet is overeengekomen. [de eiser in conventie] heeft echter in de factuur van 18 september 2024 ten onrechte btw over de huur van de steiger in rekening gebracht, aldus [de gedaagde in conventie] . Het gaat hierbij om een bedrag van € 946,68. 4.42. De rechtbank gaat niet mee in deze -door [de eiser in conventie] betwiste- stelling van [de gedaagde in conventie] . In de offerte van 2 mei 2023 wordt immers duidelijk vermeld dat het daarin vermelde totaalbedrag van € 334.277,00 exclusief btw is. Daaruit volgt dat de in die offerte opgenomen posten telkens bedragen exclusief btw betreffen. In de e-mail van 27 oktober 2023 is bovendien achter “montage en demontage steiger” vermeld: “meerprijs op de offerte”. In de overeenkomst van 12 mei 2023 wordt het totaalbedrag van € 334.277,00 herhaald en verhoogd met 21% btw (ad € 70.198,17), zonder dat [de gedaagde in conventie] daartegen heeft geprotesteerd. De facturen met betrekking tot de termijnbedragen vermelden telkens het (wettelijk) btw-percentage en het bedrag van de btw. Naar het oordeel van de rechtbank moet [de gedaagde in conventie] dan ook hebben begrepen dat als [de eiser in conventie] facturen uitschreef daarover ook (21%) btw verschuldigd zou zijn. En [de eiser in conventie] mocht ervan uitgaan dat [de gedaagde in conventie] dat ook had begrepen. Het enkele feit dat in de offerte van [de eiser in conventie] van 27 oktober 2023 met betrekking tot de huur van de steiger per week niet wordt vermeld dat over de daarin bedoelde kosten nog btw in rekening zou worden gebracht, merkt de rechtbank gelet op het vorenstaande aan als een kenbare omissie. Dat brengt dus niet mee dat [de gedaagde in conventie] er vanuit mocht gaan dat de genoemde prijs een bedrag inclusief btw zou vormen en dat [de eiser in conventie] in de daarop volgende factuur dan geen btw aan [de gedaagde in conventie] in rekening zou mogen brengen. 4.43. [de gedaagde in conventie] heeft nog aangevoerd dat het niet vermelden van btw in de offerte in strijd is met artikel 38 van de Wet op de Omzetbelasting. Dit artikel bepaalt dat het de ondernemer verboden is om aan anderen dan ondernemers en publiekrechtelijke lichamen goederen en diensten aan te bieden tegen prijzen met zodanige aanduidingen dat de omzetbelasting niet in de prijzen zou zijn begrepen. [de gedaagde in conventie] verbindt hieraan de conclusie dat [de eiser in conventie] hem in de factuur van 18 september 2024 over de huur van de steiger geen btw in rekening had mogen brengen. 4.44. Tekst noch strekking van deze bepaling uit de Wet op de Omzetbelasting brengt met zich dat de ondernemer die nalaat om in een aan een consument uitgebrachte offerte de btw te vermelden, de over de betreffende goederen of diensten door de ondernemer verschuldigde omzetbelasting niet bij de consument in rekening zou mogen brengen met als gevolg dat de verschuldigde btw voor rekening van de ondernemer zou blijven. Die uitkomst zou in deze zaak bovendien niet stroken met hetgeen hiervoor is overwogen. 4.45. Om dezelfde reden faalt onder deze omstandigheden het betoog van [de gedaagde in conventie] dat in het aanbod sprake is van een misleidende omissie als bedoeld in artikel 6:193d lid 2 BW omdat in het aanbod essentiële informatie (als bedoeld in artikel 6:193e lid 1 aanhef en onder c BW) zou zijn weggelaten en daarom sprake zou zijn van een oneerlijke handelspraktijk van [de eiser in conventie] als bedoeld in artikel 6:193b lid 3 onder a BW. 4.46. [de eiser in conventie] heeft de btw over de huur van de steiger dan ook met recht in de factuur van 18 september 2024 aan [de gedaagde in conventie] in rekening gebracht. Conclusie ten aanzien van het meerwerk 4.47. [de eiser in conventie] heeft ter zake van meerwerk jegens [de gedaagde in conventie] aanspraak op betaling van een bedrag van € 37.683,72 (€ 39.126,72 minus € 1.443,00), te vermeerderen met 21% btw (€ 7.913,58), dus € 45.597,30 inclusief btw. Minderwerk, besparingen 4.48. In de factuur van [de eiser in conventie] van 18 september 2024 zijn volgende posten als minderwerk vermeld (exclusief btw): -openingen trapgat en bestaande stijl, stelpost offerte € 1.000,00 -vervallen herstellen van houtconstructie waar nodig uit offerte € 600,00 -minderprijs loodvervanger aansluiting molen € 460,00 -minderprijs hardstenen dorpels € 284,00 -minderprijs herplaatsen bestaande raam keuken € 112,00 -minderprijs pvc doorvoeren € 16,05 -minderprijs mantelbuizen € 462,00 -minderprijs geïsoleerde kantplank wegens andere opbouw € 5.641,02 -minderprijs steunen ten behoeve van sierrand € 75,00 Totaal exclusief btw: € 8.650,07 4.49. [de gedaagde in conventie] stelt dat het door [de eiser in conventie] erkende minderwerk neerkomt op een bedrag van € 7.650,07 (exclusief btw). [de gedaagde in conventie] vergist zich hier aangezien hij de stelpost van € 1.000,00 in zijn opstelling van het minderwerk niet heeft meegenomen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het minderwerk voor een bedrag van € 8.650,07 (exclusief btw) door [de eiser in conventie] is erkend. Inclusief btw komt dit neer op een bedrag van € 10.466,58. 4.50. De factuur van 13 juni 2025 (10e termijn) bevat drie wegens besparingen in mindering te brengen posten (alles exclusief btw): Besparing aftimmeren kozijnen en plinten ad € 804,07, Besparing balustrade balkon ad € 5.200,00, Besparing rubberen tegels balkon ad € 1.379,95. Dit is totaal € 7.384,02 exclusief btw en € 8.934,66 inclusief btw. Ten onrechte niet gecrediteerd minderwerk of niet verrekende besparingen? Niet aangebracht krimpnet 4.51. [de gedaagde in conventie] is met [de eiser in conventie] overeengekomen dat [de eiser in conventie] in de dekvloer een krimpnet zou aanbrengen voor een bedrag van € 3.174,00, te vermeerderen met btw. [de eiser in conventie] heeft het krimpnet niet aangebracht, zodat een bedrag van € 3.840,54 (inclusief btw) als minderwerk dient te worden verrekend, aldus [de gedaagde in conventie] . 4.52.
Volledig
[de eiser in conventie] heeft hiertegenover aangevoerd dat op verzoek van [de gedaagde in conventie] in plaats van krimpnet vezels en toevoegingen in de cementdekvloer zijn toegepast en dat hij dit kostenneutraal heeft uitgevoerd. 4.53. [de gedaagde in conventie] heeft dit niet betwist. Van minderwerk is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Het bedrag van € 3.840,54 (inclusief btw) zal dan ook niet als minderwerk worden verrekend. Werk in eigen beheer 4.54. [de gedaagde in conventie] stelt dat een balustrade en rubber tegels voor het dakterras onderdeel van de overeenkomst uitmaakten, maar dat hij heeft besloten deze werkzaamheden in eigen beheer te laten uitvoeren. De daarmee gemoeide stelposten ad € 6.000,00 en € 1.533,28 dienen volgens [de gedaagde in conventie] nog te worden verrekend. Het gaat hierbij om een bedrag van € 9.115,27 (inclusief btw). 4.55. [de eiser in conventie] heeft niet bestreden dat [de gedaagde in conventie] de hiervoor bedoelde werkzaamheden alsnog in eigen beheer heeft laten uitvoeren. [de eiser in conventie] verwijst naar de in deze procedure overgelegde slotfactuur van 13 juni 2025 (waarvan [de gedaagde in conventie] overigens betwist dat hij deze per post heeft ontvangen) waarbij hij als besparing voor de balustrade een bedrag van € 5.200,00 in mindering brengt en voor de tegels een bedrag van € 1.379,95. Het verschil met de hoogte van deze posten in de offerte wordt veroorzaakt doordat [de eiser in conventie] op deze -als besparingen verwerkte- posten winst en risico in mindering brengt alsmede terzake de balustrade “ankers leveren/lassen”. 4.56. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om een hoger bedrag aan besparingen in mindering te brengen, dan [de eiser in conventie] heeft gedaan. Vaststaat immers dat de bouwwerkzaamheden al waren begonnen toen [de gedaagde in conventie] besloot deze wel overeengekomen werkzaamheden niet door [de eiser in conventie] te laten uitvoeren, terwijl [de gedaagde in conventie] de door [de eiser in conventie] berekende en omschreven aftrek wegens besparingen niet heeft weersproken. Dit betekent dat ter zake van de balustrade en de tegels voor het balkon een bedrag van € 5.200,00 respectievelijk € 1.379,95 (exclusief btw) als besparingen in aanmerking komt, zoals door [de eiser in conventie] in de factuur van 13 juni 2025 is verwerkt. Het gaat hierbij om een totaalbedrag van € 6.579,95 exclusief btw. Inclusief btw is dit € 7.961,74. Niet ingeslepen molen 4.57. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] zich heeft verbonden om ervoor te zorgen dat de aanbouw correct zou aansluiten op de molenromp. Daartoe diende de molen te worden ingeslepen. [de eiser in conventie] is ondanks diverse toezeggingen na de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot uitvoering van dit werk overgegaan en is daardoor in verzuim komen te verkeren. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op creditering van de daarmee gemoeide kosten ad € 1.750,00. 4.58. [de eiser in conventie] voert daartegen aan dat hij zich steeds bereid heeft verklaard om de werkzaamheden uit te voeren, zodra de factuur voor de 9e termijn was voldaan. Aangezien [de gedaagde in conventie] met betalen in verzuim verkeerde, kon [de eiser in conventie] niet meer in verzuim raken en heeft hij met recht het verrichten van verdere werkzaamheden opgeschort zolang volledige betaling van de factuur uitbleef, aldus [de eiser in conventie] . 4.59. Dit verweer van [de eiser in conventie] treft doel. Vast staat immers dat toen betaling van de 9e factuur uitbleef er tussen partijen nadere afspraken zijn gemaakt over het moment waarop [de gedaagde in conventie] tot betaling zou overgaan. [de gedaagde in conventie] heeft niet langer bestreden dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat hij tot betaling zou overgaan nadat de cementvloer was gelegd. Aangezien de cementvloer op 12 juni 2024 is gelegd en de betalingstermijn van de 9e factuur 10 dagen bedroeg, verkeerde [de gedaagde in conventie] in ieder geval met ingang van 23 juni 2024 in verzuim (artikel 6:83 sub a BW). Het verzuim is door de nadien door [de gedaagde in conventie] verrichte deelbetalingen van twee maal € 6.000,00 niet gezuiverd. Er bleef na die betalingen nog een substantieel gedeelte van deze factuur onbetaald. Destijds heeft [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] geen beroep op verrekening gedaan. Dit betekent dat de rechtbank ten aanzien van de beantwoording van de vraag of [de gedaagde in conventie] in verzuim was met betaling van de openstaande factuur van de 9e termijn, de beweerdelijke tegenvorderingen die [de gedaagde in conventie] thans opvoert niet zal meenemen. De hoogte van het openstaande bedrag rechtvaardigde het door [de eiser in conventie] gedane beroep op opschorting. Het tegendeel is overigens door [de gedaagde in conventie] niet aangevoerd. [de eiser in conventie] is door zijn werkzaamheden na de brief van 8 augustus 2024 niet te hervatten dan ook niet in verzuim geraakt. Dit betekent dat [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] op die grond geen aanspraak kan maken op creditering van de met het inslijpen van de molen gemoeide kosten. [de gedaagde in conventie] heeft niet (onderbouwd) gesteld dat hier sprake is van een besparing. Het door [de gedaagde in conventie] opgevoerde bedrag van € 1.750,00 wordt dan ook niet in mindering gebracht op de overeengekomen aannemingssom. Niet geplaatste vensterbanken 4.60. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] zich heeft verbonden om vensterbanken te plaatsen en te leveren, maar dat hij is vergeten er twee te plaatsen. [de eiser in conventie] is na de ingebrekestelling niet tot plaatsing van de laatste twee vensterplanken overgegaan. Hierdoor kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op creditering van de daarmee gemoeide kosten ad € 256,00. 4.61. [de eiser in conventie] voert daartegen aan dat de (natuurstenen) vensterbanken meerwerk was. Dit is juist. De vensterbanken worden vermeld in de meerwerk factuur van 18 september 2024. [de eiser in conventie] erkent dat twee vensterbanken niet zijn geplaatst en voert aan dat twee vensterbanken ook niet in rekening zijn gebracht. [de gedaagde in conventie] is hierop niet meer ingegaan. De rechtbank ziet dan ook geen reden om (op de meerwerkfactuur) het door [de gedaagde in conventie] gevorderde bedrag ter zake van twee niet geplaatste vensterbanken in mindering brengen. Niet geplaatste achterwand(en) 4.62. [de gedaagde in conventie] stelt dat van het werk niet is uitgesloten de ombouw met achterwand van de toiletten. [de eiser in conventie] heeft deze achterwand slechts bij één van de toiletten gerealiseerd. [de eiser in conventie] is na de ingebrekestelling niet tot realisering van de overige achterwanden overgegaan. Hierdoor kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op creditering van de daarmee gemoeide kosten ad € 1.069,64. 4.63. [de eiser in conventie] heeft met recht aangevoerd dat de ombouw niet in de offerte is opgenomen. Om die reden is er geen sprake van minderwerk en kan [de gedaagde in conventie] dan ook geen aanspraak maken op creditering van het door hem gevorderde bedrag. Niet afgelakte en niet gemonteerde plinten 4.64. [de gedaagde in conventie] stelt dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat [de eiser in conventie] afgelakte plinten zou leveren en monteren. Voor het leveren van afgelakte plinten bracht [de eiser in conventie] € 1.815,00 (inclusief btw) extra in rekening. Voor het monteren van de plinten was in de offerte een bedrag van € 1.766,00 (inclusief btw) opgenomen. De plinten werden niet afgelakt geleverd. Wegens minderwerk heeft hij een vordering op [de eiser in conventie] van € 1.815,00 (inclusief btw). De plinten werden ook niet gemonteerd. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 weigerde om de plinten te monteren, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. Daarom ontbindt [de gedaagde in conventie] de overeenkomst voor dit gedeelte.
Volledig
[de eiser in conventie] heeft hiertegenover aangevoerd dat op verzoek van [de gedaagde in conventie] in plaats van krimpnet vezels en toevoegingen in de cementdekvloer zijn toegepast en dat hij dit kostenneutraal heeft uitgevoerd. 4.53. [de gedaagde in conventie] heeft dit niet betwist. Van minderwerk is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Het bedrag van € 3.840,54 (inclusief btw) zal dan ook niet als minderwerk worden verrekend. Werk in eigen beheer 4.54. [de gedaagde in conventie] stelt dat een balustrade en rubber tegels voor het dakterras onderdeel van de overeenkomst uitmaakten, maar dat hij heeft besloten deze werkzaamheden in eigen beheer te laten uitvoeren. De daarmee gemoeide stelposten ad € 6.000,00 en € 1.533,28 dienen volgens [de gedaagde in conventie] nog te worden verrekend. Het gaat hierbij om een bedrag van € 9.115,27 (inclusief btw). 4.55. [de eiser in conventie] heeft niet bestreden dat [de gedaagde in conventie] de hiervoor bedoelde werkzaamheden alsnog in eigen beheer heeft laten uitvoeren. [de eiser in conventie] verwijst naar de in deze procedure overgelegde slotfactuur van 13 juni 2025 (waarvan [de gedaagde in conventie] overigens betwist dat hij deze per post heeft ontvangen) waarbij hij als besparing voor de balustrade een bedrag van € 5.200,00 in mindering brengt en voor de tegels een bedrag van € 1.379,95. Het verschil met de hoogte van deze posten in de offerte wordt veroorzaakt doordat [de eiser in conventie] op deze -als besparingen verwerkte- posten winst en risico in mindering brengt alsmede terzake de balustrade “ankers leveren/lassen”. 4.56. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om een hoger bedrag aan besparingen in mindering te brengen, dan [de eiser in conventie] heeft gedaan. Vaststaat immers dat de bouwwerkzaamheden al waren begonnen toen [de gedaagde in conventie] besloot deze wel overeengekomen werkzaamheden niet door [de eiser in conventie] te laten uitvoeren, terwijl [de gedaagde in conventie] de door [de eiser in conventie] berekende en omschreven aftrek wegens besparingen niet heeft weersproken. Dit betekent dat ter zake van de balustrade en de tegels voor het balkon een bedrag van € 5.200,00 respectievelijk € 1.379,95 (exclusief btw) als besparingen in aanmerking komt, zoals door [de eiser in conventie] in de factuur van 13 juni 2025 is verwerkt. Het gaat hierbij om een totaalbedrag van € 6.579,95 exclusief btw. Inclusief btw is dit € 7.961,74. Niet ingeslepen molen 4.57. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] zich heeft verbonden om ervoor te zorgen dat de aanbouw correct zou aansluiten op de molenromp. Daartoe diende de molen te worden ingeslepen. [de eiser in conventie] is ondanks diverse toezeggingen na de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot uitvoering van dit werk overgegaan en is daardoor in verzuim komen te verkeren. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op creditering van de daarmee gemoeide kosten ad € 1.750,00. 4.58. [de eiser in conventie] voert daartegen aan dat hij zich steeds bereid heeft verklaard om de werkzaamheden uit te voeren, zodra de factuur voor de 9e termijn was voldaan. Aangezien [de gedaagde in conventie] met betalen in verzuim verkeerde, kon [de eiser in conventie] niet meer in verzuim raken en heeft hij met recht het verrichten van verdere werkzaamheden opgeschort zolang volledige betaling van de factuur uitbleef, aldus [de eiser in conventie] . 4.59. Dit verweer van [de eiser in conventie] treft doel. Vast staat immers dat toen betaling van de 9e factuur uitbleef er tussen partijen nadere afspraken zijn gemaakt over het moment waarop [de gedaagde in conventie] tot betaling zou overgaan. [de gedaagde in conventie] heeft niet langer bestreden dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat hij tot betaling zou overgaan nadat de cementvloer was gelegd. Aangezien de cementvloer op 12 juni 2024 is gelegd en de betalingstermijn van de 9e factuur 10 dagen bedroeg, verkeerde [de gedaagde in conventie] in ieder geval met ingang van 23 juni 2024 in verzuim (artikel 6:83 sub a BW). Het verzuim is door de nadien door [de gedaagde in conventie] verrichte deelbetalingen van twee maal € 6.000,00 niet gezuiverd. Er bleef na die betalingen nog een substantieel gedeelte van deze factuur onbetaald. Destijds heeft [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] geen beroep op verrekening gedaan. Dit betekent dat de rechtbank ten aanzien van de beantwoording van de vraag of [de gedaagde in conventie] in verzuim was met betaling van de openstaande factuur van de 9e termijn, de beweerdelijke tegenvorderingen die [de gedaagde in conventie] thans opvoert niet zal meenemen. De hoogte van het openstaande bedrag rechtvaardigde het door [de eiser in conventie] gedane beroep op opschorting. Het tegendeel is overigens door [de gedaagde in conventie] niet aangevoerd. [de eiser in conventie] is door zijn werkzaamheden na de brief van 8 augustus 2024 niet te hervatten dan ook niet in verzuim geraakt. Dit betekent dat [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] op die grond geen aanspraak kan maken op creditering van de met het inslijpen van de molen gemoeide kosten. [de gedaagde in conventie] heeft niet (onderbouwd) gesteld dat hier sprake is van een besparing. Het door [de gedaagde in conventie] opgevoerde bedrag van € 1.750,00 wordt dan ook niet in mindering gebracht op de overeengekomen aannemingssom. Niet geplaatste vensterbanken 4.60. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] zich heeft verbonden om vensterbanken te plaatsen en te leveren, maar dat hij is vergeten er twee te plaatsen. [de eiser in conventie] is na de ingebrekestelling niet tot plaatsing van de laatste twee vensterplanken overgegaan. Hierdoor kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op creditering van de daarmee gemoeide kosten ad € 256,00. 4.61. [de eiser in conventie] voert daartegen aan dat de (natuurstenen) vensterbanken meerwerk was. Dit is juist. De vensterbanken worden vermeld in de meerwerk factuur van 18 september 2024. [de eiser in conventie] erkent dat twee vensterbanken niet zijn geplaatst en voert aan dat twee vensterbanken ook niet in rekening zijn gebracht. [de gedaagde in conventie] is hierop niet meer ingegaan. De rechtbank ziet dan ook geen reden om (op de meerwerkfactuur) het door [de gedaagde in conventie] gevorderde bedrag ter zake van twee niet geplaatste vensterbanken in mindering brengen. Niet geplaatste achterwand(en) 4.62. [de gedaagde in conventie] stelt dat van het werk niet is uitgesloten de ombouw met achterwand van de toiletten. [de eiser in conventie] heeft deze achterwand slechts bij één van de toiletten gerealiseerd. [de eiser in conventie] is na de ingebrekestelling niet tot realisering van de overige achterwanden overgegaan. Hierdoor kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op creditering van de daarmee gemoeide kosten ad € 1.069,64. 4.63. [de eiser in conventie] heeft met recht aangevoerd dat de ombouw niet in de offerte is opgenomen. Om die reden is er geen sprake van minderwerk en kan [de gedaagde in conventie] dan ook geen aanspraak maken op creditering van het door hem gevorderde bedrag. Niet afgelakte en niet gemonteerde plinten 4.64. [de gedaagde in conventie] stelt dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat [de eiser in conventie] afgelakte plinten zou leveren en monteren. Voor het leveren van afgelakte plinten bracht [de eiser in conventie] € 1.815,00 (inclusief btw) extra in rekening. Voor het monteren van de plinten was in de offerte een bedrag van € 1.766,00 (inclusief btw) opgenomen. De plinten werden niet afgelakt geleverd. Wegens minderwerk heeft hij een vordering op [de eiser in conventie] van € 1.815,00 (inclusief btw). De plinten werden ook niet gemonteerd. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 weigerde om de plinten te monteren, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. Daarom ontbindt [de gedaagde in conventie] de overeenkomst voor dit gedeelte.
Volledig
Hij heeft de montage van de plinten door derden moeten laten uitvoeren. [de eiser in conventie] dient de daarmee gemoeide kosten ad € 2.778,93 aan hem te vergoeden, aldus [de gedaagde in conventie] . 4.65. [de eiser in conventie] heeft daarop als volgt gereageerd. Hij heeft de plinten afgelakt geleverd en binnen in de romp van de molen gelegd. Hij heeft de plinten niet aangebracht maar was daartoe wel bereid zodra de 9e factuur was betaald. 4.66. [de gedaagde in conventie] heeft zijn stelling dat [de eiser in conventie] de plinten niet afgelakt heeft geleverd niet met een foto onderbouwd, zodat de rechtbank aan deze door [de eiser in conventie] (met een foto) bestreden stelling voorbij gaat. Het door [de gedaagde in conventie] aangegeven bedrag van € 1.815,00 komt dan ook niet als minderwerk in aanmerking. 4.67. Anders dan [de gedaagde in conventie] heeft aangevoerd, is het uitblijven van het monteren van de plinten niet aan te merken als minderwerk. De omstandigheid dat de plinten niet zijn gemonteerd, houdt namelijk verband met het feit dat [de gedaagde in conventie] in verzuim was geraakt. [de gedaagde in conventie] , op wie in deze de stelplicht rust, heeft verder niet onderbouwd gesteld dat voor [de eiser in conventie] uit de opzegging van de overeenkomst op dit punt een besparing van € 1.766,00 (inclusief btw) is voortgevloeid. [de gedaagde in conventie] heeft niet verduidelijkt waar het door hem genoemde bedrag in de offerte staat en de rechtbank heeft het daar ook niet kunnen lezen. Vast staat wel dat [de eiser in conventie] op de factuur van 13 juni 2025 wegens besparing een bedrag in mindering heeft gebracht terzake “aftimmeren kozijnen en plinten”. Het door [de gedaagde in conventie] gestelde bedrag komt dus niet in mindering op de overeengekomen aanneemsom. 4.68. Zoals hiervoor is overwogen, verkeerde [de gedaagde in conventie] voordat hij de ingebrekestelling naar [de eiser in conventie] stuurde in verzuim. Daarom kon [de eiser in conventie] niet meer in verzuim geraken. [de gedaagde in conventie] kan dan ook jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op de kosten voor het door derden laten monteren van de plinten. Niet afgestelde kozijnen 4.69. [de gedaagde in conventie] stelt dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat een onderaannemer van [de eiser in conventie] de kozijnen en de deuren zou afstellen. De kozijnen werden wel geplaatst, maar niet afgesteld. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 weigerde om de kozijnen af te (laten) stellen, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. Daarom ontbindt [de gedaagde in conventie] de overeenkomst voor dit gedeelte en maakt hij ter zake van minderwerk aanspraak op creditering van een bedrag van € 5.445,00. 4.70. De rechtbank overweegt dat [de gedaagde in conventie] in verzuim verkeerde voordat hij de ingebrekestelling naar [de eiser in conventie] stuurde. Daarom kon [de eiser in conventie] niet meer in verzuim geraken en is er geen deugdelijke grond om de aannemingsovereenkomst te ontbinden voor dit onderdeel. [de gedaagde in conventie] kan dan ook jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op creditering van een bedrag van € 5.445,00. [de eiser in conventie] heeft verder op de factuur van 13 juni 2025 wegens besparing een bedrag van € 972,92 (inclusief btw) in mindering gebracht terzake “aftimmeren kozijnen en plinten”. Die besparing is door [de gedaagde in conventie] verder niet weersproken. Ondeugdelijke trapopening naar de eerste verdieping van de molen, niet aangebrachte opening naar de tweede verdieping van de molen, niet afgeronde werkzaamheden met betrekking tot de verdiepingsvloer in de molen 4.71. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] een trapopening in de molen van de begane grond naar de eerste verdieping heeft gemaakt. Het werk voldeed niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot herstel overging, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] vordert vergoeding van de door hem geleden schade, naar redelijkheid te begroten op een bedrag van € 550,00. [de eiser in conventie] was ook gehouden om een opening te maken van de eerste naar de tweede verdieping. [de eiser in conventie] heeft deze opening niet gemaakt. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot voltooiing van dit werk overging, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] vordert vergoeding van de door hem te maken kosten om het werk alsnog te laten uitvoeren, naar redelijkheid te begroten op € 500,00. [de eiser in conventie] heeft zich verbonden om de verdiepingsvloer in de molen te maken. [de eiser in conventie] rondde deze werkzaamheden nooit af door een gat in de vloer dicht te maken. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot voltooiing van dit werk overging, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] vordert vergoeding van de door hem te maken kosten om het werk alsnog te laten uitvoeren, naar redelijkheid te begroten op € 150,00. 4.72. [de eiser in conventie] heeft daartegenover aangevoerd dat de trapopeningen uit de offerte zijn gehaald omdat de trapleverancier daarvoor zou zorgen. De trapopeningen vormden geen onderdeel van de overeenkomst. Later is hem verzocht dit werk toch uit te voeren. De trapleverancier had de ronding niet goed aangegeven en daarom is deze aangepast. Er is geen sprake van minderwerk. Toen [de gedaagde in conventie] de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 verzond, verkeerde [de gedaagde in conventie] in verzuim en kon [de eiser in conventie] niet in verzuim geraken. 4.73. Met [de eiser in conventie] wordt geoordeeld dat de trapopeningen geen onderdeel uitmaken van de offerte en daarom ook niet onderdeel zijn van de overeenkomst. In de offerte staat achter “TRAPPEN EN HEKWERKEN” immers: “trappen doet u in eigen beheer”. Voor trappen en hekwerken zijn ook geen bedragen opgenomen in de offerte. Van minderwerk is dus geen sprake. [de gedaagde in conventie] verkeerde voordat hij de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 naar [de eiser in conventie] stuurde in verzuim. Daarom kon [de eiser in conventie] niet meer in verzuim geraken en kan [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op schadevergoeding en de kosten van herstel. Niet afgevoerd afval 4.74. [de gedaagde in conventie] stelt dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat [de eiser in conventie] haar afval zou afvoeren. [de eiser in conventie] staakte het werk met achterlating van het nog aanwezige afval. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot het afvoeren van het afval overging, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] werd daardoor genoodzaakt om een container te huren om het afval van [de eiser in conventie] af te voeren. Hij vordert vergoeding van de door hem gemaakte kosten ad € 285,00. 4.75. [de eiser in conventie] betwist dat hij deze kosten verschuldigd is. Afvoerkosten zijn niet in de offerte begrepen, terwijl het gaat om rommel van de stukadoors. 4.76. De rechtbank stelt vast dat in de offerte voor “opruimen bouwterrein/gebouwen” een bedrag van € 672,00 is opgenomen en dat [de eiser in conventie] onvoldoende weersproken heeft gesteld dat het hier gaat om rommel van de stukadoors en de steiger. Vast staat dat de stukadoor werkzaamheden heeft uitgevoerd op grond van een daartoe met [de gedaagde in conventie] gesloten overeenkomst. [de gedaagde in conventie] heeft daarmee onvoldoende onderbouwd -los van het feit dat hij zelf in verzuim verkeerde- dat hij jegens [de eiser in conventie] aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten van de huur van een container. Conclusie ten aanzien van het minderwerk/besparingen 4.77.
Volledig
Hij heeft de montage van de plinten door derden moeten laten uitvoeren. [de eiser in conventie] dient de daarmee gemoeide kosten ad € 2.778,93 aan hem te vergoeden, aldus [de gedaagde in conventie] . 4.65. [de eiser in conventie] heeft daarop als volgt gereageerd. Hij heeft de plinten afgelakt geleverd en binnen in de romp van de molen gelegd. Hij heeft de plinten niet aangebracht maar was daartoe wel bereid zodra de 9e factuur was betaald. 4.66. [de gedaagde in conventie] heeft zijn stelling dat [de eiser in conventie] de plinten niet afgelakt heeft geleverd niet met een foto onderbouwd, zodat de rechtbank aan deze door [de eiser in conventie] (met een foto) bestreden stelling voorbij gaat. Het door [de gedaagde in conventie] aangegeven bedrag van € 1.815,00 komt dan ook niet als minderwerk in aanmerking. 4.67. Anders dan [de gedaagde in conventie] heeft aangevoerd, is het uitblijven van het monteren van de plinten niet aan te merken als minderwerk. De omstandigheid dat de plinten niet zijn gemonteerd, houdt namelijk verband met het feit dat [de gedaagde in conventie] in verzuim was geraakt. [de gedaagde in conventie] , op wie in deze de stelplicht rust, heeft verder niet onderbouwd gesteld dat voor [de eiser in conventie] uit de opzegging van de overeenkomst op dit punt een besparing van € 1.766,00 (inclusief btw) is voortgevloeid. [de gedaagde in conventie] heeft niet verduidelijkt waar het door hem genoemde bedrag in de offerte staat en de rechtbank heeft het daar ook niet kunnen lezen. Vast staat wel dat [de eiser in conventie] op de factuur van 13 juni 2025 wegens besparing een bedrag in mindering heeft gebracht terzake “aftimmeren kozijnen en plinten”. Het door [de gedaagde in conventie] gestelde bedrag komt dus niet in mindering op de overeengekomen aanneemsom. 4.68. Zoals hiervoor is overwogen, verkeerde [de gedaagde in conventie] voordat hij de ingebrekestelling naar [de eiser in conventie] stuurde in verzuim. Daarom kon [de eiser in conventie] niet meer in verzuim geraken. [de gedaagde in conventie] kan dan ook jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op de kosten voor het door derden laten monteren van de plinten. Niet afgestelde kozijnen 4.69. [de gedaagde in conventie] stelt dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat een onderaannemer van [de eiser in conventie] de kozijnen en de deuren zou afstellen. De kozijnen werden wel geplaatst, maar niet afgesteld. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 weigerde om de kozijnen af te (laten) stellen, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. Daarom ontbindt [de gedaagde in conventie] de overeenkomst voor dit gedeelte en maakt hij ter zake van minderwerk aanspraak op creditering van een bedrag van € 5.445,00. 4.70. De rechtbank overweegt dat [de gedaagde in conventie] in verzuim verkeerde voordat hij de ingebrekestelling naar [de eiser in conventie] stuurde. Daarom kon [de eiser in conventie] niet meer in verzuim geraken en is er geen deugdelijke grond om de aannemingsovereenkomst te ontbinden voor dit onderdeel. [de gedaagde in conventie] kan dan ook jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op creditering van een bedrag van € 5.445,00. [de eiser in conventie] heeft verder op de factuur van 13 juni 2025 wegens besparing een bedrag van € 972,92 (inclusief btw) in mindering gebracht terzake “aftimmeren kozijnen en plinten”. Die besparing is door [de gedaagde in conventie] verder niet weersproken. Ondeugdelijke trapopening naar de eerste verdieping van de molen, niet aangebrachte opening naar de tweede verdieping van de molen, niet afgeronde werkzaamheden met betrekking tot de verdiepingsvloer in de molen 4.71. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] een trapopening in de molen van de begane grond naar de eerste verdieping heeft gemaakt. Het werk voldeed niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot herstel overging, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] vordert vergoeding van de door hem geleden schade, naar redelijkheid te begroten op een bedrag van € 550,00. [de eiser in conventie] was ook gehouden om een opening te maken van de eerste naar de tweede verdieping. [de eiser in conventie] heeft deze opening niet gemaakt. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot voltooiing van dit werk overging, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] vordert vergoeding van de door hem te maken kosten om het werk alsnog te laten uitvoeren, naar redelijkheid te begroten op € 500,00. [de eiser in conventie] heeft zich verbonden om de verdiepingsvloer in de molen te maken. [de eiser in conventie] rondde deze werkzaamheden nooit af door een gat in de vloer dicht te maken. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot voltooiing van dit werk overging, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] vordert vergoeding van de door hem te maken kosten om het werk alsnog te laten uitvoeren, naar redelijkheid te begroten op € 150,00. 4.72. [de eiser in conventie] heeft daartegenover aangevoerd dat de trapopeningen uit de offerte zijn gehaald omdat de trapleverancier daarvoor zou zorgen. De trapopeningen vormden geen onderdeel van de overeenkomst. Later is hem verzocht dit werk toch uit te voeren. De trapleverancier had de ronding niet goed aangegeven en daarom is deze aangepast. Er is geen sprake van minderwerk. Toen [de gedaagde in conventie] de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 verzond, verkeerde [de gedaagde in conventie] in verzuim en kon [de eiser in conventie] niet in verzuim geraken. 4.73. Met [de eiser in conventie] wordt geoordeeld dat de trapopeningen geen onderdeel uitmaken van de offerte en daarom ook niet onderdeel zijn van de overeenkomst. In de offerte staat achter “TRAPPEN EN HEKWERKEN” immers: “trappen doet u in eigen beheer”. Voor trappen en hekwerken zijn ook geen bedragen opgenomen in de offerte. Van minderwerk is dus geen sprake. [de gedaagde in conventie] verkeerde voordat hij de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 naar [de eiser in conventie] stuurde in verzuim. Daarom kon [de eiser in conventie] niet meer in verzuim geraken en kan [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op schadevergoeding en de kosten van herstel. Niet afgevoerd afval 4.74. [de gedaagde in conventie] stelt dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat [de eiser in conventie] haar afval zou afvoeren. [de eiser in conventie] staakte het werk met achterlating van het nog aanwezige afval. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot het afvoeren van het afval overging, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] werd daardoor genoodzaakt om een container te huren om het afval van [de eiser in conventie] af te voeren. Hij vordert vergoeding van de door hem gemaakte kosten ad € 285,00. 4.75. [de eiser in conventie] betwist dat hij deze kosten verschuldigd is. Afvoerkosten zijn niet in de offerte begrepen, terwijl het gaat om rommel van de stukadoors. 4.76. De rechtbank stelt vast dat in de offerte voor “opruimen bouwterrein/gebouwen” een bedrag van € 672,00 is opgenomen en dat [de eiser in conventie] onvoldoende weersproken heeft gesteld dat het hier gaat om rommel van de stukadoors en de steiger. Vast staat dat de stukadoor werkzaamheden heeft uitgevoerd op grond van een daartoe met [de gedaagde in conventie] gesloten overeenkomst. [de gedaagde in conventie] heeft daarmee onvoldoende onderbouwd -los van het feit dat hij zelf in verzuim verkeerde- dat hij jegens [de eiser in conventie] aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten van de huur van een container. Conclusie ten aanzien van het minderwerk/besparingen 4.77.
Volledig
Op grond van het vorenstaande heeft [de gedaagde in conventie] op grond van minderwerk en besparingen aanspraak op de volgende creditering (alles inclusief btw): -minderwerk factuur 18 september 2024 € 10.466,58 -besparingen factuur 13 juni 2025 € 8.934,66 + Totaal minderwerk/besparingen € 19.401,24 Onverschuldigde betaling Materialen voor het buitenstucwerk 4.78. [de gedaagde in conventie] stelt dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat [de eiser in conventie] de materialen voor het buitenstucwerk zou bestellen en tegen kostprijs aan hem zou leveren. [de eiser in conventie] bood op 19 maart 2024 per e-mail de materialen voor het buitenstucwerk te koop aan voor een bedrag van € 51.539,31 (exclusief btw). In de offerte (van 18 maart 2024) staat dat geen rekening is gehouden met de verpakking. De offerte vermeldt niet welk btw tarief van toepassing is en evenmin worden de exacte btw-bedragen vermeld. In de offerte staan ook niet de exact te verkopen hoeveelheden, terwijl het voor [de eiser in conventie] wel duidelijk was, althans moest zijn welke hoeveelheden er exact geleverd zouden worden. Er is volgens [de gedaagde in conventie] sprake van een misleidende omissie omdat daarmee essentiële informatie werd weggelaten. Daardoor kon [de gedaagde in conventie] als consument de exacte koopprijs niet berekenen. [de eiser in conventie] bracht bij factuur van 21 maart 2024 voor deze materialen een bedrag van € 66.620,65 in rekening. Dat is € 15.081,34 meer dan de afgegeven koopprijs. [de gedaagde in conventie] heeft het volledige gefactureerde bedrag voldaan. Een doelmatige, evenredige en afschrikwekkende sanctie op de misleidende handelwijze van [de eiser in conventie] is dat wordt vastgesteld dat [de gedaagde in conventie] de materialen slechts tegen een all-in prijs van € 51.539,31 heeft gekocht. De partiële vernietiging moet er daarom toe leiden dat de in rekening gebrachte btw alsook de na verrekening van de bestelde materialen niet is overeengekomen. [de gedaagde in conventie] stelt dat hij dus € 15.081,34 onverschuldigd heeft betaald. 4.79. [de eiser in conventie] betwist dat [de gedaagde in conventie] onverschuldigd heeft betaald. [de gedaagde in conventie] wilde het stucwerk in eigen beheer uitvoeren maar kon als particulier niet de materialen bestellen bij de gewenste leverancier. Op verzoek van [de gedaagde in conventie] heeft [de eiser in conventie] dat materiaal voor hem besteld. In de offerte van 18 maart 2024 is vermeld dat het gaat om bedragen exclusief btw. [de gedaagde in conventie] wist dus dat het een prijs te vermeerderen met btw betrof. 4.80. De rechtbank volgt [de gedaagde in conventie] niet in zijn betoog. De offerte vermeldt expliciet dat de daarin opgenomen bedragen exclusief btw zijn. Op dezelfde gronden als hiervoor reeds is overwogen, mocht [de eiser in conventie] btw in rekening brengen, ondanks dat in de offerte van 18 maart 2024 het (wettelijk) btw-percentage en het exacte bedrag aan btw niet werden vermeld. In de offerte worden weliswaar per materiaal het aantal (vierkante) meters, respectievelijk kilogrammen en liters vermeld, maar nu in de offerte uitdrukkelijk staat vermeld dat het daarbij om aannames gaat kan niet gezegd worden dat er sprake is van een kennelijke omissie. [de eiser in conventie] was kennelijk niet staat om in de offerte per materiaal exact het aantal (vierkante) meters, respectievelijk kilogrammen en liters aan te geven. Gesteld noch gebleken is dat [de gedaagde in conventie] bij [de eiser in conventie] navraag heeft gedaan waarom [de eiser in conventie] van aannames is uitgegaan, laat staat dat hij daartegen heeft geprotesteerd. Vergelijking van het in de offerte per materiaal vermelde aantal (vierkante) meters, respectievelijk kilogrammen en liters met de in de factuur per materiaal vermelde aantal (vierkante) meters, respectievelijk kilogrammen en liters, laat zien dat de verschillen zich enkel voordoen bij de (vierkante) meters “Ecoshape” en “EcoshapeHoek”. Dit levert ten opzichte van de offerte een verschil op van € 4.258,08 (€ 66.620,65 - € 62.362,57). Aangezien [de gedaagde in conventie] niet heeft aangevoerd dat de gefactureerde (vierkante) meters van de hier bedoelde materialen onjuist zijn, gaat de rechtbank ervan uit dat de factuur ook in zoverre overeenstemt met de hoeveelheid aan [de gedaagde in conventie] geleverde materiaal. De handelwijze van [de eiser in conventie] is dus niet misleidend. Van onverschuldigde betaling is in dit geval dan ook geen sprake. Steiger 4.81. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] op de factuur van 13 februari 2024 kosten in rekening heeft gebracht voor huur van de steiger in de laatste twee weken van december 2023 en de eerste week van januari 2024. Het gaat hierbij om een bedrag van € 779,24 (inclusief btw). Er was volgens [de gedaagde in conventie] echter geen reden om voor deze periode een steiger op de bouwplaats te hebben. De steiger zou in deze periode waarin de kerstvakantie viel niet worden gebruikt en daarom lag het op de weg van [de eiser in conventie] de steiger pas na de kerstvakantie te huren. [de gedaagde in conventie] heeft dit bedrag toch betaald. [de gedaagde in conventie] vordert dit bedrag terug als onverschuldigd betaald. 4.82. [de eiser in conventie] voert daar tegenover aan dat de door [de gedaagde in conventie] als nevenaannemer ingeschakelde stukadoor [stukadoor] aan hem had aangegeven dat hij in december 2023 wilde beginnen met het buitenstucwerk. Na opdracht op 21 november 2023 zijn de steigers op 12 december 2023 geplaatst. Op 13 december 2023 begreep hij van de stukadoor dat deze direct in januari 2024 zou beginnen. De steigers waren daarvoor al nodig voor de dakdekkers en de stelkozijnen omdat dat werk niet van binnenuit gedaan kon worden. 4.83. [de gedaagde in conventie] heeft niet meer gereageerd op dit betoog van [de eiser in conventie] . Het feit dat de door [de gedaagde in conventie] ingeschakelde stukadoor -in afwijking van de eerder door hem aan [de eiser in conventie] aangegeven planning- niet vóór de kerstvakantie is begonnen met het stucwerk, komt voor rekening en risico van [de gedaagde in conventie] . Dit betekent dat [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak kan maken op terugbetaling van voormeld bedrag. 4.84. [de gedaagde in conventie] stelt verder dat [de eiser in conventie] op de factuur van 13 februari 2024 ad € 4.559,00 ten onrechte btw in rekening heeft gebracht over de kosten voor montage, demontage, transport en huur van de steiger. [de gedaagde in conventie] heeft dit bedrag betaald. Voor zover de factuur betrekking had op de btw is het daarmee gemoeide bedrag (€ 957,39) door hem onverschuldigd betaald. Hij maakt aanspraak op terugbetaling van dit bedrag. Op de factuur van 15 mei 2024 ad € 9.829,00 bracht [de eiser in conventie] ten onrechte btw ad € 2.064,09 in rekening. [de gedaagde in conventie] heeft de factuur betaald. Het bedrag van € 2.064,09 is door hem onverschuldigd betaald. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op terugbetaling van dit bedrag. 4.85. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen, brengt het enkele feit dat [de eiser in conventie] in zijn aanbod van 27 oktober 2023 niet heeft vermeld dat over de kosten btw was verschuldigd niet met zich dat [de eiser in conventie] jegens [de gedaagde in conventie] geen aanspraak kan maken op btw over de hier bedoelde kosten. Van onverschuldigde betaling is dus geen sprake en [de gedaagde in conventie] kan jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op terugbetaling van de btw. Zetwerk 4.86. [de gedaagde in conventie] voert aan dat hij reeds meer voor het zetwerk heeft betaald, dan hij aan [de eiser in conventie] verschuldigd is geworden. [de eiser in conventie] heeft bij factuur van 18 september 2024 ten onrechte voor zetwerk nog een bedrag van € 4.855,13 (inclusief btw) in rekening gebracht. 4.87. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] op 2 november 2023 het zetwerk aanbood voor een totaalprijs van € 16.050,00 (exclusief btw).
Volledig
Op grond van het vorenstaande heeft [de gedaagde in conventie] op grond van minderwerk en besparingen aanspraak op de volgende creditering (alles inclusief btw): -minderwerk factuur 18 september 2024 € 10.466,58 -besparingen factuur 13 juni 2025 € 8.934,66 + Totaal minderwerk/besparingen € 19.401,24 Onverschuldigde betaling Materialen voor het buitenstucwerk 4.78. [de gedaagde in conventie] stelt dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat [de eiser in conventie] de materialen voor het buitenstucwerk zou bestellen en tegen kostprijs aan hem zou leveren. [de eiser in conventie] bood op 19 maart 2024 per e-mail de materialen voor het buitenstucwerk te koop aan voor een bedrag van € 51.539,31 (exclusief btw). In de offerte (van 18 maart 2024) staat dat geen rekening is gehouden met de verpakking. De offerte vermeldt niet welk btw tarief van toepassing is en evenmin worden de exacte btw-bedragen vermeld. In de offerte staan ook niet de exact te verkopen hoeveelheden, terwijl het voor [de eiser in conventie] wel duidelijk was, althans moest zijn welke hoeveelheden er exact geleverd zouden worden. Er is volgens [de gedaagde in conventie] sprake van een misleidende omissie omdat daarmee essentiële informatie werd weggelaten. Daardoor kon [de gedaagde in conventie] als consument de exacte koopprijs niet berekenen. [de eiser in conventie] bracht bij factuur van 21 maart 2024 voor deze materialen een bedrag van € 66.620,65 in rekening. Dat is € 15.081,34 meer dan de afgegeven koopprijs. [de gedaagde in conventie] heeft het volledige gefactureerde bedrag voldaan. Een doelmatige, evenredige en afschrikwekkende sanctie op de misleidende handelwijze van [de eiser in conventie] is dat wordt vastgesteld dat [de gedaagde in conventie] de materialen slechts tegen een all-in prijs van € 51.539,31 heeft gekocht. De partiële vernietiging moet er daarom toe leiden dat de in rekening gebrachte btw alsook de na verrekening van de bestelde materialen niet is overeengekomen. [de gedaagde in conventie] stelt dat hij dus € 15.081,34 onverschuldigd heeft betaald. 4.79. [de eiser in conventie] betwist dat [de gedaagde in conventie] onverschuldigd heeft betaald. [de gedaagde in conventie] wilde het stucwerk in eigen beheer uitvoeren maar kon als particulier niet de materialen bestellen bij de gewenste leverancier. Op verzoek van [de gedaagde in conventie] heeft [de eiser in conventie] dat materiaal voor hem besteld. In de offerte van 18 maart 2024 is vermeld dat het gaat om bedragen exclusief btw. [de gedaagde in conventie] wist dus dat het een prijs te vermeerderen met btw betrof. 4.80. De rechtbank volgt [de gedaagde in conventie] niet in zijn betoog. De offerte vermeldt expliciet dat de daarin opgenomen bedragen exclusief btw zijn. Op dezelfde gronden als hiervoor reeds is overwogen, mocht [de eiser in conventie] btw in rekening brengen, ondanks dat in de offerte van 18 maart 2024 het (wettelijk) btw-percentage en het exacte bedrag aan btw niet werden vermeld. In de offerte worden weliswaar per materiaal het aantal (vierkante) meters, respectievelijk kilogrammen en liters vermeld, maar nu in de offerte uitdrukkelijk staat vermeld dat het daarbij om aannames gaat kan niet gezegd worden dat er sprake is van een kennelijke omissie. [de eiser in conventie] was kennelijk niet staat om in de offerte per materiaal exact het aantal (vierkante) meters, respectievelijk kilogrammen en liters aan te geven. Gesteld noch gebleken is dat [de gedaagde in conventie] bij [de eiser in conventie] navraag heeft gedaan waarom [de eiser in conventie] van aannames is uitgegaan, laat staat dat hij daartegen heeft geprotesteerd. Vergelijking van het in de offerte per materiaal vermelde aantal (vierkante) meters, respectievelijk kilogrammen en liters met de in de factuur per materiaal vermelde aantal (vierkante) meters, respectievelijk kilogrammen en liters, laat zien dat de verschillen zich enkel voordoen bij de (vierkante) meters “Ecoshape” en “EcoshapeHoek”. Dit levert ten opzichte van de offerte een verschil op van € 4.258,08 (€ 66.620,65 - € 62.362,57). Aangezien [de gedaagde in conventie] niet heeft aangevoerd dat de gefactureerde (vierkante) meters van de hier bedoelde materialen onjuist zijn, gaat de rechtbank ervan uit dat de factuur ook in zoverre overeenstemt met de hoeveelheid aan [de gedaagde in conventie] geleverde materiaal. De handelwijze van [de eiser in conventie] is dus niet misleidend. Van onverschuldigde betaling is in dit geval dan ook geen sprake. Steiger 4.81. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] op de factuur van 13 februari 2024 kosten in rekening heeft gebracht voor huur van de steiger in de laatste twee weken van december 2023 en de eerste week van januari 2024. Het gaat hierbij om een bedrag van € 779,24 (inclusief btw). Er was volgens [de gedaagde in conventie] echter geen reden om voor deze periode een steiger op de bouwplaats te hebben. De steiger zou in deze periode waarin de kerstvakantie viel niet worden gebruikt en daarom lag het op de weg van [de eiser in conventie] de steiger pas na de kerstvakantie te huren. [de gedaagde in conventie] heeft dit bedrag toch betaald. [de gedaagde in conventie] vordert dit bedrag terug als onverschuldigd betaald. 4.82. [de eiser in conventie] voert daar tegenover aan dat de door [de gedaagde in conventie] als nevenaannemer ingeschakelde stukadoor [stukadoor] aan hem had aangegeven dat hij in december 2023 wilde beginnen met het buitenstucwerk. Na opdracht op 21 november 2023 zijn de steigers op 12 december 2023 geplaatst. Op 13 december 2023 begreep hij van de stukadoor dat deze direct in januari 2024 zou beginnen. De steigers waren daarvoor al nodig voor de dakdekkers en de stelkozijnen omdat dat werk niet van binnenuit gedaan kon worden. 4.83. [de gedaagde in conventie] heeft niet meer gereageerd op dit betoog van [de eiser in conventie] . Het feit dat de door [de gedaagde in conventie] ingeschakelde stukadoor -in afwijking van de eerder door hem aan [de eiser in conventie] aangegeven planning- niet vóór de kerstvakantie is begonnen met het stucwerk, komt voor rekening en risico van [de gedaagde in conventie] . Dit betekent dat [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak kan maken op terugbetaling van voormeld bedrag. 4.84. [de gedaagde in conventie] stelt verder dat [de eiser in conventie] op de factuur van 13 februari 2024 ad € 4.559,00 ten onrechte btw in rekening heeft gebracht over de kosten voor montage, demontage, transport en huur van de steiger. [de gedaagde in conventie] heeft dit bedrag betaald. Voor zover de factuur betrekking had op de btw is het daarmee gemoeide bedrag (€ 957,39) door hem onverschuldigd betaald. Hij maakt aanspraak op terugbetaling van dit bedrag. Op de factuur van 15 mei 2024 ad € 9.829,00 bracht [de eiser in conventie] ten onrechte btw ad € 2.064,09 in rekening. [de gedaagde in conventie] heeft de factuur betaald. Het bedrag van € 2.064,09 is door hem onverschuldigd betaald. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op terugbetaling van dit bedrag. 4.85. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen, brengt het enkele feit dat [de eiser in conventie] in zijn aanbod van 27 oktober 2023 niet heeft vermeld dat over de kosten btw was verschuldigd niet met zich dat [de eiser in conventie] jegens [de gedaagde in conventie] geen aanspraak kan maken op btw over de hier bedoelde kosten. Van onverschuldigde betaling is dus geen sprake en [de gedaagde in conventie] kan jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op terugbetaling van de btw. Zetwerk 4.86. [de gedaagde in conventie] voert aan dat hij reeds meer voor het zetwerk heeft betaald, dan hij aan [de eiser in conventie] verschuldigd is geworden. [de eiser in conventie] heeft bij factuur van 18 september 2024 ten onrechte voor zetwerk nog een bedrag van € 4.855,13 (inclusief btw) in rekening gebracht. 4.87. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] op 2 november 2023 het zetwerk aanbood voor een totaalprijs van € 16.050,00 (exclusief btw).
Volledig
Op 21 november 2023 bood [de eiser in conventie] de stalen hoeken -die verwerkt zouden worden in de isolatie om het zetwerk op te vangen- aan voor een totaalbedrag van € 4.150,00 (exclusief btw). [de eiser in conventie] bood het zetwerk en de stalen hoeken aan voor € 20.200,00 (exclusief btw). [de eiser in conventie] vermeldde de exacte btw bedragen niet. Ook vermeldde [de eiser in conventie] niet welk btw-percentage over het zetwerk en de stalen hoeken van toepassing zou zijn. [de eiser in conventie] handelde daarmee in strijd met artikel 38 van de Wet op de Omzetbelasting. Er was tevens sprake van een misleidende omissie als bedoeld in artikel 6:193d lid 2 BW omdat daarmee essentiële informatie werd weggelaten, wat als een oneerlijke handelspraktijk van [de eiser in conventie] kwalificeert. Op 13 februari 2024 factureerde [de eiser in conventie] € 8.025,00 voor het zetwerk en € 4.150,00 voor de stalen hoeken. Op 15 mei 2024 factureerde [de eiser in conventie] nog een bedrag van € 4.012,50 voor het zetwerk en nog eens € 4.160,00 voor stalen hoeken. In totaal heeft [de eiser in conventie] een bedrag van € 20.347,50 vermeerderd met btw in rekening gebracht, dus totaal € 24.620,48. [de gedaagde in conventie] heeft beide facturen voldaan. [de gedaagde in conventie] heeft een bedrag van € 4.420,48 (€ 24.620,48 - € 20.200,00) onverschuldigd betaald en [de eiser in conventie] moet dit bedrag aan hem voldoen, aldus [de gedaagde in conventie] . 4.88. [de eiser in conventie] voert daartegenover aan dat de btw terecht in rekening is gebracht en dat -anders dan [de gedaagde in conventie] stelt- de laatste 25% van het zetwerk niet als post “stalen hoeken” in rekening is gebracht bij de factuur van 18 september 2024. [de gedaagde in conventie] lijkt de post voor de stalen hoeken ter plaatse van de middelste sierrand ad € 4.160,00 met het zetwerk te verwarren. 4.89. [de gedaagde in conventie] heeft dit laatste niet bestreden. Bovendien is in de offertes van 2 november 2023 en 21 november 2023 expliciet vermeld dat de prijs exclusief btw is. Daar waar -zoals hiervoor reeds is overwogen- [de eiser in conventie] btw in rekening mocht brengen, ook al werd het btw-bedrag of het (wettelijk) btw-percentage niet afzonderlijk vermeld in de offerte voor het zetwerk, is er geen sprake van onverschuldigde betaling. [de gedaagde in conventie] heeft ter zake niets te vorderen van [de eiser in conventie] . Beschadiging van zaken 4.90. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] bij de uitvoering van de aannemingsovereenkomst diverse zaken, die derden reeds hadden voltooid, heeft beschadigd. [de eiser in conventie] heeft een (tijdelijke) kap over het gebouw die diende om te voorkomen dat -zolang de waterslagen nog niet waren aangebracht- water langs een witte sierrand zou lopen, verwijderd voordat de waterslagen waren gemonteerd, waardoor er water langs die sierrand is gelopen. Hij maakt aanspraak op de kosten van herstel, in redelijkheid te begroten op € 112,50. Bij de uitvoering van het werk verwijderde de door [de eiser in conventie] ingeschakelde dakdekker de door een andere aannemer aangebrachte dakdoorvoeren. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op de kosten van herstel, in redelijkheid te begroten op € 275,00. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] bij het bijmaken van 4 extra vloerluiken de vloerverwarming heeft beschadigd. Hij vordert de kosten voor herstel, in redelijkheid te begroten op € 375,00. 4.91. [de eiser in conventie] betwist hetgeen hier door [de gedaagde in conventie] wordt gesteld. Ter zitting heeft [de eiser in conventie] toegelicht dat de kap eraf moest voor de dakdekker om een lekkage te verhelpen. Bij het zagen van de trapsparing werden door de trapbouwer danwel [de gedaagde in conventie] verkeerde maten doorgegeven. Bovendien heeft [de gedaagde in conventie] hem -voor zover de gebreken aan hem te wijten zijn of hij daardoor verantwoordelijk is- niet in de gelegenheid gesteld om voor herstel zorg te dragen. 4.92. Op de ter zitting door [de eiser in conventie] gegeven toelichting bij deze werkzaamheden is [de gedaagde in conventie] niet meer ingegaan, zodat [de gedaagde in conventie] zijn stelling dat [de eiser in conventie] bij de uitvoering van haar werkzaamheden schade zou hebben veroorzaakt, onvoldoende heeft onderbouwd. Verder: uit de e-mail van 8 augustus 2024 volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] een redelijke termijn heeft gesteld om deze specifieke (gestelde) gebreken te herstellen; daaruit lijkt zelfs te volgen dat [de gedaagde in conventie] derden de betreffende werkzaamheden al heeft laten uitvoeren. Nu gesteld noch gebleken is dat [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] -anders dan van [de gedaagde in conventie] kon worden gevergd- heeft verzocht om tot herstel over te gaan, terwijl herstel redelijkerwijze nog mogelijk was, komen de door [de gedaagde in conventie] gevorderde kosten van herstel niet voor vergoeding is aanmerking. Van verzuim is immers onder deze omstandigheden geen sprake. Het door [de eiser in conventie] uitgeoefende retentierecht en de verbreking daarvan door [de gedaagde in conventie] 4.93. De eerste vraag die hier beantwoord moet worden is of [de eiser in conventie] een retentierecht toekwam. 4.94. Retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan (artikel 3:290 BW). 4.95. De 9e factuur van 15 mei 2024 bevatte een betalingstermijn van 10 dagen. Dit is in beginsel een fatale termijn (artikel 6:83 sub a BW). [de gedaagde in conventie] heeft geen omstandigheden aangevoerd waarom geen sprake zou zijn van een fatale termijn. [de gedaagde in conventie] verkeerde daarom reeds op 26 mei 2024 in verzuim. Het enkele feit dat nadien tussen partijen is overeengekomen dat betaling zou plaatsvinden zodra de cementdekvloer was gelegd, betekent niet dat daardoor het verzuim is vervallen. De inhoud van de e-mail van [de eiser in conventie] van 31 mei 2024 biedt daarvoor geen aanknopingspunt. Hoe dan ook is [de gedaagde in conventie] in ieder geval op 23 juni 2024 in verzuim komen te verkeren doordat hij, nadat de cementdekvloer op 12 juni 2024 was gelegd, niet binnen 10 dagen tot betaling van de 9e factuur is overgegaan. Aan dit verzuim is ook geen einde gekomen door de nadien door [de gedaagde in conventie] verrichte deelbetalingen. Dit betekent dat [de eiser in conventie] op 18 oktober 2024 in beginsel bevoegd was om afgifte van de zaak, in dit geval de molen met aanbouw, op te schorten totdat zijn vordering was voldaan. [de eiser in conventie] heeft daartoe de bouwplaats afgesloten. 4.96. Voor het kunnen uitoefenen van een retentierecht is echter vereist dat de [de eiser in conventie] vóór 18 oktober 2024 de feitelijke macht had over de molen en de aanbouw. Van feitelijke macht in de hier bedoelde zin is sprake als afgifte in de zin van artikel 3:290 BW van de molen en de aanbouw door [de eiser in conventie] nodig is om haar weer in de macht van [de gedaagde in conventie] te brengen. Daarvoor is nodig dat [de eiser in conventie] een zodanige feitelijke macht over de zaak heeft dat de molen en de aanbouw voor [de gedaagde in conventie] of een derde ontoegankelijk is, waarbij die situatie een normaal gevolg is van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Dit betekent dat de zeggenschap die [de eiser in conventie] over de molen en de aanbouw heeft, moet voortvloeien uit zijn op dat moment lopende werkzaamheden ter uitvoering van de aannemingsovereenkomst, dat deze zeggenschap de toegang door [de gedaagde in conventie] tot de molen en de aanbouw moet betreffen en dat deze zeggenschap exclusief aan [de eiser in conventie] moet toekomen. Het retentierecht kan ook worden uitgeoefend op een gedeelte van de onroerende zaak (HR 5 december 2003, LJN AL8440, NJ 2004, 340). 4.97. [de eiser in conventie] stelt dat hij vanaf het begin de bouwplaats heeft omheind met een hekwerk.
Volledig
Op 21 november 2023 bood [de eiser in conventie] de stalen hoeken -die verwerkt zouden worden in de isolatie om het zetwerk op te vangen- aan voor een totaalbedrag van € 4.150,00 (exclusief btw). [de eiser in conventie] bood het zetwerk en de stalen hoeken aan voor € 20.200,00 (exclusief btw). [de eiser in conventie] vermeldde de exacte btw bedragen niet. Ook vermeldde [de eiser in conventie] niet welk btw-percentage over het zetwerk en de stalen hoeken van toepassing zou zijn. [de eiser in conventie] handelde daarmee in strijd met artikel 38 van de Wet op de Omzetbelasting. Er was tevens sprake van een misleidende omissie als bedoeld in artikel 6:193d lid 2 BW omdat daarmee essentiële informatie werd weggelaten, wat als een oneerlijke handelspraktijk van [de eiser in conventie] kwalificeert. Op 13 februari 2024 factureerde [de eiser in conventie] € 8.025,00 voor het zetwerk en € 4.150,00 voor de stalen hoeken. Op 15 mei 2024 factureerde [de eiser in conventie] nog een bedrag van € 4.012,50 voor het zetwerk en nog eens € 4.160,00 voor stalen hoeken. In totaal heeft [de eiser in conventie] een bedrag van € 20.347,50 vermeerderd met btw in rekening gebracht, dus totaal € 24.620,48. [de gedaagde in conventie] heeft beide facturen voldaan. [de gedaagde in conventie] heeft een bedrag van € 4.420,48 (€ 24.620,48 - € 20.200,00) onverschuldigd betaald en [de eiser in conventie] moet dit bedrag aan hem voldoen, aldus [de gedaagde in conventie] . 4.88. [de eiser in conventie] voert daartegenover aan dat de btw terecht in rekening is gebracht en dat -anders dan [de gedaagde in conventie] stelt- de laatste 25% van het zetwerk niet als post “stalen hoeken” in rekening is gebracht bij de factuur van 18 september 2024. [de gedaagde in conventie] lijkt de post voor de stalen hoeken ter plaatse van de middelste sierrand ad € 4.160,00 met het zetwerk te verwarren. 4.89. [de gedaagde in conventie] heeft dit laatste niet bestreden. Bovendien is in de offertes van 2 november 2023 en 21 november 2023 expliciet vermeld dat de prijs exclusief btw is. Daar waar -zoals hiervoor reeds is overwogen- [de eiser in conventie] btw in rekening mocht brengen, ook al werd het btw-bedrag of het (wettelijk) btw-percentage niet afzonderlijk vermeld in de offerte voor het zetwerk, is er geen sprake van onverschuldigde betaling. [de gedaagde in conventie] heeft ter zake niets te vorderen van [de eiser in conventie] . Beschadiging van zaken 4.90. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] bij de uitvoering van de aannemingsovereenkomst diverse zaken, die derden reeds hadden voltooid, heeft beschadigd. [de eiser in conventie] heeft een (tijdelijke) kap over het gebouw die diende om te voorkomen dat -zolang de waterslagen nog niet waren aangebracht- water langs een witte sierrand zou lopen, verwijderd voordat de waterslagen waren gemonteerd, waardoor er water langs die sierrand is gelopen. Hij maakt aanspraak op de kosten van herstel, in redelijkheid te begroten op € 112,50. Bij de uitvoering van het werk verwijderde de door [de eiser in conventie] ingeschakelde dakdekker de door een andere aannemer aangebrachte dakdoorvoeren. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op de kosten van herstel, in redelijkheid te begroten op € 275,00. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] bij het bijmaken van 4 extra vloerluiken de vloerverwarming heeft beschadigd. Hij vordert de kosten voor herstel, in redelijkheid te begroten op € 375,00. 4.91. [de eiser in conventie] betwist hetgeen hier door [de gedaagde in conventie] wordt gesteld. Ter zitting heeft [de eiser in conventie] toegelicht dat de kap eraf moest voor de dakdekker om een lekkage te verhelpen. Bij het zagen van de trapsparing werden door de trapbouwer danwel [de gedaagde in conventie] verkeerde maten doorgegeven. Bovendien heeft [de gedaagde in conventie] hem -voor zover de gebreken aan hem te wijten zijn of hij daardoor verantwoordelijk is- niet in de gelegenheid gesteld om voor herstel zorg te dragen. 4.92. Op de ter zitting door [de eiser in conventie] gegeven toelichting bij deze werkzaamheden is [de gedaagde in conventie] niet meer ingegaan, zodat [de gedaagde in conventie] zijn stelling dat [de eiser in conventie] bij de uitvoering van haar werkzaamheden schade zou hebben veroorzaakt, onvoldoende heeft onderbouwd. Verder: uit de e-mail van 8 augustus 2024 volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] een redelijke termijn heeft gesteld om deze specifieke (gestelde) gebreken te herstellen; daaruit lijkt zelfs te volgen dat [de gedaagde in conventie] derden de betreffende werkzaamheden al heeft laten uitvoeren. Nu gesteld noch gebleken is dat [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] -anders dan van [de gedaagde in conventie] kon worden gevergd- heeft verzocht om tot herstel over te gaan, terwijl herstel redelijkerwijze nog mogelijk was, komen de door [de gedaagde in conventie] gevorderde kosten van herstel niet voor vergoeding is aanmerking. Van verzuim is immers onder deze omstandigheden geen sprake. Het door [de eiser in conventie] uitgeoefende retentierecht en de verbreking daarvan door [de gedaagde in conventie] 4.93. De eerste vraag die hier beantwoord moet worden is of [de eiser in conventie] een retentierecht toekwam. 4.94. Retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan (artikel 3:290 BW). 4.95. De 9e factuur van 15 mei 2024 bevatte een betalingstermijn van 10 dagen. Dit is in beginsel een fatale termijn (artikel 6:83 sub a BW). [de gedaagde in conventie] heeft geen omstandigheden aangevoerd waarom geen sprake zou zijn van een fatale termijn. [de gedaagde in conventie] verkeerde daarom reeds op 26 mei 2024 in verzuim. Het enkele feit dat nadien tussen partijen is overeengekomen dat betaling zou plaatsvinden zodra de cementdekvloer was gelegd, betekent niet dat daardoor het verzuim is vervallen. De inhoud van de e-mail van [de eiser in conventie] van 31 mei 2024 biedt daarvoor geen aanknopingspunt. Hoe dan ook is [de gedaagde in conventie] in ieder geval op 23 juni 2024 in verzuim komen te verkeren doordat hij, nadat de cementdekvloer op 12 juni 2024 was gelegd, niet binnen 10 dagen tot betaling van de 9e factuur is overgegaan. Aan dit verzuim is ook geen einde gekomen door de nadien door [de gedaagde in conventie] verrichte deelbetalingen. Dit betekent dat [de eiser in conventie] op 18 oktober 2024 in beginsel bevoegd was om afgifte van de zaak, in dit geval de molen met aanbouw, op te schorten totdat zijn vordering was voldaan. [de eiser in conventie] heeft daartoe de bouwplaats afgesloten. 4.96. Voor het kunnen uitoefenen van een retentierecht is echter vereist dat de [de eiser in conventie] vóór 18 oktober 2024 de feitelijke macht had over de molen en de aanbouw. Van feitelijke macht in de hier bedoelde zin is sprake als afgifte in de zin van artikel 3:290 BW van de molen en de aanbouw door [de eiser in conventie] nodig is om haar weer in de macht van [de gedaagde in conventie] te brengen. Daarvoor is nodig dat [de eiser in conventie] een zodanige feitelijke macht over de zaak heeft dat de molen en de aanbouw voor [de gedaagde in conventie] of een derde ontoegankelijk is, waarbij die situatie een normaal gevolg is van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Dit betekent dat de zeggenschap die [de eiser in conventie] over de molen en de aanbouw heeft, moet voortvloeien uit zijn op dat moment lopende werkzaamheden ter uitvoering van de aannemingsovereenkomst, dat deze zeggenschap de toegang door [de gedaagde in conventie] tot de molen en de aanbouw moet betreffen en dat deze zeggenschap exclusief aan [de eiser in conventie] moet toekomen. Het retentierecht kan ook worden uitgeoefend op een gedeelte van de onroerende zaak (HR 5 december 2003, LJN AL8440, NJ 2004, 340). 4.97. [de eiser in conventie] stelt dat hij vanaf het begin de bouwplaats heeft omheind met een hekwerk.